Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8189

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
15/840182-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en 240 uur taakstraf wegens schending van een ambtsgeheim als medewerker van de Koninklijke Marechaussee. Vrijspraak voor het ten laste gelegde deelnemen aan een criminele organisatie.

Artikelen: 272 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840182-13 (P) (onderzoek Gunn)

Uitspraakdatum: 28 september 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 september 2015, 3 september 2015, 9 september 2015 en 14 september 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

(zaaksdossier B04)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Culemborg en/of Schijndel en/of Heeswijk-Dinther, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een geheim en/of geheimen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

(telkens) uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten als (opsporings)ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee werkzaam op Schiphol,

(telkens) verplicht was/waren te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geschonden,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader,

-(telkens) in de/het (computer)syste(e)m(en) van de Koninklijke Marechaussee, te weten Bps (bedrijfsprocessensysteem) en/of Bls (Bevragen landelijk systeem) en/of (Bps) Grensapplicatie en/of NSIS/List (Nationaal Schengen Informatie Systeem)

vertrouwelijke informatie geraadpleegd en/of bevraagd en/of gezocht over/van de navolgende perso(o)n(en) en/of persoonssleutel(s);

* [medeverdachte 1] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 2] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 3] en/of

* [medeverdachte 2] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 5] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 6] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 7] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 8] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 9]

* [verdachte] en/of

* [bevraagde persoon(ssleutel) 11] ,

met betrekkingen tot (openstaande) signalering(en) en/of (lopend(e)) strafrechtelijk(e) onderzoek(en) en/of opgemaakt(e) proces-verba(a)l(en) en/of mutatie(s) en/of andere vertrouwelijke informatie, in elk geval vertrouwelijke informatie,

-(vervolgens) (telkens) deze geraadpleegde en/of bevraagde en/of gezochte informatie anders dan beroepsmatig verstrekt aan een ander en/of anderen,

te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer derde(n), terwijl die ander(en) niet tot kennisneming van die informatie gerechtigd/bevoegd was/waren;

feit 2:

(zaaksdossier B06)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(en) in België en/of Dominicaanse Republiek,

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten:

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* (telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) (artikel 10a OW).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op grond van diverse CIE meldingen over de illegale handel in drank en sigaretten werd er door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) binnen welk onderzoek diverse telecommunicatiemiddelen zijn afgetapt en vele tapgesprekken zijn opgenomen. De informatie uit dit onderzoek van de FIOD, de diverse tapgesprekken en het feit dat [medeverdachte 2] eerder ter zake van Opiumwet delicten is veroordeeld hebben uiteindelijk geleid tot een verdenking van drugssmokkel via de luchthaven Schiphol.

Naar aanleiding van het bovenstaande is onder leiding van officier van justitie mr. Haneveld door de Koninklijke Marechaussee, Team Zware Criminaliteit (ZwaCri) op 11 oktober 2013 een rechercheonderzoek gestart onder de naam “Gunn”. Tijdens dit onderzoek blijkt er ook sprake te zijn van nauwe contacten met iemand van de Koninklijke Marechaussee, hetgeen naderhand verdachte bleek te zijn.

Verdachte (hierna ook: [verdachte] ) wordt verweten dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim, door als medewerker van de Koninklijke Marechaussee personen te bevragen in de systemen van de Koninklijke Marechaussee en de verkregen informatie door te spelen aan een ander, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] ).

Voorts wordt verdachte verweten – in de rol van adviseur en door voornoemde bevragingen te verrichten om te controleren of koeriers en afhalers ongestoord konden reizen per vliegtuig – onderdeel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven in het kader van de Opiumwet.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen verdachte in feit 1 is tenlastegelegd omtrent [bevraagde persoon 3] , [medeverdachte 2] , [bevraagde persoon 5] , [bevraagde persoon 7] , [bevraagde persoon 9] en [verdachte] .

4.2.

Standpunt van de verdediging

Feit 1 – zaaksdossier B04

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor (partiële) vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Inzake de bevragingen van [medeverdachte 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen ook heeft geopenbaard naar [medeverdachte 1] anders dan dat verdachte uit gewoonte altijd zei tegen [medeverdachte 1] dat “het goed was”.

Inzake de bevragingen van [bevraagde persoon 8] , [bevraagde persoon 2] , [bevraagde persoon 6] en [bevraagde persoon 11] kan niet bewezen worden dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen heeft doorgegeven aan [medeverdachte 1] , dan wel aan een ander.

Inzake de bevraging van [bevraagde persoon 11] heeft de raadsman zich bovendien op het standpunt gesteld dat – gelet op het feit dat verdachte een onjuiste persoonssleutel heeft ingevoerd – geen informatie betreffende de bedoelde [bevraagde persoon 11] is verkregen en is doorgegeven.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aard van de informatie inzake de bevragingen die verdachte heeft gedaan en welke hij heeft doorgegeven aan een derde, niet dusdanig was dat men over een ‘geheim’ in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht kan spreken. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte ofwel informatie doorgaf die de derde reeds bekend was dan wel zelf kon verkrijgen, ofwel verdachte enkel iets zei in de trant van “alles is goed”.

Feit 2 – zaaksdossier B06

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte heeft deelgenomen aan de vermeende criminele organisatie.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte en de systemen

Verdachte werkte bij de Kmar als opsporingsambtenaar in de functie van wachtmeester eerste klas en was werkzaam in de balie op Schiphol ten behoeve van Grensbewaking. Hij keek onder andere of iemand Nederland in – of uit mag reizen.2 Verdachte kon (onder meer) de volgende systemen raadplegen om zijn werkzaamheden uit te voeren: OPS/NSIS, tegenwoordig Grenscontrole (de rechtbank begrijpt: Grensapplicatie).3 Ook kon hij BPS, Basis Politie Systeem4 (de rechtbank begrijpt: Bedrijfsprocessensysteem5) en BLS, Bevragen Landelijke Systemen raadplegen. Zijn gebruikersnaam voor BPS was ‘[loggingcode verdachte]’. De vertrouwelijke informatie was ten behoeve van de taak die hij verrichtte. Dat was voor verdachte de grensbewakingstaak en als hij bezig was met politiewerkzaamheden was dat voor de politietaak.6

Het is binnen de Kmar uitdrukkelijk verboden om eerder genoemde politiesystemen anders dan voor de uitoefening van de dienst te gebruiken. Gebruikers van deze politiesystemen worden daar nadrukkelijk op gewezen bij de opleiding en toewijzing van autorisaties. Bij het inloggen op het netwerk van de Kmar wordt middels tekst gewezen op het feit dat de politiesystemen alleen ten behoeve van de dienst mogen worden gebruikt. De informatie die uit de bedoelde politiesystemen gehaald kan worden is zeer privacy gevoelig, geheim en mag alleen opgevraagd, gebruikt, geraadpleegd of verstrekt worden zoals beschreven in de Wet Politiegegevens. Een manier van zoeken in de loggingen gebeurt door het invoeren van een persoonssleutel.7 Een persoonssleutel bestaat uit de eerste vier letters van je achternaam, de eerste letter van de voornaam en laatste twee cijfers van het geboortejaar en wordt ook wel aangeduid als ‘Keno sleutel’ of ‘keno code’.8

De bevragingen

Verdachte heeft erkend diverse bevragingen op verzoek van [medeverdachte 1] gedaan te hebben. Verdachte wist dat het niet mocht wat hij deed. Alle bevragingen die verdachte heeft gedaan, heeft hij gedaan op Schiphol.9

[medeverdachte 1]

is geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] .10 Via het account van verdachte is de persoonssleutel van [medeverdachte 1] in het systeem Grensapplicatie bevraagd op 1 september 2013, 26 september 2013, 29 september 2013 en 1 november 2013.11 Uit de logginggegevens van verdachte ( [loggingcode verdachte] ) blijkt dat via dit account op 2 september 2013, zowel de persoonssleutel ( [persoonssleutel medeverdachte 1] ) als de volledige naam van [medeverdachte 1] is bevraagd in het politiesysteem BPS.12 Uit de logginggegevens van verdachte ( [loggingcode verdachte] ) blijkt voorts dat via dit account op 21 september 2013 in BLS de persoonssleutel ( [persoonssleutel medeverdachte 1] ) van [medeverdachte 1] is bevraagd.13 Verdachte had op 21 september 2013 ochtenddienst van 06:00 uur tot 14:30 uur.14

Op 7 november 2013 is om 20:24:16 uur de persoonssleutel van [medeverdachte 1] bevraagd op het account [loggingcode collega 1 verdachte] in het politiesysteem Grensapplicatie. Het verbalisantennummer [loggingcode collega 1 verdachte] blijkt gekoppeld te zijn aan de ambtenaar van de Kmar genaamd [collega 1] (hierna ook: [collega 1] ). [collega 1] is ook werkzaam bij de Brigade Grensbewaking, district Schiphol en is een directe collega van verdachte. Beiden doen dienst in groep [groepsnummer] .15 Verdachte had op 7 november 2013 dienst van 13:30 uur tot 21:00 uur op de locatie: Terminal Aankomsthal 1 (de rechtbank begrijpt: te Schiphol).16 Om 20:15 uur neemt verdachte plaats in paspoortbalie A1.01.17 Hij gebruikt om 20:24:16 uur de in de paspoortbalie aanwezige computer. Op dit moment staat er geen reiziger voor de paspoortbalie van verdachte.18 Verdachte erkent, nadat hem de beelden zijn getoond, dat hij de bevraging heeft gedaan.19

Op 11 januari 2014 is de persoonssleutel van [medeverdachte 1] bevraagd via verbalisantennummer [loggingcode collega 2] . Het verbalisantennummer [loggingcode collega 2] blijkt gekoppeld te zijn aan de ambtenaar van de Kmar [collega 2] (hierna: [collega 2] ). [collega 2] blijkt ook werkzaam te zijn bij de Brigade Grensbewaking, district Schiphol en is een directe collega van verdachte. De digitale bevragingen zijn gedaan in de zogenaamde Grensapplicaties.20 Uit het dienstrooster blijkt dat verdachte op 11 januari 2014 dienst heeft gehad van 13:30 uur tot 22:00 uur op de Terminal Vertrek 2 (de rechtbank begrijpt: te Schiphol).21 Verdachte heeft verklaard deze bevraging gedaan te hebben.22

Op 8 maart 2014 om 14:07 uur is er door verdachte twee keer een bevraging in de Grensapplicatie gedaan naar de persoonssleutel [persoonssleutel medeverdachte 1] .23

In de inbeslaggenomen telefoon van verdachte is een foto-opname van een beeldscherm (computer) aangetroffen. Het betreft een afdruk van het scherm van een bevraging in het politiesysteem BLS. De persoon die bevraagd is betreft voornoemde [medeverdachte 1] .24

Verdachte zegt zelf [medeverdachte 1] diverse keren te hebben bevraagd. Verdachte zegt [medeverdachte 1] te hebben bevraagd in de volgende systemen: Grenscontrole, BPS en BLS.25 Verdachte heeft verklaard dat hij altijd zei tegen [medeverdachte 1] dat alles goed was, maar dan had hij niet gekeken. Hij keek dan achteraf.26

[bevraagde persoon 2]

Op 21 november 2013 werd van de vlucht OR342 van 16 september 2013, afkomstig van de Dominicaanse Republiek, de passagierslijst ontvangen. Op voornoemde passagierslijst van 16 september 2013 komt een persoon genaamd [bevraagde persoon 2] (hierna ook: [bevraagde persoon 2] ) voor. Uit logginggegevens van verdachte ( [loggingcode verdachte] ) blijkt dat hij op 2 september 2013 in het OPS/NSIS en bedrijfsprocessingsysteem (BPS) de kenosleutel ‘ [persoonssleutel bevraagde persoon 2] ’ heeft bevraagd. Uit de ontvangen vluchtgegevens blijkt dat [bevraagde persoon 2] van de passagierslijst geboren is op [geboortedatum bevraagde persoon 2] .27 Wanneer verdachte wordt geconfronteerd met voornoemde logging van een bevraging van 2 september 2013, verklaart verdachte dat hij denkt dat dit één van de personen is geweest die [medeverdachte 1] aan hem gevraagd heeft. Kijkende naar de logging, gaat verdachte ervan uit dat dit de persoon is die hij voor [medeverdachte 1] moest bevragen. Hij weet nog dat hij voor [medeverdachte 1] in die periode een persoon moest nakijken. 28 Verdachte heeft gezien dat er met [bevraagde persoon 2] niets aan de hand was. Deze informatie heeft hij aan [medeverdachte 1] verteld. Het kan zijn dat verdachte hem dit persoonlijk heeft verteld, het kan ook telefonisch zijn geweest.29

[bevraagde persoon 6]

(hierna ook: [bevraagde persoon 6] ) is geboren op [geboortedatum bevraagde persoon 6] .30 en [medeverdachte 1] hebben op 17 december 2013 om 21:36 uur een telefoongesprek. [bevraagde persoon 6] vraagt op enig moment: “Ik moet even kijken of ik van de week, of volgende week ff bij je langskom om over die .. ntv..te praten”. [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja. nee dat is helemaal goed jongen”. [bevraagde persoon 6] zegt kort hierna: “Dat wil ik dan gauw, rap, rap een keer gaan doen”. [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, uuh dat kan jongen”. [bevraagde persoon 6] zegt: “Ja dat is goed. Heb ge mij, wil je mij ft een keertje ft door laten lichten. Of heb ge dat al gedaan?”. [medeverdachte 1] reageert met: “Heb ik al gedaan” . [bevraagde persoon 6] vraagt hierop: “Oké en dat was goed?”. [medeverdachte 1] zegt: “ja man geen probleem”.31

Uit de logginggegevens van verdachte ( [loggingcode verdachte] ) blijkt dat via dit account op 21 september 2013 in BLS een persoon is bevraagd waarvan de persoonssleutel overeenkwam met de persoonsgegevens van [bevraagde persoon 6] .32[verdachte] geeft toe hem een keertje te hebben opgezocht.33Verdachte kan zich herinneren dat [medeverdachte 1] aan hem gevraagd heeft [bevraagde persoon 6] te bevragen.34 Verdachte heeft gezien dat er met [bevraagde persoon 6] niets aan de hand was, hij dacht dat er niets over hem in de systemen stond. Hij heeft de informatie aan [medeverdachte 1] teruggekoppeld.35

[bevraagde persoon 8]

is geboren op [geboortedatum bevraagde persoon 8] .36

Verdachte ( [loggingcode verdachte] ) heeft op 2 september 2013, diverse persoonssleutels van [bevraagde persoon 8] bevraagd in het politiesysteem BLS.37 Verdachte heeft [bevraagde persoon 8] bevraagd in de systemen. Hij heeft hem bevraagd voordat hij was opgepakt en daarna ook. Hij heeft toen zijn dossier gelezen in BPS.38 Hij heeft [bevraagde persoon 8] bevraagd in BPS, BLS en NSIS/LIST.39 Verdachte heeft [bevraagde persoon 8] twee keer op verzoek van [medeverdachte 1] bevraagd, de eerste keer was voor zijn aanhouding en de andere keer erna.40 [medeverdachte 1] heeft het in augustus (de rechtbank begrijpt: augustus 2013) aan hem gevraagd.41 [medeverdachte 1] heeft aan verdachte gevraagd of die wilde kijken of alles was afgehandeld voor [bevraagde persoon 8] . Dit was voordat [bevraagde persoon 8] was opgepakt op Schiphol (de rechtbank begrijpt: op 14 oktober 2013). Hij heeft toen in de systemen gekeken, later of ervoor, maar hij had al vaker naar [bevraagde persoon 8] gekeken in de systemen.42 Toen verdachte [bevraagde persoon 8] had bevraagd heeft hij tegen [medeverdachte 1] gezegd dat het goed was.43 Hij heeft niks in de systemen kunnen vinden. Hij dacht dat hij deze informatie bij hem thuis aan [medeverdachte 1] heeft verteld.44

Op 23 januari 2014 om 13:58 uur hebben verdachte en [medeverdachte 1] telefonisch contact. [medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] tijd heeft om langs te komen om de quad te maken.45 Op 13 februari 2014 om 17:41 uur hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch contact met elkaar. [medeverdachte 2] vraagt: “Die die die quad kwam maken” (…) Ja die zou papieren gebracht hebben afgelopen vrijdag”. Waarop [medeverdachte 1] zegt: “rij ik zo heen”. [medeverdachte 2] zegt hierop: “Ja want die hebben we nodig(…) Die hebben we nodig dat had ie ook beloofd (…)”.46

Tijdens een telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 14 februari 2014 om 10:05 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : “Euh heb je die papieren”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Nog niet”. [medeverdachte 2] vraagt: “hoezo”. [medeverdachte 1] antwoordt: “Omdat hij niet op zijn account kan printen moet ie op iemand anders dus dan moet ie alleen zijn”. [medeverdachte 2] vraagt: “wanneer”. [medeverdachte 1] antwoordt: “dit weekend”. [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “euh moet het dringend hebben (…)”.47

Verdachte verklaart over dit gesprek dat [medeverdachte 1] hem had gevraagd om iets te printen.48 Hij denkt dat het om een bevraging gaat en hij denkt ook dat het om de verklaring van [bevraagde persoon 8] (de rechtbank begrijpt: [bevraagde persoon 8] ) gaat. [medeverdachte 1] had de verklaring van [bevraagde persoon 8] nodig voor de advocaat in verband met hoger beroep. Verdachte realiseerde zich toen dat ze wel degelijk iets te maken hadden met de zaak waar [bevraagde persoon 8] voor was aangehouden.49

Op 21 februari 2014 om 18:34 uur hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch contact met elkaar. Het gesprek loopt als volgt:

[medeverdachte 2] : Hee. Jouw maat, waar je gisteravond bent geweest

[medeverdachte 1] : Ja

[medeverdachte 2] : heeft ie dat papier meegbracht?

[medeverdachte 1] : Euhm, dat weet ik over 20 minuten denk ik

[medeverdachte 2] : Nou doe maar eens want we hebben het nou echt nodig

[medeverdachte 1] : Uhu

[medeverdachte 2] : Ik zeg, had het gevraagd he

(…)

[medeverdachte 1] : Ja, ja goed, dat komt goed. Maar ik zie hem zometeen dus dan weet ik of dat ie hem al hebt. Maar hij is niet vergeten en hij heb mij ook nog gezegd van de week dat het nog niet gelukt was dus

[medeverdachte 2] : Ja eh, je moet hem wel een beetje aandouwen nou

[medeverdachte 1] : Ja dat doe ik, komt goed

[medeverdachte 2] : Want hij belooft wel, maar

[medeverdachte 1] : Uhu, ja goed hij moet het wel kunnen he (…) 50

Op 21 februari 2014 om 18:57 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door verdachte. Verdachte vraagt of hij er al is en [medeverdachte 1] meldt dat hij een plekje aan het zoeken is.51 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens op 21 februari 2014 om 20:52 uur contact. [medeverdachte 1] zegt op enig moment: “Ik weet het wel maar het is nog niet geprint”. [medeverdachte 2] antwoordt: “Oh print dat alsjeblieft zo snel mogelijk(…) Of dat ie het het zo snel mogelijk print”. [medeverdachte 1] antwoordt: “ja ja ja”.52

Op 7 maart 2014 om 20:00 uur hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch contact. Onder meer het volgende wordt besproken:

(…)

[medeverdachte 2] : Eh, eh, van jouw vriend, die aan dat papier kan komen

[medeverdachte 1] : Ja?

[medeverdachte 2] : Ja, dat is belangrijk

[medeverdachte 1] : Daar ben ik nu

[medeverdachte 2] : Heel belangrijk, he?

[medeverdachte 1] : Daar ben ik nu

[medeverdachte 2] : Ja, heb je dat onderhand?

[medeverdachte 1] : euh, ga ik zo vragen

[medeverdachte 2] : Ja, Daar moet je mij even over terug bellen

[medeverdachte 1] : Ja, zal ik doen

[medeverdachte 2] : Want waarschijnlijk is ie bij jou, ja? En waarschijnlijk zit, zitten ze daar ook. Heb het allemaal met verband gehad

(…)

[medeverdachte 2] : Ja, ik kan er heel weinig over zeggen maar hij zal heel blij zijn als we daar iets van [medeverdachte 2] : Op papier kunnen hebben

(…)

[medeverdachte 2] : Euh, en hij heeft gevraagd om een e-mail. Dat kan ie wel, schijnbaar 53

(…)

[medeverdachte 2] : Dan belt ie morgen terug en dat ik dan dat kan geven

[medeverdachte 1] : Ja, nou ja goed eh, ik doe mijn best

[medeverdachte 2] : Ja, je moet me dadelijk laten weten als het kan

[medeverdachte 1] : Ja is goed

(…)

[medeverdachte 2] : Maar hij zal het nog wel niet hebben anders had ie dat wel gezegd

[medeverdachte 1] : Ja 100 %. maar ik kan het vragen. Die eh, [voornaam verdachte] , die eh papier van die tip?

[verdachte] (sh) is op de achtergrond bij [medeverdachte 1] te horen: Ja

[medeverdachte 1] : Op de computer. Heb je dat al?

[verdachte] : Nee, moet ik kijken

[medeverdachte 1] : Morgen moet je werken toch?

[verdachte] : Ja

[medeverdachte 1] : Ok, eh, morgen

[medeverdachte 2] : Ok, nou moet je het laten weten dan

[medeverdachte 1] : ja (…). 54

Op 7 maart 2014 om 23:57 uur bellen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wederom met elkaar. [medeverdachte 2] vraagt op enig moment: “Hee dat papier, wat zei die?(…)Heeft ie morgen?”. [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja hij gaat eh, foto’s maken met zijn telefoon. Van het beeldscherm(…)ja want uitprinten dat is gewoon moeilijk omdat het geregistreerd staat, snapte?(…)Maar dat is voor ons om het even”. [medeverdachte 2] zegt op enig moment: “Ja maar hoe eh, van alles moeten we hebben he”. [medeverdachte 1] zegt: “ja dat weet ik(…)Maar dan kan die toch overal foto’s van maken?”.55

Op 9 maart 2014 om 00:43 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch contact. [medeverdachte 2] vraagt op enig moment: “Hee had je die jongen nog gesproken?” (…) “onze jongen, Amsterdam”. [medeverdachte 1] zegt: “euh, ja ja ja zeker, zeker. Eh daar moet ik langs, die heeft nachtdienst”. [medeverdachte 2] vraagt: “heb die de”. [medeverdachte 1] zegt: “Ja die heeft ie volgens mij ja” (…) “Ja, want ik heb ook eh, iets anders maar eh, die heeft ie ook gekeken en hij heeft, eh, foto’s he”. [medeverdachte 2] antwoordt hierop: “Ja die moeten we hebben he”. [medeverdachte 1] reageert met: “Ja dat weet ik die dan, gaan op mijn telefoon en dan maak ik er een mailtje van”.56

Uit het dienstrooster blijkt dat verdachte op 8 maart en 9 maart 2014 een late dienst had van 13:30 uur tot en met 22:00 uur.57 Verdachte heeft op 9 maart 2014 in het politie systeem BPS het mutatienummer [mutatienummer] bevraagd.58 In mutatienummer [mutatienummer] staan onderzoekshandelingen en dwangmiddelen die in het onderzoek [onderzoeksnaam en pv-nummer] zijn toegepast op veroordeelde [bevraagde persoon 8] , geboren [geboortedatum bevraagde persoon 8] .59 Mutatienummer [mutatienummer] bestaat uit 21 documenten, waaronder het proces-verbaal van aanhouding, bevel inverzekeringstelling, processen-verbaal van verhoor en het proces-verbaal algemeen. Alle formulieren hebben betrekking op [bevraagde persoon 8] binnen het onderzoek [onderzoeksnaam] . Uit de logginggegevens blijkt dat tussen 16:49:47 uur en 17:02:13 uur (12 minuten en 26 seconden) negen keer de actie "raadplegen" is gebruikt. Dit houdt in dat negen keer één of meerdere documenten zijn geopend. Uit de analyse blijkt dat de telefoon van verdachte en [medeverdachte 1] op 10 maart 2014 gelijktijdig actief waren op de berichtendienst Whatsapp.60

Verdachte heeft een foto genomen van het scherm en dat heeft hij aan [medeverdachte 1] doorgegeven. Het was teveel tekst en dat heeft hij toen gefotografeerd en aan [medeverdachte 1] doorgegeven.61 Hij dacht dat hij een foto heeft genomen van de verklaring van [bevraagde persoon 8] , vanuit het dossier in BPS. Verdachte heeft een foto gemaakt van een stuk uit het PV-algemeen. Hij heeft de telefoon aan [medeverdachte 1] gegeven en die heeft toen gekeken naar de foto op zijn telefoon. Hij weet niet of [medeverdachte 1] de foto heeft overgezet op zijn eigen telefoon.62

4.4.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren zoals door de raadsman naar voren zijn gebracht als volgt.

Bevragingen

Gelet op wat hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden is vermeld, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bevragingen van voornoemde personen heeft gedaan en deze informatie – anders dan beroepsmatig – op enig moment heeft teruggekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Dat wordt overigens ook voor het grootste deel door verdachte erkend. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat ‘hoe’ en ‘wanneer’ binnen de ten laste gelegde periode verdachte deze verkregen informatie precies aan [medeverdachte 1] heeft teruggekoppeld, niet ter zake doet, nu het enkele feit dat hij heeft gekeken en de verkregen informatie vervolgens terugkoppelde aan een ander, voldoende is voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bevraging van [medeverdachte 1] als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij over een langere periode uit gewoonte [medeverdachte 1] vele malen heeft bevraagd. Daarom doet niet ter zake dat wanneer [medeverdachte 1] hem dan om informatie vroeg, verdachte pas achteraf – nadat hij had gezegd dat “alles goed” was – de volgende bevraging deed. Verdachte was immers door de vele eerdere bevragingen van [medeverdachte 1] reeds bekend met de informatie in de systemen over [medeverdachte 1] .

‘Geheim’ ex artikel 272 Wetboek van Strafrecht

In de rechtspraak wordt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van dit artikel acht geslagen op onder meer de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. Er kan ook sprake zijn van de schending van een geheim wanneer de informatie niet alleen bij de geheimhouder, maar ook bij andere instanties kan worden verkregen (HR 11 februari 2003, NJ 2003/274). Daarom is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de verkregen informatie ook bij de bevraagde zelf bekend was of kon worden – bijvoorbeeld door bij het CJIB te informeren –, niets afdoet aan het feit dat deze doorgespeelde informatie vertrouwelijke informatie betrof.

De rechtbank merkt in dit kader voorts op dat de verkregen informatie niet enkel informatie behoefde te bevatten die reeds bekend was of kon worden bij de bevraagde, nu de verkregen informatie ook betrekking kon hebben op bijvoorbeeld lopende politieonderzoeken.

Wat betreft het feit dat de doorgespeelde informatie van verdachte veelal niet meer inhield dan enkele woorden in de trant van “alles is goed”, is de rechtbank van oordeel dat ‘geen informatie’, wel degelijk ook vertrouwelijke informatie betreft. Juist in onderhavig onderzoek was het doel van de bevragingen – voor [medeverdachte 1] – onder meer om te bezien of de bevraagde personen ongehinderd langs de douane konden komen. In dat kader is de boodschap “alles is goed” van cruciaal belang, wat de doorgespeelde informatie voor de ontvanger ervan van grote waarde maakte.

4.5.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank zal verdachte, overeenkomstig de conclusie van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, vrijspreken van hetgeen onder feit 1 in de tenlastelegging is opgenomen omtrent [bevraagde persoon 3] , [medeverdachte 2] , [bevraagde persoon 5] , [bevraagde persoon 7] , [bevraagde persoon 9] en [verdachte] .

Daarnaast acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte ten aanzien van de persoon [bevraagde persoon 11] zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Zij zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte heeft bedoeld persoon [bevraagde persoon 11] te bevragen, maar dat hij daarvoor de verkeerde persoonssleutel heeft gebruikt. Aldus heeft verdachte kennelijk informatie verkregen die niet de persoon [bevraagde persoon 11] betrof, maar die verdachte wel aan hem heeft gekoppeld en die hij vervolgens zo (dus alsof het [bevraagde persoon 11] betrof) aan [medeverdachte 1] heeft doorgegeven (“niets aan de hand”. Deze aan [medeverdachte 1] doorgegeven informatie was dus geen informatie die verdachte uit de systemen heeft gehaald en die geheim moest blijven.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte – juist ook gelet op zijn toenmalige hoedanigheid, te weten die van opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee en de lengte van zijn dienstverband – vermoedens moet hebben gehad dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich bezig hield met strafbare feiten. Aangenomen mag worden dat dit besef bij hem eerder doordrong dan bij ‘de normale burger’ het geval zou zijn. In die zin gaat de rechtbank niet mee met de verklaring van verdachte dat er ‘slechts sprake was van een (naïeve) vriendendienst’ waar hij bevragingen deed voor [medeverdachte 1] en overige handelingen verrichtte, zoals onder meer het helpen met het boeken van een vliegticket en het geven van informatie over aankomende koffers en douanecontroles van passagiers.

Met het doorgeven van informatie heeft verdachte bijgedragen tot de verwezenlijking van het doel van de organisatie, namelijk het smokkelen van cocaïne naar Nederland via de luchthaven. Bezien vanuit het gezichtspunt van de organisatie, maakte verdachte er daarom mogelijk deel van uit.

De vraag is echter of verdachte zich realiseerde dat hij tot die organisatie behoorde en of hij zich realiseerde dat die organisatie het doel had om misdrijven te plegen.

Deze vragen beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier geen concrete feiten of omstandigheden bevinden, waaruit het onvoorwaardelijke opzet voor het deelnemen aan een criminele organisatie ten aanzien van verdachte kan worden afgeleid.

Uit de bewijsmiddelen in het dossier is allereerst niet gebleken dat verdachte actief betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne. Dat verdachte informatie uit de systemen van de Kmar op verzoek van [medeverdachte 1] aan hem heeft verstrekt, lijkt met name gebaseerd te zijn op (het onderhouden van) de vriendschap met [medeverdachte 1] . Niet is gebleken dat verdachte zelf op enig moment uit eigen initiatief heeft gehandeld. Ook bevat het dossier geen aanwijzingen dat verdachte werd beloond voor zijn handelingen en voldoende is komen vast te staan dat verdachte over ruime legale inkomsten beschikte. Voorts heeft verdachte – anders dan medeverdachte [medeverdachte 1] en diens medeverdachten bij de drugstransporten – gedurende het onderzoek gebruik gemaakt van hetzelfde telefoonnummer, en heeft hij niet geheimzinnig gehandeld met betrekking tot het gebruik van zijn telefoon(nummer). De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte, anders dan zijn medeverdachten, zich kennelijk niet genoodzaakt voelde zijn telefonische communicatie zoveel mogelijk verborgen te houden.

De rechtbank is gelet op alles wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat verdachte geen onderdeel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij in de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Culemborg tezamen en in vereniging met een ander, telkens een geheim waarvan hij, verdachte, wist dat hij uit hoofde van zijn ambt, te weten als opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee werkzaam op Schiphol, verplicht was te bewaren, telkens opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, in de computersystemen van de Koninklijke Marechaussee, te weten Bps (bedrijfsprocessensysteem) en/of Bls (Bevragen landelijk systeem) en/of Grensapplicatie vertrouwelijke informatie geraadpleegd en/of bevraagd en/of gezocht over/van de navolgende personen;

* [medeverdachte 1] en

* [bevraagde persoon 2] en

* [bevraagde persoon 6] en

* [bevraagde persoon 8] ,

met betrekking tot vertrouwelijke informatie, en vervolgens deze geraadpleegde en/of bevraagde en/of gezochte informatie anders dan beroepsmatig verstrekt aan een ander, te weten [medeverdachte 1] , terwijl die ander niet tot kennisneming van die informatie gerechtigd/bevoegd was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich – indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van enig strafbaar feit mocht komen – met betrekking tot de strafmaat primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden schuldig verklaard zonder oplegging van straf, gelet op het feit dat de informatie die is verstrekt niet de zwaarste en diepste geheimen betroffen en verdachte reeds oneervol is ontslagen bij de Koninklijke Marechaussee – een maatregel die qua ernst niet onderdoet voor een strafoplegging door de strafrechter. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een geldboete en passende straf zou zijn. Tevens heeft de raadsman naar voren gebracht dat de strafzaak (kort samengevat) niet alleen zeer heftige gevolgen heeft gehad voor verdachte zelf, maar ook voor zijn gezin en familie.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het meermalen, samen met een ander, schenden van zijn ambtsgeheim. Verdachte was in de periode dat hij deze feiten pleegde als opsporingsambtenaar werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee. Uit hoofde van die functie had hij de mogelijkheid tot het raadplegen van verschillende gesloten geautomatiseerde systemen. Het is duidelijk dat in dergelijke systemen voorkomende informatie bedoeld is om te worden geraadpleegd wanneer dit noodzakelijk is uit hoofde van de functie en ten behoeve van een lopend onderzoek en uitdrukkelijk niet dat deze informatie bij derden terechtkomt. Verdachte heeft daarentegen meermalen gegevens over diverse personen uit de systemen geraadpleegd voor een derde, te weten zijn medeverdachte [medeverdachte 1] en vervolgens de verkregen informatie over desbetreffende personen aan hem verstrekt.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen heeft geschonden. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen over de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte meer moet hebben geweten van de strafwaardige intenties van [medeverdachte 1] dan hij doet voorkomen, neemt de rechtbank het verdachte extra kwalijk dat hij zijn professionele houding en verantwoordelijkheid – die juist van hem mocht worden verwacht – uit het oog verloor. Een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee neemt, gelet op zijn taak en functie, een bijzondere plaats in de samenleving in. Om die reden wordt van hem volledige integriteit en onkreukbaarheid verwacht. Verdachte heeft met zijn handelen dan ook een grote inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in medewerkers van de Koninklijke Marechaussee mag hebben. Daarbij heeft verdachte met zijn handelswijze ernstige schade toegebracht aan het imago van de Koninklijke Marechaussee en het vertrouwen van zijn collega’s ernstig beschaamd.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking. Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, dan wel het enkele opleggen van een geldboete is – mede gelet op de financiële positie van verdachte – dan ook niet aan de orde.

De rechtbank komt evenwel tot oplegging van een andere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij is allereerst van belang dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, waarop de officier van justitie zijn eis mede had gebaseerd. Daarnaast zal in het voordeel van verdachte rekening worden gehouden met wat omtrent de persoon van verdachte is aangevoerd. In het bijzonder houdt de rechtbank rekening met het oneervol ontslag van verdachte, de gevolgen daarvan voor verdachte en de nagenoeg uitgesloten kans op recidive. Tevens neemt de rechtbank ten voordele van verdachte in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 20 juli 2015 niet eerder voor enig ander strafbaar feit met politie of justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende en gelet op het wettelijk strafmaximum van één jaar gevangenisstraf dat is gesteld op overtreding van artikel 272 Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Voorts zal een taakstraf van het maximaal aantal uren worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6. weergegeven en bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op TWEE (2) JAREN bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERDVEERTIG (240) UREN taakstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door HONDERDTWINTIG (120) DAGEN hechtenis;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee (2) uren taakstraf, subsidiair één (1) dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. J.C. van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie en mr. M.E. van den Bergh, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 28 september 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. In de noten zal kortheidshalve een aantal maal naar tap- en/of sms-gesprekken en loggingrapportages worden verwezen. Daarmee wordt bedoeld het bewijsmiddel als schriftelijk bescheid aan te duiden. Tevens wordt in de noten verwezen naar processen-verbaal die in het buitenland zijn opgemaakt. Ook daarmee wordt bedoeld het bewijsmiddel als schriftelijk bescheid aan te duiden.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 325).

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 330).

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 331).

5 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 14).

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 332).

7 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 15).

8 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 12).

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 september 2015.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, vaststelling identiteit [medeverdachte 1] , d.d. 16 april 2014 (C2, map 14, p. 34).

11 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 63) en de loggingrapportage Grensapplicaties van 1 september 2013, 26 september 2013, 29 september 2013 en 1 november 2013 (B04, map 9, p. 285).

12 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 23) en de loggingrapportage BPS van 2 september 2013 (B04, map 9, p. 94).

13 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 28) en de loggingrapportage BLS van 21 september 2013 (B04, map 9, p. 136).

14 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 28)

15 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 154) en de loggingrapportage Grensapplicaties van 7 november 2013 (B04, map 9, p. 150).

16 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 154)

17 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 155).

18 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 159).

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 337).

20 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 162).

21 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bevragen persoonssleutels, d.d. 28 januari 2014 (B04, map 9, p. 163).

22 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 337).

23 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 40) de loggingrapportage van alle applicaties van 8 maart 2014 (B04, map 9, p. 184).

24 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek in beslag genomen goederen [adres] [verdachte] , d.d. 20 juni 2014 (B04, map 9, p. 314).

25 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 336).

26 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 6 mei 2014 (B04, map 9, p. 337).

27 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2014 (B04, map 9, p. 114 en 96) en de loggingrapportages BPS en BLS van 2 september 2013 (B04, map 9, p. 93 en 94).

28 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 394).

29 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte , d.d. 8 mei 2014 (B04, map 10, p. 433).

30 Het proces-verbaal aanvraag vordering ex artikel 126N Wetboek van Strafvordering, d.d. 8 januari 2014 (D1.8, map 28, p. 329).

31 Een tapgesprek van 17 december 2013 om 21:36 uur (B04 map 9, p. 134).

32 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 28) en de loggingrapportage BLS van 21 september 2013 (B04, map 9, p. 135).

33 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2015

34 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 393).

35 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 mei 2014 (B04, map 10, p. 433).

36 Het proces-verbaal van bevindingen, vaststelling identiteit [bevraagde persoon 8] , d.d. 23 april 2014 (E2, map 33, p. 288).

37 Een loggingrapportage BLS van 2 september 2013 (B04, map 9, p. 274) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 391).

38 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 389).

39 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 392).

40 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 mei 2014 (B04, map 10, p. 434).

41 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 392).

42 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 391).

43 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 392).

44 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 mei 2014 (B04, map 10, p. 434).

45 Een tapgesprek van 23 januari 2014 om 13:58 uur (B04, map 9, p. 193).

46 Een tapgesprek van 13 februari 2014 om 17:41 uur (B04 map 9, p. 195).

47 Een tapgesprek van 14 februari 2014 om 10:05 uur (B04 map 9, p. 196).

48 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 395).

49 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 396).

50 Een tapgesprek van 21 februari 2014 om 18:34 uur (B04, map 9, p. 199).

51 Een tapgesprek van 21 februari 2014 om 18:57 uur (B04, map 9, p. 200).

52 Een tapgesprek van 21 februari 2014 om 20:52 uur (B04, map 9, p. 219)

53 Een tapgesprek van 7 maart 2014 om 20:00 uur (B04, map 9, p. 220).

54 Een tapgesprek van 7 maart 2014 om 20:00 uur (B04, map 9, p. 221).

55 Een tapgesprek van 7 maart 2014 om 23:57 uur (B04, map 9, p. 222).

56 Een tapgesprek van 9 maart 2014 om 00:43 uur (B04, map 9, p. 223).

57 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 53).

58 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 396).

59 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 53) en de loggingrapportage BPS van 9 maart 2014 (B04, map 9, p. 225).

60 Het relaasproces-verbaal zaaksdossier B04 d.d. 10 juli 2014 (B04, map 9, p. 54).

61 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2015.

62 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 7 mei 2014 (B04, map 10, p. 396).