Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5601

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB-LEE 12-2263
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Pand ten onrechte als ondernemingsvermogen geëtiketteerd. Fout met toepassing van de foutenleer hersteld. Verkoopresultaat is onbelaste vermogenswinst in privé.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2288
Belastingadvies 2013/23.3
FutD 2013-2572
NTFR 2013/2369 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/2263

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2008 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 213.415.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 10.706 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 226.

Bij uitspraken op bezwaar van 10 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.588.

De heffingsrente heeft verweerder verminderd tot een bedrag van € 4.306. De boete heeft verweerder gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Ter zitting is gezamenlijk met deze zaak behandeld de beroepszaak (zaaknummer 12/2262) van eisers broer, [broer]. In dat verband was eisers broer ook ter zitting aanwezig. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eisers vader, geboren op [dag/maand] 1925, dreef sinds 1961 een metaal-, las- en constructiebedrijf. In 1988 zijn eiser en zijn broer, [broer], toegetreden tot de onderneming. Eiser was vóór 1988 al enige tijd in loondienst in de onderneming werkzaam. Na de toetreding van eiser en zijn broer werd de onderneming gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma, genaamd [naam] (hierna: de vof). Eiser en zijn broer waren vanaf de toetreding ieder voor 10% gerechtigd tot het vermogen van de vennootschap, terwijl hun vader voor 80% gerechtigd was. Later is de gerechtigdheid tot het vermogen voor eiser en zijn broer toegenomen tot ieder 30%.

1.2

Eisers vader woonde sinds 1988 aan de [a-straat #4] te [A] (hierna: de [a-straat #4]). Achter het woonhuis aan de[a-straat #4] bevond zich de werkplaats van de onderneming. De werkplaats was 40 meter lang en 20 meter breed. Daarachter stond nog een loods van 400 m², die werd gebruikt voor opslag, met een hok ernaast. Er zijn in het verleden problemen geweest inzake geluidsoverlast vanuit de werkplaats. In 1998 is de werkplaats geïsoleerd. Ten aanzien van de werkplaats moest om de vijf jaar een milieuvergunning worden aangevraagd bij de gemeente. Deze werd steeds verleend. De bedrijfsgebouwen achter het woonhuis aan de [a-straat #4] boden voldoende ruimte voor de uitoefening van de onderneming.

1.3

Bij notariële akte van 26 augustus 1992 is aan eiser, eisers broer en eisers vader, geleverd:

"Het woonhuis met garage, erf en tuin, staande en gelegen te [A], plaatselijk bekend [a-straat #2], kadastraal bekend gemeente[A] sectie[sectie] nummer [nummer], groot zeven are vijfenvijftig centiare (…) door koper te gebruiken voor eigen bewoning.".

De koopprijs bedroeg ƒ 185.000.

1.4

De onder 1.3 bedoelde woning aan de[a-straat #2] te [A] (hierna: de[a-straat #2]) grensde aan de [a-straat #4]. De[a-straat #2] bevond zich ten tijde van de aankoop in een bouwvallige staat van onderhoud. Er is sinds de aankoop geen onderhoud aan de[a-straat #2] gepleegd. De[a-straat #2] is sinds de aankoop nimmer in gebruik genomen, behoudens dat door eisers vader in de tuin enige fruitbomen zijn geplant en kippen en eenden zijn gehouden.

1.5

De boekhouding van de vof werd jarenlang verzorgd door accountantskantoor [naam] te [B]. Eisers vader regelde alle boekhoudkundige zaken met boekhouder [naam]. Eiser en zijn broer hadden geen enkele bemoeienis met de boekhouding. Zij ontbeerden kennis van boekhoudkundige zaken. De boekhouder heeft de[a-straat #2] sinds de aankoop in de jaarstukken steeds als ondernemingsvermogen aangemerkt. Na de uittreding van hun vader, zijn eiser en zijn broer overgegaan naar een andere boekhouder.

1.6

Eiser bewoonde in 1992 een tot zijn privé-vermogen behorende vrijstaande woning aan de[b-weg #]te [A], alwaar hij nog steeds woont. Eisers broer bewoonde in 1992 een tot zijn privé-vermogen behorende woning aan de [c-weg #] te [A].

1.7

Per 1 januari 2002 is eisers vader uitgetreden uit de vof. Eiser en zijn broer hebben de onderneming voortgezet in de vorm van een vennootschap onder firma. Zij zijn ieder voor 50% gerechtigd tot het vermogen van de vennootschap. Volgens de notariële akte van scheiding en deling van 15 maart 2002 zijn de[a-straat #2] en [#4] toegedeeld aan eiser en zijn broer. Het woongedeelte van de [a-straat #4] wordt volgens bedoelde notariële akte door eiser en zijn broer verhuurd aan hun vader. In de notariële akte is onder het kopje Overdrachtsbelasting opgenomen dat eiser, zijn broer en zijn vader ter berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting verklaarden dat de door eisers vader aan eiser en zijn broer overgedragen onroerende zaken - met uitzondering van het woongedeelte van de [a-straat #4] - "ondermeer behoorden tot- en dienstbaar waren aan de onderneming" van eiser, zijn broer en zijn vader. Hierbij hebben eiser en zijn beroer een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting ingevolge artikel 15, eerste lid, sub b, van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer, zoals dat artikel in 1992 gold.

1.8

Kort na de overname van de onderneming in 2002 door eiser en zijn broer, raakten zij hun grootste opdrachtgever ([naam]) kwijt. Eiser en zijn broer kregen geen nieuwe opdrachtgevers meer met als gevolg dat zij minder inkomen genereerden. Hierdoor ontstond uiteindelijk de financiële noodzaak om de[a-straat #2] en [#4] te verkopen. Op het moment waarop eiser en zijn broer gesprekken voerden met de bank over de voorgenomen verkoop van de onroerende zaken, diende zich hiervoor een koper aan. Bij notariële akte van 21 oktober 2008 hebben eiser en zijn broer de[a-straat #2] aan deze koper geleverd voor een bedrag van € 345.000. De [a-straat #4] hebben eiser en zijn broer bij notariële akte van 31 augustus 2009 aan deze koper geleverd. Na de verkoop zijn de opstallen aan de[a-straat #2] en [#4] vanwege projectontwikkeling gesloopt.

1.9

Eiser en zijn broer hebben per 11 maart 2008 de onderneming verplaatst naar een huurpand, gelegen aan de[d-straat #] te [C].

1.10

[naam] van[kantoor] heeft namens eiser voorafgaande aan het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 gecorrespondeerd met verweerder over de vermogensetikettering van de[a-straat #2]. Hierbij heeft [naam] verweerder verzocht om akkoord te gaan met zijn standpunt dat - kort weergegeven - de[a-straat #2] ten onrechte als ondernemingsvermogens is geëtiketteerd en met toepassing van de foutenleer kan worden overgebracht naar het privé-vermogen van eiser en zijn broer. Verweerder is hiermee niet akkoord gegaan.

1.11

Eisers boekhouder, verbonden aan [kantoor], heeft bij het doen van eisers aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 ten aanzien van de[a-straat #2] de foutenleer toegepast, overeenkomstig het onder punt 1.10 opgenomen standpunt van eiser. Ten aanzien van de verkoop van de[a-straat #2] is geen boekwinst in eisers aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 opgenomen. Bij de winstberekening zijn wel de in het verleden genomen afschrijvingskosten van de[a-straat #2] van € 13.213 als een bijzondere bate in aanmerking genomen.

1.12

Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2008 de toepassing van de foutenleer niet geaccepteerd. Verweerder heeft eisers aandeel in de boekwinst van de[a-straat #2] bij eisers winst uit onderneming geteld onder verrekening van de door eiser als een bijzondere bate in aanmerking genomen afschrijvingskosten. Verder heeft verweerder, in de veronderstelling dat de [a-straat #4] ook in 2009 is geleverd, de boekwinst van deze onroerende zaak eveneens bij eisers winst uit onderneming geteld.

1.13

Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de correctie van per saldo
€ 126.500 inzake de[a-straat #2] gehandhaafd. De correctie inzake de [a-straat #4] heeft verweerder laten vervallen, omdat verweerder is gebleken dat deze onroerende zaak in het jaar 2009 is geleverd. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder geen kostenvergoeding aan eiser toegekend, omdat volgens verweerder geen sprake is van een aan hem te wijten onrechtmatigheid van de aanslag.

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een bedrag van € 126.500 als boekwinst behaald bij de verkoop van de[a-straat #2] tot eisers winst uit onderneming heeft gerekend.

3.

Eiser heeft primair aangevoerd dat de[a-straat #2] sinds de aankoop in 1992 ten onrechte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd. De[a-straat #2] is volgens eiser sinds 1992 verplicht privé-vermogen. Deze foutieve etikettering moet met ingang van het jaar 2008 door toepassing van de foutenleer worden hersteld, zodat de[a-straat #2] vanaf dat jaar tot het privé-vermogen van eiser en zijn broer moet worden gerekend. Dit brengt mee dat het met de verkoop van de[a-straat #2] behaalde resultaat niet tot de winst uit onderneming kan worden gerekend. Dit resultaat behoort tot de onbelaste vermogenswinst in privé.

3.1

Ter zitting hebben eiser en zijn broer het volgende verklaard over de aankoop en de voorgenomen bestemming van de[a-straat #2]:

Eisers vader heeft de[a-straat #2] tijdens de vakantie van eiser en zijn broer gekocht.

Eiser vond de locatie van de[a-straat #2] de mooiste plek van het dorp. Hij had de wens om daar te gaan wonen. Eiser heeft, voordat hij als vennoot toetrad tot de onderneming, in het verleden veel werkzaamheden verricht voor de onderneming. Hiervoor is hij destijds door zijn vader wegens geldgebrek niet, althans onvoldoende, financieel beloond. Gelet hierop heeft eisers vader besloten dat hij aan eiser een bijdrage zou leveren in de aankoopkosten van de[a-straat #2]. De[a-straat #2] zou dan door eiser als woning gebruikt gaan worden. Eisers vader heeft besloten dat eisers broer eveneens moest bijdragen in de aankoopkosten van de[a-straat #2]. Deze bijdrage zag eisers broer als een beloning voor de werkzaamheden die eiser had verricht, voordat eiser toetrad tot de onderneming. Eiser en zijn broer hadden destijds geen inspraak bij de beslissingen die hun vader nam. Eiser en zijn broer hebben er dus ook nooit met hun vader over gesproken of de[a-straat #2] als privé- of als bedrijfsvermogen zou moeten worden aangemerkt. Eisers vader regelde alle boekhoudkundige zaken met de boekhouder. De inhoud van de jaarstukken van de onderneming drong niet tot eiser en zijn broer door en de boekhouder kwam nooit bij hen langs om deze toe te lichten. Hoewel eiser voornemens was om op de locatie van de[a-straat #2] te gaan wonen, heeft hij om financiële redenen geen handelingen verricht om deze locatie bewoonbaar te maken. De sloop van de woning aan de[a-straat #2] zou al circa ƒ 15.000 kosten. Verder speelde de omstandigheid een rol dat eiser en zijn broer verwachtten dat zij hun vader, die de 65-jarige leeftijd was gepasseerd, binnen afzienbare tijd zouden moeten uitkopen uit de onderneming. Naderhand bleek dat vader pas tien jaar later bereid was om uit de vof te treden. Kort na de overname van de onderneming in 2002 door eiser en zijn broer, raakten zij hun grootste opdrachtgever ([naam]) kwijt. Eiser en zijn broer kregen geen nieuwe opdrachtgevers meer met als gevolg dat zij minder inkomen meer genereerden. Eiser had toen opnieuw geen financiële middelen om de[a-straat #2] bewoonbaar te maken. Uiteindelijk ontstond de financiële noodzaak om de[a-straat #2], evenals de [a-straat #4], te verkopen.

4.

Verweerder heeft aangevoerd dat de[a-straat #2] sinds de aankoop in 1992 terecht als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd. Primair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in 1992 sprake was van verplicht ondernemingsvermogen. Volgens verweerder kan het niet anders zijn dan dat de[a-straat #2] is aangekocht om bedrijfsdoeleinden te realiseren. Hierbij verwijst verweerder naar de aloude stelling dat buurmans grond maar eenmaal te koop is. Deze grond zou kunnen worden gebruikt voor het openhouden van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf. Verder wijst verweerder erop dat er toentertijd maatschappelijk gezien steeds meer weerstand bestond tegen de vestiging van bedrijven in een woonbuurt. Door de[a-straat #2] aan te kopen, kon worden voorkomen dat een eventuele andere nieuwe bewoner zou klagen over de door hem ondervonden overlast van de onderneming. De aankoop van de[a-straat #2] kon dus ook dienen voor het veilig stellen van de bedrijfsuitoefening op de bestaande locatie. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser de bedoeling had om de[a-straat #2] te gaan bewonen. Eiser was reeds in het bezit van een kwalitatief goede en geschikte vrijstaande woning. Eiser heeft nimmer stappen, noch aanzetten daartoe, ondernomen om de[a-straat #2] voor bewoning geschikt te maken en om de verkoop van zijn eigen woning aan de [b-weg #] te realiseren. Verder acht verweerder het ongebruikelijk dat eisers broer en vader zouden hebben bijgedragen in de kosten van de aankoop van een woning die alleen door eiser voor privé-bewoning zou worden gebruikt. Verweerder bestrijdt uitdrukkelijk dat de bijdrage door eisers broer en vader in de kosten van de aankoop van de[a-straat #2] diende als een arbeidsbeloning voor de door eiser verrichte werkzaamheden. Voor zover hiervan wel sprake is, is verweerder van mening dat de aankoop van de[a-straat #2] in ieder geval voor eisers broer en vader een zakelijk belang diende. Voor zover wel aannemelijk is dat eiser de bedoeling had om de[a-straat #2] zelf te bewonen, moet worden verondersteld dat de bewoning mede zou dienen voor het houden van toezicht op de onderneming. De aankoop van de[a-straat #2] was dan dus bedoeld om dienstbaar te zijn aan de onderneming. Dit staat ook vermeld in de bij de uittreding van eisers vader opgemaakte akte van scheiding en deling. Gelet hierop stelt verweerder zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van keuzevermogen. Hierbij neemt verweerder mede in aanmerking dat uit het feit dat de[a-straat #2] door de drie vennoten gezamenlijk is aangekocht, blijkt dat er ook zakelijke motieven waren voor deze aankoop. Eisers broer en vader hadden hierbij immers geen enkel privé-belang. Nu de[a-straat #2] behoorde tot het verplichte ondernemingsvermogen, is geen sprake van een foutieve vermogensetikettering in het jaar 1992. Indien de[a-straat #2] in 1992 keuzevermogen was, kan de door eiser destijds gemaakte keuze voor de etikettering als ondernemingsvermogen niet op basis van de foutenleer worden teruggenomen. De met de verkoop van de[a-straat #2] behaalde boekwinst moet dan ook tot de winst uit onderneming worden gerekend.

5.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een onroerende zaak deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid te buiten zouden zijn gegaan (vergelijk Hoge Raad 20 juni 1962, nr. 14819, ECLI:NL:HR:1962AX8064, en Hoge Raad 13 juli 2007, nr. 42 698, ELCI:NL:HR:2007:AZ2817). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7467, herhaald dat van het woonhuis van een ondernemer, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden aangenomen dat het uit zijn aard in fiscale zin alleen tot het privévermogen van de ondernemer kan behoren (HR 18 juni 1969, nr. 16163, ECLI:NL:HR:1969:AX6858). Hetzelfde geldt volgens de Hoge Raad voor een tweede woonhuis van de ondernemer. Een uitsluitend als zodanig gebruikte woning kan evenwel binnen de grenzen der redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend indien de bewoning ervan mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening (HR 7 juli 1993, nr. 28751, ECLI:NL:HR:1993:ZC5401).

6.

In eisers boekhouding is sinds 1992 steeds tot uiting gebracht dat hij de[a-straat #2] wenste te etiketteren als ondernemingsvermogen. Nu eiser stelt dat deze etikettering niet juist was, draagt hij naar het oordeel van de rechtbank tegenover de betwisting door verweerder de bewijslast van deze stelling (vergelijk HR 25 november 1953, nr. 11.516, ECLI:NL:HR:1953:AY2766).

7.

De rechtbank overweegt dat de[a-straat #2] een (bouwvallig) woonhuis betreft (zie punt 1.3). Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat het perceel aan de[a-straat #2] alleen bestemd is voor bewoning. De[a-straat #2] kan daarom niet als ondernemingsvermogen worden gekwalificeerd (zie de onder punt 5 vermelde jurisprudentie), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank hecht namelijk geloof aan hetgeen eiser en zijn broer hebben verklaard over de aankoop en de voorgenomen bestemming van de[a-straat #2] (zie punt 3.1). Hieruit volgt dat eiser ten tijde van de aankoop van de woning het voornemen heeft gehad om de locatie van de[a-straat #2] uitsluitend ter voorziening in zijn eigen woonbehoefte te gaan bewonen. Dat dit voornemen om financiële redenen niet is gerealiseerd, laat onverlet dat sinds 1992 bij eiser de wil is blijven bestaan om zelf aan de[a-straat #2] te gaan wonen. De rechtbank acht verder aannemelijk dat de beoogde zelfbewoning door eiser niet was bedoeld voor het houden van toezicht op de onderneming. De rechtbank acht geloofwaardig dat de wens van eiser om de locatie van de[a-straat #2] te gaan bewonen, alleen was ingegeven door zijn persoonlijke voorkeur voor de zijns inziens mooiste plek van het dorp. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat eisers vader, die volgens eiser en zijn broer nagenoeg de volledige zeggenschap had in de onderneming, reeds nabij de werkplaats woonachtig was. Gelet op hetgeen eiser en zijn broer hebben verklaard over de aankoop en de voorgenomen bestemming van de[a-straat #2], is de rechtbank van oordeel dat eiser tegenover de betwisting door verweerder (zie hierna onder punt 8) aannemelijk heeft gemaakt dat de[a-straat #2] sinds 1992 verplicht als privé-vermogen had moeten worden geëtiketteerd.

8.

Zoals verweerder zelf heeft toegegeven, is hetgeen hij ter betwisting van eisers stelling naar voren heeft gebracht, slechts gebaseerd op veronderstellingen. Deze veronderstellingen hebben de rechtbank niet doen twijfelen aan de geloofwaardigheid van de onder punt 3.1 bedoelde verklaring van eiser en zijn broer. Verweerders veronderstelling dat de aankoop van de[a-straat #2] nodig was voor de uitbreiding van de onderneming dan wel ter voorkoming van klachten over geluids- of milieuoverlast, heeft de rechtbank niet kunnen volgen. Vaststaat immers (zie punt 1.2) dat de bedrijfsgebouwen achter het woonhuis aan de [a-straat #4] voldoende ruimte boden voor de uitoefening van de onderneming. Verder staat vast dat de (mogelijke) geluidsoverlast is teruggedrongen door isolatie van de werkplaats en dat de aanvraagde milieuvergunningen steeds zonder problemen werden verleend. Overigens wijst de rechtbank verweerder erop dat zijn veronderstelling dat de[a-straat #2] is aangekocht voor het open houden van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf, niet strookt met zijn stelling dat maatschappelijk gezien steeds meer weerstand bestond tegen de vestiging van bedrijven in een woonbuurt. Gelet op dit laatste acht de rechtbank het niet voorstelbaar dat zou zijn geïnvesteerd in uitbreidingsmogelijkheden van het in een woonbuurt gelegen bedrijf. Het zou dan juist voor de hand hebben gelegen dat de vennoten zich erover zouden beraden om het bedrijf op termijn te verplaatsen naar een locatie buiten de bebouwde kom. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de[a-straat #2] feitelijk nimmer voor de onderneming is aangewend. De[a-straat #2] is feitelijk alleen gebruikt door eisers vader voor het telen van fruitbomen en het houden van kippen en eenden (zie punt 1.4). Van dit gebruik kan moeilijk worden gezegd dat het zakelijk doeleinden dient. Hoewel de omstandigheid dat de[a-straat #2] door de drie vennoten gezamenlijk is aangekocht erop zou kunnen wijzen dat deze aankoop een zakelijk belang diende, is de rechtbank van oordeel dat eiser en zijn broer een plausibele verklaring hebben gegeven voor de omstandigheid dat eiser en zijn vader hebben bijgedragen in de kosten van de aankoop van de[a-straat #2]. Dat aan deze bijdrage een zakelijk motief ten grondslag lag, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet het logische gevolg, dat hierdoor het gekochte object tot het verplichte ondernemingsvermogen of tot het keuzevermogen moet worden gerekend. De vermogensetikettering van de aankoop van[a-straat #2] moet zelfstandig op haar eigen merites worden beoordeeld. Ook voor de omstandigheid dat de beoogde zelfbewoning door eiser nimmer is verwezenlijkt, hebben eiser en zijn broer verklaarbare (financiële) redenen gegeven. Dat in de notariële akte van scheiding en deling van 15 maart 2002 is vermeld dat de[a-straat #2] behoort tot en dienstbaar was aan de onderneming, moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een gevolg van de (onjuiste) etikettering als ondernemingsvermogen.

9.

Uit het voorgaande volgt dat eiser is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de[a-straat #2] ten onrechte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd. Deze fout moet naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van de foutenleer in het oudste openstaande jaar worden hersteld. Tussen partijen is niet in geschil dat het jaar 2008 het oudste openstaande jaar is. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze fout moet worden hersteld door overbrenging van de[a-straat #2] naar het privé-vermogen van eiser en zijn broer met ingang van het jaar 2008, waarbij de in voorgaande jaren aanmerking genomen afschrijvingskosten tot de winst moeten worden gerekend. De rechtbank is niet gebleken dat partijen hierbij zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de[a-straat #2] na herstel van de etiketteringsfout geen deel meer uitmaakt van de beginbalans van het jaar 2008, behoort het met de verkoop van deze onroerende zaak behaalde resultaat niet tot de winst uit onderneming. Dit resultaat behoort tot de onbelaste vermogenswinst in privé. Eisers beroepsgrond treft dus doel.

10.

Nu de rechtbank eisers primaire beroepsgrond volgt, is het beroep reeds hierom gegrond. Dit brengt mee dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar zal vernietigen. Zoals partijen ter zitting eenparig hebben verklaard, zal de rechtbank de aanslag verminderen overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2008. De rechtbank zal daarom de aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 verminderen tot een aanslag uitsluitend berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 22.477. De rechtbank zal het verlies uit werk en woning vaststellen op € 22.477. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat het bezwaar en beroep tevens is gericht tegen de door verweerder (impliciet) genomen verliesbeschikking van nihil.

11.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat de tegelijk met de aanslag opgelegde verzuimboete niet in geschil is, zodat het beroep daar niet (meer) tegen is gericht.

12.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu de met de beschikking heffingsrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

13.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij niet langer verzoekt om vergoeding van de integrale proceskosten. De te vergoeden proceskosten kunnen volgens hem worden bepaald op basis van het forfaitaire stelsel uit het Besluit proceskosten bestuursecht (het besluit). Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat aldus voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding moet worden toegekend van € 470 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 235) voor zowel eiser als zijn broer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Voor wat betreft de beroepsfase stelt de rechtbank op basis van het besluit de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang met de beroepszaak van eisers broer (zaaknummer 12/2262), worden de te vergoeden kosten voor de beroepsfase voor de helft in beide zaken in aanmerking genomen. Verweerder zal voor deze zaak dan in totaal voor een bedrag van € 942 (€ 470 + 0,5 * € 944) in de proceskosten van eiser worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit

werk en woning van negatief € 22.477;

- stelt het verlies voor 2008 vast op € 22.477;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op

bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 942.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, mr. T. Tanghe en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.