Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ4252

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2013
Datum publicatie
15-03-2013
Zaaknummer
872922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst bestuurder Stichting Integraal Kankercentrum Zuid. De ontbinding wordt uitgesproken op grond van een vertrouwensbreuk. Ontbindingsgrond valt voor een groot deel in de risicosfeer van de werkgever. Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding is de kantonrechter niet gebonden aan de Wet Normering Topinkomens, maar gelet op de doelstelling van de wet is het wel een factor die van belang wordt geacht en door de kantonrechter wordt meegewogen bij het bepalen van de vergoeding. Er wordt een vergoeding met correctiefactor C=0,75 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2013/84
AR-Updates.nl 2013-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

in de zaak van:

de stichting Stichting Integraal Kankercentrum Zuid,

gevestigd te Eindhoven,

verzoekster,

gemachtigde: mr. P. de Boer,

t e g e n :

[verweerster],

wonende te [plaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. D.A. Witberg.

Partijen worden hierna Stichting IKZ en [verweerster] genoemd.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

a. het verzoekschrift met producties;

b. het verweerschrift met producties;

c. de mondelinge behandeling die op 20 februari 2013 heeft plaatsgevonden, ten behoeve waarvan [verweerster] bij brief van 13 februari 2013 een aanvullende productie heeft toegezonden, Stichting IKZ bij brief van 15 februari 2013 een aanvullende productie heeft toegezonden, en beide gemachtigden ter zitting pleitaantekeningen hebben overgelegd.

2. De feiten

2.1. [verweerster], geboren op 16 augustus 1957, is op 1 juni 2000 in dienst getreden van Stichting IKZ. Op 1 juni 2003 is zij aangesteld in de functie van directeur (bestuurder).

Het salaris van [verweerster] bedraagt laatstelijk € 9.582,-- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering.

2.2. Stichting IKZ is in 1982 opgericht en conform de statuten is haar doel: "het bevorderen van de kankerbestrijding, zowel nationaal als internationaal, alsmede het bevorderen van de zorg aan personen met kanker, en voorts al hetgeen met vorenstaande in de meest ruime zin genomen in verband staat of daartoe bevorderlijk kan zijn."

2.3. Stichting IKZ heeft een werkorganisatie onder leiding van een Raad van Bestuur die onder toezicht staat van een Raad van Toezicht. De Raad van Bestuur bestaat uit één persoon, [verweerster]. De Raad van Toezicht bestaat thans uit zes personen onder wie mevrouw [B] (verder te noemen: [B]) als voorzitter.

2.4. Tot voor enkel jaren geleden bestonden in Nederland acht regionale integrale kankercentra (IKC's). Op aansturen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Zorg (verder te noemen: VWS) zijn van deze acht IKC's in totaal zeven IKC's gefuseerd in een nieuwe fusieorganisatie IK Nederland (verder te noemen: IKNL). Stichting IKZ heeft niet aan deze fusie deelgenomen.

2.5. Zowel IKZ als IKNL zijn voor wat betreft hun financiering (vrijwel) volledig afhankelijk van subsidieverstrekking door VWS.

2.6. In mei 2012 werd vanuit het Ministerie VWS meegedeeld dat een fusie tussen IKNL en IKZ onvermijdelijk is en zijn beide partijen erop aangesproken stappen te zetten om een dergelijke fusie te realiseren. In juni 2012 heeft [verweerster] daarover overleg gevoerd met VWS.

2.7. Om de samenwerking tussen IKZ en IKNL vorm te geven heeft VWS, op voorstel van Stichting IKZ, de heer [E] (verder te noemen: [E]) aangetrokken als onafhankelijke voorzitter. In de zomer van 2012 heeft [E] gesprekken gevoerd met zowel de bestuurders van IKNL en IKZ als ook met de voorzitters van de Raden van Toezicht van beide organisaties.

2.8. In september 2012 is de voormalig voorzitter Raad van Toezicht mevrouw [S] opgevolgd door de huidige voorzitter, [B].

2.9. Op 15 oktober 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en [B] over de kankerzorg in Nederland, meer specifiek de werkwijze van Stichting IKZ in de regio Zuid.

2.10. Op 16 oktober 2012 heeft [verweerster] een tweede gesprek gevoerd met [E].

2.11. Op 17 oktober 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [E], [B] en de voorzitter van de Raad van Toezicht IKNL, de heer [L]. Tijdens dit gesprek is gesproken over de toekomst van de integrale kankercentra in Nederland.

2.12. Op 19 oktober 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en [B]. Door [B] is in dat gesprek aan [verweerster] duidelijk gemaakt dat er voor haar als bestuurder geen plek is in de nieuwe fusieorganisatie.

2.13. [verweerster] heeft een memo d.d. 25 oktober 2012 opgesteld en aan de Raad van Toezicht toegezonden. In deze notitie gaat zij in op de redenen waarom zij grote zorgen heeft over de voorgenomen fusie, mede in het licht van het standpunt van diverse betrokkenen en deskundigen uit het werkveld van Stichting IKZ.

2.14. In de vergadering van de Raad van Toezicht van 27 oktober 2012 is het gesprek dat op 17 oktober 2012 heeft plaatsgevonden met [E] en de notitie van [verweerster] van 25 oktober 2012 besproken.

2.15. Naar aanleiding van de vergadering die op 27 oktober 2012 heeft plaatsgevonden, hebben de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht van de Stichting IKZ samen een brief aan [E] gezonden. In deze brief van 1 november 2012 is, onder andere, het volgende opgenomen: "De Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur van het IKZ zijn bereid tot samenwerking met als uiteindelijke doel de totstandkoming van één nieuwe nog nader te definiëren landelijke organisatie voor de verbetering van kankerbestrijding. Uitgangspunt daarbij is dat de activiteiten van het IKZ en de kwaliteit daarvan in deze organisatie worden gehandhaafd. Wij achten het van groot belang voor de integrale kankerzorg in Nederland dat de regionale verankering door een langdurige en wederzijds professioneel bepaalde vertrouwensband tussen de deskundigen van het IKZ en de beroepsbeoefenaren/hulpverleners in de regio behouden blijft en gecontinueerd wordt. De inbreng van patiënten en hun naasten bij beleidsontwikkeling en -uitvoering blijft daarbij gegarandeerd. In dit traject zijn IKZ en IKNL gelijkwaardige gesprekspartners.

Wij vinden een formele toetsing bij de achterban, het 'veld', met betrekking tot de vorming van één landelijke organisatie noodzakelijk. De gebruikelijke procedures voor samengaan van organisaties worden gevolgd door het betreffende bevoegd gezag van beide organisaties. (...)"

2.16. Op 27 november 2012 is door de heer [E] de (eerste versie van de) Letter Of Intent (verder: LOI) aan de voorzitters van de Raden van Toezicht gestuurd. Op verzoek van [B] heeft [verweerster] deze LOI doorgestuurd naar de leden van de Raad van Toezicht.

2.17. Op 30 november 2012 heeft [verweerster] een e-mailbericht aan de leden van de Raad van Toezicht gezonden. In dit e-mailbericht is, onder andere, het volgende opgenomen:

"Inmiddels heb ik de resultaten van het traject [E] tot mij genomen. Mij valt op, dat de opdracht door [E] uiteindelijk niet heeft geresulteerd in een oplossing die ingaat op welke wijze naar een intensivering van de samenwerking IKNL-IKZ kan worden toegewerkt, rekening houdend met de verschillende onderdelen van de integrale kankerzorg en de bijzondere aandachtsgebieden van de centra, doch een - bijna rücksichtslose, weinig gemotiveerde - harde fusie voorstelt, die in mijn ogen het karakter heeft van een gedwongen overname van het IKZ door het IKNL, waarin het IKZ volledig ophoudt te bestaan.

Met u als Raad van Toezicht heb ik als Raad van Bestuur steeds ingestemd met het meebewegen bij het onderzoeken van de mogelijkheid tot intensivering van de samenwerking met het IKNL met fusie als stip op de horizon, feitelijk slechts met 1 reden, namelijk om te voorkomen dat het IKZ per 1 januari 2013 zonder instellingsfinanciering zou komen te zitten. Continuïteit van het binnen het IKZ opgebouwde was prioriteit.

Inmiddels ligt een Letter of Intent voor, waarvan de ratio achter de ondertekening op dit moment volstrekt ontbreekt. Niet alleen gaat deze LOI veel verder dan het uitspreken van een intentie, maar tevens komt deze LOI in het geheel niet tegemoet aan de financieel gedreven motivatie om überhaupt met het IKNL aan een dergelijk traject te willen werken. Immers, VWS heeft de door [E] uitgedragen toezegging van continuïteit van financiering tot 1 april a.s. van tafel geveegd door te laten weten niet vóór 1 februari a.s. met de behandeling van de subsidieaanvragen van - overigens IKZ en IKNL - te gaan beginnen. Het hele onderhandelingstraject met [E] heeft dus uiteindelijk geen continuïteit in de inkomsten opgeleverd. Vanuit mijn functie als Raad van Bestuur heb ik op dit moment derhalve hele andere prioriteiten en dat is vooral gelegen in de vraag op welke wijze het IKZ na 1 januari a.s. nog langer verantwoord kan voortbestaan zonder financiën en zonder zicht daarop. Reden waarom ik op dit moment met de grootst mogelijk spoed zal moeten zorg dragen voor alternatieven daarvoor en anders genoodzaakt zal zijn zelfs veel onaangenamer maatregelen te nemen. Het daartoe strekkende plan stel ik op dit moment op en zal ik eerdaags aan u voorleggen ter accordering. U zult begrijpen dat deze acute situatie voorrang heeft boven al het andere.

In de tussentijd zou ik het op prijs stellen, dat u zich realiseert dat een eventueel besluit tot ondertekening van de LOI en de wijze waarop verder wordt gehandeld in de relatie met VWS en het IKNL op de allereerste plaats mijn verantwoordelijkheid is en ik die ook zal nemen. Nadat ik advies heb ingewonnen zal ik u op de kortst mogelijke termijn ook een voorstel doen hoe ik meen dat hierin verder dient te worden gehandeld. Uw advies daarin als toezichthouder zal ik dan wederom zeer op prijs stellen. (...)

Het informeren van het veld en de medewerkers behoren bij mijn taak als bestuurder. Daarin neem ik eveneens het initiatief. Ik ga ervan uit u hiermee vooralsnog voldoende te hebben geïnformeerd."

2.18. Diezelfde dag, 30 november 2012, heeft [verweerster] een brief gezonden aan een grote groep betrokkenen binnen het werkveld van IKZ, zoals medewerkers van IKZ en diverse belangenorganisaties en zorginstellingen die betrokken zijn bij de kankerzorg Nederland. [verweerster] verwijst in deze brief naar de brief van [E] en de concept LOI. Verder schrijft zij, onder andere, het volgende:

"Onze conclusie: worden deze acties uitgevoerd dan is dit al op korte termijn het einde van uw IKZ. Het IKZ wordt simpelweg opgeheven. Daarmee verdwijnt ook de dienstverlening en de samenwerking zoals u die tot nu toe van het IKZ gewend bent. U kunt zelf de consequenties hiervan voor uw eigen praktijk/organisatie en voor de kwaliteit van de kankerzorg in kaart brengen.

(...)

Overigens is op dit moment vanuit VWS de financiering van zowel IKZ als IKNL in 2013 niet gegarandeerd. Dit baart ons grote zorgen."

2.19. Voornoemde brief van [verweerster] heeft een stroom aan reacties opgeroepen, van zowel voor- als tegenstanders van een fusie tussen Stichting IKZ en IKNL.

2.20. Bij e-mailbericht van 4 december 2012 heeft [B] aan [verweerster] geschreven:

"Ik ben uiterst verbaasd, dat [voornaam] [opmerking kantonrechter: [verweerster]] als bestuurder eenzijdig een andere koers inslaat dan in de RvT is afgesproken. Niet alleen is het personeel ingelicht voordat wij als RvT de stukken hebben besproken, gisteren bereikte mij ook het bericht dat alle professionals in de regio benaderd zijn om het IKZ te steunen in een onafhankelijke koers. (...)

Mijns inziens wordt hiermee de relatie tussen RvT en bestuurder met voeten getreden. Tevens wordt de relatie met IKNL nog verder onder druk gezet en heb ik ernstige twijfels of deze handelswijze daadwerkelijk in het belang van het personeel van IKZ en de kankerzorg in Nederland is."

2.21. Bij e-mailbericht van 6 december 2012 heeft [verweerster] gereageerd op bovenstaand e-mailbericht. Zij schrijft, onder andere:

"Ten aanzien van de LOI en het advies van de heer [E] en het bespreken daarvan met de medewerkers en de regio geldt het volgende. Zou de financiering van het IKZ inderdaad - zoals de heer [E] beweerde - tot 1 april a.s. zijn gehandhaafd, dan was er geen enkele reden geweest om met de medewerkers en regio een woord te spreken over de LOI en het advies voordat wij op 12 december a.s. met elkaar van gedachten zouden wisselen. Echter, de mededeling vanuit het departement dat de beoordeling van de subsidieaanvraag niet voor 1 februari a.s. zou gaan plaatsvinden en het vervallen van inkomsten per 1 januari a.s. heeft mij als Raad van Bestuur met een acute, dringende, situatie geconfronteerd, die mogelijk verstrekkende consequenties zowel voor de medewerkers als voor de achterban met zich zou brengen.

Reden waarom ik u per email van 30 november j.l. heb geïnformeerd over deze acute financiële situatie en dat ik op die situatie zou reageren als Raad van Bestuur naar regio en medewerkers. Immers, het wegvallen van het IKZ per 1 januari a.s. wegens stopzetting van financiering heeft voor beide partijen grote consequenties. (...)

Ik heb u dus deze stappen in mijn email van 30 november j.l. vooraf aangekondigd en u heeft daar - naar mijn mening logisch en terecht - ook niet op gereageerd met een reactie waarin u vond dat ik dat niet kon uitvoeren voor 12 december a.s.. Van schending van afspraken is in deze dus geen sprake. Ik heb mijn verantwoordelijkheid als bestuurder genomen en u correct en vooraf over de situatie en mijn handelswijze geïnformeerd."

2.22. Op 7 december 2012 is duidelijk geworden dat VWS alleen bereid is om aan IKZ subsidie te verstrekken (en dan uitsluitend voor de eerste drie maanden van 2013) als voor 20 december 2012 tot ondertekening van de LOI wordt overgegaan.

2.23. Bij brief van 7 december 2012 heeft [E] zijn eerdere brief van 27 november 2012 nader uitgewerkt.

2.24. In de vergadering van de Raad van Toezicht van 12 december 2012 is uitgebreid gedebatteerd over het advies van [E] en de door [verweerster] verstuurde brieven. Uit de notulen van de vergadering volgt dat de Raad van Toezicht vindt dat de voorliggende LOI, met de gemaakte opmerkingen, kan worden getekend, terwijl [verweerster] (de Raad van Bestuur) vindt dat de LOI, zelfs met de gemaakte toevoegingen, niet kan worden getekend omdat het veld niet betrokken is geweest bij de totstandkoming.

Na schorsing van de vergadering herhaalt [B] dat een patstelling is ontstaan omtrent het tekenen van de LOI en over de beeldvorming over de afgelopen weken en wat dat heeft gedaan met de verhouding tussen de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur. Vervolgens heeft [B] medegedeeld dat de Raad van Toezicht tot de conclusie is gekomen dat ze geen vertrouwen meer heeft in de bestuurder, en dat de Raad van Toezicht het voornemen heeft de bestuurder te ontslaan. Dit besluit is op de agenda voor de vergadering op 21 december 2012 geplaatst. Aan [verweerster] is een spreekverbod en geheimhouding opgelegd.

2.25. De medewerkers van Stichting IKZ hebben de Raad van Toezicht om tekst en uitleg gevraagd. Daartoe is op 13 december 2012 een bijeenkomst belegd in aanwezigheid van de vakbond De Unie.

2.26. Bij brief van 13 december 2012 heeft [B] namens de Raad van Toezicht gereageerd op de brief van [E] van 7 december 2012. In deze brief geeft [B] aan dat de LOI op een aantal punten dient te worden aangescherpt om door Stichting IKZ te kunnen worden ondertekend. Voorts geeft [B] aan dat de Raad van Toezicht op 21 december nogmaals vergadert over de herziene versie van de documenten en dat zij hopen 's middags de herziene versie van de LOI te kunnen ondertekenen.

2.27. Bij brief van 13 december 2012 is [verweerster] uitgenodigd voor de vergadering van de Raad van Toezicht op 21 december 2012. Het voorgenomen ontslag van [verweerster] staat op de agenda voor deze vergadering, namens de Raad van Toezicht wordt daarop de volgende toelichting gegeven:

"Ter toelichting op het voorgenomen ontslagbesluit dient in de eerste plaats al datgene dat gisterochtend tijdens de vergadering van de RvT aan u is meegedeeld. Kort samengevat komt dit erop neer dat de RvT van oordeel is dat, onder de gegeven omstandigheden, fusie van Stichting IKZ met IKZNL noodzakelijk is en dat ondertekening van de LOI daartoe onvermijdelijk is. U hebt op eerdere momenten en ook heden meegedeeld dat u, als enig lid van de Raad van Bestuur, niet bereid bent om tot ondertekening van de LOI over te gaan en evenmin bereid bent de voorgenomen fusie als noodzakelijk te aanvaarden. Als gevolg hiervan is een patstelling ontstaan in de relatie tussen de Raad van Toezicht en u als enig lid van de Raad van Bestuur.

Bovendien wordt u verweten dat u door uw handelswijze sedert met name de brief van de heer [E] van 27 november jl. en de concept LOI zonder enige vorm van overleg met de Raad van Toezicht en zonder instemming daarvan diverse gremia binnen en buiten de organisatie hebt gemobiliseerd teneinde verzet tegen de voorgenomen fusie te activeren. Dit heeft ertoe geleid dat, nog voordat de RvT met u van gedachten heeft kunnen wisselen over de brief van de heer [E] en de concept LOI, zowel binnen als buiten de organisatie, bekendheid is gegeven aan de betreffende documenten en de daarin neergelegde inhoud aan de hand van een brief van u van 30 november jl. met een minst genomen zeer subjectieve beleving van de gevolgen van een dergelijke voorgenomen fusie.

Een en ander leidt ertoe dat de RvT geen vertrouwen meer heeft in u als bestuurder van de Stichting IKZ. Zo nodig zal tijdens de vergadering hierop nog een nadere toelichting worden verstrekt."

2.28. Bij brief van 17 december 2012 hebben de medewerkers van Stichting IKZ de Raad van Toezicht een brief gestuurd waarin zij hun verbazing uitspreken over de intentie van de Raad van Toezicht om de LOI op 21 december 2012 te ondertekenen, en waarin zij eisen dat een aantal voorwaarden worden opgenomen in de LOI alvorens tot ondertekening over te gaan. Bij brief van 19 december 2012 heeft het personeel van Stichting IKZ vervolgens het vertrouwen in de Raad van Toezicht opgezegd.

2.29. Op 21 december 2012 heeft de vergadering van de Raad van Toezicht plaatsgevonden. [verweerster] is tijdens deze vergadering ontslagen als bestuurder van Stichting IKZ.

De LOI is tijdens de vergadering van 21 december 2012 (nog) niet ondertekend.

2.30. [verweerster] heeft in januari 2013 een verzoek aan de Governance commissie Zorg verzonden om te laten toetsen of de Governancezode Zorg door de Raad van Toezicht is geschonden. Het toetsingsverzoek wordt op 11 april 2013 behandeld door de Governance Commissie Zorg onderdeel van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Stichting IKZ heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen

te ontbinden op grond van gewichtige redenen, gelegen in een verandering in de omstandigheden, met toekenning van een vergoeding van ten hoogste € 75.000,-- bruto althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie juist acht.

3.2. Ter toelichting op deze stellingname heeft Stichting IKZ kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

3.2.1. In de arbeidsovereenkomst van [verweerster] is bepaald dat geschillen verband houdende met de uitvoering en interpretatie van de arbeidsovereenkomst worden beslecht door het Scheidsgerecht Ziekenhuiswezen. Omdat deze bepaling onduidelijkheid liet over de vraag of ook de ontbindingsprocedure exclusief is voorbehouden aan dit scheidsgerecht, hebben partijen de afspraak gemaakt om de kantonrechter bevoegd te achten terzake onderhavig geschil.

3.2.2. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst is onafwendbaar. De belangrijkste en dragende redenen daarvoor zijn de weigering van [verweerster] om medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de LOI en haar volkomen eenzijdige publicitaire actie richting een grote groep geadresseerden binnen en buiten de organisatie. Het gevolg is geweest een golf van publiciteit, het opzeggen van vertrouwen in de Raad van Toezicht, brieven aan zowel de Raad van Toezicht als diverse politieke en andere instanties in Nederland nog voordat de Raad van Toezicht zelf of met [verweerster] over het standpunt van [E] en zijn documenten van gedachten heeft kunnen wisselen. De Raad van Toezicht heeft begrijpelijkerwijs geconstateerd dat sprake is van een dermate grote vertrouwensbreuk dat voortzetting van de samenwerking onmogelijk is. Door het ontslag als bestuurder is [verweerster] inmiddels zonder functie, taak of verantwoordelijkheid, terwijl de geboden opening om te praten over een andere rol binnen de huidige organisatie en mogelijk nieuwe organisatie door [verweerster] van de hand is gewezen.

3.2.3. Stichting IKZ is van mening dat de vergoeding in ieder geval niet meer dan € 75.000,-- bruto zal mogen bedragen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (verder te noemen: WNT) op haar van toepassing is, en dat [verweerster] gelet op haar functie dient te worden aangemerkt als topfunctionaris. In de WNT is bepaald dat partijen geen uitkeringen overeen komen wegens beëindigingen van het dienstverband die meer bedragen dan maximaal € 75.000,--. Gelet op de doestelling van deze wet heeft deze ook normerende invloed op de beslissingen van rechters in procedures als de onderhavige, aldus Stichting IKZ.

3.3. [verweerster] heeft tegen het verzoek, kort weergegeven, het navolgende tot verweer aangevoerd.

3.3.1. De kantonrechter is bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen, nu partijen zijn overeengekomen dat zij het ontbindingsverzoek ex artikel 96 Rv aan de kantonrechter voorleggen.

3.3.2. Het is niet de bedoeling van [verweerster] geweest om niet mee te werken aan een fusie met IKNL. [verweerster] heeft altijd constructief willen bezien in hoeverre samenwerkingsafspraken kunnen worden gemaakt tussen de Stichting IKZ en IKNL. Ook in het traject [E] heeft zij volledig meegewerkt.

3.3.3. Tussen haar en de Raad van Toezicht is een onwerkbare situatie ontstaan omdat de Raad van Toezicht (onder druk van VWS) vast hield aan een fusie met IKNL op zeer korte termijn, daar waar zij wenste dat een zorgvuldig proces zou worden gevolgd. Hierbij is relevant dat van de zijde van VWS transparantie ontbreekt. De argumenten om tot één loket voor de financiering over te gaan en te fuseren ontbreken. Transparantie ontbreekt ook tijdens de fusieonderhandelingen. IKNL is financieel niet transparant. [verweerster] dient als bestuurder de belangen van Stichting IKZ te behartigen en daar past niet bij om bij een fusie met IKNL een carte blanche te geven indien de financiële situatie van de andere partij (IKNL) niet transparant is en vragen oproept. Zij hoort ten aanzien van deze aspecten kritisch te zijn. Het gaat immers om publieke middelen en tientallen miljoenen aan subsidie/projectgelden.

3.3.4. De Raad van Toezicht verwijt haar dat zij de LOI niet wenst te ondertekenen. Daarover merkt [verweerster] het volgende op. Zij heeft in juni 2012 overleg gevoerd met VWS over de wens van VWS om Stichting IKZ en IKNL te laten fuseren. [verweerster] is er altijd vanuit gegaan dat [E] een rapport met aanbevelingen zou opstellen welk rapport eind 2012 gereed zou zijn. Op basis van dat rapport zouden verdere stappen worden gezet. In de gesprekken met VWS is nooit gesproken over een LOI.

Op 27 november 2012 heeft [E] de LOI toegezonden. Het betrof een LOI die volstrekt niet voldeed aan de verwachtingen van een goed gedocumenteerde rapportage met aanbevelingen voor VWS. Overigens was uit de correspondentie van [E] niet op te maken dat er nog een tweetal nieuwere versies zouden volgen, [verweerster] heeft de op 27 november 2012 toegestuurde LOI min of meer gezien als een definitief document.

3.3.5. Na ontvangst van de LOI heeft zij op verzoek van [B] de LOI doorgestuurd naar de leden van de Raad van Toezicht. [B] had haar verzocht om de geplande vergadering van 12 december 2012 te vervroegen naar de week van 3 december 2012. Maar omdat één van de leden van de Raad van Toezicht die hele week in het buitenland verbleef en zij erop stond dat alle leden van de Raad van Toezicht bij deze belangrijke vergadering aanwezig zouden zijn, heeft [verweerster] aangegeven dat het niet haalbaar was om de geplande vergadering te vervroegen. [B] heeft daar per e-mail van 29 november 2012 begripvol op gereageerd. In haar reactie gaf [B] voorts aan dat er voor 12 december 2012 met het werkveld gepraat moest zijn. [B] gaf daarmee het signaal af dat de LOI basis kon zijn voor gesprekken met het werkveld, aldus [verweerster]. Het werkveld bestaat niet alleen uit ziekenhuisbestuurders maar omvat veel meer betrokkenen. [verweerster] vond het haar verantwoordelijkheid om als bestuurder het veld te informeren en dat heeft ze met de brief van 30 november 2012 ook gedaan, nadat ze eerst de Raad van Toezicht hiervan op de hoogte had gebracht. De brief is toegestuurd aan de geadresseerden aan wie eerdere brieven over de stand van zaken met betrekking tot de fusie ook zijn verstuurd. Het was de bedoeling van [verweerster] om voorafgaand aan de vergadering van de Raad van Toezicht van 12 december 2012 reeds de reacties uit het veld te verzamelen, zodat deze reacties ter vergadering besproken zouden kunnen worden. Dit temeer daar de gestelde deadline van 20 december 2012 voor de ondertekening van de LOI erg kort dag was om daarna pas de betrokkenen in het werkveld te betrekken. De brief van 30 november 2012 heeft, op een enkele na, zeer veel verontwaardigde reacties opgeroepen ten aanzien van de voorgenomen fusie. Zij heeft vele schriftelijke reacties ontvangen, waarvan 98% haar standpunt onderschreef. De brief van 30 november 2012 is gelet op de werkwijze binnen stichting IKZ, hetgeen besproken is tussen [verweerster] en de Raad van Toezicht, en gelet op de belangen van stichting IKZ, alleszins begrijpelijk. De Raad van Toezicht had geen valide reden om het vertrouwen in haar bestuurder, [verweerster], op te zeggen.

3.3.6. Door de brief van 30 november 2012 is inderdaad de discussie over de fusie tussen Stichting IKZ en IKNL in korte tijd opgelaaid. Blijkbaar is het hele veld ervan overtuigd dat dit niet de weg tot fusie is, en dat door ondertekeningen van een dergelijke LOI het goede en alom gewaardeerde kwaliteitserfgoed van het IKZ niet geborgd en gegarandeerd is. Het heeft [verweerster] enorm verbaasd dat de Raad van Toezicht de signalen die naar aanleiding van de brief van 30 november 2012 naar boven zijn gekomen zomaar lijkt te negeren en toch tot ondertekening van de LOI wil overgaan. Zij heeft gehandeld vanuit haar verantwoordelijkheid en vanuit haar zorgvuldigheid als bestuurder. Lang verborgen zaken zijn nu eindelijk boven water gekomen en vormen een goede basis om het traject tot de vorming van één landelijke organisatie zorgvuldig en met inbreng van alle betrokkenen te laten verlopen. Zij heeft gehandeld vanuit haar verantwoordelijkheid en heeft daarvoor geen toestemming van de Raad van Toezicht nodig.

3.3.7. Gezien de huidige omstandigheden, in het bijzonder de handelwijze van de Raad van Toezicht, is het niet aan de orde om alsnog over een functie voor [verweerster] in de huidige of de nieuwe organisatie te spreken. [verweerster] is enorm beschadigd door de Raad van Toezicht.

3.3.8. Voor zover de kantonrechter meent dat het ontbindingsverzoek moet worden toegewezen, verzoekt [verweerster] rekening te houden met haar slechte arbeidsmarkt- positie. Zij is 55 jaar oud, en zij is door de Raad van Toezicht in de media neergezet als een bestuurder die tegen beter weten in een fusie wil tegenhouden. Er is sprake van een hoge verwijtbaarheid aan de zijde van Stichting IKZ, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in de correctiefactor. Gelet op hetgeen door haar is aangevoerd, is het redelijk dat de correctiefactor op 1,5 wordt gesteld. Tevens verzoekt [verweerster] om financiële compensatie van de fictieve opzegtermijn van zes maanden.

De opgelegde geheimhouding en het spreekverbod en vanaf 21 december 2012 de feitelijk non-actiefstelling van [verweerster] is onnodig diffamerend geweest. Daarbij komt dat Stichting IKZ heeft gekozen voor een ontslagtraject, terwijl men eerder serieus had kunnen kijken naar andere mogelijkheden voor [verweerster] binnen de organisatie. [E] heeft tijdens de gesprekken diverse keren aangegeven dat hij haar vanwege haar vakinhoudelijke kwaliteiten en haar ervaring graag wilde behouden voor de organisatie. En mevrouw [T], lid van de Raad van Toezicht, heeft in een e-mail van 23 november 2012 aangegeven dat het in ieders belang is om de expertise en kwaliteit van [verweerster] te behouden. Voor zover zij weet, heeft de Raad van Toezicht daar niets mee gedaan. Ten aanzien van de WNT overweegt [verweerster] dat de kantonrechter niet is gebonden aan die wet, nu deze alleen partijen bindt. Voor toepassing van de WNT bestaat geen juridische grondslag, en een ontslagvergoeding van € 75.000,-- is te laag en doet geen recht aan het feitencomplex in deze kwestie, aldus [verweerster].

4. De beoordeling

4.1. Voor zover de kantonrechter op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen, heeft te gelden dat partijen in onderling overleg hun geschil hebben voorgelegd, zodat de kantonrechter in ieder geval ex artikel 96 Rv bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.

4.2. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met een van de opzegverboden van artikel 7:647, 648, 670 en 670a BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.3. De kantonrechter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende naar voren is gekomen dat er een zodanige vertrouwensbreuk tussen partijen is ontstaan dat een voortzetting van het dienstverband niet meer tot de mogelijkheden behoort. Daar ter zitting door de kantonrechter naar gevraagd heeft [verweerster] ook aangegeven dat door alles wat er is gebeurd, er zoveel kapot is gemaakt, dat voor haar een terugkeer in de organisatie niet meer mogelijk is. In zoverre is sprake van veranderingen in de omstandigheden van dien aard dat deze een gewichtige reden vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden en wel met ingang van 1 april 2013.

4.4. Vervolgens is aan de orde de vraag of er gronden zijn om aan [verweerster] ten laste van Stichting IKZ een vergoeding toe te kennen en, zo ja, tot welk bedrag. Daarbij is van belang om vast te stellen of de ontbindingsgrond al dan niet geheel in de risicosfeer van één van partijen valt en/of van de opgetreden veranderingen in de omstandigheden aan één van de partijen (in overwegende mate) een verwijt te maken valt.

4.5. Stichting IKZ verwijt [verweerster] dat als gevolg van haar handelen een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk tussen [verweerster] en de Raad van Toezicht is ontstaan. Stichting IKZ stelt daartoe dat [verweerster] de brief van 30 november 2012 tegen de wens van [B] als voorzitter van de Raad van Toezicht heeft verzonden, dat zij deze brief niet te voren met de Raad van Toezicht heeft afgestemd en niet heeft willen wachten totdat de Raad van Toezicht over het standpunt van [E] heeft kunnen beraadslagen en met [verweerster] daarover heeft kunnen praten.

4.5.1. [verweerster] is echter van mening dat de Raad van Toezicht geen valide reden had om het vertrouwen in haar op te zeggen. Zij stelt dat [B] in haar e-mail van 29 november 2012 heeft aangegeven dat er voor de vergadering op 12 december 2012 met het werkveld gepraat moest zijn. Zij vond het haar verantwoordelijkheid om als bestuurder het veld te informeren, en nadat ze eerst de Raad van Toezicht op de hoogte heeft gebracht, heeft ze dat met de brief van 30 november 2012 ook gedaan.

4.5.2. De kantonrechter constateert dat [B] in haar e-mail van 29 november 2012 inderdaad heeft uitgesproken dat het belangrijk is om voor de vergadering van 12 december 2012 met het werkveld te praten. [B] heeft zich er in diezelfde e-mail echter ook over uitgelaten hoe zij dat voor zich ziet. Zij heeft voorgesteld dat zij samen met [verweerster] dit gesprek gaat voeren om dat vervolgens in de vergadering van de 12e terug te koppelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op het expliciete verzoek van [B] om het gesprek met het werkveld gezamenlijk aan te gaan, het vervolgens buiten de Raad van Toezicht om versturen van een brief door [verweerster] niet handig geweest. Dat het informeren per brief volgens [verweerster] binnen Stichting IKZ een normale werkwijze was en dat zij in 2010 ook op deze manier een brief naar de achterban heeft gestuurd, maakt dit niet anders. Na de e-mail van [B] had [verweerster] zich moeten realiseren dat zij in de onderhavige situatie niet alleen, maar in samenspraak met de Raad van Toezicht had moeten handelen. Door niet af te stemmen met de Raad van Toezicht, en door zich ook niet af te vragen of het strategisch wel verantwoord was een brief met deze inhoud te versturen, heeft [verweerster] het vertrouwen van de Raad van Toezicht in haar geschaad. De kantonrechter twijfelt niet aan de goede intenties van [verweerster], maar gelet op de stand van zaken van het traject [E] op dat moment en de door Raad van Toezicht en Raad van Bestuur tezamen bepaalde strategische koers, had het op de weg van [verweerster] gelegen een dergelijke communicatie, naar een zeer grote groep geadresseerden, niet eenzijdig te laten plaatsvinden.

4.6. Stichting IKZ verwijt [verweerster] ook dat zij door de weigering om de LOI te ondertekenen de continuïteit van de Stichting IKZ in gevaar heeft gebracht. Het is de kantonrechter op basis van de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting echter duidelijk geworden dat [verweerster] niet per definitie tegen het ondertekenen van de LOI was, maar dat ze de LOI in deze vorm niet wilde tekenen. Volgens [verweerster] heeft zij aangegeven dat zij bereid was de LOI te ondertekenen, mits een goed gesprek met het werkveld zou plaatsvinden en waarborgen in de LOI ingebracht zouden worden zodat de LOI acceptabel zou worden. Maar die ruimte werd door de Raad van Toezicht niet geboden, aldus [verweerster]. In de vergadering van 12 december 2012 werd haar gezegd dat zij de LOI moest tekenen, en dat ze anders zou worden ontslagen. Frappant is echter, volgens [verweerster], dat de Raad van Toezicht de LOI zelf ook niet heeft getekend op 21 december 2012. Uiteindelijk heeft er alsnog een debat plaatsgevonden. De minister van VWS vond een zorgvuldig traject ook van belang en heeft daarom voor extra financiering gezorgd. In januari 2013 is een gewijzigde LOI getekend. Dat was de lijn die zij had bepleit, aldus [verweerster].

4.6.1. Stichting IKZ heeft aangevoerd dat haar continuïteit in gevaar kwam indien de LOI niet voor 20 december 2012 werd ondertekend. Enerzijds heeft de kantonrechter begrip voor de opstelling van Stichting IKZ, maar anderzijds kan uit het oogpunt van haar taak als bestuurder [verweerster] niet verweten kan worden dat zij de LOI niet wenste te ondertekenen, indien zij van oordeel was dat deze geen recht deed aan de belangen van Stichting IKZ. Bovendien heeft VWS later alsnog een subsidie verstrekt voor de eerste drie maanden van 2013, omdat VWS ook het belang van een zorgvuldig traject inzag. En dat was precies wat [verweerster] bepleitte, het volgen van een zorgvuldig traject. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aan [verweerster] verweten worden dat zij de op 12 december 2012 voorliggende LOI niet wilde tekenen.

4.7. Stichting IKZ heeft aangevoerd dat de Raad van Toezicht na het ontslag van [verweerster] als bestuurder heeft getracht om in overleg te treden over een mogelijk alternatieve functie binnen Stichting IKZ en mogelijk ook binnen de toekomstige fusieorganisatie. [verweerster] stond hier niet voor open, en dat dient ook mee te wegen bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding, aldus Stichting IKZ.

4.7.1. [verweerster] heeft aangevoerd dat Stichting IKZ heeft gekozen voor een ontslagtraject, terwijl men eerder serieus had kunnen kijken naar andere mogelijkheden binnen de organisatie. [E] heeft tijdens de gesprekken diverse keren aangegeven dat hij [verweerster] vanwege haar vakinhoudelijke kwaliteit en haar ervaring graag wilde behouden voor de organisatie. En mevrouw [T] (lid van de Raad van Toezicht) heeft in haar e-mail van 23 november 2012 al aangegeven dat het in ieders belang is om haar expertise en kwaliteit te behouden, aldus [verweerster]. De Raad van Toezicht heeft hier echter niets mee gedaan. Destijds had zij best na willen denken over een andere functie, zo stelt [verweerster]. Maar nadat in de vergadering van 12 december 2012 was gezegd dat zij als bestuurder ontslagen zou worden, was er bij haar geen vertrouwen meer in de organisatie. Een alternatieve functie was mogelijk geweest, maar op 12 december 2012 heeft de Raad van Toezicht die deur gesloten.

4.7.2. Volgens [B] heeft zij op 17 oktober 2012 van [E] gehoord dat er in de nieuwe organisatie geen plek als bestuurder voor [verweerster] meer zou zijn. Vervolgens heeft [T] op 23 november 2012 een e-mail naar alle leden van de Raad van Toezicht gestuurd met een voorstel voor een alternatieve functie. [verweerster] heeft ter zitting toegelicht dat [T] dit vooraf met haar had besproken en dat zij in afwachting was van een reactie van de Raad van Toezicht. Op dat moment stond zij zeker open voor een alternatieve functie, aldus [verweerster]. Maar toen kwam op 27 november 2012 de LOI van [E], waar vervolgens alle aandacht naar uitging, zo stelt [verweerster].

De kantonrechter constateert dat tussen het voorstel van [T] en de ontvangst van de LOI slechts vier dagen zijn verstreken. Partijen zijn door de discussie over het al dan niet ondertekenen van de LOI op dat moment niet toegekomen aan verder overleg over een alternatieve functie voor [verweerster]. Op het moment dat daar wel aan toegekomen werd heeft [verweerster] een aanbod daartoe van Stiching IKZ van de hand gewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dat [verweerster] echter niet verweten worden. Voor het feit dat [verweerster] op dat moment geen vertrouwen meer had in een succesvolle samenwerking is, gelet op alle gebeurtenissen tot dat moment, is zeker begrip op te brengen. Dat niet meer serieus is gesproken over een alternatieve functie, is derhalve het gevolg van het verstoord raken van de verhouding tussen partijen.

4.8. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is de verstoorde arbeidsrelatie naar het oordeel van de kantonrechter niet in overwegende mate aan één van partijen te wijten. Wel is de kantonrechter van oordeel dat de ontbindingsgrond voor een groot deel in de risicosfeer van Stichting IKZ valt. Derhalve dient aan [verweerster] een vergoeding te worden toegekend.

Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding neemt de kantonrechter onder andere in aanmerking alle feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, de leeftijd van [verweerster], haar positie op de arbeidsmarkt en het feit dat haar positie in enige mate geschaad kan zijn door de berichtgeving in de media. Voorts neemt de kantonrechter in aanmerking dat in de arbeidsovereenkomst een opzegtermijn voor de werknemer is overeengekomen van drie maanden en voor de werkgever zes maanden. Wat echter ook mee dient te wegen is dat een zeker afbreukrisico inherent aan de functie van [verweerster] is. Met dit afbreukrisico wordt in het algemeen rekening gehouden bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, zoals een hoge beloning.

4.9. Stichting IKZ heeft zich tenslotte nog beroepen op de WNT, die op 1 januari 2013 in werking is getreden. In deze wet is bepaald dat partijen een maximale vergoeding van

€ 75.000,-- overeen mogen komen, en gelet op de doelstelling van deze wet heeft deze ook normerende invloed op de beslissingen van rechters in procedures als de onderhavige, aldus Stichting IKZ. [verweerster] is echter van oordeel dat de kantonrechter niet gebonden is aan de WNT, en zij is van mening dat een vergoeding van € 75.000,-- te laag is en geen recht doet aan het feitencomplex in deze zaak.

4.9.1. De kantonrechter stelt voorop dat zij niet gebonden is aan de WNT. Gelet op de doelstelling van de wet, het normeren van beloningen in organisaties in de (semi)publieke sector die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd met overheidsgeld, is de WNT echter wel een factor die van belang wordt geacht en zal worden meegewogen bij het bepalen van de vergoeding. In dit geval acht de kantonrechter echter een vergoeding van € 75.000,-- niet billijk.

Daar staat tegenover dat, nu geen sprake is van verwijtbaarheid, een correctiefactor hoger dan 1 ook zeker niet aan de orde is.

Alle bovenstaande omstandigheden afwegend acht de kantonrechter een vergoeding van de kantonrechtersformule met correctiefactor 0,75 aangewezen.

Anders dan [verweerster], becijfert de kantonrechter het bruto maandloon echter op een bedrag van € 11.210,59 (€ 9582,-- te vermeerderen met € 798,18 eindejaarsuitkering en

€ 830,41 vakantietoeslag). De vergoeding wordt daarom vastgesteld op een bruto bedrag van € 159.750,97.

4.10. Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden en aan [verweerster] een vergoeding als voornoemd toe te kennen, wordt Stichting IKZ eerst nog in de gelegenheid gesteld haar verzoek desgewenst in te trekken.

4.11. [verweerster] heeft nog verzocht om een hogere vergoeding in verband met de gemaakte kosten van rechtsbijstand van ca. € 9.000,--. De kantonrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Bij handhaving van het verzoek acht de kantonrechter termen aanwezig de proceskosten te compenseren. Bij intrekking van het verzoek zal Stichting IKZ worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

stelt Stichting IKZ in de gelegenheid om tot uiterlijk 25 maart 2013 haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring aan de griffier, alsmede aan de gemachtigde van [verweerster];

bij handhaving van het verzoek:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2013;

kent aan [verweerster] ten laste van Stichting IKZ een vergoeding toe van € 159.750,97 bruto en veroordeelt Stichting IKZ voor zover nodig om deze vergoeding aan [verweerster] te betalen;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

en bij intrekking van het verzoek:

veroordeelt Stichting IKZ in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 400,-- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast).

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Kobussen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2013.