Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2933

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2005
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gedoogplicht in verband met kadewerkzaamheden - geen aanleiding voor onteigenen - omvang benodigde gronden in verhouding tot oppervlakte van de ter plaatse aan betrokkene toebehorende percelen - schadevergoedingsregeling op juiste wijze toegepast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/2005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigden: mr. J.J. Nicolaas, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, en [zoon], een zoon van eiseres),

en

het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, verweerder

(gemachtigden: A. Atsma, D. de Vries en mr. D. van Dijk, allen werkzaam bij Wetterskip Fryslân, en G. Steendam, werkzaam bij Adviesbureau Vastgoedzaken).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 (hierna: besluit A) heeft verweerder aan eiseres een gedoogplicht opgelegd ten behoeve van het blijvend gebruik van gronden waarop kadewerkzaamheden worden uitgevoerd en ten behoeve van het tijdelijk gebruik van gronden tijdens het uitvoeren van deze werkzaamheden.

Bij besluit van eveneens 22 september 2011, neergelegd in hetzelfde geschrift (hierna: besluit B), heeft verweerder aan eiseres een schadevergoeding toegekend van € 25.350,00.

Bij besluit van 17 juli 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen besluit A gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft besluit A herroepen voor zover het betrekking heeft op het tijdelijk gebruik van gronden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Voor het overige heeft verweerder besluit A in stand gelaten. Verweerder heeft het bezwaar tegen besluit B ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde [zoon]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [percelen] (hierna: de percelen). De percelen hebben een totale oppervlakte van ongeveer 9,4 hectare. De echtgenoot van eiseres, [echtgenoot], gebruikt de percelen ten behoeve van zijn bedrijf. Daarnaast is [echtgenoot] eigenaar van een aantal andere percelen met een totale oppervlakte van ongeveer 64 hectare, welke hij eveneens gebruikt ten behoeve van zijn bedrijf.

2. Bij besluit van 30 juni 2011 heeft verweerder het projectplan Hege Warren, 4e fase, oost (hierna: het projectplan) vastgesteld. In het projectplan is beschreven dat het doel van het project is het op hoogte brengen en herprofileren van ongeveer 185 meter kade. Dit betreft de kade langs de percelen. De grond voor het ophogen van de kade zal ter plaatse worden gewonnen door een strook grond op de percelen, direct aangrenzend aan de kade, te ontgraven. Deze strook grond heeft een oppervlakte van 5.988 m². Een deel van deze strook met een oppervlakte van 4.800 m² zal in het geheel niet meer door eiseres gebruikt kunnen worden en het overige deel met een oppervlakte van 1.188 m² zal nog slechts beperkt gebruikt kunnen worden.

3. Bij besluit A heeft verweerder eiseres met toepassing van artikel 5.24 van de Waterwet een gedoogplicht opgelegd. Deze gedoogplicht heeft betrekking op het blijvend gebruik van gronden waarop kadewerkzaamheden worden uitgevoerd en het tijdelijk gebruik van gronden tijdens het uitvoeren van deze werkzaamheden. Bij besluit B heeft verweerder eiseres een schadevergoeding toegekend van € 25.350,00. Een gedeelte van € 14.400,00 van deze schadevergoeding heeft betrekking op het afgraven van 4.800 m² grond (€ 3,00 per m²). Een gedeelte van € 1.782,00 heeft betrekking op de waardevermindering van 1.188 m² grond (€ 1,50 per m²). Het overige deel van de schadevergoeding heeft betrekking op inkomensschade en mestschade. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gedoogplicht in stand gelaten voor zover deze betrekking heeft op het blijvend gebruik van gronden waarop kadewerkzaamheden worden uitgevoerd en de gedoogplicht voor het tijdelijk gebruik van gronden herroepen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit (de hoogte van) de toegekende schadevergoeding in stand gelaten.

4.1 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het is gebaseerd op een onjuist advies. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het verslag van de hoorzitting niet volledig is. In het verslag is onder meer ten onrechte niet vermeld dat D. van Dijk heeft verklaard dat artikel 5.24 van de Waterwet blijvend gebruik bij geringe oppervlakte toestaat en dat geringe oppervlakte daarbij is gespecificeerd als 5% van het totale areaal.

4.2 De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het advies van de bezwaaradviescommissie onjuist is en het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat het afgraven van de gronden van eiseres redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van verweerders taken. Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of verweerder had moeten besluiten de gronden te onteigenen.

5.2 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft besloten een gedoogplicht op te leggen. Volgens eiseres had verweerder het afgegraven gedeelte van de percelen moeten onteigenen. Zij is van mening dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of haar belangen onteigening vorderen alleen moet kijken naar de gronden die bij haar in eigendom zijn en niet naar de gronden die in eigendom zijn van haar echtgenoot. Dat verweerder heeft aangeboden de grond te kopen en eiseres daar niet mee heeft ingestemd, doet hier volgens haar niet aan af, omdat onteigening een middel is om het eigendom te verkrijgen tegen de wil van de rechthebbende.

5.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat onteigening van de desbetreffende gronden redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, omdat realisatie van de kade slechts een klein deel (minder dan 1%) vergt van de totale oppervlakte van de gronden van het bedrijf en de bedrijfsvoering door de gedoogplicht niet significant wordt aangetast. Verder heeft verweerder aangevoerd dat de gronden waarvoor de gedoogplicht is opgelegd ook niet meer dan ongeveer 5% omvatten van de gronden die eiseres in eigendom heeft.

5.4 Op grond van artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet kan de beheerder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken de verplichting opleggen om de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en de daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen, wanneer naar zijn oordeel de belangen van die rechthebbenden onteigening niet vorderen.

5.5 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat bij de beantwoording van de vraag of de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen met name betekenis toekomt aan de omvang van de benodigde gronden in verhouding tot de oppervlakte van de ter plaatse aan betrokkenen toebehorende percelen en voorts aan de invloed van de aan te brengen verandering op de bruikbaarheid van die percelen. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 31 juli 2002 (LJN AE5989).

5.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van eiseres onteigening van de gronden niet vorderen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de percelen in gebruik zijn bij het bedrijf van de echtgenoot van eiseres, het gedeelte van de percelen waarop de gedoogplicht rust een oppervlakte van 5.988 m² heeft en het desbetreffende gedeelte van de percelen slechts een relatief klein gedeelte (minder dan 1%) is van de totale bij het bedrijf van de echtgenoot van eiseres in gebruik zijnde gronden. Bovendien hebben de percelen een totale oppervlakte van ongeveer 9,4 hectare en heeft de gedoogplicht slechts betrekking op een relatief klein gedeelte daarvan, te weten ongeveer 6,4%. Verder overweegt de rechtbank dat de mogelijkheden om het resterende gedeelte van de percelen te gebruiken niet of nauwelijks worden beperkt door de gedoogplicht en dat ook de toegankelijkheid van het resterende gedeelte van de percelen niet wordt beperkt, aangezien de gedoogplicht enkel betrekking heeft op het achterste gedeelte van de percelen dat het verst van de weg is gelegen.

5.7 Het voorgaande betekent dat deze beroepsgrond faalt.

6.1 Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de door verweerder toegekende schadevergoeding te laag is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat 4.800 m² van haar grond door verweerder is afgegraven, waardoor zij deze grond blijvend niet meer kan gebruiken. Volgens eiseres ziet de schadevergoeding ten onrechte slechts op het tijdelijk niet meer kunnen gebruiken van deze gronden. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade vergoed had moeten worden met toepassing van een vermenigvuldigingsfactor van 1,4. Door dit niet te doen heeft verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat verweerder andere agrariërs heeft gecompenseerd door middel van grondruil en dat deze agrariërs van verweerder voor elke hectare 1,4 hectare hebben teruggekregen. Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder een te laag bedrag aan schadevergoeding heeft toegekend ter compensatie van de door haar geleden mestschade. Volgens eiseres had verweerder in plaats van de toegekende vergoeding van € 550,00 per hectare een vergoeding moeten toekennen van € 1.200,00 per hectare, zoals ook wordt gedaan door de Gasunie.

6.2 Verweerder heeft de schadevergoeding gebaseerd op de Schadevergoedingsregeling waterstaatswerken, vastgesteld door het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân op 31 augustus 2010 (hierna: de schadevergoedingsregeling). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij mag uitgaan van deze regeling, tenzij de toepassing daarvan leidt tot onredelijke uitkomsten. Volgens verweerder is daarvan in dit geval niet gebleken. Verweerder heeft aangevoerd dat hij ook eiseres de mogelijkheid tot kavelruil met een factor 1,4 heeft aangeboden, maar zij daar geen gebruik van heeft gemaakt, omdat zij een factor 3 wenste. Inmiddels is grondruil niet meer mogelijk, omdat de ruilgrond op is. Verder heeft verweerder aangevoerd dat hij eiseres heeft aangeboden om de gronden te kopen voor € 32.000,00 en dat eiseres dit aanbod niet heeft aanvaard. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de schadevergoedingsregeling in grote lijnen de Gasunie-tarieven volgt, maar dat verweerder op het onderdeel mestwetgeving een tarief van € 550,00 per hectare hanteert, dat soberder is dan het door de Gasunie gehanteerde tarief van € 1.200,00 per hectare. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij meer mestschade lijdt dan € 550,00 per hectare en dat daarom geen aanleiding bestaat om af te wijken van de schadevergoedingsregeling.

6.3 Op grond van artikel 7.14, eerste lid, wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Op grond van het tweede lid bevat het verzoek tot vergoeding van de schade een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.

Op grond van het vierde lid wordt het besluit inzake de toekenning van de vergoeding genomen bij afzonderlijke beschikking.

Op grond van het vijfde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd artikel 7.15, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schade die krachtens het eerste lid voor vergoeding in aanmerking komt.

6.4 Bij de beoordeling van verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet hanteert verweerder het beleid neergelegd in de schadevergoedingsregeling.

Volgens artikel 2, eerste lid, van de schadevergoedingsregeling kent verweerder, voor zover in deze zaak van belang, aan de verzoeker die schade lijdt als volgt een schadevergoeding toe. Indien in het kader van de aanleg of wijziging van waterstaatswerken gronden worden vergraven tot wateren of rietoevers bedraagt de vergoeding 100% van de waarde in het economisch verkeer en 100% van de inkomensschade en de schade in het kader van mestwetgeving volgens het vierde lid op basis van afkoop. Indien in het kader van de aanleg of wijziging van waterstaatswerken gronden worden vergraven tot waterkeringen bedraagt de vergoeding 90% van de waarde in het economisch verkeer en 100% van de inkomensschade op basis van afkoop.

Volgens het vierde lid wordt de schadevergoeding in verband met de mestwetgeving berekend volgens de volgende formule: de door de Europese commissie toegestane hoeveelheid stikstof per hectare gedeeld door de hoeveelheid stikstof per m³ mest maal de afvoerkosten per m³.

Volgens de toelichting op de schadevergoedingsregeling komt het in het vierde lid genoemde bedrag overeen met de werkelijke kosten. Bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van 250 kg stikstof per hectare. Dit is de hoeveelheid die agrariërs mogen gebruiken per hectare grasland en bouwland. De mestschade die optreedt als gevolg van het verlies van grond is volgens de toelichting ongeveer € 550,00 per hectare per jaar.

6.5 De rechtbank is van oordeel dat de schadevergoedingsregeling niet onredelijk is. Daartoe overweegt zij dat de schadevergoedingsregeling blijkens de toelichting uitgaat van een volledige vergoeding van de schade. Eiseres heeft dit niet betwist. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de schadevergoedingsregeling niet op de juiste wijze heeft toegepast. De stelling van eiseres dat de schadevergoeding enkel betrekking heeft op het tijdelijk niet kunnen gebruiken van de gronden is onjuist. Daartoe overweegt de rechtbank dat de schadevergoeding blijkens de tekst van besluit B betrekking heeft op het verlies van 4.800 m² aan te vergraven gronden en de (permanente) waardevermindering van 1.182 m² grond. Ook de (hiervoor weergegeven) delen van de schadevergoedingsregeling waarop verweerder de schadevergoeding heeft gebaseerd, hebben betrekking op het (permanent) vergraven van gronden tot wateren, rietoevers of waterkeringen.

6.6 Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in afwijking van de schadevergoedingsregeling een hogere schadevergoeding had moeten toekennen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar geleden schade met de toegekende schadevergoeding niet volledig wordt vergoed. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, aangezien eiseres evenals de andere agrariërs de mogelijkheid heeft gekregen om de gronden waarop de gedoogplicht betrekking heeft te ruilen voor andere gronden met toepassing van een factor van 1,4. Eiseres heeft er zelf voor gekozen dit aanbod niet te accepteren. Eiseres kan hieraan niet het recht ontlenen op een vergoeding van 140% van de geleden schade. De stelling van eiseres dat Rijkswaterstaat bij grondruil een factor 3 hanteert, kan - wat daar ook van zij - niet tot de conclusie leiden dat verweerder gehouden is meer dan 100% van de door eiseres geleden schade te vergoeden. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet is gehouden aan het beleid van andere bestuursorganen. Verweerder is evenmin gebonden aan de door de Gasunie gehanteerde tarieven.

6.7 Het voorgaande betekent dat ook deze beroepsgrond faalt.

7. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2013.

w.g. rechter

w.g. griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.