Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:4796

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2013
Datum publicatie
28-08-2013
Zaaknummer
01/855052-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:5955
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag. Door het meerdere keren schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer is er sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Opgelegd is een jeugddetentie van 10 maanden met aftrek voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

- De opnamen van de geweldshandelingen zijn met toestemming van de officier van justitie uitgezonden in een opsporingsprogramma. Tevens heeft de officier van justitie toestemming gegeven om de camerabeelden op internet te zetten. Met het op deze wijze integraal vrijgeven van de camerabeelden voor uitzending is een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Artikel 19 van de Wet politiegegevens bepaalt dat in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend belang, kan worden besloten tot het verstrekken van politiegegevens aan derden voor onder meer het opsporen van strafbare feiten. Verder is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het verstrekken van beelden de Aanwijzing opsporingsberichtgeving van het College van procureurs-generaal van belang.

Bij de besluitvorming tot uitzending van de beelden constateert de rechtbank een aantal gebreken. De rechtbank ziet deze gebreken in de besluitvorming als onherstelbare vormverzuimen. Deze vormverzuimen en de gevolgen die de buitengewoon grote media-aandacht voor verdachte hebben gehad, leiden tot strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/6.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01/855052-13]

Strafrecht

Parketnummer: 01/855052-13

Datum uitspraak: 28 augustus 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte ],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: RIJ Den Hey-Acker.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juli 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 januari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen met zijn mededader(s), althans alleen, die[slachtoffer] -al dan niet terwijl die[slachtoffer], roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag- meermalen, althans éénmaal, tegen diens hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 januari 2013 te Eindhoven met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Vestdijk, althans op of aan een openbare weg, in elk geval ten aanschouwen van, althans zichtbaar voor het publiek, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen en/of slaan en/of duwen tegen het hoofd en/of lichaam van die[slachtoffer];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen. De officier van justitie acht tevens bewezen dat verdachte dit tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gedaan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank acht bij de beoordeling van de feiten de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte op 4 januari 2013 rond 3:30 uur na een avond stappen in Eindhoven met zeven vrienden naar de auto is gelopen. Op enig moment heeft verdachte een fietsslot van de grond opgeraapt en daarmee tegen fietsen geslagen. Een toevallige voorbijganger, het latere slachtoffer [slachtoffer], heeft daar een opmerking over gemaakt.2 Vervolgens heeft er op de kruising Oude Stadsgracht – Vestdijk een geweldsincident plaatsgevonden dat is vastgelegd door camera’s van de regionale toezichtruimte. Deze camerabeelden zijn bekeken door verbalisanten. Hun bevindingen zijn opgenomen in een proces-verbaal.3

De rechtbank heeft deze beelden ter terechtzitting bekeken en stelt vast dat met de in het proces-verbaal bevindingen omschreven persoon 1 verdachte [verdachte ] wordt bedoeld, met persoon 2[medeverdachte 2], persoon 3 [medeverdachte 1] en persoon 4 [medeverdachte 3].4 De verdediging heeft dit ter zitting niet betwist. In het hiernavolgende zal daarom de naam van verdachte en medeverdachten worden gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat op de beelden het volgende is te zien.[slachtoffer]

krijgt contact met de groep jongens, en in het bijzonder met verdachte. [medeverdachte 1] benadert[slachtoffer] aan diens rechterzijde en duwt hem direct hard met beide handen tegen het bovenlichaam waardoor[slachtoffer] achterover valt.[slachtoffer] staat weer op en wordt vastgepakt door [medeverdachte 1].[slachtoffer] maakt zich hieruit los.[medeverdachte 2] loopt snel in de richting van[slachtoffer] en slaat hem direct met kracht drie maal tegen zijn hoofd, waarvan in ieder geval twee slagen raak zijn. Hierdoor valt[slachtoffer] nogmaals achterover op de grond. Niet is te zien dat[slachtoffer] zichzelf in die val tracht op te vangen.[medeverdachte 2] schopt vervolgens een keer in de richting van[slachtoffer] die nog op de grond ligt en raakt daarbij diens arm. Vervolgens loopt[medeverdachte 2] weg. Het slachtoffer krabbelt overeind, maar blijft op de grond zitten. Vervolgens schoppen [medeverdachte 1] en verdachte[slachtoffer] tegelijkertijd meerdere malen. [medeverdachte 1] schopt tegen het been en de rug van[slachtoffer]. Verdachte trapt tegen de rug en vervolgens meermalen met kracht tegen het achterhoofd.[slachtoffer] beweegt hierdoor met zijn bovenlichaam naar voren.

Te zien is dat [medeverdachte 1] enkele passen weg loopt samen met [medeverdachte 3]. Laatstgenoemde staat tijdens de vechtpartij dichtbij het slachtoffer, maar pleegt zelf geen geweldshandelingen.

Tijdens de trappen van verdachte staat[slachtoffer] op en wordt daarop door verdachte bij zijn jas vastgepakt. Op dat moment komt [medeverdachte 1] weer aanrennen en maakt een springende beweging in de richting van het slachtoffer. Verdachte slingert[slachtoffer] weer op de grond en geeft wederom met kracht een schop tegen het hoofd van[slachtoffer] en raakt hem in het gelaat. Na deze trap ligt[slachtoffer] slap op de grond zonder enige beschermende of verdedigende houding aan te nemen en beweegt niet meer.

Verdachte trapt vervolgens[slachtoffer] nogmaals met zijn rechterbeen met kracht tegen het hoofd, terwijl[slachtoffer] in kennelijke bewusteloze toestand op de grond ligt. [medeverdachte 1] staat daarbij naast verdachte. Terwijl verdachte vervolgens over[slachtoffer] heen stapt, trapt hij daarbij nog een keer met de onderkant van zijn schoen op het hoofd van[slachtoffer]. [medeverdachte 1] maakt eveneens een trappende beweging in de richting van het hoofd van[slachtoffer]. Vervolgens trapt verdachte nog een keer naar achteren tegen[slachtoffer] aan. Na deze trap rennen de jongens weg en laten zij[slachtoffer] in kennelijk bewusteloze toestand op de weg liggen.

Getuige[getuige 1] heeft verklaard dat hij die nacht met[slachtoffer] op stap was. Hij zag dat[slachtoffer] door meerdere jongens werd geschopt terwijl hij op de grond lag. Toen ze weg waren is hij naar[slachtoffer] toe gerend. Hij zag dat[slachtoffer] niet meer reageerde en bewusteloos op de grond lag. Hij zag dat zijn gezicht kapot was en dat hij bloed op zijn gezicht had. Nadat de ambulance en de politie weg waren heeft hij[slachtoffer] mee naar huis genomen en heeft hem de hele weg moeten ondersteunen.[slachtoffer] wist de weg naar huis niet, hij wist de code van zijn telefoon niet. Op advies van de ambulance heeft hij[slachtoffer] om de twee uur wakker gemaakt.[slachtoffer] heeft die dag tot 17:00 uur geslapen. Hij wist niet wat er gebeurd was.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij een heftige vechtpartij zag. Hij zag een jongen op de weg liggen. Hij waarschuwde de ambulance. Hij zag dat de jongen lag te slapen. Hij snurkte heel hard. Het duurde lang voordat de jongen reageerde.6

[slachtoffer] kan zich van het tegen hem gerichte geweld niets herinneren. Hij werd laat in de middag wakker en zag dat hij twee blauwe ogen, een schaafwond, een scheur boven zijn rechter wenkbrauw, een wondje op zijn linker ooglid en een rode vlek op zijn oogwit had.7

De rechtbank staat voor beantwoording van de vraag hoe de handelingen van verdachte juridisch moeten worden geduid. Aan verdachte is primair poging tot doodslag tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen dat gevolg zal intreden. In het onderhavige geval is dat de dood van het slachtoffer. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg veroorzaakt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is geweest van een explosie van geweld waarbij het slachtoffer[slachtoffer] in een korte tijdspanne meermalen met kracht en met geschoeide voet tegen meerdere kanten van het hoofd is geschopt. Het slachtoffer is geraakt op de achterkant van het hoofd, in het gelaat en op de zijkant van het hoofd. Dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is, behoeft geen betoog. Gedurende de geweldsuitbarsting, zat of lag[slachtoffer] op de grond. Op enig moment kon hij zich niet meer verweren, waarna hij nog een aantal keer tegen het hoofd werd geschopt. Het slachtoffer raakte toen kennelijk buiten bewustzijn.

De trappen van verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer, in de hiervoor omschreven context begaan, waarbij de rechtbank met name kijkt naar de intensiteit van het uitgeoefende geweld, kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen van verdachte, bezien in samenhang met de overige beschreven feiten en omstandigheden, van dien aard zijn dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Dat de verdachte – naar eigen zeggen – gymschoenen droeg, dat het letsel relatief beperkt is gebleven of dat naar dat letsel geen nader onderzoek is verricht, doet daar niet aan af. De rechtbank concludeert derhalve dat opzet op het toebrengen van dodelijk letsel in de zin van voorwaardelijk opzet aanwezig is en dat de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van medeplegen. Om te kunnen spreken van medeplegen moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op, in dit geval, doodslag. Uit de beelden blijkt genoegzaam dat medeverdachte [medeverdachte 1] begint met de geweldpleging door[slachtoffer] met kracht omver te duwen en zich vervolgens op zeer korte afstand van[slachtoffer] bevindt op het moment dat verdachte[slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd aan trapt. [medeverdachte 1] heeft dit zien gebeuren en heeft zich toen niet gedistantieerd, terwijl dat wel mogelijk was. [medeverdachte 1] neemt vervolgens nogmaals actief deel aan de geweldshandelingen en maakt een springende beweging in de richting van het slachtoffer die op dat moment door verdachte op de grond wordt geslingerd. [medeverdachte 1] maakt nog een trappende beweging in de richting van het hoofd van het slachtoffer en is de laatste persoon die wegloopt bij het slachtoffer. Door zo te handelen heeft [medeverdachte 1] doelbewust deelgenomen aan de ernstige geweldshandelingen die op dat moment gaande waren en door medeverdachte[verdachte ] werden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] op ten aanzien van de poging tot doodslag.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 04 januari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet tezamen met zijn mededader, die[slachtoffer] - terwijl die[slachtoffer]

, roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag – meermalen tegen diens hoofd en lichaam heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van medeplegen van poging tot doodslag (primair) een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden geëist waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat strafvermindering niet aan de orde is.

De beslissing tot het uitzenden van de beelden is weliswaar niet, zoals is voorgeschreven in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving, genomen door de hoofdofficier van justitie, maar de officier van justitie heeft bij het vrijgeven van de beelden wel de juiste afweging gemaakt. De persofficier van justitie zou als gemandateerde functionaris tot eenzelfde beslissing zijn gekomen. Verdachte is daarom door dit vormverzuim niet in zijn belang geschaad en dat kan zonder gevolg blijven.

Bij de beslissing om de beelden uit te zenden is een belangenafweging gemaakt waarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen. Gelet op de ernst van het feit is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Eerst nadat uitzending van de beelden binnen de politieorganisatie niet tot resultaat leidde en andere effectieve mogelijkheden om tot snelle identificatie van de verdachten te komen ontbraken, zijn de beelden in het opsporingsprogramma Bureau Brabant getoond. Daarmee is volgens de officier van justitie ook voldaan aan het vereiste van subsidiariteit.

De officier van justitie stelt dat de grote belangstelling op het internet en in de andere media voor de ernstige mishandeling en daarmee samenhangend ook voor de verdachten, het directe gevolg is van het buitenproportionele geweld dat door de verdachten is gebruikt. Bovendien hebben de verdachten er zelf voor gekozen om zich niet te melden bij de politie, waardoor uitzending van de beelden noodzakelijk was om achter de identiteit van de verdachten te komen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor strafvermindering, omdat bij de opsporing vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. De officier van justitie heeft met het aanbieden van de beelden voor uitzending in het opsporingsprogramma Bureau Brabant gehandeld in strijd met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Er is geen overleg geweest met het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving. Bovendien had de beslissing tot het uitzenden van de beelden niet door de officier van justitie, maar door de hoofdofficier van justitie genomen moeten worden.

Tenslotte had de officier van justitie kunnen en moeten kiezen voor opsporingsmiddelen die minder ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van verdachte dan het uitzenden van de camerabeelden.

De raadsman heeft als afdoening voorgesteld een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie waarvan het voorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Speciaal preventief voegt het niets toe om verdachte een langere vrijheidsstraf op te leggen dan hij reeds heeft moeten ondergaan. Aan verdachte kan voorts een forse werkstraf worden opgelegd. Begin september 2013 begint de opleiding van verdachte weer en op deze manier kan hij zijn leven en opleiding weer oppakken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met het volgende.

Verdachte heeft nadat hij op baldadig gedrag werd aangesproken door[slachtoffer] buitensporig gewelddadig daarop gereageerd. Hij heeft het slachtoffer meermalen hard tegen het hoofd getrapt, zelfs toen het slachtoffer al bewegingloos op de grond lag. Verdachte heeft zich voorts totaal niet om het slachtoffer bekommerd, maar heeft het hulpeloze slachtoffer achtergelaten en is weggerend. Dat het letsel relatief beperkt is gebleven is ondanks en niet dankzij het handelen van verdachte. Het slachtoffer is - zoals ook op zitting verklaard - later met de beelden van de geweldpleging geconfronteerd en daar enorm van geschrokken. De impact van dit feit op het slachtoffer en zijn naasten is groot geweest. Nog steeds heeft het slachtoffer te kampen met gevoelens van onveiligheid. Groepsgeweld op straat als hier aan de orde doet ook afbreuk aan het gevoel van veiligheid in de samenleving. Bovendien draagt dit feit bij aan angst in de samenleving om een ander op kwalijk gedrag aan te spreken. Verdachte heeft het grootste aandeel gehad in dit feit. Op zich zou een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend zijn.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank ook het volgende.

Verdachte werd niet eerder terzake strafbare feiten veroordeeld en het door verdachte gepleegde strafbare feit kan, gelet op de persoon van verdachte, kennelijk gezien worden als een eenmalige misstap, hoe kwalijk deze ook is. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van zijn handelen en het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet. De rechtbank houdt tevens rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, verdachte was ten tijde van het door hem gepleegde strafbare feit pas 17 jaar oud.

Ter zitting heeft verdachte verklaard erg van zichzelf te zijn geschrokken en zich niet te herkennen in het zeer agressieve gedrag van die nacht. De beelden die ter zitting zijn getoond, heeft verdachte niet kunnen bekijken omdat deze hem zo aangrijpen. Verdachte maakt de indruk gebukt te gaan onder wat toen is voorgevallen. Verdachte heeft tegenover de rechtbank zijn spijt over zijn gedrag betuigd en heeft zich daarbij ook direct tot het slachtoffer gericht. De gevoelens van spijt en schaamte zijn volgens de deskundige ter terechtzitting oprecht en authentiek

Met betrekking tot de persoon van verdachte is een Pro Justitia rapportage opgemaakt door drs. M.M.F. van Casteren, GZ psycholoog en een Pro Justitia rapportage door A.A.C.M. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater. Beide deskundigen hebben gerapporteerd dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Volgens de deskundigen is sprake van een laag recidiverisico. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie welke vrijheidsbeneming meebrengt voor een langere duur dan verdachte reeds in voorlopige hechtenis verblijft.

Voor een werkstraf ziet de rechtbank geen ruimte. De ernst van het geweldsmisdrijf staat daaraan in de weg en in de richting van de samenleving zou met dergelijke straffen een verkeerd signaal worden afgegeven.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Hoewel de rechtbank het met de officier van justitie eens is dat verdachte een zeer ernstig feit heeft gepleegd, zal de rechtbank met name met het oog op de straffen die voor soortgelijke delicten aan jeugdige daders in het algemeen worden opgelegd, een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Strafvermindering

Overweging ten aanzien van de rechtmatigheid van de opsporingsberichtgeving.

Op 4 januari 2013 is het slachtoffer door een groep jonge mannen ernstig mishandeld en in hulpeloze toestand achtergelaten.

Door toezichtcamera’s van de regionale toezichtsruimte van de politie op de Aalsterweg in Eindhoven zijn van de geweldshandelingen opnamen gemaakt. De beelden zijn van goede kwaliteit. De daders komen duidelijk herkenbaar in beeld. De beelden zijn op 8 januari 2013 in beslag genomen. Er hebben zich geen getuigen gemeld die informatie konden geven over de identiteit van de daders.

Op 8 januari 2013 is er overleg geweest met de officier van justitie onder meer over uitzending van de beelden in het opsporingsprogramma Bureau Brabant. De officier van justitie gaf tevens toestemming om de camerabeelden op internet te zetten.

Op 12 augustus 2013 is door de politie een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin wordt vermeld dat de beelden op 8 januari 2013 op de regionale briefing van de politie Eindhoven zijn getoond. De beelden zijn ook aangeboden voor de landelijke briefings. Op deze briefings zijn geen reacties gekomen. Vervolgens zijn de beelden op 21 januari 2013 getoond in het opsporingsprogramma Bureau Brabant. De dag daarna was de identiteit van de daders bij justitie bekend.

De rechtbank is van oordeel dat door de officier van justitie met het op deze wijze integraal vrijgeven van de camerabeelden voor uitzending in het opsporingsprogramma Bureau Brabant, inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Nadat de beelden waren uitgezonden hebben verdachte en zijn familie daarvan in hun dagelijkse leven veel last ondervonden, mede doordat, zoals voorzienbaar was, de beelden ook door andere televisie-omroepen zijn uitgezonden, zijn overgenomen door andere media, zijn geplaatst op internetsites zoals bijvoorbeeld “Youtube” en - ook door particulieren - zijn verspreid via de sociale media zoals Facebook. De beelden, waarop verdachte goed herkenbaar in beeld te zien is, zijn veelvuldig uitgezonden en nog steeds op elk gewenst moment te zien via internet.

Het recht op privé-leven wordt beschermd door artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. (hierna: EVRM) en artikel 10 van de Grondwet. Inmenging op het recht op privé-leven door de overheid is slechts toegestaan voor zover noodzakelijk en door de wet voorzien.

In artikel 19 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) is bepaald dat in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend belang, kan worden besloten tot het verstrekken van politiegegevens aan derden voor onder meer het opsporen van strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betreffende beelden van de toezichtcamera’s politiegegevens als bedoeld in de Wpg.

Verder is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het verstrekken van de beelden voor uitzending van belang de Aanwijzing opsporingsberichtgeving van het College van procureurs-generaal (hierna: Aanwijzing).

Deze Aanwijzing bevat regels en waarborgen voor de inzet van opsporingsberichtgeving.

- Ten aanzien van de besluitvorming is bepaald dat op regionaal niveau publicatie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving. Voor regionale opsporingsberichtgeving is toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie.

- Verder wordt vermeld dat het Openbaar ministerie bij de beslissing om gebruik te maken van opsporingswetgeving een belangenafweging dient te maken tussen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer van alle betrokkenen, waaronder verdachte en slachtoffer, anderzijds. Het Openbaar Ministerie dient uitdrukkelijk rekening te houden met het grote bereik van de verschillende mediavormen en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich niet zonder meer laat verwijderen.

- Met betrekking tot het verstrekken van beeld- en geluidsmateriaal aan mediapartners voor het opsporingsbericht is bepaald dat de betreffende mediapartner het materiaal alleen mag gebruiken voor dat bericht. Tegelijkertijd wordt erkend dat door de mogelijkheden van de huidige techniek beelden worden overgenomen en uitgezonden of gepubliceerd door derden. Het Openbaar Ministerie kan niet voorkomen dat de beelden worden verspreid en/of bewerkt. De officier van justitie moet dit gegeven meewegen bij de beslissing om het beeld- en geluidsmateriaal te gebruiken bij de opsporingsberichtgeving.

De rechtbank stelt allereerst ten aanzien van de totstandkoming van het besluit om de beelden voor uitzending ter beschikking te stellen van Bureau Brabant vast dat er in strijd met de Aanwijzing geen overleg met het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving heeft plaatsgevonden en dat niet de hoofdofficier van justitie of de gemandateerde persofficier van justitie toestemming heeft gegeven voor het uitzenden van de beelden.

Ten aanzien van de inhoud van de besluitvorming oordeelt de rechtbank als volgt.

Het staat buiten kijf dat er sprake is van een zeer ernstig feit, waardoor de rechtsorde is geschokt. Met de opsporing van de daders was dan ook een zwaarwegend algemeen belang gediend. Dat neemt niet weg dat bij de keuze van het opsporingsmiddel, in casu het verstrekken van de beelden van de mishandeling voor uitzending in het opsporingsprogramma Bureau Brabant, andere belangen, waaronder de belangen van verdachten en het slachtoffer, moesten worden meegewogen. Bij de keuze voor integrale uitzending van de beelden lag het in de lijn der verwachting dat, gelet op de impact die bewegende beelden hebben en de, ook in de Aanwijzing genoemde, oncontroleerbare verspreiding via de moderne communicatiemiddelen, uitzending van de beelden grote gevolgen zou hebben voor de persoonlijke levenssfeer van de verdachten, maar ook, zoals ook feitelijk is gebleken, van het slachtoffer. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de officier van justitie deze belangen bij zijn besluitvorming heeft betrokken. In het dossier wordt volstaan met de enkele mededeling dat er op 8 januari 2013 telefonisch contact is geweest en dat de officier van justitie toestemming heeft verleend om de camerabeelden in het opsporingsprogramma Bureau Brabant uit te zenden. Uit het dossier blijkt niet dat, behoudens het vertonen van de beelden bij de interne briefings, is geprobeerd om via minder ingrijpende opsporingsmiddelen de identiteit van de verdachten te achterhalen. Niet is gebleken of bijvoorbeeld is overwogen “stills” te vertonen of de gezichten van de verdachten onherkenbaar te maken.

De rechtbank ziet genoemde gebreken in de besluitvorming als onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van strafrecht. Verdachte is daarbij in zijn belang geschaad. De rechtbank zal daarom de op te leggen straf verlagen.

Een andere grond voor strafvermindering is gelegen in de gevolgen die de buitengewoon grote media-aandacht voor verdachte hebben gehad. Zoals gezegd zijn de camerabeelden, waarop verdachte goed herkenbaar in beeld te zien was, veelvuldig uitgezonden en nog steeds op elk gewenst moment te zien via internet. Verdachte heeft de voortdurende media-aandacht als zeer belastend ervaren.

Nadat door de officier van justitie het beeldmateriaal van de geweldpleging was vrijgegeven en zijn identiteit bekend is geworden, is verdachte door bekende en onbekende personen benaderd. Zijn naam, telefoonnummers en adressen stonden op internet. Hij is op straat herkend en tot in zijn woning achtervolgd. Geen werkgever wilde hem nog aannemen. Hij was niet meer welkom bij zijn sportschool en hem werd de toegang geweigerd tot andere sportscholen en uitgaansgelegenheden.

Verdachte verwacht dat de beelden hem ook in de toekomst nog zullen achtervolgen en verstrekkende gevolgen zullen hebben voor zijn verdere leven.

De rechtbank zal voor de geconstateerde vormverzuimen en vanwege de hierboven weergegeven nadelige gevolgen die verdachte reeds heeft ondervonden een strafvermindering toepassen van twee maanden gevangenisstraf. De rechtbank zal in plaats van 12 maanden jeugddetentie, 10 maanden jeugddetentie opleggen, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen art. 27, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77v, 77x, 77y, 77z en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

medeplegen van poging tot doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

T.a.v. primair:

Jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter, tevens kinderrechter-plaatsvervanger,

mr. S. van Lokven en mr. M.A. Waals, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 28 augustus 2013.

mr. S. van Lokven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2208 2013001851.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte[medeverdachte 2] d.d. 20 maart 2013, p. 124-129, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 22 januari 2013, p. 134-138.

3 Proces-verbaal bevindingen, p. 105-107 en p. 112.

4 Eigen waarneming rechtbank ter terechtzitting 14 augustus 2013.

5 Proces-verbaal verhoor getuige[getuige 1] p. 100-101.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] p. 103-104.

7 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] d.d. 9 januari 2013, p. 94-95 met fotobijlage.