Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6522

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
3072845 / 14-387
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid. Ongeval. Werknemer klimt over hek op bedrijfsterrein en raakt daarbij vinger kwijt. Bewuste roekeloosheid? Zorgplicht werkgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019x
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019ij
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019bb
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019cc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/12
JA 2015/20 met annotatie van mr. V. Oskam
JAR 2014/287
AR-Updates.nl 2014-0923
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 3072845

Rolnummer : 14-387

Uitspraakdatum : 31 oktober 2014

in de zaak van:

[werknemer],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. T.G.M. Gersjes,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. M.J.P.M. van de Westerlo.

Partijen zullen hierna worden genoemd “[werknemer]” en “[werkgever]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het op 15 mei 2014 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

b. het daarop op 23 september 2014 ontvangen verweerschrift, met producties;

c. de mondelinge behandeling die op 29 september 2014 heeft plaatsgevonden en ten behoeve waarvan de gemachtigde van [werkgever] op 25 en 26 september 2014 aanvullende stukken in het geding gebracht heeft. Bij de mondelinge behandeling zijn beide gemachtigden aanwezig geweest, alsmede verzoeker en namens verweerster haar directeur [L.] alsmede mevrouw [G.], HR-manager. De gemachtigde van [werknemer] heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en in het geding gebracht.

1.2

De inhoud van de hiervoor vermelde stukken geldt als hier ingelast.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is vanaf 1 september 2011 in dienst bij [werkgever] als medewerker houtzagerij.

Op 20 juni 2013 heeft hij vanaf ongeveer 20.00 uur overgewerkt. Toen hij daarmee klaar was heeft hij samen met zijn collega [R.] omstreeks 21.00 uur het bedrijfsterrein van [werkgever] verlaten via de uitgang naar de parkeerplaats. Het bedrijfsterrein en de parkeerplaats zijn gescheiden door een stalen hek van ongeveer 2.30 meter hoog met spijlen en aan de bovenzijde scherpe stalen punten. In het hek bevindt zich een toegangspoort van dezelfde hoogte, aan de bovenzijde eveneens voorzien van scherpe stalen punten. Op het bedrijfsterrein was, in de directe nabijheid van de poort, een paal met een metalen prullenbak (totale hoogte ca. 75 cm.) geplaatst. Omdat de poort gesloten was, zijn [werknemer] en [R.] met gebruikmaking van de prullenbak over het hek danwel de poort geklommen. Nadat [R.] over het hekwerk was geklommen, klom [werknemer] over de poort of het hek. [werknemer] heeft daarbij met zijn hand steun gezocht op de bovenkant van het hek en is, toen hij zich naar beneden liet vallen of naar beneden sprong, met een ring blijven haken aan een van de stalen punten, met als gevolg dat de ringvinger van zijn rechterhand volledig is afgescheurd. In het ziekenhuis bleek dat de vinger niet behouden kon worden. Als gevolg daarvan heeft [werknemer] blijvend lichamelijk letsel opgelopen en is hij (deels) arbeidsongeschikt geworden.

Zonder gebruikmaking van de prullenbak is het niet mogelijk over het hek te klimmen.

Het ongeval is door [werkgever] gemeld aan de Inspectie SZW (hierna: arbeidsinspectie) die bij brief van 19 december 2013 heeft bericht dat haar niet gebleken is dat de Arbeidsomstandighedenwet is overtreden.

3 Het geschil

3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor recht te verklaren dat [werkgever] aansprakelijk is voor de door [werknemer] ten gevolge van het ongeval geleden materiële en immateriële schade. Tevens verzoekt [werknemer] de kantonrechter de kosten van de procedure te begroten en [werkgever] te veroordelen in deze kosten.

3.2.

[werknemer] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Bij het verlaten van het bedrijfsterrein hebben [R.] en hij niet aan de sleutelhouder gevraagd om de poort voor hen te openen; zij gingen ervan uit dat de poort nog wel open zou zijn omdat deze om 20.00 uur nog open was. Specifieke instructies met betrekking tot de sleutelprocedure heeft hij nooit gekregen. Ook is hem nooit verboden over het hek/de poort te klimmen. Het was bij [werkgever] bekend dat medewerkers regelmatig over de poort/het hek klommen. Er is geen waarschuwings- of verbodsbord op het hek geplaatst. Hij is ook niet bekend met een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) van [werkgever]. [werkgever] heeft onvoldoende maatregelen getroffen ter voorkoming van de schade die zich nu heeft gemanifesteerd, zodat [werkgever] daarvoor aansprakelijk is op grond van art 7:658 BW. [werkgever] had ter voorkoming van schade maatregelen kunnen en moeten treffen hetgeen, zo is na het ongeval gebleken, eenvoudig was. Zij had immers op die plaats geen afvalcontainer/prullenbak moeten neerzetten.

[werkgever] heeft zich subsidiair schuldig gemaakt aan gevaarzetting (art. 6:173 in verbinding met art. 6:162 BW), doordat zij de prullenbak/container heeft gesitueerd bij het hek en deze daar, in de wetenschap dat deze gebruikt werd om over het hek te klimmen, heeft laten staan. Tot slot heeft [werkgever] de norm van het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) overschreden, zodat zij ook op die grond aansprakelijk is voor de schade.

3.3.

[werkgever] voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat de schade niet is geleden in de uitoefening van het werk, maar nadat het werk was beëindigd. Voorts is de schade het gevolg van bewust roekeloos gedrag van [werknemer]. Haar kan geen verwijt worden gemaakt, omdat zij alle noodzakelijke maatregelen ter voorkoming van schade heeft getroffen. Zij heeft haar medewerkers wel degelijk geïnstrueerd omtrent het verlaten van het terrein en heeft sleutelhouders aangewezen die in het bedrijfspand aanwezig zijn en, ingeval van een gesloten poort, medewerkers in- en uitlaten. Gelet op de constructie (ongeveer 2.30 meter hoog en met metalen punten) en het doel van het hek/de poort (het buiten houden van ongewenst bezoek), hoefde zij er niet op bedacht te zijn dat werknemers over het hek zouden klimmen. Het hek is juist enkele jaren geleden vervangen en verhoogd; aanvankelijk was het een hekwerk van gaas, aan de bovenzijde voorzien van een ronde metalen pijp. Dit gazen hekwerk is vervangen door het huidige, hogere hekwerk, voorzien van spijlen en aan de bovenzijde voorzien van scherpe punten.

Zij betwist uitdrukkelijk dat zij wist dat er over het hek/de poort geklommen werd.

Dat haar geen verwijt kan worden gemaakt blijkt ook uit de conclusie van de arbeidsinspectie.

Tot slot verzet zij zich tegen de declaratie van de gemachtigde van [werknemer].

4 De beoordeling

Is de schade in de uitoefening van het werk opgetreden?

4.1.

De eerste vraag is of het ongeval is gebeurd in de uitoefening van het werk. [werkgever] is kennelijk de mening toegedaan dat dit niet het geval was nu [werknemer] en zijn collega hun werkzaamheden ten tijde van het ongeval hadden beëindigd en op weg waren naar huis. Het begrip “in de uitoefening van zijn werkzaamheden”, zoals opgenomen in artikel 7:658 BW, dient volgens vaste rechtspraak echter ruim te worden uitgelegd in die zin, dat de zorgplicht van de werkgever zich uitstrekt over de directe werkomgeving en nauw verband houdt met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek.1 In het onderhavige geval heeft de schade zich voorgedaan op het terrein van [werkgever] terwijl haar medewerker, [werknemer], bezig was het terrein te verlaten. Hoewel [werknemer] niet “aan het werk” was, is voldoende vast komen te staan dat de schade is opgetreden “in de uitoefening van het werk” als bedoeld in art. 7:658 lid 2 BW dan wel in voldoende verband staat tot de uitoefening van de werkzaamheden.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW?

4.2.

[werknemer] baseert zijn vordering primair op art. 7:658 BW. Op grond van het bepaalde in lid 1 van dit artikel is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Ingevolge lid 2 van dit artikel is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Met artikel 7:658 BW is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongevallen die hem bij de uitoefening van zijn functie kunnen overkomen.

4.3.

[werkgever] verweert zich tegen de bovenomschreven aansprakelijkheid met de stellingen dat er sprake is van opzet/bewuste roekeloosheid aan de zijde van [werknemer] en dat zij haar zorgplicht als werkgever als bedoeld in lid 1 van dit artikel is nagekomen. Volgens vaste rechtspraak is het daarbij aan de werkgever, dus aan [werkgever], om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die deze conclusies rechtvaardigen.

4.4.

Voor het aannemen van opzet van [werknemer] heeft [werkgever] onvoldoende gesteld. Niet gesteld is immers dat de wil van [werknemer] was gericht op het veroorzaken van enige schade. Van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [werknemer] is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin gebleken. Daarvan is pas sprake, indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest2.

[werkgever] heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat [werknemer] zich daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter van het klimmen over het hek. De enkele omstandigheden, dat het ging om een hoog hek met scherpe stalen punten en dat [R.] [werknemer] nog heeft gewaarschuwd dat hij moest oppassen voor zijn broek bij het klimmen over de poort, zijn daartoe onvoldoende. Daaruit volgt immers nog niet dat [werknemer], toen hij over het hek klom, zich van het roekeloze karakter van zijn handelen daadwerkelijk bewust was. Aan bewijslevering, door [werkgever] overigens slechts in heel algemene zin aangeboden, komt de kantonrechter daarom niet toe.

4.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of [werkgever] heeft voldaan aan haar in artikel 7:658, eerste lid BW omschreven zorgplicht. Ingevolge het tweede lid van dat artikel ligt het op de weg van de werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij zijn verplichtingen als bedoeld in lid 1 van dat artikel is nagekomen.

Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever op de voet van artikel 7:658 BW aansprakelijk is, geldt - als gezegd - als uitgangspunt dat dit artikel niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming tegen gevaar. De werkgever dient die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dat kader is onder meer van belang met welke mate van waarschijnlijkheid de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen (kunnen) ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.3

4.6.

In het licht van voormelde maatstaf kan allereerst worden vastgesteld, dat de op [werkgever] rustende zorgplicht meebrengt dat zij haar bedrijfsterrein, en dus ook de omheining daarvan, zodanig dient in te richten als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Aan die zorgplicht is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldaan. Dat oordeel steunt op de volgende overwegingen.

4.7.

Uit de schriftelijke verklaringen van [werknemer] en [R.] (prod. 3 bij verzoekschrift) blijkt, dat het regelmatig is voorgekomen dat de poort ook 's avonds bij het verlaten van het bedrijfsterrein open was en/of dat een werknemer vergeet eerst naar de sleutelhouder te gaan alvorens zich naar de poort te begeven. Indien men dan toch voor een gesloten poort komt moet de werknemer terug gaan naar de bedrijfshal en aldaar op zoek gaan naar de sleutelhouder die vervolgens met de betreffende werknemer moet meelopen naar het hek om de poort te openen. Hiermee kan in totaal ongeveer 10 minuten gemoeid zijn.

[werknemer] heeft deze stellingen herhaald bij gelegenheid van de mondelinge behandeling en een en ander is door [werkgever] niet voldoende gemotiveerd weersproken.

Voorts staat vast, dat ten tijde van het voorval op het bedrijfsterrein en in de directe nabijheid van de poort een vaste prullenbak op een metalen paal met een totale hoogte van ca. 75 cm. was geplaatst.

Tot slot is door [werkgever] niet weersproken dat zich reeds een eerder incident had voorgedaan waarbij [R.] over de poort was geklommen.

Gelet op deze feiten en omstandigheden diende [werkgever] er redelijkerwijs rekening mee te houden dat een werknemer, indien hij na het verrichten van overwerk voor een gesloten poort komt te staan, niet de moeite neemt alsnog de sleutelhouder te waarschuwen, gezien het tijdsbeslag dat daarmee gemoeid kan zijn en het ervaringsfeit dat een werknemer na het verrichten van overwerk in het algemeen zo snel mogelijk huiswaarts zal willen gaan. De door [werkgever] gestelde doch door [werknemer] betwiste omstandigheid, dat alle werknemers inclusief [werknemer] geïnstrueerd waren over, althans bekend waren met het geldende sleutelbeleid, doet daaraan onvoldoende af, evenmin als de waarschuwing die na het eerdere incident aan [R.] was gegeven.

Gelet op de plaats waar [werkgever] ten tijde van het voorval de onderhavige prullenbak op haar bedrijfsterrein had gesitueerd (in de directe nabijheid van de poort) diende zij, in aanmerking genomen het eerder genoemde tijdsbeslag en ervaringsfeit, redelijkerwijs rekening te houden met de mogelijkheid dat een werknemer die voor een gesloten poort zou komen te staan, zich door de constructie van het hek niet zou laten weerhouden om daar, met gebruikmaking van de onderhavige prullenbak, overheen te klimmen. Naar tussen partijen vaststaat is het zonder gebruikmaking van de prullenbak niet mogelijk over het hek/de poort te klimmen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat [werkgever] ten tijde van het ongeval haar bedrijfsterrein niet zodanig had ingericht als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat een werknemer bij het verlaten van het terrein schade lijdt. [werkgever] is daarom aansprakelijk voor de gevolgen van het [werknemer] overkomen ongeval.

4.8.

De gevraagde verklaring voor recht, dat [werkgever] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [werknemer] op grond van artikel 7:658 BW, kan worden gegeven.

Kosten procedure

4.9.

Tot slot resteert de verzochte kostenbegroting. [werknemer] heeft verzocht deze kosten te begroten op een bedrag van € 2.882,69 (inclusief btw, kantoorkosten en griffierecht). Deze begroting is gebaseerd op een uurtarief van € 265,00 en acht uren werktijd alsmede 1,5 uur reistijd (tegen 50% van het tarief). [werkgever] heeft verweer gevoerd tegen het gehanteerde uurtarief, het aantal uren en de kantoorkosten. Zij acht drie uren redelijk. Als kantoorkosten acht zij een percentage van 5% redelijk.

4.10.

Artikel 1019aa Rv. bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.11.

Gelet op de omvang en het belang van deze zaak acht de kantonrechter zes uren ter voorbereiding van de zaak, waaronder begrepen het opstellen van het verzoekschrift, het overleggen met cliënt en voorbereiding van de mondelinge behandeling redelijk. De reistijd van de gemachtigde van [werknemer] wordt, nu hij op loopafstand van het gerechtsgebouw te Eindhoven kantoor houdt, beperkt tot een half uur (tegen 50% van het gebruikelijke uurtarief). Het uurtarief wordt vastgesteld op € 235,00 exclusief btw en inclusief kantoorkosten. Vermeerderd met het verschuldigde griffierecht (€ 77,00) worden de totale kosten dan begroot op € 2.422,89.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht, dat [werkgever] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [werknemer] ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten van [werkgever];

begroot de kosten als bedoeld in art. 1019aa Rv. op een bedrag van € 2.422,89 en veroordeelt [werkgever] tot betaling van die kosten aan [werknemer].

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter te Eindhoven, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Zie: www.rechtspraak.nl ; "zoeken in uitspraken"; ECLI:NL:HR:1999:AD2996; ECLI:NL:HR:2007:BB6178

2 Zie: ECLI:NL:HR:1996:ZC2142; ECLI:NL:HR:1998:ZC2702; ECLI:NL:GHSHE:2014:1634

3 zie: ECLI:NL:HR:2005:AU3313