Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8291

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
2425365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing concurrentiebeding; geen onbillijke benadeling van de werknemer; dwaling misbruik van omstandigheden ten tijde van opzegging van het dienstverband niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 2425365 \ CV EXPL 13-8266

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 12 november 2013

inzake

[Voornaam] [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. L. Rodenburg,

tegen

De besloten vennootschap

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. R. van der Laar.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 2] worden genoemd.

Procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, voorzien van producties

- producties aan de zijde van [gedaagde 2]

- de mondelinge behandeling d.d. 28 oktober 2013

- pleitaantekeningen van de zijde van [gedaagde 2]

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2. [gedaagde 2] is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het ontwerpen, produceren, installeren en exporteren van procesapparatuur en installaties ten behoeve van water-, gas en luchtzuivering.

2.3. [eiser], geboren op 12 april 1969, is sedert 1 april 2012 werkzaam bij [gedaagde 2] in de functie van Sales Manager, tegen een brutosalaris van (laatstelijk) € 5.117,00 per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten. In de functie van Sales Manager richt [eiser] zich op de Duitstalige markt in Europa (Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk). Tussen partijen is in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar overeengekomen. Per 1 april 2013 is de arbeidsovereenkomst verlengd, opnieuw voor de duur van 1 jaar, zodat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 31 maart 2014.

2.4. Partijen zijn een concurrentiebeding overeengekomen, inhoudende:

Het is de werknemer gedurende de dienstbetrekking en gedurende een periode van twee jaar direct daarop volgend, verboden op enigerlei wijze direct of indirect, in Nederland of elders, zelf, voor, door of met anderen een onderneming te drijven, of op enigerlei wijze werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn, of belang te hebben bij een bestaande of nog op te richten onderneming, welke producten fabriceert, verhandelt of exploiteert, dan wel daaromtrent adviezen geeft, soortgelijk of verwant aan die, welke gefabriceerd, verhandeld of geëxploiteerd worden door werkgever of door een aan werkgever gelieerde onderneming.

2.5. Omstreeks begin september 2013 heeft [eiser] een aanbod gekregen van het bedrijf [bedrijf] (hierna: [… 2]) om daar per 1 november 2013 in dienst te treden in de functie van Regional-Sales-Manager voor Latijns Amerika. In verband met dit aanbod heeft [eiser] op vrijdag 6 september 2013 een gesprek gevoerd met zijn direct leidinggevende P. [woonplaats], waarin hij zijn voorgenomen vertrek heeft besproken. Bij

e-mailbericht van zondag 8 september 2013 heeft [eiser] vervolgens zijn dienstverband opgezegd. Het bericht houdt in - voor zover van belang - :

Geachte heer [woonplaats]/beste [woonplaats],

Naar aanleiding van ons gesprek vrijdag jongstleden wil ik bij deze laten weten dat ik [gedaagde 2] ga verlaten. Met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van 1 maand zal mijn contract aflopen op 7 oktober 2013.

(…)

2.6. [woonplaats] heeft hierop diezelfde dag als volgt gereageerd:

Bedankt.

[gedaagde 2] zal zo snel mogelijk antwoorden op jou mail.

Zoals vrijdag afgesproken ben jij vrijgesteld van werk (non-actief).

Wij behouden ons, zoals ik vrijdag ook gezegd heb, alle rechten voor betreffende het concurrentiebeding en de geheimhouding.

Jou verzoek om concurrentiebeding om te zetten in relatiebeding zullen wij in onze beoordeling meenemen.

[woonplaats]

2.7. [gedaagde 2] heeft vervolgens bij [eiser] nadere informatie ingewonnen over de inhoud van de functie bij [… 2] en over de positieverbetering(en) die voor [eiser] zullen intreden bij indiensttreding bij [… 2]. Bij brief van 10 september 2013 heeft [gedaagde 2] inhoudelijk gereageerd op de ontslagname door [eiser]. Zij heeft bewilligd in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 oktober 2013. Met betrekking tot het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding schrijft de algemeen directeur van [gedaagde 2], de heer [… 2], aan [eiser]:

Jij hebt [gedaagde 2] verzocht om vrijstelling danwel inperking van dit beding.

We hebben jouw verzoek in alle redelijkheid bekeken. Na zorgvuldige afweging van alle relevante aspecten hebben we echter besloten je géén vrijstelling te verlenen van het met jou overeengekomen concurrentiebeding. Onder andere op grond van de door jou aangeleverde informatie met betrekking tot de taken/werkzaamheden die jij bij [… 2] zou gaan uitvoeren en informatie over de activiteiten van dit bedrijf, hebben wij moeten vaststellen dat er, zowel in de taken/werkzaamheden als in de activiteiten van voornoemd bedrijf, sprake is van een significante overlap met de [gedaagde 2] situatie. Deze overlap is dusdanig dat [gedaagde 2] zich, in het kader van het bedrijfsbelang, genoodzaakt ziet jouw verzoek tot vrijstelling van het concurrentiebeding af te wijzen. Wel heeft [gedaagde 2], in het kader van redelijkheid en billijkheid, besloten de looptijd van het concurrentiebeding, welke in de arbeidsovereenkomst is vastgesteld op twee jaar, terug te brengen naar een periode van één jaar.

2.8. Bij brief van 12 september 2013 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] de vernietiging van de opzegging ingeroepen. Daarbij heeft zij onder meer geschreven;

Cliënt heeft gedwaald ten aanzien van instandhouding van het concurrentiebeding. Hij zou zijn arbeidsovereenkomst met u, ingeval van instandhouding van het concurrentiebeding, nimmer hebben opgezegd. Voornoemde dwaling is te wijten aan uw inlichting van 6 september 2013, waarin u te kennen gaf dat het concurrentiebeding niet in de weg zou staan aan de indiensttreding van cliënt bij [… 2]. Wel zou u in dit kader bepaalde voorwaarden schetsen. Van belang is voorts dat u eerst na ontvangst van de schriftelijke opzegging van cliënt heeft gemeld dat hij aan het concurrentiebeding zou worden gehouden.

2.9. Partijen zijn vervolgens in onderhandeling getreden over de ontstane situatie. In het kader hiervan heeft [gedaagde 2] aan [eiser] het aanbod gedaan om de omvang van het concurrentiebeding te beperken tot enkel de anaerobe waterzuiveringsindustrie (kantonrechter: het gaat dan om waterzuiveringstechnieken waarbij geen gebruik gemaakt wordt van zuurstof, dit in tegenstelling tot de zogenaamde aerobe technieken). [eiser] heeft hiermee niet ingestemd en is het onderhavige kort geding gestart.

De vordering

3.1. [eiser] vordert primair schorsing van het concurrentiebeding met [gedaagde 2], voor zover dit beding hem belemmert om de functie Regional Sales Manager voor Latijns Amerika bij [… 2] te gaan vervullen. Subsidiair vordert [eiser] wedertewerkstelling in zijn functie van Sales Manager op straffe van een dwangsom en doorbetaling van loon inclusief emolumenten per 7 oktober 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging alsmede vermeerderd met wettelijke rente. Meer subsidiair vordert [eiser] een voorschot op een vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW over de periode dat het concurrentiebeding geldt, ter hoogte van het loon inclusief vakantiegeld dat [eiser] bij [gedaagde 2] laatstelijk verdiende. Tot slot vordert [eiser] vergoeding door [gedaagde 2] van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

3.2. [gedaagde 2] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.

Gelet op de beoogde indiensttreding van [eiser] bij [… 2] is het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde schorsing van het concurrentiebeding voldoende aanwezig. Het spoedeisend belang bij de subsidiaire vorderingen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling, dan wel betaling van schadevergoeding ter hoogte van het laatstelijk verdiende loon, volgt reeds uit de aard van deze vorderingen. Nu de hoofdvorderingen spoedeisend zijn, acht de kantonrechter ook het spoedeisend belang bij de daarmee samenhangende nevenvorderingen tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente voldoende aanwezig. [eiser] kan in zoverre in zijn vorderingen worden ontvangen.

Het concurrentiebeding

5.

[eiser] heeft aan de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding ten grondslag gelegd - samengevat - dat de vrees van benadeling van [gedaagde 2] onterecht is. [eiser] stelt dat zijn technische kennis van de anaerobe waterzuivering, gelet op zijn functie als Sales Manager, beperkt is tot de informatie die nodig is om zijn functie uit te oefenen. Het gaat dan om informatie die door [gedaagde 2] zelf ook naar buiten wordt gebracht, aldus [eiser]. Voorts geldt een geheimhoudingsbeding, zodat eventuele inhoudelijke kennis met betrekking tot waterzuiveringstechnieken niet gedeeld mag worden door [eiser]. [eiser] stelt voorts dat hij geen kennis heeft van eventuele leads in de Latijns Amerikaanse markt en andere markten buiten zijn regio; de Zuid Amerikaanse markt wordt door [gedaagde 2] bediend vanuit het kantoor in Brazilië. In zijn functie voor [gedaagde 2] richtte [eiser] zich op de Duitstalige markt. [eiser] wijst er verder op dat er talloze bedrijven zijn die anaerobe zuiveringstechnieken toepassen en zelf ook vaak produceren. In de meeste gevallen wordt een combinatie van technieken (aeroob en anaeroob) toegepast. Of het hier een nichemarkt betreft is volgens [eiser] nog maar de vraag. De door Paque toegepaste techniek, de IC-reactor, wordt door nog vier andere bedrijven toegepast. [… 2] heeft een eigen techniek ontwikkeld die duidelijk verschilt met die van de door [gedaagde 2] toegepaste IC-reactor, aldus [eiser].

6.

[eiser] stelt voorts dat hij niet aan het concurrentiebeding gehouden kan worden, omdat hij door het beding onbillijk wordt benadeeld en omdat het beding - o.a. gelet op de geografische reikwijdte - onredelijk is. [eiser] wijst er op dat hij gelet op zijn arbeidsverleden gebonden is aan de branche die zich richt op waterzuiveringssystemen. Bij bedrijven die niet zijn gespecialiseerd in de anaerobe waterzuivering zou hij dit soort systemen toch moeten verkopen, omdat klanten vragen om een volledig aanbod en dus een combinatie van technieken. [eiser] wijst voorts op de positieverbetering die hij kan krijgen bij indiensttreding bij [… 2] (een vast contract, een hoger salaris en betere doorgroeimogelijkheden), op de korte duur van het dienstverband bij [gedaagde 2], op de handelwijze van [gedaagde 2] (die hem heeft verzocht om op te zeggen, waarna een brief zou volgen met de voorwaarden waaronder hij bij [… 2] in dienst zou kunnen treden) en de persoonlijke omstandigheden van [eiser] (hij krijgt geen werkloosheidsuitkering en heeft te maken met dubbele woonlasten).

7.

[gedaagde 2] heeft tot haar verweer - samengevat- aangevoerd dat de beoogde nieuwe werkgever van [eiser] een concurrent van [gedaagde 2] is. [gedaagde 2] stelt voorts dat [eiser] uit hoofde van zijn functie bekend is met vele aspecten van de bedrijfsvoering en met de technologie van [gedaagde 2], de toepassing en de effecten daarvan. Hij heeft bovendien kennis van de door [gedaagde 2] toegepaste calculatiemethoden, verkoopmethodieken en alle overige commerciële informatie. Verder heeft [eiser] veelvuldig persoonlijk contact gehad met vele klanten van [gedaagde 2]. In het kader van zijn opleiding heeft [eiser] ook belangrijke informatie meegekregen inzake (de verkoopactiviteiten) van de vestiging van [gedaagde 2] in Brazilië. Bovendien vissen [gedaagde 2] en [… 2] voor een groot aantal orders in dezelfde (afvalwaterzuiverings) vijver en bestaat een overlap in wederzijdse relaties. [gedaagde 2] heeft weliswaar een aantal van haar producten octrooirechtelijke beschermd, maar van sommige daarvan is de octrooirechtelijke bescherming recentelijk verlopen. Volgens [gedaagde 2] is de met deze producten gemoeide knowhow voor concurrenten uiterst interessant. Wanneer [eiser] zijn actuele kennis van en ervaring - opgedaan bij [gedaagde 2] - op het terrein van anaerobe waterzuivering zou aanwenden ten behoeve van [… 2], zou dit [… 2] een ongerechtvaardigde voorsprong in de concurrentiestrijd opleveren, aldus [gedaagde 2].

8.

[gedaagde 2] betwist dat [eiser] voor indiensttreding bij [gedaagde 2] al veel kennis had van de anaerobe waterzuiveringstechnologie. Het bedrijf waar [eiser] 18 jaar lang werkte, was niet actief op dit gebied. [gedaagde 2] stelt dat zij veel tijd en geld in [eiser] heeft geïnvesteerd in het kader van inwerken, opleiding en coaching. Dat [eiser] zou worden belemmerd in zijn vrije arbeidskeuze wordt door [gedaagde 2] betwist, nu de omvang van de anaerobe afvalwaterzuiveringsmarkt 0.3% van de totale afvalwaterzuiveringsmarkt omvat en er derhalve voldoende mogelijkheden zijn voor [eiser] om ander werk te vinden. Ten aanzien van de gestelde positieverbetering bij [… 2] heeft [gedaagde 2] opgemerkt dat [eiser] bij goed functioneren ook bij haar in vaste dienst zou zijn genomen. Voorts heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat zij de duur van het concurrentiebeding heeft beperkt tot 1 jaar en dat zij het aanbod heeft gedaan om de werking ervan te beperken tot de anaerobe afvalwaterzuivering. Tot slot betwist [gedaagde 2] dat zij aan [eiser] verzocht zou hebben de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

De kantonrechter overweegt het volgende.

9.

De kantonrechter stelt voorop dat het een werkgever en een werknemer in beginsel vrij staat om een concurrentiebeding in hun arbeidsovereenkomst op te nemen. Een concurrentiebeding beperkt de werknemer in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, bijvoorbeeld door in dienst te treden bij een (directe) concurrent. Voor toewijzing van de gevorderde voorziening is het van belang dat de bodemrechter met een voldoende mate van zekerheid zal oordelen dat [eiser] door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde 2] (artikel 7: 653 lid 2 BW). Het komt dan ook neer op een afweging van belangen, waarbij in dit geval meerdere omstandigheden een rol spelen.

10.

De kantonrechter is allereerst van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 2] niet hoeft te vrezen voor benadeling indien [eiser] in dienst treedt bij [… 2]. Naar het oordeel van de kantonrechter kan ervan uitgegaan worden dat [eiser] als Sales Manager meer dan oppervlakkige kennis draagt van de door [gedaagde 2] toegepaste technologie op het gebied van de waterzuivering en de effecten daarvan. Daarnaast kan bij gebreke aan een gemotiveerde betwisting op dit punt worden aangenomen dat [eiser] goed bekend is met overige bedrijfsgegevens van [gedaagde 2]. Voorts speelt mee dat zowel [gedaagde 2] als [… 2] zich bezighouden met de anaerobe waterzuiveringstechnologie en dat deze bedrijven in die zin als directe concurrenten van elkaar zijn aan te merken. Deze omstandigheden geven de kantonrechter vooralsnog aanleiding om aan te nemen dat [… 2] daadwerkelijk voordeel zal kunnen hebben bij de kennis en ervaring die [eiser] in dienst van [gedaagde 2] heeft opgedaan, zodat het voor [… 2] aantrekkelijk was om hem in dienst te nemen. Dat [eiser] zich vooral bezig heeft gehouden met de Europese Duitstalige markt, betekent niet dat hij geen meerwaarde kan hebben voor [… 2] in de daar te bekleden functie, waarin hij zich moet richten op de Latijns Amerikaanse markt. Het komt de kantonrechter niet onaannemelijk voor dat de kennis van de techniek bij deze vorm van business net zo belangrijk is als, of misschien wel belangrijker dan de kennis van het marktgebied.

11.

Dat [eiser] door handhaving van het concurrentiebeding ernstig zal worden belemmerd in zijn vrije arbeidskeuze, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende vast komen te staan. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat [gedaagde 2] zich bereid heeft verklaard om de werking van het concurrentiebeding af te zwakken, in zoverre dat het alleen van toepassing is op concurrerende activiteiten met betrekking tot de anaerobe waterzuiveringssystemen. [eiser] heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat de anaerobe waterzuiveringstechniek een beperkt onderdeel uitmaakt van het geheel aan waterzuiveringstechnieken. [eiser] heeft voorts naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd gesteld dat er voor hem nauwelijks of geen mogelijkheden zijn om werk te vinden bij bedrijven die zich bezighouden met aerobe waterzuiveringssystemen. De door hem ingenomen stelling, die evenwel door [gedaagde 2] wordt betwist, dat de meeste bedrijven zich bezighouden met een combinatie van technieken, heeft [eiser] niet aan de hand van stukken aannemelijk gemaakt.

12.

Met betrekking tot de door [eiser] gestelde positieverbetering overweegt de kantonrechter het volgende. Gelet op de arbeidsvoorwaarden bij [… 2], zoals die in de onderhavige procedure zijn geschetst, zou indiensttreding bij [… 2] voor [eiser] een positieverbetering kunnen betekenen. Dat sprake zou kunnen zijn van een aanzienlijke verbetering is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat [gedaagde 2] ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij tevreden was over de wijze waarop [eiser] functioneerde en dat er geen aanleiding was om aan te nemen dat hij na afloop van het dienstverband voor bepaalde tijd geen vaste aanstelling zou kunnen krijgen. Hiernaast heeft [gedaagde 2] gewezen op de mogelijkheden voor [eiser] om in zijn functie bij [gedaagde 2] toeslagen te verdienen, waarmee het verschil in salaris (veel) kleiner zou worden, hetgeen door [eiser] niet is betwist.

13.

Alle hiervoor behandelde omstandigheden en daarmee samenhangende belangen van [gedaagde 2] en [eiser] tegen elkaar afwegend, is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid te verwachten is dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] door het (in duur en qua werking afgezwakte) concurrentiebeding onredelijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde 2], zodat het concurrentiebeding zou moeten worden geschorst, dan wel (verder) in tijd of gebied zou moeten worden beperkt. De belangen van [gedaagde 2], die bovendien in de opleiding en deskundigheid van [eiser] heeft geïnvesteerd, wegen zwaarder dan de persoonlijke en financiële belangen van [eiser] bij de schorsing van het concurrentiebeding. De vordering van [eiser] tot schorsing van dit beding in zoverre dat het hem niet langer onmogelijk wordt gemaakt om bij [… 2] in dienst te treden, wordt daarom afgewezen.



De vernietigbaarheid van de opzegging

14.

[eiser] heeft subsidiair naar voren gebracht dat schriftelijke opzegging van de dienstbetrekking tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en dat hij bij een juiste voorstelling van zaken niet tot (schriftelijke) opzegging was overgegaan. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 2] hem doen geloven - bij monde van [woonplaats] tijdens het positief verlopen gesprek op 6 september 2013 - dat hij bij [… 2] in dienst zou kunnen treden, zij het onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zou [eiser] per brief ontvangen nadat hij zou hebben opgezegd. [eiser] stelt zich tevens op het standpunt dat de (schriftelijk) opzegging tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden, nu [gedaagde 2] aan [eiser] heeft gevraagd zijn dienstbetrekking zo spoedig mogelijk op te zeggen. [eiser] heeft door middel van een buitengerechtelijke verklaring de opzegging vernietigd en heeft wedertewerkstelling en doorbetaling van zijn loon gevorderd onder de overweging dat zijn dienstverband met [gedaagde 2] thans voortduurt.

15.

Volgens [gedaagde 2] kan het beroep op dwaling niet slagen. [gedaagde 2] betwist dat door [woonplaats] tijdens het gesprek op 6 september 2013 een toezegging onder voorwaarden is gedaan. Zij wijst er tevens op dat in de e-mail van [woonplaats] van 8 september 2013 duidelijk een voorbehoud wordt gemaakt met betrekking tot de rechten die voortvloeien uit het concurrentiebeding. [gedaagde 2] betwist voorts dat zij aan [eiser] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Van een economische dwangpositie - waarvan sprake moet zijn om te kunnen komen tot misbruik van omstandigheden - is geen sprake geweest, aldus [gedaagde 2].

De kantonrechter oordeelt als volgt.

16.

De kantonrechter acht het goed voorstelbaar dat de vrijstelling van het concurrentiebeding, dan wel de omzetting van dit beding in een relatiebeding, voor [eiser] van dusdanig essentieel belang was, dat hij niet tot opzegging van de arbeidsovereenkomst zou zijn overgegaan indien hij had geweten dat het concurrentiebeding onverkort in stand zou blijven. Voor een succesvol beroep op dwaling moet echter tevens komen vast te staan dat de verwachting dat het concurrentiebeding niet in de weg zou staan aan de indiensttreding bij [… 2] was gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van de opzegging, terwijl de dwaling niet voor rekening van [eiser] zelf komt.

17.

In het kader van de onderhavige procedure is niet komen vast te staan welke inlichtingen exact door [woonplaats] aan [eiser] zijn gegeven tijdens het gesprek dat tussen hen heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. De stelling van [eiser], dat is gezegd dat het concurrentiebeding niet in de weg zou staan aan zijn indiensttreding bij [… 2], wordt door [gedaagde 2] betwist en deze betwisting wordt ondersteund door het overgelegde e-mailbericht van [woonplaats] aan [eiser] van 8 september 2013, die hierin expliciet aangeeft dat [gedaagde 2] zich alle rechten betreffende het concurrentiebeding en de geheimhouding voorbehoudt. Hierop heeft [eiser] niet (direct) gereageerd. Gelet op het vorenstaande ligt het thans op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen en te bewijzen dat hij zijn dienstverband heeft opgezegd op grond van een - niet voor zijn rekening en risico komende - onjuiste voorstelling van zaken. In dit verband zou bijvoorbeeld [woonplaats] als getuige gehoord kunnen worden. Het onderhavige kort geding leent zich echter niet voor een getuigenverhoor. Dit betekent dat de gestelde dwaling vooralsnog niet is komen vast te staan.

18.

Dat [gedaagde 2] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van omstandigheden, is evenmin aannemelijk gemaakt. Ook op dit punt zal eventueel nader onderzoek door middel van getuigenverhoor moeten plaatsvinden, nu [gedaagde 2] heeft betwist dat zij [eiser] heeft verzocht de dienstbetrekking op te zeggen, alvorens zij vervolgens nog zou beslissen over het toepasselijke concurrentiebeding. Om misbruik van omstandigheden aan te kunnen nemen moet bovendien komen vast te staan dat [eiser] door bijzondere omstandigheden, zoals een noodtoestand, afhankelijkheid of onervarenheid, door [gedaagde 2] is bewogen om zijn dienstverband op te zeggen. Dat hiervan sprake is geweest acht de kantonrechter vooralsnog niet aannemelijk. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat door [eiser] zelf meerdere malen is verklaard dat hij aan het gesprek met [woonplaats] een zodanig goed gevoel heeft overgehouden, dat hij heeft geconcludeerd dat het met het concurrentiebeding "wel goed zou komen". Dat [eiser] heeft gehandeld onder druk of uit onervarenheid, kan hieruit niet worden afgeleid. Ter zitting heeft hij voorts erkend dat de opzegging achteraf bezien niet handig is geweest.

19.

De kantonrechter komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat de opzegging onder invloed van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Dit betekent eveneens dat de vorderingen van [eiser] tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling op de grond dat (in een bodemprocedure wordt vastgesteld dat) het dienstverband nog voortduurt niet voor toewijzing in aanmerking komen. Gelet hierop worden ook de nevenvorderingen tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente afgewezen.

Vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW

20.

[eiser] heeft voor het geval dat het concurrentiebeding onverkort zal worden gehandhaafd en zijn vorderingen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling zullen worden afgewezen, gevorderd om aan hem een voorschot op een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW toe te kennen.

De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

21.

Op grond van voornoemd artikellid kan de rechter bepalen dat de werkgever een vergoeding moet betalen voor de duur van de beperking, indien het concurrentiebeding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn. De kantonrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat in een bodemprocedure een dergelijke vergoeding zal worden toegekend. De kantonrechter wijst op hetgeen hiervoor onder 11 is overwogen. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gelet op zijn opleiding, werkervaring en leeftijd, elders geen werk zou kunnen vinden. Ook overigens zijn geen feiten aannemelijk geworden die meebrengen dat [eiser] ernstig wordt benadeeld door handhaving van het concurrentiebeding. Deze vordering dient daarom te worden afgewezen.

Conclusie en proceskosten

22.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

23.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op € 400,00

voor salaris gemachtigde ( 2 punten á € 200,00 per punt).

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op € 400,00;

- verklaart het vonnis met betrekking tot de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A. van der Meer, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 238