Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6016

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
01/849453/09 V.I.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Bossche zwemschoolhouder is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf wegens ontucht met veelal verstandelijk beperkte kinderen. In juni 2013 is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hij is geplaatst in een RIBW-woning bij een TBS-kliniek. Het openbaar ministerie had aan de v.i. bijzondere voorwaarden verbonden. Volgens het openbaar ministerie heeft veroordeelde enkele voorwaarden overtreden. Gevorderd is herroeping van de v.i. voor 180 dagen.

Volgens de rechtbank is veroordeelde onvoldoende coöperatief geweest tegenover de begeleiding tijdens zijn verblijf in een RIBW-woning. Hij heeft ten onrechte een behandelaanbod geweigerd en de reclassering te laat geïnformeerd over een sollicitatie. Hij is ruim twee uur niet traceerbaar geweest, omdat hij had verzuimd zijn enkelband tijdig op te laden. De rechtbank wijst bij deze overtredingen op feiten en omstandigheden die afdoen aan de ernst ervan. De rechtbank wijst de vordering toe voor een periode van 90 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/849453-09
V.I. zaaknummer: [99/000141-44]

Strafrecht

Parketnummer eerste aanleg: 01/849453/09.

Parketnummer hoger beroep: 20/002679/10.

V.I. zaaknummer: 99-000141-44

Uitspraakdatum: 01 november 2013.

Beslissing herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

1 Inleiding

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof te

‘s-Hertogenbosch d.d. 26 mei 2011 met parketnummer 20-002679/10 is

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1950],

thans gedetineerd te: Vught PPC,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte dagen.

Op 7 juni 2013 had veroordeelde twee derde van zijn vrijheidsstraf in detentie doorgebracht. De wet biedt dan de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.). Aan deze v.i. kunnen, naast de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, bijzondere voorwaarden worden gesteld.

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft de Centrale Voorziening v.i. (hierna: de CVVI) van het Openbaar Ministerie een aantal bijzonder voorwaarden gesteld aan de v.i. van veroordeelde.

Het besluit noemt de volgende bijzondere voorwaarden.

- Een verbod om contact te zoeken en te hebben met in het besluit nader genoemde slachtoffers en ouders van slachtoffers, tenzij contact plaatsvindt via bemiddeling van Slachtoffer in Beeld;

- Een verbod om zich te bevinden binnen de grenzen van elf nader genoemde gemeenten. De naleving van dit locatiegebod zal ondersteund worden door middel van GPS-controle.

- De plicht zich te melden zolang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht.

- De plicht om openheid van zaken te geven met betrekking tot huisvesting en werkzaamheden/activiteiten indien de reclassering daarnaar vraagt.

- De reclassering kan toestemming geven om familie en bekenden in Duistland te bezoeken. De reclassering bepaalt hoe vaak en hoe lang een dergelijk bezoek mag worden afgelegd. Veroordeelde heeft zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen die de reclassering in dat verband met hem maakt.

- De verplichting medewerking te verlenen aan een intake en indien geïndiceerd een behandeling bij Mondriaan GGZ of een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen die in het kader van deze intake en behandeling door of namens de behandelaar en/of de reclassering worden gegeven.

- De woning en woonlocatie waar veroordeelde zich in de proeftijd vestigt, bevindt zich in Nederland en moet door de reclassering geschikt worden bevonden.

- Het is veroordeelde verboden gedurende de proeftijd te wonen in een woning waarin ook minderjarigen wonen.

- Het is veroordeelde verboden gedurende de proeftijd betaald dan wel onbetaald werkzaamheden/activiteiten te verrichten, waarvan de aard van de werkzaamheden/activiteiten met zich mee brengt dat hij in contact komt met minderjarigen.

- Veroordeelde is verplicht zich te houden aan de aanwijzingen en opdrachten die de reclassering in het kader van de bijzondere voorwaarden aan veroordeelde geeft.

Bij wijzigingsbesluit van 6 juni 2013 is het locatieverbod uitgebreid met één gemeente en is als bijzondere voorwaarde toegevoegd het verbod om gedurende de proeftijd openbare zwemgelegenheden te bezoeken. Tevens is als toezichthoudende reclasseringsinstelling aangewezen Reclassering Nederland Toezichtunit Limburg, regiokantoor Roermond. Deze heeft op 27 augustus en 27 september 2013 een voortgangsverslag uitgebracht.

Op 3 oktober 2013 heeft de advocaat-generaal van het ressortsparket, vestiging

's-Hertogenbosch, op grond van artikel 15h, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de politie opdracht gegeven veroordeelde aan te houden wegens - kort gezegd - overtreding van bijzondere voorwaarden.

Bij beschikking van 4 oktober 2013 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot schorsing van de v.i. toegewezen en heeft hij ex artikel 15h, vijfde lid, Sr de schorsing van de v.i. bevolen.

Op 4 oktober 2013 heeft de officier van justitie bij de rechtbank een vordering ex artikel 15i, tweede lid, Sr tot volledige herroeping van de v.i. ingediend. Eveneens op 4 oktober 2013 heeft veroordeelde bij de rechtbank een verzoek ex artikel 15h, achtste lid, Sr tot opheffing van de schorsing ingediend.

Zowel de vordering tot herroeping als het verzoek tot opheffing schorsing zijn behandeld ter zitting van de meervoudige raadkamer van 18 oktober 2013. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.W. van der Kruijs. Tevens zijn als getuige -deskundigen namens Reclassering Nederland verschenen mevrouw [getuige-deskundige 1] en mevrouw [getuige-deskundige 2].

Ter zitting heeft de officier van justitie de herroeping van de v.i. gevorderd voor een periode van 180 dagen.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De bijzondere voorwaarden zijn niet erg ingewikkeld of beperkend. Ze zijn gebruikelijk, evenredig en passend bij de resocialisatie van iemand die is veroordeeld voor een groot aantal zedendelicten met minderjarige, veelal geestelijk of lichamelijk gehandicapte kinderen, welke delicten in zwembaden hebben plaatsgevonden.

Veroordeelde heeft meermalen de bijzondere voorwaarden overtreden. Daarvoor heeft hij tweemaal een formele waarschuwing gekregen van de reclassering. Tegenover de reclassering heeft hij zich dwingend opgesteld en steeds de grenzen van de gemaakte afspraken willen verleggen. Voortdurend heeft hij het verbod om zich in openbare zwemgelegenheden te begeven, ter discussie gesteld. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven over het zoeken naar werk. Zo was hij buiten medeweten van de reclassering al in een vergevorderd stadium van een sollicitatie naar een baan als chauffeur van verstandelijk beperkte minderjarigen. Hij heeft geweigerd mee te werken aan een voorstel tot ambulante behandeling. Ook heeft hij geweigerd zich te houden aan de huisregels van de instelling waar hij verbleef. Deze instelling heeft hem uiteindelijk verdere toegang geweigerd, waardoor hij op straat kwam te staan. Hij is ook zonder toestemming van de reclassering naar Duitsland gegaan. Al met al is door toedoen van veroordeelde het recidivegevaar sterk toegenomen.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een volledige herroeping van de v.i. thans niet opportuun is. Het is van belang dat de behandeling van veroordeelde buiten de gevangenis wordt voortgezet en dat er verder wordt gewerkt aan zijn resocialisatie. Verder weegt de officier van justitie mee dat het gaat om een lange v.i. periode en dat veroordeelde zich wel heeft gehouden aan het locatie- en contactverbod.

3 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in haar vordering. Ten eerste heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met artikel 15h, tweede lid, Sr. Deze bepaling schrijft voor dat de vordering tot schorsing van de v.i. tegelijk met de vordering tot herroeping van de v.i. wordt ingediend. Dit staat ook met zoveel woorden in de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling van het College van Procureurs-Generaal. Ten tweede is veroordeelde in feite niet in vrijheid gesteld gezien zijn plaatsing in De Rooyse Wissel en de vrijheidsbenemende bijzondere voorwaarden. Ten derde is het Besluit v.i. van 6 juni 2013 een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht en is de verdediging de gelegenheid onthouden in een bestuursrechtelijk traject van bezwaar en beroep de zorgvuldigheid van de besluitvorming aan de orde te stellen.

Subsidiair is aangevoerd dat de gestelde bijzondere voorwaarden dermate beperkend en klemmend waren, dat was te voorspellen dat het fout zou gaan. Als voorbeeld is gewezen op het zwemverbod en op de verplichting van een enkelband, ook als veroordeelde zich ver van de verboden locaties bevond. In de korte periode dat de enkelband was uitgeschakeld bevond veroordeelde zich met toestemming van de reclassering in Aken, ver van de verboden locaties. Uit niets blijkt dat hij in die uren risico-verhogend gedrag heeft getoond. Strekking van de voorwaarden is dat contact met kinderen moet worden vermeden, terwijl het er juist om gaat dat veroordeelde zich risicomijdend leert te gedragen in een leefomgeving waarin contact met kinderen nu eenmaal onvermijdelijk is. Veroordeelde heeft ook alleen ambulante behandeling geweigerd bij de betreffende kliniek. Op zich verzet hij zich niet tegen verdere behandeling.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

De ontvankelijkheidsverweren.

De rechtbank heeft reeds ter zitting de aangevoerde ontvankelijkheidsverweren verworpen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Ten aanzien van het eerste verweer stelt de rechtbank met de verdediging vast dat de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (2012A007, § III.2) uitgaat van gelijktijdige indiening van de vordering schorsing v.i. en de vordering herroeping v.i..

Dat er geen sprake was van strikt gelijktijdige indiening, is in dit geval onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In de vordering tot schorsing van de v.i. heeft het openbaar ministerie vermeld dat er tevens een vordering tot herroeping van de v.i. bij de rechtbank wordt ingediend. Nadat de rechter-commissaris op 4 oktober 2013 de schorsing van de v.i. had bevolen, heeft het openbaar ministerie nog diezelfde middag, dus onverwijld, de vordering tot herroeping van de v.i. bij de rechtbank ingediend. Uit het proces-verbaal van het verhoor bij de rechter-commissaris blijkt ook niet, dat deze tot een ander oordeel zou zijn gekomen als hij kennis had gehad van de vordering tot herroeping van de v.i.

Ten aanzien van het tweede verweer constateert de rechtbank dat de gestelde bijzondere voorwaarden weliswaar bewegingsbeperking met zich meebrachten, maar dat deze niet zo verstrekkend waren dat er geen sprake meer was van invrijheidstelling in de zin van de artikel 15 tot en met 15j Sr.

Ten aanzien van het derde verweer wijst de rechtbank op artikel 15a, vijfde lid, Sr, waarin is bepaald dat het openbaar ministerie de beslissing neemt omtrent het stellen van voorwaarden. Het gaat bij een Besluit v.i. om de executie van straffen. Een dergelijk besluit valt niet onder de Algemene Wet Bestuursrecht. De rechtbank merkt daarbij nog op dat er ook strafrechtelijk geen beroepsmogelijkheid openstaat tegen een Besluit v.i..

4.2.

De naleving van de voorwaarden.

Ten aanzien van de naleving van de bijzondere voorwaarden stelt de rechtbank het volgende vast.

1. Huisvesting.

Op 7 juni 2013 (hierna: de v.i. datum) is veroordeelde vrijgelaten uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) in Vught. In het voortgangsverslag heeft de reclassering aangegeven dat er al in de P.I. intensief is gezocht naar passende woonruimte voor veroordeelde. Woonbegeleidingsorganisaties en gemeenten in Limburg, de provincie waar veroordeelde zich wilde vestigen (in de buurt van zijn zus, die net over de grens in Duitsland woont), durfden de plaatsing van veroordeelde niet aan, "gezien zijn bekendheid, de bekendheid van het delict en zijn complexe persoonlijkheids- en zedenproblematiek". Uiteindelijk bleek de Regionale Instelling voor Beschermd Wonen (RIBW) Pharos, deel uitmakend van de TBS-kliniek De Rooyse Wissel te Venray, bereid veroordeelde te plaatsen. In de RIBW verblijven niet alleen TBS-gestelden, maar ook voorwaardelijk veroordeelden in het kader van een bijzondere voorwaarde. Veroordeelde viel onder het regime van de RIBW, wat inhield dat hij zich moest houden aan het huisreglement van de RIBW. Het was volgens de reclassering "niet de meest ideale plek, maar momenteel is dit de enige plek waar betrokkene terecht kan en ook mag blijven". Het was de bedoeling dat veroordeelde op termijn geplaatst zou worden in een "omklapwoning", een particuliere woning buiten de Rooyse Wissel, in Venlo of Venray.

Veroordeelde weigerde de huisregels van de RIBW en de toezichtovereenkomst van de reclassering te ondertekenen. In het voortgangsverslag rapporteerde de reclassering dat veroordeelde vanaf het eerste contactmoment heeft aangegeven dat hij tegen zijn zin verbleef in de RIBW. Hij hield zich niet aan de huisregel dat hij moest aangeven waar hij heen gaat als hij de afdeling verlaat. Medio augustus 2013 is besloten veroordeelde op dit punt soepeler tegemoet te treden. In de bijlage bij het voortgangsverslag van 27 augustus 2013 heeft de persoonlijk begeleidster van veroordeelde in de RIBW, mevrouw [begeleider], onder meer het volgende gerapporteerd over het begeleidingscontact.

"De eerste dag dat betrokkene op de afdeling verbleef is eigenlijk de enige dag geweest dat er een constructief contact zichtbaar was. Vervolgens heeft het begeleidingscontact met betrokkene alleen maar nog maar in het teken heeft gestaan van de eeuwige strijd die hij voert en ook bewust aangaat: tegen de reclassering, tegen de voorwaarden en tegen het verblijf in de RIBW. (…) Ook het contact met de Individuele Trajectbegeleider (ITB-er) is vanaf het begin een strijd geweest. De beperking dat hij enkel in Nederlands Limburg een werkplek kan zoeken, houdt hem niet tegen om dan nog op eigen houtje in Duitsland werkgevers te benaderen. In de eerste week van zijn verblijf heeft hij de huisarts gevraagd om een voorschrift om te kunnen zwemmen op therapeutische basis. De begeleiders van de RIBW hebben dit kunnen afblokken, doordat ze aanwezig waren bij dit gesprek. (…) Hij bepaalt en daar moet iedereen het mee doen. (…) Het uitstapje naar verboden gebied is hierin de druppel geweest".

Met dat uitstapje doelde [begeleider] op het bezoek dat veroordeelde op 18 september 2013 mocht brengen aan zijn raadsman op diens kantoor in Den Bosch, een van de gemeentes waarvoor het locatieverbod gold. Op de verlofplanning van de RIBW vulde hij een latere terugkomtijd in dan met de reclassering was afgesproken. Ook probeerde hij te regelen dat hij nog een tussenstop kon maken bij een oud-werkgever.

Uiteindelijk heeft de RIBW besloten dat veroordeelde niet langer was te handhaven. Hem is te kennen gegeven dat hij per 27 september direct uit de RIBW-woning moest vertrekken.

Veroordeelde kon vervolgens tijdelijk, tot 3 oktober 2013, onderdak krijgen in een klooster bij [plaats]. Met dit klooster was al eerder overleg gevoerd over een permanent verblijf. Veroordeelde weigerde toen hieraan mee te werken, omdat hij het klooster niet kon verlaten na 21.00 uur en dit volgens hem een te grote vrijheidsbeperking was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde zich ten aanzien van de huisvesting onvoldoende coöperatief opgesteld. Op zich betekende plaatsing binnen de Rooyse Wissel voor betrokkene een grotere beperking van zijn bewegingsvrijheid dan op grond van de gestelde bijzondere voorwaarden in het kader van de v.i. noodzakelijk was. Dat dit voor veroordeelde teleurstellend was, kan de rechtbank zich voorstellen. Anderzijds is het de rechtbank niet gebleken, dat veroordeelde door zijn plaatsing in de RIBW-woning in onaanvaardbare mate in zijn bewegingsvrijheid werd aangetast. Hij kon zich overdag vrijelijk bewegen buiten de Rooyse Wissel, kon op verlof naar familie in Duitsland en kon solliciteren naar betaald werk, ook bij een werkgever vlak over de grens met Duitsland. Dat was hem door de reclassering toegestaan.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat veroordeelde had verwacht na de v.i. datum zelf te kunnen bepalen waar hij zich wilde vestigen. Hij besefte onvoldoende of wilde niet accepteren, dat het vinden van een geschikte woonlocatie in zijn geval problematisch was gezien de aard van de delicten waarvoor hij was veroordeeld, en dat plaatsing in de Rooyse Wissel op dat moment het enige alternatief was. Door zijn opstelling kon ook het plan om veroordeelde op termijn vanuit de RIBW-woning over te plaatsen naar een "omklapwoning" buiten het terrein van de Rooyse Wissel, geen doorgang vinden.

2. Werk.

Blijkens de voortgangsrapportage van 27 augustus 2013 had de reclassering met veroordeelde afgesproken dat hij mocht informeren naar werk, maar dat hij dit diende te bespreken met de trajectbegeleider van de RIBW en de reclassering, alvorens verdere stappen te ondernemen. In de vordering tot herroeping van de v.i. heeft de officier van justitie aangegeven dat betrokkene geen openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot het vinden van werk. "De toezichthoudende reclasseringsinstantie heeft zelf weten te achterhalen dat betrokkene zonder overleg en/of openheid van zaken te geven, al in een vergevorderd stadium was voor een baan als chauffeur van verstandelijk beperkte minderjarigen", aldus de officier van justitie.

Ter zitting is de rechtbank de volgende gang van zaken gebleken ten aanzien van laatstgenoemde sollicitatie.

Veroordeelde heeft met toestemming van de reclassering een oriënterend gesprek gevoerd met een autoverhuurbedrijf in Weeze. Deze bleek geen werk voor hem te hebben, maar men adviseerde hem te solliciteren op een baan als chauffeur van de shuttle bus op het vliegveld van Weeze. Veroordeelde heeft vervolgens een gesprek gevoerd met de werkgever van deze shuttlebusdienst. Deze had op zich wel werk voor veroordeelde, maar in een volgend gesprekscontact bleek dat veroordeelde dan ook inzetbaar moest zijn voor groepsvervoer, onder meer naar 'beschermde locaties'. Volgens veroordeelde heeft hij toen aan de werkgever gevraagd of dat alleen vervoer van volwassenen betrof en dit zou zijn bevestigd. Afgesproken werd dat hij op proef kon beginnen. Veroordeelde heeft vervolgens de reclassering geïnformeerd over deze sollicitatie. Op 5 september 2013 heeft de reclassering de werkgever gebeld. Uit dit gesprek bleek volgens de reclassering dat veroordeelde ook schoolbussen zou moeten besturen en verstandelijk beperkte minderjarigen zou moeten vervoeren. De reclassering heeft vervolgens de sollicitatie meteen stopgezet. "Betrokkene wil vervolgens niet meer meewerken aan de aanwijzing van overleg voor de sollicitatie, omdat dit volgens hem alleen maar roet in het eten gooit", aldus de reclassering. Op 24 september 2013 heeft veroordeelde een formele waarschuwing gekregen voor het zonder voorafgaand overleg solliciteren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde de reclassering over de sollicitatie in Weeze te laat geïnformeerd. Hij had zich ook moeten realiseren dat bij een dergelijke baan contact met minderjarige passagiers nu eenmaal niet was te vermijden en daarom dit werk in strijd zou zijn met de bijzondere voorwaarden. Zijn weigering om reeds in een vroeg stadium over mogelijke sollicitaties te overleggen is ook in strijd met de aanwijzing die de reclassering hem dienaangaande heeft gegeven. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake geweest van overtreding van de voorwaarde, dat veroordeelde zich diende te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, in dit geval met betrekking tot het zoeken naar werk. De rechtbank tekent daarbij wel aan dat haar niet is gebleken - zoals in de vordering herroeping v.i. wordt gesuggereerd - dat veroordeelde gericht heeft gesolliciteerd naar een baan als chauffeur van verstandelijk beperkte minderjarigen. Ook merkt de rechtbank nog op dat veroordeelde wel op enig moment, zij het in een te ver gevorderd stadium van de sollicitatie, de reclassering hierover heeft geïnformeerd.

3. Ambulante behandeling.

Veroordeelde is aangemeld bij de Forensische Polikliniek (FPK) De Horst. Hij heeft daar drie intake-gesprekken gehad, wat in augustus 2013 heeft geresulteerd in een behandelaanbod van De Horst. Onderdeel van het aanbod was een delictanalyse. Veroordeelde heeft dit behandelaanbod geweigerd, met name omdat hij van mening was dat in de P.I. Vught al genoeg aandacht was besteed aan de delictanalyse. Hij wilde een second opinion aanvragen bij Kairos (verbonden aan de Pompekliniek in Nijmegen), omdat daar de therapeute werkte die hem ook in de P.I. Vught heeft behandeld. Uiteindelijk heeft de reclassering besloten hem aan te melden bij de FPK De Woenselse Poort. Een intake gesprek aldaar heeft nog niet plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarde dat hij, indien geïndiceerd, moet meewerken aan behandeling bij een ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Het is niet aan hem te bepalen, waar en onder welke condities hij moet worden behandeld. Ter zitting heeft hij ook erkend op dit punt niet "handig" te hebben geopereerd. De rechtbank plaatst daar wel de kanttekening bij dat haar niet is gebleken dat veroordeelde zich verzet tegen ambulante behandeling op zich. Uit het reclasseringsrapport van 15 maart 2013 blijkt dat veroordeelde al in de P.I. Vught heeft deelgenomen aan een uitgebreid en intensief behandelaanbod, waaronder een delictanalyse. Dat de reclassering veroordeelde heeft aangemeld bij de Woenselse Poort, geeft ook aan dat de reclassering perspectief ziet voor een ambulante behandeling in een andere FPK dan De Horst.

4. Gps-controle (de enkelband).

Ter controle op het locatieverbod diende veroordeelde een enkelband te dragen, waarmee via een gps-systeem de verblijfplaats van veroordeelde kon worden getraceerd. Op 1 oktober 2013 is deze enkelband enige tijd buiten werking geweest. De reclassering heeft hierover het volgende gerapporteerd.

"Een medewerker van de reclassering kreeg op 1 oktober 2013 17.13 uur een telefoontje van de meldkamer dat de batterij van de enkelband van [veroordeelde] laag was. Deze medewerker heeft hem toen proberen te bellen (op allebei de nummers die bij ons bekend waren), echter zonder resultaat. De medewerker heeft zijn voice mail ingesproken met het verzoek terug te bellen en de enkelband op te laden. Het telefoonnummer was niet afgeschermd. Om 18.10 uur is de enkelband helemaal uitgevallen en om 18.44 uur heeft betrokkene deze weer opgeladen. Hij had echter nog geen gps ontvangst, dit is pas om 20.23 uur geactiveerd. In de totale periode heeft de reclasseringsmedewerker betrokkene minimaal 5 keer gebeld. [Veroordeelde] heeft niet terug gebeld, hij heeft wel op 1 oktober om 18.45 uur het antwoordapparaat van de reclassering twee keer ingesproken over het feit dat zijn enkelband leeg was."

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij ook al om 17.15 uur de reclassering heeft gebeld. Hij was telefonisch niet bereikbaar, omdat hij die dag naar Aken was. Toen de enkelband uitviel reed hij op de motor, waardoor hij niet telefonisch bereikbaar was. Onderweg heeft hij nog wel getankt. Ter zitting heeft reclasseringsmedewerker [getuige-deskundige 1], verklaard dat veroordeelde toestemming had van de reclassering om naar Aken te gaan. Volgens [getuige-deskundige 1] waren er eerder nooit problemen met de enkelband. Als de batterij van de enkelband bijna leeg is, begint de enkelband te trillen. De drager van de enkelband wordt dan gebeld. Veroordeelde weet dat, maar was desondanks niet telefonisch bereikbaar. Volgens [getuige-deskundige 1] was met name het telefonisch niet bereikbaar zijn van veroordeelde verwijtbaar.

De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid is van veroordeelde dat de enkelband steeds naar behoren functioneert. Dat de enkelband is uitgevallen en dat veroordeelde tijdens het leeg raken van de enkelband telefonisch niet bereikbaar was, valt hem zonder meer te verwijten. Hij heeft daarmee de bijzondere voorwaarde van de gps-controle overtreden. Naar het oordeel van de rechtbank moet de ernst van deze overtreding echter wel worden gerelativeerd. De gps-controle is bedoeld om te voorkomen dat veroordeelde zich in gemeentes bevindt die vallen onder het locatiegebod; veroordeelde was ten tijde van het incident, met toestemming van de reclassering, op bezoek in Duitsland. Uit niets blijkt dat veroordeelde de intentie had om door het uitvallen van de enkelband niet meer traceerbaar te zijn voor de reclassering. Hij heeft ook zelf telefonisch contact gezocht met de reclassering toen de enkelband uitviel. Uiteindelijk zat tussen het uitvallen en het weer beginnen op te laden van de enkelband slechts 34 minuten en is hij 133 minuten niet traceerbaar geweest.

5. Open en transparant.

De reclassering heeft veroordeelde de volgende aanwijzing gegeven. "U bent open en transparant over de zaken die u bezig houden. U overlegt met RIBW en reclassering alvorens u actie onderneemt."

Uit het voortgangsverslag van de reclassering en ook uit het verhandelde ter zitting blijkt dat veroordeelde zich steeds heeft verzet tegen wat hij heeft ervaren als een al te grote bemoeizucht van de reclassering met zijn doen en laten. Zo vond hij het volgens de reclassering in haar verslag "ongehoord dat wij details van zijn bezoeken aan het buitenland willen weten en een concreet verlofplan vragen." Uiteindelijk is veroordeelde wel akkoord gegaan met het opstellen van een verlofplan.

Ook meldt de reclassering in haar verslag dat veroordeelde "in het contact met vrouwen niet open en transparant wil zijn. Betrokkene geeft aan dit niet met de reclassering te willen bespreken." Ter zitting heeft getuige [getuige-deskundige 1] verklaard dat de reclassering zicht wilde hebben op het mogelijk contact van veroordeelde met jonge kinderen van vrouwen die hij ontmoet.

Op 26 september 2013 heeft veroordeelde een formele waarschuwing gekregen, omdat hij de reclassering niet had geïnformeerd over zijn contact met een vrouw in Horst. In de waarschuwing wordt ook gesproken over het boeken van een hotelovernachting. Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat het ging om een Duits sprekende vrouw die hij had ontmoet in de openbare bibliotheek. Ze hadden daarna koffie gedronken op een terras in de buurt van de bibliotheek. Hij had de begeleider van de RIBW wel verteld van de ontmoeting, maar vond het niet nodig ook de reclassering hierover te informeren. Hij heeft verder geen contact meer met deze vrouw gehad. De hotelovernachting betrof niet een afspraak met voormelde vrouw, maar een bezoek van de zus van veroordeelde.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze formele waarschuwing ten onrechte gegeven. Het betrof hier een incidenteel contact met een vrouw bij een bezoek aan een openbare bibliotheek. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver om van veroordeelde in het kader van de bijzondere voorwaarden te verwachten, dat hij een dergelijk incidenteel contact meldt aan de reclassering. Bovendien heeft veroordeelde de ontmoeting ook niet willen verzwijgen; hij heeft het immers wel gemeld aan de begeleider van de RIBW.

6. De overige voorwaarden.

De rechtbank stelt tot slot vast dat veroordeelde zich heeft gehouden aan de overige voorwaarden. Hij heeft met name het locatieverbod, het contactverbod en het verbod zich te begeven in openbare zwemgelegenheden niet overtreden.

4.3.

Eindoordeel.

Samenvattend valt veroordeelde met name het volgende te verwijten. Hij is onvoldoende coöperatief geweest tegenover de begeleiding tijdens zijn verblijf in de RIBW-woning in Venray. Hij heeft ten onrechte het behandelaanbod van de FPK De Horst geweigerd. Hij heeft de reclassering pas geïnformeerd over een mogelijke baan als chauffeur bij het vliegveld in Weeze, toen de sollicitatie al in een ver gevorderd stadium was. Hij is ruim twee uur niet traceerbaar geweest, omdat hij heeft verzuimd zijn enkelband tijdig op te laden en telefonisch bereikbaar te zijn toen de enkelband niet meer functioneerde.

De rechtbank heeft bij al deze overtredingen gewezen op feiten en omstandigheden die afdoen aan de ernst van de overtredingen. Dit is voor de rechtbank reden om de v.i. te herroepen voor een kortere periode dan de officier van justitie ter zitting heeft gevorderd. De rechtbank zal de v.i. herroepen voor een periode van 90 dagen, te rekenen vanaf de dag dat veroordeelde is aangehouden (3 oktober 2013). Hieruit volgt dat de rechtbank tevens het verzoek om opheffing van de schorsing zal afwijzen.

De rechtbank overweegt ten slotte het volgende.

Het is aan het openbaar ministerie de bijzondere voorwaarden bij de v.i. vast te stellen. Wel kan de rechtbank op grond van artikel 15j, eerste lid, Sr adviseren omtrent aan de v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden. In dat kader adviseert de rechtbank het openbaar ministerie voorwaarden te formuleren waarbij de vrijheid van veroordeelde niet meer wordt beperkt dan strikt noodzakelijk is. De bijzondere voorwaarden dienen in het teken te staan van het voorkomen van recidive en de resocialisatie van veroordeelde. Anderzijds dient maatschappelijke onrust te worden voorkomen en zorg te worden dragen voor de veiligheid van veroordeelde.

In dat kader acht de rechtbank met name het verbod om openbare zwemgelegenheden te bezoeken te algemeen geformuleerd. De rechtbank geeft het openbaar ministerie in overweging een bijzondere voorwaarde te formuleren, waarbij veroordeelde de gelegenheid krijgt te zwemmen, indien de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde zal moeten accepteren dat die toestemming niet licht zal worden gegeven, gezien de delicten waarvoor hij is veroordeeld.

De rechtbank realiseert zich dat na de hervatting van de v.i. zich wederom het probleem zal voordoen van het vinden van een passende woonlocatie. Uitgangspunt is ook hier dat de bewegingsvrijheid van veroordeelde niet meer dan strikt noodzakelijk kan worden beperkt. Tegelijk brengen de aard van de delicten waarvoor hij is veroordeeld en zijn landelijke bekendheid met zich mee, dat vestiging van veroordeelde in een reguliere woonomgeving maatschappelijke onrust met zich mee kan brengen, waarbij ook de veiligheid van veroordeelde in het geding is. Gebleken is hoe moeilijk het is om in die omstandigheden een voor veroordeelde passende woonlocatie te vinden. Daarbij wringt dat de reclassering zelf niet over woonlocaties beschikt, maar voor wat betreft huisvesting steeds afhankelijk zal zijn van derden en de regels die die derden stellen ten aanzien van hun woonlocaties. Het kan echter niet zo zijn dat deze omstandigheden er uiteindelijk toe leiden dat een passende resocialisatie in de v.i. periode voor veroordeelde niet realiseerbaar is.

Van veroordeelde mag op zijn beurt een flexibeler en coöperatiever opstelling worden verwacht dat hij tot nu toe heeft getoond. Veroordeelde moet zich realiseren dat hij weliswaar in vrijheid is gesteld, maar dat hij nog geen vrij man is. Aan hem is zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, waarvan hij er vier jaar in detentie heeft doorgebracht. Hij bevindt zich in de fase van voorwaardelijke invrijheidstelling, hetgeen betekent dat hij gedurende twee jaar in zijn bewegingsvrijheid kan worden beperkt.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15, 15a, 15g, 15h, 15i en 15j van het Wetboek van Strafrecht.

5 Beslissing.

De rechtbank:

- Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 90 (negentig) dagen.

- Bepaalt dat van deze periode zal worden afgetrokken de periode gedurende welke de veroordeelde rechtens zijn vrijheid ontnomen is geweest in verband met de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

- Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor het overige af.

- Wijst het verzoek om opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Deze beslissing is genomen door:

mr. P.J.H. van Dellen, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 1 november 2013.