Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:254

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
LEE 15/5057
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting bedrijfspand op grond van artikel 13b van de Opiumwet in verband met aantreffen verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/5057

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te Menaam, verzoekster

(gemachtigde: mr. T. van der Goot),

en

de burgemeester van de gemeente Menameradiel, verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. van der Goot).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrijfspand op het adres [adres] (het bedrijfspand) voor de duur van zes maanden gesloten.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Namens verweerder zijn zijn gemachtigde en S.R. Boelens verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoekster woont met haar gezin op het adres [adres] (de woning). De woning is haar eigendom. Verzoekster is tevens eigenaar van het naastgelegen bedrijfspand.

2.2.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft de politie op 8 december 2015 in de woning en in het bedrijfspand zoekingen verricht. In de woning heeft de politie, blijkens een bestuurlijke rapportage van 17 december 2015, in totaal € 83.740 aan contant geld, drie kogels, vuurwerk en een geldtelmachine aangetroffen.

In het bedrijfspand heeft de politie, naast vuurwerk, aan verdovende middelen het volgende aangetroffen: 403 gram hennep, 1.733 gram hasj, 6.827 gram henneptoppen, 10.295 gram hennepmix, 13.108 gram hennepgruis, 1.450 gram hasjblokken en hennepgruis en 1.426 joints.

2.3.

De verdovende middelen zijn aangetroffen in het kantoor gelegen in het voorste gedeelte van het bedrijfspand. Dit kantoor verhuurde verzoekster aan [derde belanghebbende] .

2.4.

Hennep en hasj zijn opgenomen in lijst II van de Opiumwet.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.1.

Verzoekster betwist niet dat bovengenoemde verdovende middelen in het kantoor zijn aangetroffen. Daarnaast heeft [derde belanghebbende] verklaard dat hij het kantoor gebruikte als opslagruimte en dat hij de verdovende middelen in het kantoor leverde aan coffeeshop [bedrijf] . Verzoekster heeft de juistheid van deze stelling niet weersproken.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat verondersteld kan worden dat de verdovende middelen in het kantoor aanwezig waren ten behoeve van aflevering. Dit betekent dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden, nu voldaan is aan het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dat het dossier naast de bestuurlijke rapportage niet tevens de processen-verbaal van de politie bevat, doet niet ter zake.

4.3.

Dat de drugs niet aan verzoekster zouden toebehoren en dat zij onwetend zou zijn dat de drugs zich in het kantoor van het bedrijfspand bevonden, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder. De vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie onder meer de uitspraken van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9512) en 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2043) is dat de gestelde onwetendheid van betrokkenen van de aanwezigheid van drugs in de woning of het lokaal niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de woning.

4.4.

Gezien de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is niet van belang dat de drugs zijn aangetroffen in een afgesloten deel van het bedrijfspand waartoe alleen Andela, naar zijn eigen zeggen, toegang had. Het aantreffen van drugs in een deel van een lokaal leidt tot de bevoegdheid om het gehele lokaal te sluiten.

5.1.

Verzoekster heeft aangevoerd dat ondanks de bedoeling van de wetgever verweerder geen beleid heeft vastgesteld.

5.2.

In de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365, overweegt de AbRS dat het ontbreken van beleidsregels niet afdoet aan de bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, aangezien het artikel niet tot vaststelling van beleidsregels verplicht. Wel dient de burgemeester bij de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel te eerbiedigen en deugdelijk te motiveren waarom hij tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft besloten.

5.3.

Verweerder overweegt in het primaire besluit onder meer dat in het bedrijfspand een grote hoeveelheid van ruim 30 kilo softdrugs is aangetroffen, dat de aanwezige kleinverpakkingen duiden op opslag ten behoeve van verkoop elders en dat apparatuur aanwezig was voor de verwerking van softdrugs. Verweerder acht de situatie buitengewoon ernstig, wat maakt dat ogenblikkelijk ingrijpen geboden is.

5.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee een deugdelijke onderbouwing van de sluiting gegeven. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstig geval. Verweerder heeft dan ook niet voor een lichtere maatregel had behoeven te kiezen.

5.5.

Gelet op het doel van de sluiting, namelijk het beëindigen en voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van de rechten van anderen, is de door verweerder gemaakte belangenafweging voorts niet onredelijk. Verzoekster heeft gesteld dat geen sprake is geweest van overlast maar, wat daar ook van zij, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs is dit ook niet vereist om van een ernstig geval te kunnen spreken. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende met de belangen van verzoekster rekening gehouden door niet tevens te besluiten tot sluiting van de woning.

5.6.

Verzoekster heeft aangevoerd dat in vergelijkbare gevallen in de gemeente niet tot sluiting is overgegaan. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten in het verleden minder goed was waardoor verweerder niet of te laat werd geïnformeerd over dergelijke situaties. Inmiddels is verweerder wel snel op de hoogte van dergelijke incidenten.

De voorzieningenrechter ziet gezien de argumentatie van verweerder geen grond om strijd met het gelijkheidsbeginsel aan te nemen. Relevant is ook dat de door verzoekster genoemde gevallen van geruime tijd geleden dateren. Verweerder heeft de keuze mogen maken om strikter gebruik te gaan maken de onderhavige wettelijke bevoegdheid.

5.7.

Verzoekster heeft aangevoerd dat door de sluiting van het bedrijfspand de toegang tot de nutsvoorzieningen van de woning wordt belemmerd. De voorzieningenrechter acht dit niet een zodanig belangrijk punt dat verweerder om die reden had moeten afzien van de sluiting van het bedrijfspand. Toegang tot nutsvoorzieningen is niet dagelijks nodig en in noodgevallen kan er van uitgegaan worden dat in overleg met verweerder of met de politie er iets geregeld kan worden.

6. Gezien het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.