Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5887

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
K L 433290 - CV EXPL 13-4195 (E)
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst; misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/32
NJF 2014/99
AR-Updates.nl 2013-0953
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 433290 \ CV EXPL 13-4195

vonnis van de kantonrechter d.d. 1 oktober 2013

inzake

[eiser],

wonende te Meppel,

eiser,

gemachtigde: mr F.H.J. Swarte,

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONTAINER TERMINAL GRONINGEN (CTG) BV.,

gevestigd te Groningen en kantoorhoudende te Drachten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B. Romkes.

Partijen zullen hierna [eiser] en CTG worden genoemd.

Procesverloop

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 juli 2013

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 3 september 2013

- de brief van de gemachtigde van CTG houdende opmerkingen naar aanleiding van voormeld proces-verbaal.

1.2. Het vonnis is bepaald op heden.

Motivering

De feiten

2.

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[eiser] is met ingang van 21 februari 2005 in dienst getreden bij CTG en was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in de functie van chauffeur nationaal geregeld vervoer gedurende 40 uren per week. Het laatstelijk door [eiser] genoten salaris bedroeg € 2.075,24 bruto per periode van vier weken, exclusief vakantietoeslag. De standplaats van [eiser] was Meppel.

2.2.

Op maandag 22 augustus 2011 diende [eiser] tot circa 22.00 uur te werken. Op dinsdag 23 augustus 2011 kon [eiser] niet tijdig terugkeren naar huis en diende hij in de cabine van zijn vrachtwagen te overnachten. In beide gevallen was er sprake van een rit naar Antwerpen. Op woensdag(middag) 24 augustus 2011 kreeg [eiser] van CTG de opdracht om opnieuw naar Antwerpen te rijden. [eiser], die daardoor problemen ondervond met de opvang van zijn dochter, heeft aan CTG laten weten dat hij niet naar Antwerpen wilde rijden. Hierna is hij door CTG tot twee maal toe voor de keuze gesteld om óf naar Antwerpen te rijden óf om ontslag op staande voet te krijgen. [eiser] is vervolgens naar huis gegaan en heeft niet de hem opgedragen rit naar Antwerpen gemaakt.

2.3.

De leidinggevende van [eiser], de heer [A], en [eiser] hebben later op 24 augustus 2011 telefonisch de afspraak gemaakt dat de daaropvolgende dag, 25 augustus 2011, ten kantore van CTG een gesprek zou plaatsvinden.

2.4.

CTG heeft [eiser] bij brief van 24 augustus 2011 op staande voet ontslagen. Daartoe meldt CTG in deze brief:

"Met deze brief bevestigen wij het gesprek van 24 augustus 2011 welke u gehad heeft met [A], hoofd terminal te Meppel en [B], planner te terminal Meppel, waarin de heer [A] u namens CTG B.V. heeft medegedeeld dat u met ingang van vandaag op staande voet bent ontslagen.

De reden voor dit ontslag op staande voet is uitvoerig met u besproken. U heeft geweigerd om een rit naar Antwerpen uit te voeren, terwijl u daar op grond van de tussen u en ons afgesloten arbeidsovereenkomst wel toe verplicht was. U bent meerdere malen gevraagd om toch naar Antwerpen toe te gaan en dit is u ook nog schriftelijk gevraagd. U heeft aangegeven geen 3 nachten van huis te willen zijn. Na het gesprek met beide heren hebt u besloten niet te gaan. De consequenties van het niet gaan zijn u meerdere keren medegedeeld door de heer [A].

Het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat uw arbeidsovereenkomst geëindigd is en dat u vanwege de eerdergenoemde dringende reden(en) schadeplichtig bent geworden. (…)"

2.5.

[eiser] heeft vorenbedoelde ontslagbrief ontvangen en gelezen voordat hij op 25 augustus 2011 het daags ervoor afgesproken gesprek met CTG had. In dit gesprek heeft CTG aan [eiser] aangegeven dat het ontslag op staande voet inhield dat [eiser] geen aanspraak zou kunnen maken op een WW-uitkering. In verband daarmee heeft CTG aan [eiser] aangeboden om een vaststellingsovereenkomst te sluiten ter beëindiging van het dienstverband. Uiteindelijk heeft [eiser] in dit gesprek een door CTG opgestelde vaststellingsovereenkomst ondertekend. In deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen - samengevat - overeengekomen dat vanwege een verschil van inzicht over de wijze van functievervulling op initiatief van CTG de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2011 wordt beëindigd, waarbij [eiser] tot aan de einddatum van het dienstverband zijn salaris en emolumenten betaald krijgt. [eiser] is tot deze einddatum feitelijk blijven werken.

2.6.

Bij brief van 13 oktober 2011 heeft de gemachtigde van [eiser] namens zijn cliënt de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen vanwege misbruik van omstandigheden. CTG heeft nadien vastgehouden aan de gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het standpunt van [eiser]

3.1.

vordert - na vermindering van eis ter comparitie - dat voor recht wordt verklaard dat de op 25 augustus 2011 tussen [eiser] en CTG gesloten vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden, alsmede dat CTG wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een (ontslag)vergoeding ten bedrage van € 9.153,83 bruto ter opheffing van het nadeel dat [eiser] als gevolg van voormelde vaststellingsovereenkomst heeft geleden zoals bedoeld in artikel 3:54 lid 2 BW, met veroordeling van CTG in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen is door misbruik van omstandigheden zijdens CTG. Er was reeds een ontslag op staande voet aan [eiser] gegeven, waardoor hij zich in een sterk afhankelijke positie bevond ten opzichte van CTG. Achteraf beschouwd is [eiser] van mening dat er geen sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet. De aan [eiser] verstrekte opdracht om voor de derde keer naar Antwerpen te rijden, waardoor hij voor de derde avond op rij niet thuis zou zijn, was niet als een redelijke dienstopdracht te beschouwen. Maar zelfs als er sprake zou zijn geweest van een redelijke dienstopdracht, dan was een ontslag op staande voet geen gerechtvaardigde sanctie op de weigering van [eiser] om aan deze dienstopdracht gehoor te geven. In het gesprek op 25 augustus 2011 was [eiser] niet opgewassen tegen de druk die door CTG op hem werd uitgeoefend om akkoord te gaan met de vaststellingsovereenkomst. Aan [eiser] is geen bedenktijd gegeven - hij moest meteen tekenen -, terwijl de vaststellingsovereenkomst niet gunstig voor hem was. Hij zou daardoor immers zijn baan en de daarmee verband houdende inkomsten verliezen. [eiser] was ook niet deskundig op het gebied van het voeren van onderhandelingen over einde dienstverband. CTG had er als zorgvuldig handelend werkgever voor dienen te waken dat [eiser] al te lichtzinnig overging tot het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en had hem bedenktijd moeten gunnen.

3.3.

[eiser] streeft niet langer vernietiging van de vaststellingsovereenkomst na, maar hij verzoekt - op de voet van artikel 3:54 lid 2 BW - om de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband te wijzigen, in die zin dat aan hem een ontslagvergoeding volgens de neutrale kantonrechtersformule wordt toegekend, zijnde een bedrag van € 9.153,83 bruto. Daartoe stelt [eiser] dat indien hij niet onder druk met de vaststellingsovereenkomst akkoord zou zijn gegaan, hij een ontslagvergoeding zoals hiervoor bedoeld zou hebben bedongen ter gelegenheid van het einde van het dienstverband.

Het standpunt van CTG

4.1.

CTG betwist het gevorderde. Zij voert daartoe het volgende aan. Op 24 augustus 2013 gaf [eiser] in alle kalmte aan dat hij weigerde om naar Antwerpen te rijden, zoals hem door CTG was opgedragen. Er was geen sprake van boosheid of emotie bij [eiser]. In het gesprek op 25 augustus 2011 ten kantore van CTG heeft CTG aangegeven dat het ontslag op staande voet niet zou worden ingetrokken. In reactie op de daaropvolgende vraag van [eiser] of er niet op andere wijze in het einde van het dienstverband kon worden voorzien, heeft CTG aangeboden om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 november 2011 te laten eindigen, zodat [eiser] recht op een WW-uitkering zou krijgen. De door CTG opgestelde vaststellingsovereenkomst is door [eiser] zonder enige aarzeling ondertekend. Anders dan [eiser] stelt, is hij in het gesprek dus niet voor de keuze gesteld tussen handhaving van het ontslag op staande voet door CTG of akkoord gaan met de vaststellingsovereenkomst. Er is ook geen druk op [eiser] uitgeoefend door CTG. Bovendien was [eiser] zijn baan op dat moment al kwijt door het ontslag op staande voet. [eiser] heeft ook niet om bedenktijd gevraagd. Van misbruik van omstandigheden zijdens CTG is gezien het voorgaande geen sprake geweest. In de periode na het gesprek heeft [eiser] op geen enkele manier aan CTG laten weten dat hij het niet eens was met de vaststellingsovereenkomst. Pas bij brief van 13 oktober 2011 van de gemachtigde van [eiser] is zulks voor de eerste keer aan de orde gesteld.

4.2.

CTG betwist voorts de door [eiser] gevorderde vergoeding. CTG zou nimmer hebben bewilligd in een ontslagvergoeding op basis van de neutrale kantonrechtersformule in het kader van de beëindiging van het dienstverband. Zelfs als er sprake zóu zijn geweest van misbruik van omstandigheden, dan nog is de gevorderde ontslagvergoeding buitensporig hoog te noemen, aldus CTG.

De beoordeling van het geschil

5.1.

Bij brief van 16 september 2013 heeft de gemachtigde van CTG namens zijn cliënte een aantal opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal gemaakt. Deze brief is aan het proces-verbaal gehecht en maakt daarvan deel uit. Voor zover nodig, zal de kantonrechter deze opmerkingen betrekken bij de hiernavolgende beoordeling.

5.2.

Partijen twisten over de rechtsgeldigheid van de op 25 augustus 2011 tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst. [eiser] beroept zich er op dat deze vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen is door misbruik van omstandigheden zijdens CTG, hetgeen laatstgenoemde betwist. De kantonrechter stelt dienaangaande het volgende voorop.

5.3.

In artikel 3:44 BW is bepaald dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens artikel 3:44 lid 1 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in dezen sprake van een vaststellings-overeenkomst in de zin der wet (artikel 7:900 BW). Uitgangspunt is dat partijen zijn gebonden aan een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De rechter dient terughoudend om te gaan met een beroep op vernietiging of ontbinding van een vaststellingsovereenkomst, gelet op het karakter van de overeenkomst, waarbij partijen - zoals in dit geval - een vaststelling hebben getroffen ten aanzien van hetgeen tussen hen rechtens geldt. In geval van een arbeidsrelatie mag de werkgever er overigens niet al te snel op vertrouwen dat een werknemer akkoord gaat met vrijwillige beëindiging van zijn dienstverband. Er moet sprake zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, terwijl er onder omstandigheden sprake kan zijn van een onderzoeksplicht van de werkgever om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk instemde met de beëindiging. Een en ander heeft ermee te maken dat een vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemer dermate ernstige gevolgen kan hebben dat door de werkgever niet spoedig mag worden aangenomen dat zijn verklaringen en gedragingen daarop zijn gericht (zie HR 5 februari 1999, NJ 1999, 652 en HR 10 juni 2005, JAR 2005, 157).

5.5.

[eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aangevoerd, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de vaststellingsovereenkomst door misbruik van omstandigheden zijdens CTG tot stand is gekomen. Dat er sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die [eiser] hebben bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat [eiser] niet eerder met het bijltje van het voeren van onderhandelingen over een beëindiging van het dienstverband had gehakt, betekent op zichzelf nog niet dat hij, zoals hij stelt, door onervarenheid als bedoeld in artikel 3:44 BW is bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. Uiteraard verkeerde [eiser] als (ex-)werknemer in een afhankelijkheidsrelatie tot CTG. Dat nu vloeit echter voort uit de (wettelijke) gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer. Deze vorm van afhankelijkheid betekent zonder voldoende `nadere onderbouwing ter zake, die ontbreekt, echter niet dat [eiser] louter daarom werd bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. [eiser] was in het geheel niet verplicht om akkoord te gaan met een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband, ook niet in het licht van het gegeven ontslag op staande voet. De afweging om de vaststellingsovereenkomst wel of niet te tekenen en het dienstverband op die manier te beëindigen, diende [eiser] zelf te maken. Daarbij is ook van belang dat niet gebleken is dat [eiser] het ontslag op staande voet destijds onterecht achtte. Van enig protest destijds door [eiser] tegen het ontslag op staande voet is niet gebleken. Pas achteraf heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Voorts heeft [eiser] onvoldoende feitelijk onderbouwd dat CTG hem onder druk heeft gezet om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. [eiser] heeft ook niet gemotiveerd onderbouwd dat hij - alvorens de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen - om bedenktijd heeft gevraagd en dat CTG hem deze toen niet wilde gunnen. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst te lichtzinnig is aangegaan. [eiser] heeft ook niet onderbouwd dat de bijzondere omstandigheden die artikel 3:44 BW vereist voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden voor CTG kenbaar waren. Naar het oordeel van de kantonrechter wijst het handelen van [eiser] ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst er ook niet bepaald op dat hij van mening was dat deze overeenkomst door misbruik van omstandigheden zijdens CTG tot stand is gekomen. Indien dat wérkelijk zo zou zijn geweest, dan had het alleszins voor de hand gelegen dat [eiser] daartegen dadelijk had geprotesteerd. Een dergelijk protest heeft niet eerder dan medio oktober 2011 voor de eerste keer plaatsgevonden. De wens van [eiser] om de vaststellingsovereenkomst alsnog aan te tasten lijkt niet te zijn ingegeven door enig bezwaar tegen het in de vaststellingsovereenkomst belichaamde einde van het dienstverband als zodanig, maar veeleer door de omstandigheid dat [eiser] alsnog een ontslagvergoeding wenst te verkrijgen.

5.6.

Nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld om tot misbruik van omstandigheden zijdens CTG te kunnen concluderen, bestaat er geen aanleiding om [eiser] ter zake tot bewijslevering toe te laten.

5.7.

Gelet op het vorenstaande zal de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen is door misbruik van omstandigheden worden afgewezen. De door [eiser] buiten rechte ingeroepen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst heeft dus geen doel getroffen. Daarmee is ook het lot van de in verband met deze vernietiging gevorderde ontslagvergoeding bezegeld. Die vordering wordt daarom ook afgewezen.

5.8.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende. Zelfs al zou de vaststellingsovereenkomst wél door misbruik van omstandigheden zijdens CTG tot stand zijn gekomen, dan nog zou de door [eiser] gevorderde ontslagvergoeding niet toewijsbaar zijn. De aan de gevorderde vergoeding ten grondslag gelegde stelling van [eiser] is dat hij, indien hij niet met de vaststellingsovereenkomst akkoord zou zijn gegaan, een ontslagvergoeding ter hoogte van de neutrale kantonrechtersformule zou hebben bedongen. Deze stelling van [eiser] gaat er echter geheel aan voorbij dat voor het overeenkomen van een ontslagvergoeding "it takes two", kortom dat daarvoor ook de instemming van CTG vereist was. Op geen enkele manier is gebleken dat die bereidheid bij CTG aanwezig zou zijn geweest. De gevorderde ontslagvergoeding ontbeert derhalve een deugdelijke grondslag.

5.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van CTG vastgesteld op € 500,00 (2 punten x € 250,00) aan salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af;

6.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van CTG vastgesteld op € 500,00;

6.3. verklaart het vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119