Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2015

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2015
Datum publicatie
24-04-2015
Zaaknummer
19.810003-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Taakstraf terzake van verduistering en het gebruikmaken van een vervalst geschrift, gepleegd door beheerder van gelden caféspaarkas.

Overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de berechting heeft plaatsgevonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321, 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 19/810003-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft, na verwijzing door de politierechter d.d. 17 september 2014, plaatsgevonden op 28 oktober 2014, 16 december 2014 en 10 april 2015.

De verdachte is ter terechtzitting van 10 april 2015 verschenen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 23 mei 2011 te [pleegplaats] opzettelijk 20.000 euro, althans een hoeveelheid geld,, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als beheerder van Spaarkas [bedrijf], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

dat hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 23 mei 2011 te [pleegplaats], althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) brief van [gerechtsdeurwaarder]

d.d. 29 juli 2010 en/of (een) rekeningoverzicht(en) d.d. 18-08-2010 en/of d.d. 28-07-2010 en/of 01-04-2011, - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat/die hiervoor genoemde stuk(ken) heeft getoond en/of afgegeven aan zijn schuldeisers/spaarders (te weten: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13]) om aan te tonen dat hij aan hen geen betalingen kon verrichten en/of dat het geld nog op de daartoe bestemde rekening stond en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die genoemde brief valselijk was vermeld dat in opdracht van de heer [persoon] (door die [gerechtsdeurwaarder]) beslag was gelegd op verdachtes bankrekening bij de [bank 1] te [pleegplaats] en/of dat op dat/die rekeningoverzicht(en) valselijk een of meer geldbedrag(en) was/waren vermeld dat/die op de hiervoor genoemde bankrekening (waarop beslag zou zijn gelegd) zou(den) zijn gestort of overgeboekt en/of dat dat/die rekeningoverzicht(en) valselijk een positief (huidig) saldo van die bankrekening vertoonde(n), terwijl in werkelijkheid geen beslag was gelegd op die bankrekening en/of dat/die geldbedrag(en) niet op die bankrekening was/waren gestort of overgeboekt en/of die bankrekening geen positief (huidig) saldo vertoonde.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. H.H. Louwes, acht hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd (verduistering en valsheid in geschrift) wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank zal opleggen:

  • -

    100 uren werkstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis;

  • -

    toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 1], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13],

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met telkens 1 dag vervangende hechtenis.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en anders dan verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geld heeft verduisterd en valsheid in geschrift heeft gepleegd. Verdachte heeft telkens wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de

vraag wat hij met de ingelegde spaargelden heeft gedaan. Hij zou de spaargelden op wisselende (al dan niet) privérekeningen hebben gestort -hetgeen niet blijkt uit de gegevens van de bank-, dan wel zou hij het geld bij hem thuis in de kluis liggen, dan wel hebben gelegen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte een brief van een gerechtsdeurwaarders-kantoor en bankrekeningoverzichten heeft vervalst. Verdachte heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, in het kader van de artikel 12 Sv-procedure, erkend met de bankafschriften te hebben “gerommeld”.

De rechtbank heeft het bewijs gebaseerd op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart -zakelijk weergegeven- op 23 mei 20111 (pag 3ev): Ik ben spaarder bij [bedrijf] te [pleegplaats]. In het [bedrijf] hangt een spaarkas. Elk vakje is aan een persoon gekoppeld die meedoet aan dit spaarproject. Wij storten per persoon minimaal 5 euro per week in deze spaarkas. Als je dit een week niet doet dan krijg je 2 euro boete. Dit bedrag wordt dan in mindering gebracht op de totale uitbetaling. De beheerder, [verdachte], is er verantwoordelijk voor dat de kas elke week geleegd wordt, geteld wordt en geregisseerd wordt in het spaarkasboek en vervolgens gestort wordt op een daarvoor bestemde rekening. In de zomer 2010 zouden wij ons gespaarde geld van seizoen 2009/ 2010 uitbetaald krijgen. Dit gebeurde maar niet en [verdachte] stelde het uitbetalen steeds uit. In juli 2010 kwam [verdachte] met het verhaal dat er beslag was gelegd op de rekening van de spaarkas. [verdachte] heeft toen een brief laten zien aan mijn oom [slachtoffer 10]. Uit deze brief zou moeten blijken dat er beslag zou gelegd zijn op die rekening. Ook liet [verdachte] een gekopieerd bankafschrift zien met hierop het gespaarde geld. Het bedrag op de rekening zou wel kunnen kloppen. Deze brieven voeg ik bij deze aangifte. Op 1 april 2011 zou [verdachte] ons het geld uitbetalen. [verdachte] vertelde deze avond dat er een fout was gemaakt bij de [bank 1] en dat het inmiddels vrijgegeven geld weer terug gestort was naar de [bank 1] zelf. Weer kon [verdachte] ons niet uitbetalen. Uiteindelijk kreeg ik weer een kopie van een bankafschrift. Dit bankafschrift was van 18-08-2010. Ongeveer 2 à 3 dagen later krijg ik weer een rekeningafschrift van [verdachte]. Ook dit was weer een kopie. Als ik deze 2 afschriften naast elkaar leg kun je duidelijk zien dat er mee geknoeid is. Ook deze afschriften voeg ik bij de aangifte. Wij als spaarders willen gewoon ons eigen geld terug.

Aangiftes van verduistering tegen verdachte van hun gespaarde geld in de spaarkas van [bedrijf]te [pleegplaats]2, betreffende [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13].

Aangever [slachtoffer 1] verklaart -zakelijk weergegeven- op 23 mei 20113: Het gespaarde geld van juni 2009 tot en met 14 november 2010 is niet uitbetaald.

Een brief van [gerechtsdeurwaarder] aan verdachte, d.d. 29 juli 2010,

-overgelegd bij de aangifte-4 inhoudende:

Geachte heer, [verdachte]

Bij deze deel ik u mede dat in opdracht van de heer [persoon]

Beslag is gelegd op uw bankrekening met het [rekeningnummer]

Van de [bank 1] te [pleegplaats].

Voor inlichtingen kunt u contact met mij opnemen via

Het volgende [telefoonnummer]

Een brief van [gerechtsdeurwaarder], d.d. 17 oktober 2011, gericht aan aangever houdt -zakelijk weergegeven- in5:

Inzake [verdachte], [woonplaats].

Geachte heer [slachtoffer 1],

Vandaag overhandigde u mij bijgaande kopie-brief, gedateerd 29 juli 2010.

Deze kopie bevat in de kantlijn de kolom zoals afgedrukt op (oud) briefpapier van mijn kantoor. Ik kan u echter meedelen dat de tekst van de brief niet afkomstig is van mijn kantoor. [verdachte] is mij bekend uit de praktijk. Echter, de zaak [persoon]/[verdachte] is mij onbekend. Ook is door mijn kantoor op of rond de datum 29 juli 2010 geen beslag gelegd op de genoemde bankrekening. Bovendien komt de brief tekstueel niet overeen met de wijze waarop wij schriftelijk communiceren. Zo vermelden wij altijd het dossiernummer waaronder de betreffende zaak bij ons bekend is. Voorts wordt in de brief een telefoonnummer vermeld dat niet overeenkomt met ons telefoonnummer, zoals dat in de kantlijn staat vermeld.

Een drietal rekeningoverzichten6 -overgelegd bij de aangifte- betreffende [rekeningnummer], d.d. 10 augustus 2010, 28 juli 2010 en 01 april 2011, ten name van verdachte, inhoudende kasstortingen en een overboeking en terugboeking (administratieve reden).

Op het door de [bank 1] aangeleverde mutatie-overzicht7 betreffende [rekeningnummer] blijkt niet van (in de voetnoot 6 bedoelde) stortingen of overboekingen, terwijl de bankrekening geen positief saldo vertoonde. Tevens blijkt niet van (wekelijkse) stortingen van het spaarkasgeld op deze rekening.

De inhoud van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, d.d. 12 december 2013, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende, dat de door verdachte aan aangever getoonde bankafschriften niet overeenkomen met de opgevraagde originele documenten en dat verdachte in raadkamer van het Hof heeft erkend dat hij met bankafschriften heeft “gerommeld” teneinde aangever en de overige spaarders aan het lijntje te houden.

Verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-8: We hebben een spaarkassysteem in ons [bedrijf]. De klanten die daar aan mee doen hebben ieder een eigen kluisje waar ik de sleutel van heb. Elke week doen zij daar minimaal 5 euro in. Als zij een week niet sparen moeten zij 2 euro boete betalen. De stortingen van de klanten worden vastgelegd in een schrift. Het geld wordt dan wekelijks gestort door mij aan de [bank 1]. Er doen gemiddeld tussen de 25 of 30 klanten mee aan de spaarkasregeling. Het is de bedoeling dat de klanten elk jaar vlak voor de bouwvak hun geld krijgen uitgekeerd. Er is het een en ander gebeurd met het geld van de klanten. De [bank 1] rekening op [rekeningnummer] staat op mijn naam en is speciaal bedoeld voor de spaarkasregeling. Ik heb de rechthebbenden bankafschriften laten zien waarin het geld is afgeboekt. De persoon die beslag heeft gelegd op mijn rekening heeft een deurwaarder uit [plaats] gebruikt om beslag te leggen op deze rekening.

Verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-9: Ik ben houder van [rekeningnummer] van de [bank 1]. Dit is mijn privérekening. Ik bewaar het geld thuis.

V: Op de laatste afschrift zie ik dat u op 25 maart 2011, 15883.30 euro overboekt naar [rekeningnummer 1], van wie is deze rekening?

A: Dat is mijn privérekening nummer van de [bank 2] in [pleegplaats].

V: Waar is het geld nu dan?

A: Thuis in de kluis.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 23 mei 2011 te [pleegplaats] opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als beheerder van Spaarkas [bedrijf], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en

dat hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 23 mei 2011 te [pleegplaats], opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste brief van [gerechtsdeurwaarder] d.d. 29 juli 2010 en rekeningoverzichten d.d. 18-08-2010 en d.d. 28-07-2010 en 01-04-2011, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die hiervoor genoemde stukken heeft getoond en afgegeven aan zijn schuldeisers/spaarders (te weten: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13]) om aan te tonen dat hij aan hen geen betalingen kon verrichten en dat het geld nog op de daartoe bestemde rekening stond en bestaande die vervalsing hierin dat in die genoemde brief valselijk was vermeld dat in opdracht van de heer [persoon] door die [gerechtsdeurwaarder] beslag was gelegd op verdachtes bankrekening bij de [bank 1] te [pleegplaats] en dat op die rekeningoverzichten valselijk een of meer geldbedragen waren vermeld die op de hiervoor genoemde bankrekening waarop beslag zou zijn gelegd zou zijn gestort of overgeboekt en dat die rekeningoverzichten valselijk een positief saldo van die bankrekening vertoonden, terwijl in werkelijkheid geen beslag was gelegd op die bankrekening en dat geldbedragen niet op die bankrekening waren gestort of overgeboekt en die bankrekening geen positief saldo vertoonde.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. De in de bewijsmiddelen opgenomen andere geschriften zijn uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

verduistering,

strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht,

en

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,

strafbaar gesteld bij artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de feiten en de verdachte strafbaar, omdat geen straf- en/of schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van gelden die wekelijks door klanten/spaarders van het [bedrijf] werden gestort in de spaarkas. Verdachte beheerde deze kas. Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen van de vele spaarders beschaamd. Daarbij ging het in totaal om een behoorlijke som geld. Tevens heeft verdachte zich, om de verduistering te kunnen verdoezelen, schuldig gemaakt aan het vervalsen van bankrekeningoverzichten en een brief van een deurwaarderskantoor.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 maart 2015, waaruit geen eerdere veroordeling blijkt.

De rechtbank houdt voorts rekening met de eis van de officier van justitie en hetgeen verdachte heeft aangevoerd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden. De officier van justitie heeft gevorderd 100 uren werkstraf.

De voren omschreven ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een werkstraf voor de duur van 100 uren, zoals door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is echter van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de berechting van verdachte heeft plaatsgevonden. Er is naar het oordeel van de rechtbank inbreuk gemaakt op artikel 6 van het EVRM. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 10 juni 2011 is aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit een vanwege de Staat jegens de verdachte verrichte handeling is waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De behandeling van de strafzaak is vervolgens niet binnen twee jaar afgerond, terwijl in deze strafzaak geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn geweest die een termijnoverschrijding rechtvaardigen. Onderhavige zaak is niet zo ingewikkeld of omvangrijk dat reeds hierdoor sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Bij de uitspraak is de redelijke termijn met bijna twee jaren overschreden. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot een strafvermindering; te weten dat op de werkstraf een vermindering van 30 uren dient plaats te vinden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, een werkstraf van 70 uur passend en geboden is.

Vorderingen benadeelde partijen

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], J.[slachtoffer 7],

[slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12], [slachtoffer 13] het volgende.

De rechtbank acht telkens het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vorderingen acht zij tot na te noemen bedragen voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vorderingen zijn dan ook gegrond en tot na te noemen bedragen voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vorderingen, voor dit deel kunnen de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank heeft de schadebedragen over de periode 2009/2010 vastgesteld op basis van de door verdachte gegeven schriftelijke reactie op de vorderingen. Verdachte heeft ter zitting toegelicht dat het handmatig bijgehouden kasboek 2009/2010 door hem is overgezet naar zijn computer en hij daarvan een afschrift heeft bijgevoegd. Dat afschrift acht de rechtbank voldoende betrouwbaar zodat zij voor het boekjaar 2009/2010 daarvan zal uitgaan. De schadebedragen over de periode 2010/2011 heeft zij vastgesteld op basis van de door de benadeelde partijen overgelegde kasboekafschriften. In die gevallen dat geen kasboekafschrift is overgelegd heeft de rechtbank dat deel van de vordering als niet onderbouwd, niet ontvankelijk verklaard.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] afwijzen, nu deze vordering onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het als eerste bewezen verklaarde feit -de verduistering- acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een taakstraf, bestaande uit 70 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 35 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 770,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2011 tot de dag van gehele voldoening, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 770,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2011 tot de dag van gehele voldoening, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van de som van € 3.655,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 3.655,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van de som van € 575,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], een bedrag van € 575,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van de som van € 497,50, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], een bedrag van € 497,50, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van de som van € 740,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], een bedrag van € 740,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van de som van € 1.500,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van de som van € 997,50, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7], een bedrag van € 997,50, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] van de som van € 435,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], een bedrag van € 435,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10] van de som van € 575,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10], een bedrag van € 575,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] van de som van € 1.850,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11], een bedrag van € 1.850,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 12] van de som van € 832,00, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12], een bedrag van € 832,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 13] van de som van € 547,50, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13], een bedrag van € 547,50, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] af. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

en mr. E. Läkamp en P.J. van Steen, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 april 2015.

1 op pagina 3ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: PL0300 2011035816 (PV1)

2 op pagina 19-30 van PV1

3 op pagina 22ev van PV2

4 op pagina 10 van PV1

5 op pagina 42 van het aanvullend proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: PL0300 2011035816 (PV2)

6 op pagina 11-13 van PV1

7 op pagina 14-20 van PV2

8 op pagina 14ev van PV1

9 op pagina 43ev van PV2