Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4385

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
18.950009-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft haar echtgenoot, die lag te slapen, gedood door hem met een sjaal te wurgen. Daarna heeft zij geprobeerd haar slapende dochter met een sjaal te wurgen. Dat is niet gelukt omdat de dochter wakker werd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 57, 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2015, afl. 6, p. 244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/950009-15

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 17 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 8 mei 2015, 30 juni 2015 en 3 september 2015.

De verdachte is telkens verschenen en werd telkens bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 23 januari 2015 tot en met 24 januari 2015 te en in de gemeente Emmen (haar echtgenoot/partner) [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door de keel/hals van die [slachtoffer 1] (met een sjaal, althans een dergelijk voorwerp) dicht te knijpen/drukken en/of enige tijd dichtgeknepen/ dichtgedrukt te houden, althans door op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1]
gedurende lange(re) tijd af te sluiten;

2.

zij in of omstreeks de periode van 23 januari 2015 tot en met 24 januari 2015 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (haar dochter) [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een sjaal, althans een dergelijk voorwerp, om de keel/hals van die [slachtoffer 2] heeft gelegd en/of de/een sjaal, althans een dergelijk voorwerp, die/dat die [slachtoffer 2] om de hals/nek had, heeft vastgepakt en die sjaal/dat voorwerp (gekruist) (strak) heeft aangetrokken, althans bezig is geweest op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 2] af te sluiten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. de Vries, acht hetgeen onder 1. en 2. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: acht jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Voorts gedeeltelijke toewijzing van de civiele vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] (€ 20.000,--) en [slachtoffer 3] (€ 10.000,--), tevens in de vorm van schadevergoedingsmaatregelen, en integrale toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer 4] (€ 615,12), tevens in de vorm van een schade-vergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting van 3 september 2015 vrijspraak bepleit voor het eerste aan verdachte tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het tweede aan verdachte tenlastegelegde feit heeft hij zich ter terechtzitting van 30 juni 2015 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van de tenlastegelegde moord en poging tot moord

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte haar echtgenoot met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, zoals is tenlastegelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 juni 2015 onder meer verklaard dat zij niet naar boven is gegaan om [slachtoffer 1] te vermoorden, dat zij geen gedachten had toen zij naar boven ging en dat zij flink gedronken had. Toen zij op de slaapkamer kwam heeft zij een sjaal van de kast gepakt en is daarmee naar het bed gelopen waarop [slachtoffer 1] lag. Toen heeft zij hem met de sjaal gewurgd.

Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte haar dochter [slachtoffer 2] na kalm beraad en rustig overleg heeft willen doden. Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 juni 2015 onder meer verklaard dat zij na het wurgen van [slachtoffer 1] naar [slachtoffer 2] is gelopen. Ze liep om het bed heen en heeft de sjaal die [slachtoffer 2] om haar nek had, aangetrokken. [slachtoffer 2] werd wakker en riep: mama mama, wat doe je. Toen schrok verdachte zo dat ze als het ware bij haar positieven kwam.

Onder de geschetste omstandigheden acht de rechtbank de tenlastegelegde voorbedachte raad telkens niet bewezen. Voorbedachte raad immers wijst op een moment van kalm overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Daarvan is, blijkens de geschetste gang van zaken, zowel bij het doden van [slachtoffer 1] als bij de poging tot het doden van [slachtoffer 2] geen sprake geweest.

Bewijsmiddelen

De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] heeft begaan. De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

ten aanzien van het eerste feit

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie eenheid Noord-Nederland van 27 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zakelijk onder meer inhoudende, als eigen waarneming, wetenschap en bevinding van hen, verbalisanten1,

op zaterdag 24 januari 2014 omstreeks 10:30 uur kregen wij het verzoek van de regionale meldkamer Drachten om met spoed te gaan naar het adres [straat + huisnummer] te [plaats 1] . Wij hoorden dat de meldkamer door gaf dat een manspersoon dood op bed zou liggen. Tevens hoorden wij dat de meldkamer aangaf dat de dochters een brief hadden gevonden waarop zou staan dat de moeder hun stiefvader zou hebben gewurgd.

Wij waren omstreeks 10:38 uur ter plaatse aan de [straat + huisnummer] te [plaats 1] . Terwijl wij naar de woning liepen zagen wij dat de voordeur van de woning openstond. Wij zagen dat er een vrouwspersoon bij de deur stond. Deze vrouw bleek later [slachtoffer 3] te zijn.

Via de voordeur kwamen wij uit in een halletje. Wij zagen dat [slachtoffer 3] vervolgens via een deur naar de woonkamer liep. Wij zagen dat er vrouwspersoon in de kamer zat. Naar later bleek was deze vrouw [slachtoffer 2] . Via de hal zijn we de trap opgelopen richting de eerste verdieping. Wij zijn vanaf de trap rechtdoor gelopen een slaapkamer in. Wij zagen dat er een manspersoon op het bed lag. Wij zagen dat de man een paars blauwe gelaatskleur had. Wij zagen dat de man bloed aan de rechterzijde van zijn mond had. Wij zagen dat de man een verdikt rechteroog had. Wij konden zien dat de man niet meer in leven was.

Ik, [verbalisant 1] , heb [slachtoffer 3] gevraagd of ik de brief mocht zien. Ik zag dat [slachtoffer 3] een brief van de tafel in de woonkamer pakte en die aan mij gaf. Ik heb de brief aangepakt en ik las het volgende: “Ik heb jullie vader gewurgd en als jullie dit lezen leef ik niet meer”.

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] vertelden mij dat de persoon welke ze boven in bed aangetroffen hadden hun stiefvader [slachtoffer 1] was.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage van 9 mei 2015, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, verbonden aan voornoemd instituut, zakelijk onder meer inhoudende, als eigen waarneming, wetenschap en bevinding, dat zij de uit- en inwendige schouwing heeft gedaan van het lijk van [slachtoffer 1] , op 24 januari 2015 om circa 09:30 uur dood aangetroffen in zijn woning.

De hersenen toonden aan het oppervlak afgeplatte windingen en waren te zwaar door vochtophoping. Ter plaatse van de kleine hersenen waren snoergroeven ten teken van herseninklemming.

Als doodsoorzaak kan mechanisch (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld op de hals worden overwogen.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2015, zakelijk onder meer inhoudende:

ik ben de avond van de 23e januari 2015 naar boven gegaan. Toen ik boven kwam heb ik een sjaaltje gepakt en is het gebeurd. [slachtoffer 1] lag boven te slapen. De sjaal lag op de kast. Daar lagen meerdere sjaals. Ik pakte een sjaal en liep naar het bed. Toen is het gebeurd. Op een gegeven moment maakte hij een rochelend geluid. Dat herinner ik me nog. Toen was het al te laat. Toen was hij denk ik al overleden. Ik wist gewoon dat hij dood was.

Natuurlijk heb ik dat sjaaltje om zijn nek gelegd anders was het niet gebeurd.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , zakelijk onder meer inhoudende als verklaring van de verdachte:

ik heb de sjaal behoorlijk aangesjord. Van een klein beetje trekken ga je niet dood2.

ten aanzien van het tweede feit

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen3 van Politie Eenheid Noord-Nederland van 25 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 5] , zakelijk onder meer inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 2] :

ze bracht haar stiefvader naar boven. Ze ging bij hem in bed liggen. Ze zijn in slaap gevallen. Ze hoorde haar moeder bij de kast op de slaapkamer waar ze lag. Haar moeder ging daarna bij haar op de bedrand zitten. Haar moeder zei tegen haar: “doe je sjaal af, straks stik je nog”. Ze was met een sjaal om in bed gaan liggen. Een dikke wintersjaal, donkerpaars van kleur. Ze droeg die sjaal twee keer om haar hals. Ze voelde dat haar moeder aan haar sjaal zat. Haar moeder deed de sjaal één keer van haar nek. Direct daarna voelde ze dat haar moeder de sjaal gekruist voor haar hals hard aantrok. Ze begon direct te gillen nadat haar moeder de sjaal hard aantrok. Haar moeder liet toen direct los. Ze kon zien dat het haar moeder was die de sjaal aantrok omdat die dicht bij haar was.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2015, zakelijk onder meer inhoudende:

ik ben de avond van de 23e januari 2015 naar boven gegaan. [slachtoffer 1] lag boven te slapen. [slachtoffer 2] lag bij [slachtoffer 1] op bed. Zij sliep ook. Ik ben van [slachtoffer 1] naar [slachtoffer 2] gelopen. [slachtoffer 2] had een sjaal om, een wollen sjaal. Die heb ik aangetrokken. Vast wel kruislings. Ze kwam half overeind en schreeuwde.

Bijzondere bewijsmotivering ten aanzien van het eerste feit

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of [slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van het handelen van verdachte.

Door de arts-patholoog van het NFI, dr. M. Buiskool, is pathologisch onderzoek gedaan naar de mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 1] . Ten behoeve van deze rapportage heeft zij toxicologisch onderzoek aangevraagd bij dr. M. J. Vincenten-van Maanen, apotheker en tevens werkzaam bij het NFI.

De bevindingen van dr. Buiskool voornoemd zijn vastgelegd in een rapport van 9 mei 2015. Bij dit rapport is gevoegd de door haar aangevraagde toxicologische rapportage van 19 maart 2015 van dr. Vincenten-Van Maanen.

Dr. Buiskool is ter terechtzitting van 30 juni 2015 door de rechtbank gehoord.

Bij tussenvonnis van 7 juli 2015 heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht nader te worden voorgelicht door dr. Vincenten-Van Maanen alvorens een beslissing te nemen in het aanhangige strafgeding.

Dr. Vincenten-Van Maanen is in haar rapport van 5 augustus 2015 op enige vragen ingegaan en is als deskundige gehoord ter terechtzitting van 3 september 2015.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden wat de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] is geweest. Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 1] heeft gewurgd. In de pathologische rapportage zijn twee mogelijke doodsoorzaken genoemd: dood door verwurging en dood door alcoholintoxicatie.

Verdachte heeft nadrukkelijk gesteld dat zij [slachtoffer 1] door middel van verwurging met een sjaal om het leven heeft gebracht. In de pathologische rapportage wordt gesteld dat de wijze waarop verdachte heeft verteld dat zij [slachtoffer 1] heeft gewurgd kan passen bij de door de patholoog gevonden bevindingen. In de rapportage wordt echter ook alcoholintoxicatie als mogelijke doodsoorzaak genoemd.

In de rapportage is geen aannemelijkheidsoordeel uitgesproken van de ene boven de andere mogelijke doodsoorzaak. Dit is voor de rechtbank de reden geweest om de deskundigen ter terechtzitting te horen. Ook ter terechtzitting hebben de deskundigen geen uitspraak willen of kunnen doen omtrent de vraag welke doodsoorzaak het meest aannemelijk is en in hoeverre een alcoholintoxicatie bij het gevonden promillage een aannemelijke doodsoorzaak is. Niettemin komt de rechtbank op grond van de rapportage van de deskundigen, in combinatie met de andere bewijsmiddelen in het dossier en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de toxicoloog tot het oordeel dat verwurging de meest aannemelijke doodsoorzaak is en dat het buiten redelijke twijfel is dat de alcoholintoxicatie dat niet is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In de toxicologische rapportage is een tabel opgenomen van de te verwachten gevolgen bij verschillende gradaties van alcoholintoxicatie. In deze tabel wordt bij een promillage van 3 tot 4 de dood niet als een te verwachten gevolg genoemd. Pas vanaf een promillage van 4 wordt de kans op overlijden genoemd als een te verwachten gevolg van alcoholmisbruik. Dit betreft het promillage dat is gevonden bij het intreden van de dood. Bij [slachtoffer 1] werd een alcohol promillage gevonden van 3,3.

De toxicoloog heeft gesteld dat, gelet op de onderzoeksresultaten, het alcoholpromillage van [slachtoffer 1] na het intreden van de dood niet meer is gewijzigd. De toxicoloog heeft voorts aangegeven dat meergenoemde de tabel betrekking heeft op niet-gewende gebruikers en dat bij wel-gewende gebruikers een hoger promillage nodig is om tot eenzelfde effect te komen. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] niet een niet-gewende gebruiker van alcohol was, maar een uiterst gewende gebruiker. [slachtoffer 1] nam vrijwel dagelijks grote hoeveelheden alcohol tot zich. Dit maakt dat het overlijden niet lijkt te passen bij het gevonden alcoholpromillage van 3,3.

De toxicoloog heeft ter terechtzitting verklaard dat uit de literatuur blijkt dat bij 90% van de personen die aan een alcoholintoxicatie zijn overleden zich in de maag nog niet door het lichaam opgenomen alcohol bevindt. Dat was bij [slachtoffer 1] , zo is uit onderzoek gebleken, niet het geval. Ook uit de verhouding tussen het gemeten alcoholpromillage in de urine en in het bloed heeft de toxicoloog afgeleid, zo verklaarde zij ter terechtzitting, dat alle door [slachtoffer 1] genuttigde alcohol geheel in het lichaam was opgenomen.

Voorts is van belang dat [slachtoffer 1] op vrijdag 24 januari 2015, de dag van zijn overlijden, reeds overdag een aanzienlijke hoeveelheid alcohol tot zich had genomen en dat er na ongeveer 17.00 uur geen sprake meer is geweest van alcoholgebruik. [slachtoffer 1] is om ongeveer 17.00 uur met zijn dochter naar de cafetaria geweest om eten te halen en heeft daarna bij zijn gezin in de kamer gezeten. Uit de verklaringen van de dochter [slachtoffer 2] blijkt dat zij [slachtoffer 1] om ongeveer 19.30 uur heeft geholpen naar bed te gaan, een tijdsverloop van meer dan twee uren na de laatste alcoholconsumptie.

De rechtbank acht het op grond van vorenstaande boven redelijke twijfel verheven dat [slachtoffer 1] door verwurging is overleden en niet alsnog later op de avond is overleden aan de reeds veel eerder tot zich genomen hoeveelheid alcohol.

De rechtbank gaat ervan uit dat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] onder invloed was van een hoeveelheid alcohol zoals deze post mortem is gemeten, te weten 3,3, promille, wel de verwurging door verdachte kan hebben vergemakkelijkt. De gemeten concentratie alcohol kan een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden door het optreden van dempende effecten.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat verdachte het onder 1. en 2. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

zij op 23 januari 2015 te en in de gemeente Emmen haar echtgenoot [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een sjaal de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1] gedurende langere tijd af te sluiten;

2.

zij op 23 januari 2015 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar dochter [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een sjaal die die [slachtoffer 2] om de hals/nek had, heeft vastgepakt en die sjaal gekruist heeft aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal voorts van het onder 1. en 2. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het onder 1. en 2. bewezen geachte levert respectievelijk op:

doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht,

en

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 8 juni 2015, opgemaakt door drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen .

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie, zakelijk weergegeven:

verdachte is lijdende aan ziekelijke stoornissen in de vorm van PDD-NOS, een depressie en afhankelijkheid van alcohol. Alle drie stoornissen speelden een rol bij verdachte ten tijde van het plegen van het haar tenlastegelegde en beïnvloedden haar gedragskeuze(s) en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.

De combinatie van PDD-NOS, de depressie en de alcohol-intoxicatie hebben in zeer aanzienlijke mate de gedragskeuze(s) en gedragingen beïnvloed tijdens zowel de toedracht, de uitvoering en de afhandeling van het tenlastegelegde. Er kan zelfs gesproken worden van elkaar versterkende risico’s.

Gelet op het hiervoor overwogene is bij verdachte sprake van verminderde toerekeningsvat-baarheid voor beide haar tenlastegelegde feiten.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hier voor bewezen geachte aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 2 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte heeft in de avond van 23 januari 2015 haar echtgenoot, die lag te slapen, met een sjaal gewurgd. Vervolgens heeft zij geprobeerd haar dochter [slachtoffer 2] te wurgen. Omdat [slachtoffer 2] wakker werd en begon te schreeuwen is het bij een poging gebleven.

Doodslag is een der ernstigste misdrijven die de strafwetgeving kent. Misdrijven als de onderhavige schokken de rechtsorde in hoge mate. Bovendien valt te verwachten dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de beide stiefdochters van het slachtoffer, nog lange tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van zijn overlijden.

[slachtoffer 2] moet niet alleen haar stiefvader missen maar zal ook moeten verwerken dat haar eigen moeder heeft getracht haar te wurgen. Het laat zich aanzien dat ook de psychische gevolgen daarvan nog lange tijd zullen doorwerken.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het rapport van drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen d.d. 8 juni 2015. Het rapport houdt als conclusie van de deskundige in, dat verdachte verminderd toerekenings-vatbaar is. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank komt daarbij tot een lagere gevangenisstraf dan gevorderd omdat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie voorbedachte raad niet aanwezig acht. De door de raadsman bepleite duur van de gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Motivering maatregel van terbeschikkingstelling

De gedragsdeskundigen drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen , en H.A. de Jonge, GZ-psycholoog te Groningen , die de verdachte beiden hebben onderzocht, hebben ieder een met reden omkleed, gedagtekend en ondertekend advies uitgebracht.

het advies van drs. D.T. van der Werf

De conclusies in het door drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen, d.d. 8 juni 2015 uitgebrachte advies luiden, zakelijk weergegeven:

De combinatie van drie ziekelijke stoornissen maakt dat de kans bij verdachte aanwezig blijft op sociale en communicatieve overbelasting, op het opdoen van misinterpretaties en overige disproportioneel negativistische oordelen en op verlies van werkelijkheidstoetsing en zelfsturend vermogen ten tijde van intoxicatie van alcohol. Het misbruik van alcohol heeft bij de uitvoering van het bewezen geachte een cruciale rol gespeeld. Deze risico’s zullen onverminderd aanhouden zolang die stoornissen niet voldoende behandeld en/of begeleid worden en tevens een situatie van nabijheid met haar naasten aangeboden wordt. Nu de gezinsconstellatie deels verloren en onzeker is geraakt, is daarmee ook het risico op herhaling van een soortgelijk delict feitelijk gereduceerd.

Verdachte dient op basis van de benodigde zorgintensiteit in combinatie met het benodigde beveiligingsniveau zo spoedig mogelijk vooraleerst een klinische behandeling in een FPK te ontvangen, bij voorkeur met expertise op gebied van ASS in combinatie met verslaving en stemmingspathologie. Na de klinische behandeling zal een veilige resocialisatie nog de nodige inspanningen en tijd vergen via een forensisch psychiatrische kliniek. Vanuit gedragsdeskundig perspectief is een terbeschikkingstelling met voorwaarden hiertoe toereikend en te verkiezen indien een dergelijke maatregel vanuit juridisch oogpunt is te rechtvaardigen.

het advies van H.A. de Jonge

De conclusies in het door H.A. de Jonge, GZ-psycholoog te Groningen d.d. 7 juni 2015 uitgebrachte advies luiden, zakelijk weergegeven:

De Jonge acht de kans op recidive matig hoog. Het gevaar is gelegen in een onbehandelde depressie en hernieuwd ernstig alcoholgebruik bij onbegrip van sociale situaties en gebrek aan inlevingsvermogen.

Verdachte zou behandeld moeten worden voor haar ernstige depressie en voor haar alcoholafhankelijkheid. Daarnaast zou ze psycho-educatie kunnen volgen over de PDD-NOS waarin ze leert om hier beter mee om te gaan en vaardigheidstraining specifiek gericht op een autismespectrumstoornis kunnen volgen. Het geadviseerde wettelijke kader is terbeschikkingstelling met voorwaarden als dit mogelijk is; anders is alleen terbeschikkingstelling met dwangverpleging mogelijk.

De rechtbank verenigt zich met de bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare. Op grond van die conclusies en adviezen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten ziekelijke stoornissen van haar geestvermogens bestonden.

De gedragsdeskundige Van der Werf acht vanuit gedragsdeskundig perspectief een TBS met voorwaarden toereikend en te verkiezen indien een dergelijke maatregel vanuit juridisch oogpunt is te rechtvaardigen.

Ook de gedragsdeskundige De Jonge adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden als dit mogelijk is; anders is alleen terbeschikkingstelling met dwangverpleging mogelijk.

Op grond van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht is het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden slechts mogelijk indien daarnaast een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar wordt opgelegd.

Nu de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zal opleggen die langer zal zijn dan vijf jaren, kan daarom geen terbeschikkingstelling met voorwaarden worden opgelegd.

De feiten die verdachte heeft begaan zijn misdrijven, die behoren tot de misdrijven omschreven in artikel 37a, eerste lid onder 1e van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van bovenstaande conclusies en mede gelet op de ernst van de begane feiten, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal tevens bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaar-heid van het lichaam van een of meer personen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade voortvloeiend uit het eerste feit overweegt de rechtbank als volgt:

is op 23 januari 2015, kort na de onnatuurlijke dood van haar stiefvader, rechtstreeks met hem geconfronteerd. Zij stelt dat deze confrontatie bij haar een hevige emotionele shock heeft teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel is ontstaan en dat zij

als gevolg van deze confrontatie een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Zij maakt aanspraak op vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.

Confrontatie met een schokkende gebeurtenis kan leiden tot psychische aandoeningen. Deze zogenaamde shockschade komt na een door de Hoge Raad gewezen arrest4 voor vergoeding in aanmerking. De Hoge Raad heeft echter meermalen geoordeeld dat de beoordeling of sprake is van shockschade niet eenvoudig van aard is. De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden immateriële schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen, nu dit zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. De vordering kan met betrekking tot de geleden immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade voortvloeiend uit het tweede feit overweegt de rechtbank als volgt:

minderjarigen en zij die voor het rechtsgeldig verrichten van een rechtshandeling een wettelijk vertegenwoordiger behoeven, kunnen zich voegen indien zij deugdelijk worden vertegenwoordigd. De advocaat die ten behoeve van de minderjarige benadeelde optreedt, moet voorzien zijn van een mondelinge of schriftelijke machtiging van de wettelijk vertegenwoordiger om namens deze op te treden5.

De advocaat van de op [geboortedatum slachtoffer 2] geboren en dus nog minderjarige [slachtoffer 2] , beschikt echter niet over zodanige machtiging van de vader van [slachtoffer 2] . Evenmin is er handlichting verleend. Bij handlichting wordt aan een persoon boven de zestien jaar, die de leeftijd der meerderjarigheid echter nog niet heeft bereikt, door de kantonrechter op verzoek handlichting verleend, opdat deze persoon zelfstandig in verband met zakelijke activiteiten kan handelen.

[slachtoffer 2] kan dus niet worden ontvangen in dit deel van haar vordering. De vordering kan met betrekking tot de geleden immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen ten behoeve van [slachtoffer 2] na te noemen bedrag aan de Staat te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 2. bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat [slachtoffer 2] immateriële schade heeft geleden ten gevolge van de ten aanzien van haar gepleegde poging tot doodslag acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 5000,- Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De rechtbank zal ingevolge het bepaalde in artikel 36f, zevende lid van het Wetboek van Strafrecht telkens vervangende hechtenis opleggen.

De Staat zal, indien verdachte niet binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis onherroepelijk is geworden aan haar verplichtingen heeft voldaan6, het bedrag aan het slachtoffer uitkeren en het uitgekeerde bedrag op de verdachte verhalen.

Tot vervangende hechtenis zal worden overgegaan als volledig verhaal op de goederen van de verdachte onmogelijk is gebleken7.

De rechtbank acht het illusoir te menen dat verdachte, aan wie, zoals hierna zal worden beslist, een langdurige gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging zullen worden opgelegd, in staat zal zijn binnen de genoemde termijn van acht maanden aan haar verplichting te voldoen. Daarmee zou de normaliter op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, naar het oordeel van de rechtbank een punitief karakter krijgen, hetgeen de rechtbank ongewenst acht.

De rechtbank zal daarom bepalen dat bij gebreke van betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

[slachtoffer 3]

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade met betrekking tot het eerste feit overweegt de rechtbank als volgt:

is op 23 januari 2015, kort na de onnatuurlijke dood van haar stiefvader, rechtstreeks met hem geconfronteerd. Zij heeft gesteld dat deze confrontatie bij haar een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht, waaruit geestelijk letsel is ontstaan, waardoor zij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Zij maakt aanspraak op vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.

Confrontatie met een schokkende gebeurtenis kan leiden tot psychische aandoeningen. Deze zogenaamde shockschade komt na een door de Hoge Raad gewezen arrest8 voor vergoeding in aanmerking. De Hoge Raad heeft echter meermalen geoordeeld dat de beoordeling of sprake is van shockschade niet eenvoudig van aard is. De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden immateriële schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen, nu dit zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. De vordering kan met betrekking tot de geleden immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer 4]

De rechtbank acht het causale verband tussen het onder 1. bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het te dier zake gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar, ook omdat door of namens verdachte die vordering niet is weersproken.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1. bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De rechtbank zal ingevolge het bepaalde in artikel 36f, zevende lid van het Wetboek van Strafrecht telkens vervangende hechtenis opleggen.

De Staat zal, indien verdachte niet binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis onherroepelijk is geworden aan haar verplichtingen heeft voldaan9, het bedrag aan het slachtoffer uitkeren en het uitgekeerde bedrag op de verdachte verhalen.

Tot vervangende hechtenis zal worden overgegaan als volledig verhaal op de goederen van de verdachte onmogelijk is gebleken10.

De rechtbank acht het illusoir te menen dat verdachte, aan wie, zoals hierna zal worden beslist, een langdurige gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging zullen worden opgelegd, in staat zal zijn binnen de genoemde termijn van acht maanden aan haar verplichting te voldoen. Daarmee zou de normaliter op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, naar het oordeel van de rechtbank een punitief karakter krijgen, hetgeen de rechtbank ongewenst acht.

De rechtbank zal daarom bepalen dat bij gebreke van betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 37b en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. en 2. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank beveelt voorts dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] een bedrag van € 5.000,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van de som van € 615,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het schadeveroorzakende feit.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] een bedrag van € 615,50 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en O.J. Bosker en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 17 september 2015.

1 dossierpagina 47 en volgende

2 dossierpagina 270/271

3 dossierpagina 62 en volgende

4 Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002, 240, m.nt. J.B.M. Vranken

5 artikel 51c Sv. HR 17 december 1996, NJ 1997, 261

6 artikel 36f, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht

7 artikel 573, derde lid Wetboek van Strafvordering

8 Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002, 240, m.nt. J.B.M. Vranken

9 artikel 36f, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht

10 artikel 573, derde lid Wetboek van Strafvordering