Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6176

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
Awb 14/4569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Dantumadeel mag de huishoudelijke hulp aan een ouder echtpaar niet met ingang van 1 januari 2015 beëindigen. Dit heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland in Groningen bepaald.

Het echtpaar had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente dat de huishoudelijke hulp met ingang van 1 januari 2015 een algemene voorziening wordt en dat per deze datum de huishoudelijke hulp komt te vervallen. Dit ten gevolge van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning die per 1 januari 2015 in werking treedt (de WMO 2015).

De voorzieningenrechter heeft op de zitting echter vastgesteld dat de gemeente zich niet baseert op de WMO 2015, maar op de nu nog geldende WMO 2007. Verder kwam naar voren dat de gemeente de huishoudelijke hulp als “algemeen gebruikelijk” beschouwt.

De huishoudelijke hulp kan op basis van de WMO 2007 in beginsel worden beëindigd, als er iets is gewijzigd. Daarbij valt vooral te denken aan de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. De gemeente had de huishoudelijke hulp daarom niet mogen stopzetten zonder nader onderzoek te verrichten naar onder meer de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het welbevinden van het echtpaar. Uit niets blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van het echtpaar na het laatste onderzoek in 2012 zijn verbeterd.

Daarnaast heeft de gemeente de huishoudelijke hulp nooit eerder als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Op grond van de jurisprudentie moet de gemeente dan bovendien beoordelen of een voorziening ook in het specifieke geval van de betrokkene algemeen gebruikelijk is. Dat heeft de gemeente niet onderzocht.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning, geldigheid: 2014-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2015/15
RSV 2015/9
RZA 2015/4

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/4569

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2014 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaats] verzoeker

(gemachtigde: dr. mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij primair besluit van 30 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat de huishoudelijke hulp (schoonmaakhulp, hh1) met ingang van 1 januari 2015 een algemene voorziening wordt, zodat het recht op huishoudelijke hulp per die datum wordt beëindigd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 17 november 2014 een verweerschrift ingediend. Namens verzoeker is daarop bij brieven van 21 en 22 november 2014 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014.

Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig de dochter van verzoeker.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door R. Meekma.

Overwegingen

1.1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

1.2.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteits-vereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

1.3.

De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in onderhavig geval gegeven, omdat de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorziening ter zitting genoegzaam zijn gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de hh1 per

1 januari 2015 is ingetrokken.

2.1.

Verzoeker, geboren op 1 augustus 1926, woont zelfstandig in een appartement, samen met zijn echtgenote, geboren op 20 mei 1925.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft verweerder verzoeker bericht dat zijn voorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo 2007) wordt voortgezet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor hh1 (lichte en zware huishoudelijke werkzaamheden en het verzorgen van de was) voor de periode

1 oktober 2012 tot en met 1 oktober 2017. Er is hh1 geïndiceerd voor 7 uren per week.

Deze toekenning is gebaseerd op het rapport Wmo van 3 oktober 2012. Hieruit blijkt dat verzoeker polyneuropathie en evenwichtsstoornissen heeft. Voorts ondervindt hij nog beperkingen als gevolg van een CVA. Ook heeft verzoeker maculadegeneratie, waardoor hij slecht ziet. Zijn echtgenote heeft een borstamputatie ondergaan en heeft daardoor klachten aan schouder en arm. Er is bij haar sprake van vergroeide handen door reuma en bovendien is zij incontinent voor ontlasting en urine.

Als gevolg van hun medische situatie zijn verzoeker en zijn echtgenote niet in staat iets in het huishouden te doen. Hun dochter, werkzaam bij een thuiszorgorganisatie, verricht de huishoudelijke taken via het pgb. Daarnaast verricht zij als mantelzorger diverse (onbetaalde) werkzaamheden voor haar ouders. Het pgb, in combinatie met extramurale AWBZ-zorg, stelt verzoeker en zijn echtgenote in staat zelfstandig te blijven wonen.

3. Bij brief van 14 juli 2014 heeft verweerder verzoeker er van op de hoogte gesteld dat de Wmo per 1 januari 2015 ingrijpend zal worden gewijzigd en dat dit (mogelijk) gevolgen heeft voor de hh1 die hij thans ontvangt.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat de hh1 met ingang van 2015 een algemene voorziening wordt in verband met het feit dat de Wmo per

1 januari 2015 flink wordt gewijzigd en dat de gemeente minder geld krijgt van de rijksoverheid. Als gevolg hiervan wordt verzoekers recht op hh1 met ingang van 1 januari 2015 beëindigd. Verzoeker dient vanaf deze datum de schoonmaakhulp zelf te regelen en te betalen.

Ter zitting is door verweerder verduidelijkt dat de huishoudelijke hulp als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.

5. In het rapport Heronderzoek Algemene voorziening van 23 oktober 2014 heeft één van verweerders consulenten, na telefonisch overleg met de dochter van verzoeker, geconcludeerd dat er voor verzoeker binnen de Wmo geen passende oplossing is te vinden.

6. In bezwaar heeft verzoeker onder meer gesteld dat het overgangsrecht (artikel 8.9 van de Wmo 2015) zich verzet tegen intrekking; oude gevallen behouden hun rechten immers ook na 1 januari 2015. Bovendien is het maar de vraag of hh1 voor verzoeker als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.

7. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op juiste gronden heeft besloten verzoeker per 1 januari 2015 niet langer in aanmerking te brengen voor huishoudelijke hulp, omdat die algemeen gebruikelijk zou zijn.

8.1.

Anders dan de tekst van het bestreden besluit suggereert, is dat besluit, zoals ter zitting door verweerder nader uiteen is gezet, gebaseerd op de Wmo 2007 en níet op de Wmo 2015. Verweerder erkent derhalve dat het bestreden besluit in zoverre niet juist is.

De voorzieningenrechter zal bij zijn beoordeling dan ook uitgaan van de bepalingen van de Wmo 2007.

8.2.

Artikel 4 van de Wmo 2007 bepaalt het volgende:

1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren; (…)

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, (…) alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

8.3.

Artikel 5, eerste lid, van de Wmo 2007 bepaalt dat de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vaststelt over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

8.4.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo 2007 heeft de raad van de gemeente Dantumadiel uitvoering gegeven door vaststelling op 17 december 2013 van de Wmo-Verordening 2014 (Verordening). Ingevolge deze Verordening staat het beantwoorden van de daadwerkelijke hulpvraag centraal, waarbij dient te worden uitgegaan van de eigen kracht van de burger.

8.5.

Ingevolge het eerste lid van artikel 8:9 van de Wmo 2015 (het overgangsrecht), wordt de Wmo 2007 ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waarop artikel 2.1.1 in werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van de Wmo door het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een persoons-gebonden budget dan wel een financiële tegemoetkoming.

Het tweede lid bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo 2007.

In de Memorie van Toelichting (TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3) wordt vermeld dat het eerste lid beoogt buiten discussie te stellen dat de op 1 januari 2015 van kracht zijnde beschikkingen van gemeenten inzake het verstrekken van voorzieningen en pgb’s (genomen met inachtneming van de voorschriften van de Wmo 2007) niet worden geraakt door de intrekking van deze wet.

8.6.

Ingevolge artikel 1, achtste lid, van de Verordening wordt onder een algemene voorziening verstaan een voorliggende voorziening die door iedereen, waarvoor de voorziening is bedoeld, op een eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is.

8.7.

Ingevolge artikel 1, negende lid, van de Verordening is een algemeen gebruikelijke oplossing een oplossing die door de belanghebbende zelf kan worden betaald.

8.8.

In artikel 7, derde lid, van de Verordening is bepaald dat oplossingen voor een hulpvraag, als bedoeld in het tweede lid, bij voorkeur worden gezocht in dat wat een belanghebbende zelf, of met diens sociale netwerk redelijkerwijs kan realiseren. Worden daar onvoldoende oplossingen gevonden, dan worden de oplossingen achtereenvolgens gezocht in algemeen gebruikelijke oplossingen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen. Het college besluit alleen dan een individuele voorziening te verstrekken, als er onvoldoende andere oplossingen zijn.

9. Op 23 september 2014 heeft de raad van de gemeente Dantumadiel besloten “er mee in te stemmen dat huishoudelijke hulp (hh1) onder de Wmo 2015 vorm krijgt conform het scenario waarbij het reguliere aanbod op het gebied van schoonmaakwerk en interieurverzorging als algemene voorziening wordt beschouwd, die door inwoners zelf kan worden betaald en waarbij er een bijzondere bijstandsregeling is voor sociale minima die op de algemene voorziening zijn aangewezen, maar die dit niet zelf kunnen betalen.”

Op basis van dit raadsbesluit, dat is ingegeven door de omstandigheid dat de gemeente per

1 januari 2015 (financieel) volledig verantwoordelijk wordt voor de maatschappelijke ondersteuning, is een andere invulling gegeven aan het onder het vóór 1 januari 2015 geldende wettelijke regime bestaande begrip “algemene gebruikelijke oplossing”, als bedoeld in artikel 1, negende lid, van de Verordening.

Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat hij zich op het standpunt stelt dat heden ten dage de huishoudelijke hulp, evenals bijvoorbeeld de boodschappendienst en de maaltijdvoorziening, dient te worden beschouwd als algemeen gebruikelijk.

10.1.

In de Wmo 2007 staat de compensatieplicht centraal. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Wmo 2007 zijn gemeenten verplicht om mensen met een beperking of psychische problematiek te compenseren voor de beperkingen die zij ondervinden bij hun zelfredzaamheid en participatie.

10.2.

Met partijen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hh1 op basis van de Wmo 2007 in beginsel kan worden beëindigd. Daartoe zal echter - wederom in beginsel - slechts aanleiding zijn, indien er iets is gewijzigd, waarbij vooral te denken valt aan de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Een categoriale stopzetting, die dus alle burgers in een bepaalde gemeente treft, in verband met gewijzigd beleid en zonder na deugdelijk onderzoek rekening te houden met die omstandigheden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogelijk.

Uit de stukken blijkt dat verweerder in oktober 2012 onderzoek heeft gedaan naar de individuele situatie van verzoeker en zijn echtgenote, waarbij hun (on)mogelijkheden zijn geïnventariseerd en hun medische beperkingen in kaart zijn gebracht. Dit heeft, binnen de kaders van de Wmo 2007 en de toen geldende Verordening, geleid tot de voortgezette toekenning van een individuele voorziening in de vorm van een pgb voor 7 uur hh1 per week.

Gesteld noch gebleken is dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en zijn echtgenote nadien zijn verbeterd. Desondanks is de hh1 per 1 januari 2015 beëindigd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hiertoe, zonder nader onderzoek naar onder meer de mogelijke gevolgen van de beëindiging voor de gezondheid en het welbevinden van verzoeker en zijn echtgenote, per deze datum niet heeft kunnen en mogen overgaan.

10.3.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de huishoudelijke hulp in het geval van verzoeker nooit eerder is aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Indien en voor zover de huishoudelijke hulp algemeen gebruikelijk is dan wel als zodanig dient te worden aangemerkt, dan dient, gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009: BK5657), nader te worden beoordeeld of de huishoudelijke hulp in dit specifieke geval ook als voor de persoon als aanvrager algemeen gebruikelijk als bedoeld in artikel 1, negende lid, van de Verordening moet worden beschouwd.

Verweerder is hier, zonder nader onderzoek, op voorhand van uit gegaan. Gelet op de omvang van de voor verzoeker en zijn echtgenote noodzakelijke huishoudelijke hulp (welke door verweerder niet is bestreden) brengt dit echter onweersproken maandelijks dermate hoge kosten met zich, dat niet uit te sluiten is dat de huishoudelijke hulp naar de geldende maatschappelijke normen niet tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van verzoeker en zijn echtgenote behoort.

10.4.

Met betrekking tot het eventueel aanleggen van een vermogenstoets in verband met het bezit van een eigen woning, waarnaar overigens ook geen nader onderzoek is verricht, wijst de voorzieningenrechter ten slotte op vaste jurisprudentie van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2390).

11. Gelet op al het vorenstaande zal naar verwachting van de voorzieningenrechter het bezwaar gegrond moeten worden verklaard, zodat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit van 30 september 2014 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, zodat verzoeker en zijn echtgenote dus vooralsnog met toepassing van het overgangsrecht de hh1 per 1 januari 2015 ongewijzigd behouden.

12. Verweerder dient aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter :

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat, indien binnen twee weken na bekendmaking van deze beslissing opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, de getroffen voorziening doorloopt;

- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker en zijn echtgenote vooralsnog met toepassing van het overgangsrecht de hh1 per 1 januari 2015 ongewijzigd behouden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.J. Boerma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.