Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2477

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
18.730282-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 mei 2016 een man vrijgesproken van doodslag en veroordeeld voor zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. De man heeft een achtenvijftig jarige man tijdens de jaarlijks gehouden "Visserijdagen" in 2015 zwaar mishandeld door hem onverhoeds met kracht met zijn tot vuist gebalde hand in het gezicht te slaan. De man is door deze vuistslag hard met zijn hoofd op de harde epoxy grindvloer gevallen en bewusteloos geraakt. Vervolgens is de man naar het MCL vervoerd. Daar bleek dat hij zeer ernstig hersenletsel had opgelopen en daarom is hij overgebracht naar het UMCG, alwaar hij de volgende dag aan zijn hersenletsel is overleden. De rechtbank heeft in de strafmaat onder meer meegewogen dat er geen enkele aanleiding voor de vuistslag was en dat verdachte een getraind vechtsporter is waardoor zijn klappen veel harder aankomen dan die van een gemiddeld mens. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest. De vorderingen van de nabestaanden zijn door de rechtbank voor wat betreft de materiële schade toegewezen, maar ten aanzien van de immateriële schade, die bestond uit affectie- en shockschade, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730282-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [land] ),

ingeschreven op het [adres] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. de Vries, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanpassing van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Harlingen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (met gebalde vuist en/of met (forse) kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, gestompt en/of geslagen waarna die [slachtoffer] direct op de grond is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Harlingen,

aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ernstig traumatisch

hersenletsel, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk (met gebalde vuist en/of met (forse) kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan, waarna die [slachtoffer] direct op de grond is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Harlingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met gebalde vuist en/of met (forse) kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, waarna die

[slachtoffer] direct op de grond is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Harlingen,

[slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft verdachte die [slachtoffer] (met gebalde vuist en/of met (forse) kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, gestompt en/of geslagen, waarna die [slachtoffer] direct op de grond is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door het slachtoffer hard met zijn vuist tegen zijn hoofd te slaan, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van de klap met zijn hoofd op de harde en met grind beklede cafévloer zou vallen en daarmee de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen op de koop toe heeft genomen. In dit licht kan aldus de officier van justitie in het midden blijven of het schedel- en hersenletsel is ontstaan als gevolg van de vuistslag of de daarop volgende val van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Hij heeft daartoe, kortgezegd, aangevoerd dat verdachte nimmer het opzet heeft gehad - ook niet in voorwaardelijke zin - om het slachtoffer van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Tevens kan er geen causaal verband worden vastgesteld tussen de door verdachte gegeven klap tegen het hoofd van het slachtoffer en de schedelbreuk en het hersenletsel. Tussen de bij het slachtoffer ontstane blauwe plek, ter hoogte van het linker jukbeen als gevolg van de klap van verdachte, en het intreden van de dood bestaat geen directe relatie. Het hersenletsel is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt doordat het slachtoffer met zijn hoofd op de vloer is gevallen waardoor zijn relatief dunne schedel is gebroken. Verdachte was zich niet bewust van de mogelijkheid dat de dood zou intreden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan en uit de uiterlijke verschijningsvormen van het handelen van verdachte en de omstandigheden blijkt dat hij het intreden van deze gevolgen ook niet heeft aanvaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte heeft beoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin is komen vast te staan dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank overweegt dat de kans dat het slachtoffer als gevolg van één harde vuistslag tegen het gezicht zou komen te overlijden, naar algemene ervaringsregels, niet aanmerkelijk te noemen is. De omstandigheden dat verdachte de vuistslag onverhoeds heeft gegeven en een getraind vechtsporter is maken dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewijsbaar en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 12 mei 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 28 augustus 2015 was ik in [café] in [pleegplaats] . [slachtoffer] stond voor mij. Ik heb hem met mijn tot vuist gebalde hand gestompt. Deze stomp kwam onverhoeds. Ik zag dat [slachtoffer] door deze stomp hard achterover op de grond viel. Hij bleef liggen en was bewusteloos. Ik weet niet of hij door de stomp of de val op de grond bewusteloos is geraakt. Het zou allebei kunnen.

In het jaar 2010 was ik een professionele vechtsporter en ik nam als professional deel aan zogenaamde kooigevechten. Ik ben de sport Mixed Martial Arts (MMA), dit is een combinatie van verschillende gevechtsporten, altijd blijven beoefenen. Tot 28 augustus 2015 gaf ik ook les in deze sport. Ik ben mij ervan bewust dat ik goed getraind en erg sterk ben en dat ik daardoor erg hard kan slaan.

2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina's 59 en 60 van in het proces-verbaal met nummer PL0100-2015252063-PV-03 d.d. 2 oktober 2015, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik zag dat er drie of vier mannen aan de lange bar in [café] in [pleegplaats] stonden. Een van die mannen herkende ik. Ik ben inmiddels op de hoogte dat hij [slachtoffer] heet. De mannen waren in gesprek. Een van die mannen was getint. Plotseling, voor mij uit het niets, haalde deze donkere man uit. Ik zag dat deze donkere man met zijn tot vuist gebalde rechter hand tegen het hoofd of gezicht sloeg van de man waarvan ik later hoorde dat hij [slachtoffer] heet. Dit ging erg hard want ik zag dat [slachtoffer] als een lappenpop rechtstandig achterover sloeg. Hij klapte met zijn hoofd op de grond. Ik hoorde dat. Het was een doffe dreun welke ik, ondanks dat de muziek aan stond, kon horen. Het lichaam van [slachtoffer] viel in mijn richting. [slachtoffer] kwam op zijn achterhoofd terecht. Er zijn meerdere mensen met [slachtoffer] bezig geweest nadat hij die klap had gekregen. [slachtoffer] lag en zat helemaal stil en volgens mij was hij bewusteloos. Op enig moment kwam de politie en de ambulance.

Ik heb op facebook een foto gezien van een persoon met de [voornaam verdachte] . Ik herkende hem als de man die [slachtoffer] heeft geslagen.

3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 15 september 2015, opgenomen in het proces-verbaal met nummer PL0100-2015252063-13 d.d. 12 maart 2016, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Door mij werd als forensisch onderzoeker een onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot doodslag/moord, gepleegd op 28 augustus 2015. Het onderzoek is verricht in [café] te [pleegplaats] . Volgens de verklaring van de eigenaar van het pand bestonden de vloeren van het eetcafé uit grindvloeren met een epoxylaag. Onder deze vloer lag een tegelvloer met daaronder beton.

4.

Een schriftelijke stuk, te weten een geneeskundige verklaring opgesteld door de arts P.H. Voskuil d.d. 30 augustus 2015, opgenomen in het proces-verbaal met nummer PL0100-2015252063-13 d.d. 12 maart 2016, inhoudende als verklaring van voornoemde arts:

Van de arts-assistent en de medische dossierstukken, die ik ter beschikking kreeg heb ik onderstaande begrepen:

Bij de aankomst van de ambulance was [slachtoffer] zijn ademhaling "gasping" (dat wil zeggen dat de ademhaling ineffectief is, passend bij een levensbedreigende situatie met de oorsprong in de hersenen of het hart). Er is reanimatie opgestart. [slachtoffer] is op 28 augustus 2015 rond 5.00 uur opgenomen in het Medisch Centrum Leeuwarden (hierna MCL). In het MCL is nader onderzoek gedaan, waarbij een CT-scan in elk geval een hersenbloeding liet zien en er bleek een diffuse zwelling van de hersenen. Dit ging gepaard met een zichtbare breuk van het wandbeen rechts (een schedelbot). Ook zou er een breuk zitten in het rechter sleutelbeen.

[slachtoffer] is naar het Universitair Medisch Centrum Groningen (hierna UMCG) verplaatst waar de behandelmogelijkheden ook beperkt waren. CT-scans zijn herhaald en de hersenen bleken meer in het gedrang te komen. In het UMCG zijn diverse functietesten van de hersenen verricht en deze bleken onvoldoende, waarna de zinloosheid van voortzetten van de behandeling met de familie is besproken. In overleg met de familie is besloten tot het staken van de behandeling. Kort hierna is [slachtoffer] op 29 augustus 2015 om 1.13 uur overleden.

lijkschouw:

Wij zagen de volgende letsels:

- hoog op zijn achterhoofd was een duidelijk voelbare zwelling;

- zijn rechter ooglid bevatte een bloeduitstorting en een zwelling;

- in de mondhoek en op de tong was een kleine bloeduitstorting zichtbaar;

- drie ingedroogde oppervlakkige verwondingen ter hoogte van zijn borstkas.

conclusie:

Het betreft een niet-natuurlijk overlijden van een achtenvijftig jarige man. Voor zover te beoordelen was de uitgangssituatie van meneer na de val slecht.

5.

een schriftelijk stuk, te weten een voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 31 augustus 2015 opgemaakt en ondertekend door M. Buiskool, arts en patholoog, voor zover inhoudende, als haar verklaring:

Bij de sectie werden de letsels (zwelling op het hoofd, bloeduitstorting rechter ooglid, de schedelbreuk en bloeduitstortingen van het onderhuidse weefsel van de schedelhuid) vastgesteld, die waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld aan het hoofd zoals door (zich) stoten, slaan, tegen structuren aankomen, vallen kan worden opgeleverd. De bevindingen aan de hersenen en de bloeduitstorting zijn het gevolg van de geweldsinwerking op het hoofd. Ze hebben geleid tot hersenzwelling en herseninklemming en daarmee tot een infauste prognose, waarna bij het stoppen van de behandeling de dood is ingetreden.

6.

een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 2 mei 2016 opgemaakt en ondertekend door M. Buiskool, arts en patholoog, voor zover inhoudende, als haar verklaring:

Indien een slag/stoot/klap aan het hoofd met aansluitend een val is opgetreden dan is sprake van een versnelde val.

Een aantal bij de sectie aan het hoofd geconstateerde letsels bij [slachtoffer] zijn als volgt:

Uitwendig letsel hoofd:

- Rechts achterwaarts in de behaarde hoofdhuid was zwelling in het gebied van circa 4 x 3 centimeter met oppervlakkige huidbeschadiging (letsel A).

Inwendig letsel hoofd:

- In het onderhuidse weefsel van de schedelhuid aan de linkerzijde waren twee bloeduitstortingen van circa 3 x 4 centimeter.

- Ter hoogte van letsel A was een uitgebreide bloeduitstorting in de onderhuidse weke delen van het hoofd rechts achterwaarts en zijwaarts in een gebied van circa 20 x 10 centimeter. Er was een lijnvormige breuk van het schedeldak, beginnend ter plaatse van het achterhoofd rechts en verlopend via het slaapbeen rechts naar de rechter voorste en middelste schedelgroeve.

Uitgebreide traumatische veranderingen:

Traumatische subarachnoidale bloeding, contusies frontaal en temporaal (hersenkneuzing voorzijde en zijwaarts) links meer uitgesproken dan rechts en tekenen van traumatische vasculaire beschadiging van het gebied van de rechter thalamus en mogelijk in het gebied van de pons (gebieden centraal in de hersenen).

Interpretatie letsels in combinatie met de DVD-beelden waarop is te zien dat het slachtoffer in staande positie een klap/stoot/slag van een hand/vuist krijgt aan de linkerzijde van zijn hoofd en aansluitend uit beeld verdwijnt, hetgeen geïnterpreteerd wordt als een (aansluitende) val.

- De twee bloeduitstortingen in het onderhuidse weefsel van de schedelhuid aan de linkerzijde van het hoofd kunnen goed zijn ontstaan als gevolg van de slag/sloot/klap aan het hoofd links.

- Rechts achterwaarts in de behaarde hoofdhuid was zwelling in een gebied van circa 4 x 3 centimeter met oppervlakkige huidbeschadiging met een onderliggende lijnvormige breuk van de schedel (letsel A). Zowel de oppervlakkige huidbeschadiging als de ondergelegen lijnvormige breuk kunnen goed zijn ontstaan als gevolg van stomp botsend geweld tegen een vlak, ruw oppervlak, zoals een grindvloer.

- In het hersenweefsel werd zowel rechts zijwaarts als links voor-zijwaarts hersenkneuzing gezien. Bij een (versnelde val) kan het mechanisme van coup-contrecoup optreden. Dit houdt in dat ter plaatse van de impact met een vlak oppervlak als gevolg van de (versnelde) val (waarschijnlijk ter plaatse van letsel A), kneuzing van het hersenweefsel optreedt (coup letsel). De kneuzing rechts zijwaarts in de hersenen kan hier goed bij passen. Door een dergelijke impact treed aan contra-laterale zijde door (trek)krachten op het hersenweefsel eveneens kneuzing van weefsel op (contrecoup letsel). De geconstateerde hersenkneuzing aan de linkerzijde voor-zijwaarts kan in dit geval opgetreden zijn in het kader van een contrecoup. De letsels in de centrale gebieden van de hersenen kunnen zowel zijn ontstaan direct als gevolg van de stoot/slag/klap en of als gevolg van de (versnelde) val.

conclusie:

Er kan geen goed onderscheid gemaakt worden tussen welk letsel is ontstaan als gevolg van de (versnelde) val. Wel kan worden aangegeven dat bij een gezond persoon die vanuit staande positie valt, zonder extra versnelling van deze val door bijvoorbeeld een klap/stoot/slag, het onwaarschijnlijk is dat dergelijk ernstig hersenletsel, met een infauste prognose tot gevolg, optreedt.

7.

Bewijsoverwegingen

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op dit gevolg.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte het slachtoffer onverhoeds en met kracht met zijn tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft gestompt, ten gevolge waarvan hij op een harde vloer is gevallen en bewusteloos is geraakt. Voorts leidt de rechtbank uit deze bewijsmiddelen af dat verdachte een getrainde vechtsporter is.

Naar algemene ervaringsregels roept het met kracht met de tot vuist gebalde hand stompen tegen het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dit geldt in dit geval te meer nu verdachte getraind is om een harde vuistslag te geven en de onverhoedse wijze waarop hij het slachtoffer heeft gestompt. Het slachtoffer heeft hierdoor geen mogelijkheid gehad de stomp of zijn val op enige wijze op te vangen. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam en een verwonding daaraan kan gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Dat het ontstane letsel mogelijk (mede) is veroorzaakt door de versnelde val op de grond, maakt dit niet anders. Het is een voorzienbaar gevolg dat het slachtoffer door de onverhoeds gegeven harde vuistslag van verdachte versneld ten val zou komen.

Door de patholoog is gerapporteerd en zij heeft dit ter zitting bevestigd, dat de schedel van het slachtoffer ter plaatse van de schedelbreuk relatief dun was, circa 2 millimeter. Deze bevinding heeft volgens haar geen substantiële bijdrage geleverd aan de ernst van het hersenletsel of aan het wel of niet optreden van de schedelbreuk. Haar ervaring is dat de gemiddelde mens een schedel heeft van circa 3 à 4 millimeter, maar dat de meeste schedels wel dunnere plekken vertonen van bijvoorbeeld 2 millimeter. De rechtbank volgt hierin de deskundige en acht de constatering dat de schedel van het slachtoffer ter plaatse van de lijnvormige schedelbreuk relatief dun was geen omstandigheid die mee moet worden gewogen.

Verdachte heeft met zijn gedraging de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge van de vuistslag met zijn hoofd (versneld) op de harde vloer zou vallen en daarmee de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen op de koop toe genomen. In dit licht bezien kan in het midden blijven of het ernstig traumatische hersenletsel is ontstaan als gevolg van de vuistslag of de daarop volgende versnelde val van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor beschreven handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is niet gebleken van contra-indicaties waaruit blijkt dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door het geweld dat hij op hem heeft uitgeoefend zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig traumatisch hersenletsel, heeft blijkens voornoemde bewijsmiddelen de dood tot gevolg gehad. De rechtbank acht derhalve het causaal verband tussen de vuistslag en de dood van het slachtoffer bewezen. Het strafverzwarende delictbestanddeel "de dood ten gevolge hebbende" is een geobjectiveerd bestandsdeel en het opzet van verdachte hoeft daarom niet op de dood gericht te zijn geweest.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 28 augustus 2015 te [pleegplaats] in de gemeente Harlingen, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk met de vuist en met forse kracht in het gezicht te stompen, waarna die [slachtoffer] direct op de grond is gevallen,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren, met de volgende bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij Reclassering Nederland;

- de verplichting tot het volgen van de GI-GGZ Leefstijltraining;

- de verplichting mee te werken aan een ambulante behandeling bij een (forensisch) psychiatrische instelling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit dat in het geval de rechtbank tot een veroordeling mocht komen er rekening gehouden moet worden met het feit dat er naast het handelen van verdachte meerdere andere factoren hebben gemaakt dat het gekomen is tot het overlijden van het slachtoffer die niet aan verdachte kunnen worden verweten, zoals het feit dat is gebleken dat het slachtoffer een relatief dunne schedel heeft en dat er in het bloed van het slachtoffer een behoorlijke hoeveelheid drugs zat. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar een vijftal uitspraken.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het psychologisch rapport opgemaakt door drs. N.A. Schoenmaker op

1 december 2015, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland op

7 december 2015, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft een achtenvijftig jarige man tijdens de jaarlijks gehouden "Visserijdagen" in [pleegplaats] zwaar mishandeld door hem onverhoeds met kracht met zijn tot vuist gebalde hand in het gezicht te slaan. De man is door deze vuistslag hard met zijn hoofd op de harde epoxy grindvloer gevallen en bewusteloos geraakt. Vervolgens is de man naar het MCL vervoerd. Daar bleek dat hij zeer ernstig hersenletsel had opgelopen en daarom is hij overgebracht naar het UMCG, alwaar hij de volgende dag aan zijn hersenletsel is overleden.

Opvallend is dat er geen enkele aanleiding voor de vuistslag was. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dacht dat zijn vriend door de man - die volgens hem een bepaalde reputatie had - werd bedreigd en hij wilde hem helpen. Uit de camerabeelden van het incident en uit de verklaring van zijn vriend is hier niet van gebleken, zo heeft ook verdachte moeten erkennen. Hieruit blijkt juist van een ontspannen sfeer op het moment dat verdachte de man de vuistslag geeft.

Verdachte was ten tijde van deze zware mishandeling naar zijn eigen verklaring onder invloed van forse hoeveelheden alcoholische drank en cocaïne. Voorts is verdachte een getraind vechtsporter waardoor zijn klappen veel harder aankomen dan die van een gemiddeld mens. Van iemand die op deze wijze is getraind mag worden verwacht dat hij hiermee rekening houdt wanneer hij zich in de samenleving begeeft.

Door dit gewelddadige strafbare feit heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft hem van het leven beroofd. Hierdoor heeft hij een vrouw van haar partner, dochters van hun vader en kleinkinderen van hun opa beroofd. Dit alles zonder aanwijsbare aanleiding en deze zinloosheid maakt verwerking van hun onherstelbare verlies extra moeilijk.

De rechtbank is van oordeel dat voor een ernstig strafbaar feit als het onderhavige en onder de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, een forse gevangenisstraf het uitgangspunt dient te zijn.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit geen strafbare feiten heeft gepleegd.

Dat het slachtoffer plaatselijk een relatief dunne schedel had en ook verdovende middelen had gebruikt acht de rechtbank, anders dan de raadsman, voor de strafmaat niet van belang.

Verdachte is onderzocht door een psycholoog. Zij heeft in haar rapport geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van afhankelijkheid van cocaïne en misbruik van alcohol. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuze en gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Met betrekking tot het middelen gebruik is weliswaar sprake van culpa in causa, zelf veroorzaakte verantwoordelijkheid, maar door zijn cocaïne afhankelijkheid had hij onvoldoende grip op zijn gebruik en werden zijn gedragsalternatieven enigermate beperkt. Voorts werd zijn extra alertheid, achterdocht en beschermingsdrang gevoed en versterkt door ervaringen in zijn jeugd. Verdachte kan daarom als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Zij schat de kans op herhaling in de toekomst in als laag tot matig.

De rechtbank kan zich verenigen met deze conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de kans op herhaling en concludeert dat het bewezenverklaarde feit aan verdachte enigszins verminderd kan worden toegerekend. Dit is echter van zo'n geringe mate dat de rechtbank van oordeel is dat dit geen invloed heeft op de strafmaat.

Door de reclassering is een adviesrapport opgemaakt waarin zij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf adviseert met als bijzondere voorwaarden onder meer een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandeling bij een (forensisch) psychiatrische instelling. De officier van justitie heeft zijn eis op dit advies gebaseerd. De rechtbank heeft ter terechtzitting niet de indruk van verdachte gekregen dat hij intrinsiek gemotiveerd is om een behandeling te volgen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte baat kan hebben bij een psychiatrische behandeling en begeleiding van de reclassering, is zij van oordeel dat het niet noodzakelijk is om dit in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden en zal deze dan ook opleggen.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich afzonderlijk voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd door middel van indiening van de voorgeschreven formulieren bevattende de opgave van de vorderingen tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berusten. De raadsman van de benadeelde partijen, mr. R. Korver heeft deze vorderingen ter terechtzitting uitgebreid toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de benadeelde partijen gevorderde materiële en immateriële schade, alsmede de kosten voor rechtsbijstand in zijn geheel worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregelen.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is primair bepleit de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, omdat de vorderingen te omvangrijk zijn en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces betekenen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade voldoende onderbouwd en redelijk is. De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade op grond van affectieschade acht de raadsman niet toewijsbaar, omdat de huidige wetgeving hierin niet voorziet. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] gevorderde immateriële schade op grond van shockschade eveneens moet worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan door de Hoge Raad in het Taxibusarrest gegeven criteria. Er is niet voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van waarneming van het feit of de directe confrontatie met de gevolgen daarvan. Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de wettelijke rente pas vanaf 28 augustus 2015 kan worden toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent de gevorderde immateriële schade het volgende.

Affectieschade

Op grond van het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat slechts de situatie als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, Burgerlijke Wetboek, de zogenoemde shockschade, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hieronder valt niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden/om het leven brengen van een dierbare, ook wel genoemd affectieschade.

Zijdens de nabestaanden is aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van het geldende recht, over te gaan tot vergoeding van affectieschade. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Europese Richtlijn 2012/29 EU (die het slachtofferbegrip uitbreidt tot familieleden van slachtoffers) in relatie tot artikel 8 EVRM; het thans aanhangige wetsontwerp 34.236 (Wet tot implementatie van de richtlijn 2012/29/EU inzake minimumnormen voor slachtoffers van strafbare feiten) en voor wat betreft de hoogte van de vordering bij het wetsvoorstel 34.257 inzake affectieschade.

De rechtbank kan dit beroep niet honoreren op grond van het volgende.

Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar aan toe in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf.

Ook aan Richtlijn 2012/29 EU kan een dergelijk recht niet worden ontleend.

In beginsel heeft een Europese richtlijn werking tussen burgers en overheid, niet tussen burgers onderling. Alleen in uitzonderingsgevallen, indien het gaat om een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie, kan dat anders zijn ( HvJ EU, 15-01-2014, C-176/12). Een zodanig recht is hier niet aan de orde.

Bovendien rijst de vraag of de richtlijn op dit punt voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Uit artikel 16 van de richtlijn in samenhang met overweging 19 van de preambule van de richtlijn zou mogelijk kunnen volgen dat de lidstaten een regeling moeten treffen waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat ook aan nabestaanden van een slachtoffer, de indirecte slachtoffers, een schadevergoeding toekomt. Op welke schade de richtlijn daarbij het oog heeft, op welke wijze dat zou moeten gebeuren en of dat in of buiten het strafproces zou moeten gebeuren wordt echter open gelaten. Evenzeer is niet zonder meer duidelijk wat er zou moeten gebeuren in geval van strafbare feiten die zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van de richtlijn.

Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het onlangs bij de Tweede kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeden van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelden dan ook afwijzen voor zover deze zien op het toekennen van schadevergoeding als gevolg van zogenaamde affectieschade.

Shockschade

Zoals hiervoor is overwogen is artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, de grondslag voor de vorderingen. Als de onrechtmatige gedraging vaststaat komt shockschade vervolgens voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek.

Uit de rechtsoverwegingen van de Hoge Raad in het Taxibusarrest (ECLI:NL:2002:AD5356), de nog steeds geldende rechtspraak hieromtrent, volgt ondermeer dat er sprake moet zijn van waarneming van het ongeval of de gebeurtenis waarbij het slachtoffer is overleden of gewond geraakt.

Vast staat dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] niet bij het delict aanwezig zijn geweest. Door de benadeelde partijen is gesteld dat er directe confrontatie met het lichaam van hun partner en vader is geweest, de dag na het delict, terwijl de mond van het slachtoffer was dichtgenaaid en zij konden zien waar de artsen in het lichaam hadden gesneden. Dit beeld van het verminkte lichaam zullen ze nooit meer kwijtraken, zo hebben zij verklaard. Tevens hebben de benadeelde partijen in de beslotenheid van het kantoor van hun raadsman de beelden van het delict bekeken en hebben gezien hoe hun partner en vader werd doodgeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde emotionele en aangrijpende confrontatie met het lichaam van het slachtoffer en de beelden van het delict onvoldoende zijn voor het door de Hoge Raad gestelde criterium van waarneming van het ongeval of de gebeurtenis waarbij het slachtoffer is overleden of gewond is geraakt.

Weliswaar is volgens vaste rechtspraak ook het op directe wijze geconfronteerd worden met de ernstige gevolgen van de gebeurtenis die de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad voldoende, maar hiervan is in dit geval geen sprake. De verminkingen aan het lichaam van het slachtoffer - waarvan de benadeelden zijn geschrokken - zijn veroorzaakt door het forensisch onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer en hebben derhalve niet geleid tot het overlijden van het slachtoffer. Dat de benadeelden de camerabeelden van het delict hebben gezien is een voorstelbare keuze, maar is een bewust overwogen keuze van de benadeelde partijen achteraf en is derhalve geen directe waarneming van de gebeurtenis.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] afwijzen voor zover deze zien op het toekennen van schadevergoeding als gevolg van shockschade.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partijen gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vorderingen, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman zijn weersproken, derhalve in zoverre gegrond en voor toewijzing vatbaar. Deze vorderingen zullen worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015, zoals is gevorderd. De rechtbank acht de gevorderde kosten voor rechtsbijstand, die niet door verdachte en diens raadsman zijn weersproken, niet onredelijk en eveneens voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.147,83 (zegge: vijfduizend honderd zevenenveertig euro en drieëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, betrekking hebbende op de immateriële schade, af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 5.000,00.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 5.147,83 (zegge: vijfduizend honderd zevenenveertig euro en drieëntachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015. Het te betalen bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 7.290,72 (zegge: zevenduizend tweehonderd negentig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, betrekking hebbende op de immateriële schade, af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 5.236,52.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 7.290,72 (zegge: zevenduizend tweehonderd negentig euro en tweeënzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 71 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015. Het te betalen bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 935,42 (zegge: negenhonderd vijfendertig euro en tweeënveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, betrekking hebbende op de immateriële schade, af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3] , te betalen een bedrag van € 935,42 (zegge: negenhonderd vijfendertig euro en tweeënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2015. Het te betalen bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. M. Jansen, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2016.

w.g.

Brinksma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sieders

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Jansen

locatie Leeuwarden,

Zandstra-Alkema