Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:3028

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-04-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5007
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2016:4374
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. In geschil is of eiseres terecht als schuldenaar is aangemerkt (13/5007) en de douanewaarde van de goederen (13/5007 en 13/5008).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 13/5007 en 13/5008

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2015 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: C. van Oosten),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

13/5007

Verweerder heeft op 29 januari 2013 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 159.723,90 aan douanerechten op industriële producten.

13/5008

Verweerder heeft op 5 december 2012 aan eiseres een utb uitgereikt ten bedrage van

€ 16.878,82 aan douanerechten op industriële producten.

13/5007 en 13/5008

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 oktober 2013 de utb’s gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft in het verweerschrift ten aanzien van een aantal stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het gaat daarbij om een Duitse referentielijst met toelichting en een Nederlandse “Sagitta”-lijst met toelichting. Gemachtigde heeft zich schriftelijk over het beroep op artikel 8:29 van de Awb uitgelaten.

Bij beslissing van 10 juni 2014 heeft de rechtbank op de voet van artikel 8:29 van de Awb geoordeeld dat de beperking van de kennisneming ten dele gerechtvaardigd is. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 10 november 2014 van de rechtbank zijn naar aanleiding van de beslissing van 10 juni 2014 nadere uitvoeringsafspraken gemaakt met betrekking tot bepaalde stukken, waaraan verweerder op 17 november 2014 uitvoering heeft gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen [A], die werd bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Birkhoff en J.A. van der Welle.

Overwegingen

Feiten

13/5007 en 13/5008

1. Het Landelijk Waardeteam (hierna: LWT) heeft vanaf 29 november 2010 een onderzoek ingesteld bij eiseres naar de aangiften voor het brengen in het vrije verkeer die eiseres in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 heeft gedaan voor textielproducten en schoeisel ten behoeve van (onder andere) [B] en [C], beide gevestigd te Polen. De aangiften zijn gedaan via directe vertegenwoordiging.

2. Bij brieven van 19 september 2011 heeft verweerder verzoeken gedaan om nadere informatie als bedoeld in artikel 181bis van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek (hierna: TCDW).

3. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van

8 januari 2013. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

1 Reikwijdte van de controle

(…)

Het onderzoek is beperkt tot het volgende element van de aangiften:

- de juistheid van de douanewaarde in aangiften die betrekking hebben op de hoofdstukken 61, 62 en 64 uit het Geharmoniseerd Systeem (kleding en toebehoren [andere] van brei of haakwerk en schoeisel).

(…)

2.2 Goederenassortiment en goederenstromen

De in het onderzoek betrokken aangiften betreffen allen textiel en schoeisel met veelal China als land van oorsprong. In veruit de meeste gevallen zijn de goederen de Gemeenschap binnengebracht via Hamburg in Duitsland, waarbij volgens de facturen de leveringsvoorwaarde CIF Hamburg van toepassing is. De goederen zijn in Nederland in het vrije verkeer van de Gemeenschap gebracht en vervolgens vervoerd naar onder andere Polen en Duitsland.

3 Bevindingen

3.1

Aangegeven douanewaarde

Geconstateerd is dat de douanewaarde in de controleperiode voor alle zendingen vastgesteld is met gebruikmaking van de transactiewaardemethode als bedoeld in artikel 29 CDW, juncto artikel 147 Verordening (E.E.G.) nr. 2454/93 (hierna: TVo). Als basis voor de aangegeven douanewaarde dienen de facturen tussen de expediteurs/leveranciers en importeurs.

(…)

3.2.6

[B]

[CC] is opgetreden als aangever/vertegenwoordiger voor importeur [B](hierna te noemen [B]) bij het doen van de aangiften. Tussen [CC] en [B] is een overeenkomst inzake Direkte Vertegenwoordiging (DV) getekend, op grond van artikel 5, Verordening (E.E.G.) nr. 2913/92 (hierna: CDW), waarbij [B] wordt aangemerkt als aangever en [CC] als vertegenwoordiger voor [B]. Onderstaande gegevens zijn overgenomen van de getekende overeenkomst Direkte Vertegenwoordiging (zie ook punt 2.1.1 van dit rappport).

Naam onderneming: [B]

Adres: [adres 1]

Naam ondertekenaar: [F]

Fiscaal/EORI-nummer: [nummer 1]

De douane heeft aanvullende informatie gevraagd bij de vertegenwoordiger en/of de importeur, alsmede bij de Poolse douane in het kader van wederzijdse bijstand. Op deze verzoeken is van de Poolse douane, [CC] en [B] aanvullende informatie ontvangen. Volgens een verklaring van de Poolse douane heeft [B] in 2010 geen goederen geïmporteerd uit derde landen. Uit de controle van de Poolse douane is tevens gebleken dat niet is vastgesteld dat door [B] handels- en /of banktransacties zijn uitgevoerd met afnemers buiten de Europese Gemeenschap.

De heer [F], bestuursvoorzitter van [B], heeft verklaard dat [B] geen goederen uit derde landen importeert. Een onlangs uitgevoerde controle van de Poolse Douane heeft dit bevestigd. [B] is van mening dat zij niet aansprakelijk is voor daden van een persoon of van personen die een getekende overeenkomst Direkte Vertegenwoordiging in het bezit heeft zonder dat [B] daar van weet en deze niet namens [B] heeft ondertekend.

Door de heer [G], gemachtigde van [CC], zijn kopie bescheiden overgelegd aan de douane die betrekking zouden hebben op inkopen van [B]. Het gaat hier om afschriften van CMR, Form A, B/L, Pre Arrival notification , facturen, paklijsten, Pro Forma invoice, VAT-facturen en overzichten van bankbetalingen. Uit deze stukken blijkt dat niet vaststaat dat de betalingen zijn verricht door [B] omdat er steeds sprake was van contante ontvangsten door [H] GmbH te Hamburg. [H] GmbH is de partij waarvan [CC] de opdracht tot inklaren kreeg en is de partij via wie de betalingen plaatsvonden. Er is niet gebleken dat het betalingen van [B] aan [H] GmbH betroffen.

Nu gebleken is dat [B] geen goederen vanuit derde landen heeft geïmporteerd en stelt geen overeenkomst te hebben gesloten met [CC], heeft dit tot gevolg dat de machtiging om op te treden als direkte vertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 5, tweede lid, CDW, niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat [CC] wordt geacht de aangiften op eigen naam en voor eigen rekening te hebben gedaan.

3.2.7

[C]

[CC] is opgetreden als aangever/vertegenwoordiger voor importeur [C] (hierna te noemen [C]) bij het doen van de aangiften. Tussen [CC] en [C] is een overeenkomst inzake Direkte Vertegenwoordiging (DV) getekend, op grond van artikel 5, Verordening (E.E.G.) nr. 2913/92 (hierna: CDW), waarbij [C] wordt aangemerkt als aangever en [CC] als vertegenwoordiger voor [C]. Onderstaande gegevens zijn overgenomen van de getekende overeenkomst Direkte Vertegenwoordiging (zie ook punt 2.1.1 van dit rappport).

Naam onderneming: [C]

Adres: [adres 2]

Naam ondertekenaar: [I]

Fiscaal/EORI-nummer: [nummer 2]

De douane heeft aanvullende informatie gevraagd bij de vertegenwoordiger en/of de importeur, alsmede bij de Poolse douane in het kader van wederzijdse bijstand. Op deze verzoeken is van de Poolse douane en importeur aanvullende informatie ontvangen. Volgens een verklaring van de Poolse douane heeft [C] in 2010 geen goederen geïmporteerd uit derde landen. Mevrouw [J], lid van het bestuur, van [C], heeft verklaard dat de vennootschap [C] nooit goederen uit derde landen importeerde in het gebied van de Gemeenschap en nooit douaneaangiften in Polen of in andere landen van de Gemeenschap heeft gedaan. [C] koopt en verkoopt alleen goederen binnen Polen. Een onlangs uitgevoerde controle van de Poolse Douane heeft dit bevestigd.

Door de heer [G], gemachtigde van [CC], zijn kopie bescheiden overgelegd die betrekking zouden hebben op inkopen van [C]. Het gaat hier om afschriften van CMR, facturen van vervoerder [K] GmbH overzichten van bankafschriften. Uit deze stukken blijkt dat niet vaststaat dat de betalingen zijn verricht door [C] omdat er steeds sprake was van contante ontvangsten door vervoerder [K] GmbH te Hamburg. [K] GmbH is de partij waarvan [CC] de opdracht tot inklaren kreeg en is de partij via wie de betalingen plaatsvonden. Er is niet gebleken dat het betalingen van [C] aan [K] GmbH betroffen. Op de bankafschriften staat steeds de betaling (bedrag) onder vermelding van slechts het factuurnummer.

Nu gebleken is dat [C] geen goederen vanuit derde landen heeft geïmporteerd en stelt geen overeenkomst te hebben gesloten met [CC], heeft dit tot gevolg dat de machtiging om op te treden als direkte vertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 5, tweede lid, CDW, niet geldig is. Dit heeft tot gevolg dat [CC] wordt geacht de aangiften op eigen naam en voor eigen rekening te hebben gedaan.

3.3

Machtigingen Direkte Vertegenwoordiging

Ondanks dat alle aangiften “in het vrije verkeer brengen’ op grond van artikel 5, CDW zijn gedaan in Direkte Vertegenwoordiging (DV), had de douane twijfel over een aantal machtigingen die mogelijk als onvolledig en onjuist zouden moeten worden aangemerkt. Als gevolg hiervan zou [X] B.V. mogelijk niet de vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten om aangiften te doen als direkt vertegenwoordiger en geacht worden de aangiften op eigen naam en voor eigen te hebben gedaan. Tevens werd u in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de betreffende machtigingen wel juist waren en ten tijde van de invoer konden dienen als machtiging voor Direkte Vertegenwoordiging. In een brief van 27 januari 2012 hebben we dit u medegedeeld.

Naar aanleiding van deze brief heeft er overleg plaatsgevonden tussen [L] en [G], gemachtigde van [CC], en de douane. In een brief van 23 februari 2012 is aan gemachtigde het volgende bericht:

“De douane zal voordat zij actie onderneemt richting [CC] eerst via wederzijdse bijstand van de buitenlandse collega’s de uitnodiging tot betaling doen uitreiken aan de opdrachtgevers. Wanneer dit de buitenlandse collega’s aanleiding geeft tot opmerkingen over de opdrachtgevers, zullen die worden gerapporteerd aan de Nederlandse douane. Op basis van deze berichten zal een eerste afweging worden gemaakt over de geldigheid van de machtiging. Wanneer daar vervolgens nog aanleiding voor bestaat zal [CC] worden gevraagd om de douane nadere informatie te verstrekken over de vertegenwoordigingsrelatie tussen [CC] en de vertegenwoordigde. Uiteindelijk helpt het antwoord van [CC] ons te bepalen of ook [CC] een utb krijgt opgelegd.”

Na ontvangen informatie van verschillende douanediensten uit de Gemeenschap is met name de twijfel over de juistheid van de machtiging tussen [CC] en [B] en [C] niet weggenomen. Voor inhoudelijke opmerkingen verwijzen we naar punt 3.2.6 en 3.2.7 van dit rapport.

4 Vaststelling van de douanewaarde

4.1

Methode vaststellen douanewaarde

Tijdens de controle is geconstateerd dat de douanewaarde voor alle zendingen in de controleperiode is vastgesteld met gebruikmaking van de transactiewaardemethode als bedoeld in artikel 29 CDW, juncto artikel 147 TVo. Als basis voor de aangegeven douanewaarde dienen de facturen tussen de leveranciers en importeurs. Bij controle op de prijzen van de goederen, aan de hand van de overgelegde facturen, is geconstateerd dat de stuksprijs alsmede de prijs per kilogram netto gewicht van de vermelde goederen

(extreem) laag is.

Het is niet aannemelijk dat de goederen tegen de in de facturen vermelde stuksprijzen zijn verkocht, omdat:

-ondanks de lage stuksprijzen veelal de leveringsvoorwaarde CIF is gebruikt. Dit impliceert dat de stuksprijzen ook de vrachtkosten en vetzekeringskosten omvatten. De “kale” stuksprijs is dan nog lager;

-statistische gegevens omtrent de gemiddelde (inkoop)prijzen van de goederen veel hoger zijn.

Om deze redenen heeft de douane gegronde twijfel, als bedoeld in artikel 181 bis TVo, over de aangegeven douanewaarden. Op grond van artikel 178, lid 4 TVo is de aangever aansprakelijk voor:

-de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte gegevens;

-de echtheid van de tot staving van die gegevens overgelegde stukken;

-het verstrekken van alle bijkomende inlichtingen of documenten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen.

De bij de aangiften behorende facturen, die in de invoerdossiers van [CC] zijn aangetroffen, zijn op juistheid gecontroleerd. Gebleken is dat:

-een deel van de facturen slechts de naam van de koper/expediteur bevat;

-een deel van de facturen geen algemene gegevens bevatten inzake de verkoper;

-de stuksprijs van de textiel en de schoeisel (extreem) laag is;

-bij een aantal aangiften de op het ‘Certificate of Origin of the Republic of China” vermelde factuur een ander nummer hebben dan de overgelegde factuur die bij de aangifte behoort;

-(…)

-dat de stuksprijs van de vermelde goederen (extreem) laag is;

-een deel van de goederen binnenkomen in Hamburg, ingeklaard worden te Rotterdam, doch

bestemd zijn voor de Poolse markt.

De douane heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de aangever en/of importeur overeenkomstig artikel 178, lid 4 TVo. De hierna ontvangen aanvullende informatie heeft de gegronde twijfel niet weggenomen.

Omdat gegevens omtrent een eventuele (andere) bruikbare transactie, zoals bedoeld in artikel 29 CDW ontbreken, wordt de douanewaarde voor de goederen vervolgens bepaald aan de hand van één van de overige methoden genoemd in artikel 30 of 31 CDW, toe te passen in een verplichte volgorde.

(…)

Nu andere methoden niet bruikbaar bleken, dient de douanewaarde te worden vastgesteld met de methode van redelijke middelen, zoals genoemd in artikel 31 CDW, waarbij de methode van soortgelijke goederen (artikel 30, lid 2, letter b, CDW) soepel wordt toegepast.

De douanewaarde is conform artikel 31, lid 1 CDW vastgesteld op basis van gemiddelde waarden die in de Gemeenschap bekend zijn van soortgelijke goederen die in het vrije verkeer van de Gemeenschap zijn gebracht. Hiertoe is gebruik gemaakt van een referentielijst met richtwaarden, per goederencode en per land van oorsprong.

4.1.1

Referentielijst

De referentielijst is samengesteld uit zes bronnen: gegevens uit het Nederlandse Douane Sagitta Invoersysteem (DSI) 2008/2009, uit DSI 2010, uit de vergelijkbare Duitse invoerdatabank (aangeduid als Zora) 2009, Zora 2010, uit CBS gegevens 2009 en uit CBS gegevens 2010. De waarden uit deze bronnen betreffen zogenaamde CIF-waarden grens Gemeenschap of statistische waarden bij invoer.

Teneinde inhoud te geven aan het begrip ‘redelijke’ is voor de vaststelling van de douanewaarde altijd uitgegaan van de laagste van de zes mogelijke waarden. Die aangiften, waarvan de aangegeven douanewaarde hoger is dan de laagste waarde van de zes genoemde bronnen, zijn niet in de correctie(s) betrokken.”

4. De gevolgen van het boekenonderzoek zijn op 28 december 2011 te Rotterdam met eiseres besproken.

13/5007

5.1.

De Poolse douane van het kantoor Warschau heeft in 2012 een controle uitgevoerd bij [C] De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 28 augustus 2012. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

III Onderwerp, controlegebied en de duur van de controle

Controle van de douanewaarde van de goederen aangeschaft bij de Chinese leveranciers en ingevoerd in het douanegebied Europese Unie In de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 en de wederverkoop van de ingevoerde goederen.

(…)

V.3.1 Aankoop van goederen van de controle.

(…)

Op 20 juli 2012 heeft gecontroleerde laten zien een rekeningschema en rekeningen 200 en 201 (landelijke nederzettingen met klanten en leveranciers). Tegelijkertijd heeft [J], Lid van het Bestuur, de volgende verklaring afgelegd (citaat): “Ik verklaar, dat de Vennootschap [C] nooit de goederen importeerde naar de gebied in EU en de douaneaangiftes nooit in Polen en andere landen van EU heeft gedaan. De vennootschap [C] koopt en verkoopt goederen alleen in Polen.” (…)

Op basis van de getoonde uittreksels is te zien, dat de rekeningen 202 en 203 (buitenlandse nederzettingen met leveranciers en klanten) in het jaar 2010 een omzet tonen die op 0 staat. Rekening 402-10 (overige diensten) en 135 (diverse bankrekeningen) staan ook op 0. (…)

Bovendien heeft de gecontroleerde een print van BTW registratie van aankoop en verkoop getoond, alsmede een print van de bankrekening [N], [O] S.A. en de rekening 402-05 (vervoer). Het controleteam heeft alle documenten geanalyseerd, waaruit blijkt dat de aankoop en verkoop van de goederen in Polen heeft plaats gevonden en dat er nergens aankopen van buiten de EU zijn geregistreerd. Bij de analyse van gegevens op de bankrekening 131 is geconstateerd dat alle boekhoudkundige handelingen voor de contractanten opgenomen zijn in het rekeningschema.

[M] Lid van de Raad [C] N.V. heeft op 25 juli 2012 een verklaring afgelegd over het register van de Import en de documenten van opslag.

Citaat van zijn verklaring: “...importregistratie in Vennootschap [C] bestaat niet vanwege het ontbreken van aankoop uit import. De enige documenten van marketing zijn de facturen van aankoop en verkoop. Bij de vennootschap [C] bestaan geen andere opslagdocumenten.

(…)

OP 23 augustus 2012 heeft de junior deskundige Douanetoezicht, [P], mevr. [Q], boekhoudkundige bij [C] N.V., als getuige ondervraagd. Getuige heeft verklaard dat ze...”geen kennis heeft van handelsverkeer van [C] N.V. met het buitenland, van douane-inklaringen door [C] N.V. Alle documenten ter verwerking in de boekhouding, werden door dhr. [R] aan haar persoonlijk overhandigd. Deze documenten hadden betrekking op goederen die in Polen gekocht en verkocht waren”.”

5.2.

In de brief van de Poolse douane van 8 november 2012 naar aanleiding van een verzoek van de Nederlandse douane om een onderzoek in te stellen bij [C] staat het volgende vermeld:

“There was a control in the company [C] carried out in terms of customs value of goods bought from the Chinese suppliers and entered into the UE territory in the period from 01.01.2010 to 31.12.2010 and resale of the imported goods.

The documents sent by your administration indicated that in the above-mentioned period the company made 9 customs declarations in Customs Office Rotterdam Rijmond.

As a result of a control of the following documents: printouts of 202 and 203 accounts (foreign accounts with suppliers and consignees), printouts of 200 and 201 accounts (national accounts with suppliers and consignees), VAT register of purchase and sales, import register, printouts of bankaccounts 131-01, 131-05 ([N] and [S] S.A.), 135 (other bank accounts), 402-05 (transport services) and 402-10 (other services) it has been established that the company was buying the goods from national contractors and was not buying the goods from the contractors from outside the UE. The member of the board of the company [C] Mr. [R] made a statement that his company did not declare the goods on the UE territory, the company buys and sells the goods only on the territory of Poland.

Taking the above statement into consideration the chief accountant has been questioned as a witness.

She stated that all documents handed over by the member of the board of the company [C] Mr. [R] in order to enter them, concerned purchase and sale of the goods that took place on the Polish territory.”

5.3.

Tot de gedingstukken behoort (een vertaling van) een verklaring van 8 september 2012 van bestuurder Mr. [R]. Hierin staat onder meer vermeld:

“Maar ik wil verklaren dat [C] N.V. geen contract heeft gesloten met [H] over de douaneaangiften. Firma [H] is geen rechtstreekse vertegenwoordiger van de Vennootschap [C] gezien de bepalingen van de douanewetgeving art. 5 wet 2 WKC. Daarom zie ik geen basis voor de gevraagde betaling.

(…)

Verder verklaar ik dat [C] N.V. nooit de goederen binnen EU brengt en dat ze nooit de douaneaangifte heeft ingediend in Polen of een ander EU-land. Vennootschap [C] doet aan aankopen en verkopen van goederen alleen in Polen.”

6. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst inzake Directe Vertegenwoordiging tussen eiseres en [C] van 9 juni 2010. Als vertegenwoordiger van [C] staat vermeld haar directeur/voorzitter [I].

7.1.

Tot de gedingstukken behoort een kopie koopovereenkomst, gedateerd 1 januari 2011, tussen [T] Ltd., [U] en [C] Tevens zijn een tweetal kopie facturen van deze leverancier opgenomen en kopieën van betalingsbewijzen voor de betaling van deze facturen. In de betalingsbewijzen staat als bank de [V] vermeld.

7.2.

Tot de gedingstukken behoort een uittreksel uit het handelsregister in Polen van [C] Hierin staan als bestuurders vermeld [I] en [R].

7.3.

Tot de gedingstukken behoort een brief van 10 juni 2010 van de Central Liaison Office aan eiseres betreffende de verificatie van btw-identificatienummer(s). In deze brief staat onder meer vermeld:

“VAT-nummer(s) Ja/Nee

[nummer 2] JA”

7.4.

Bij de stukken bevindt zich voorts een uitdraai uit het VIES-systeem van 1 februari 2013 die onder meer inhoudt:

“Ja, geldig BTW-nummer

Lidstaat PL

BTW-nummer [nummer 2]

(…)

Naam [W]

(…)”

13/5008

8.1.

De Poolse douane van het kantoor Gorzów Wlkp. heeft in 2011 een controle uitgevoerd bij [B] De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 10 november 2011. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

III. Onderwerp en periode van de douanecontrole

De controle van documentatie van de boekhouding, van de handel en van de bankgegevens betreffende de waarde voor de douane van de goederen die toegestaan zijn in het vrije verkeer op het gebied van de EU, evenals hun doorverkoop op de nationale markt of op een later tijdstip.

(…)

V.2.3 Uit de controle is gebleken dat de gecontroleerde vennootschap geen douaneaangifte heeft uitgevoerd in de procedure van het toetreden tot de vrije markt in 2010. Er is niet vastgesteld dat er handels- of banktransacties zijn uitgevoerd met afnemers van buiten de Europese Unie.”

8.2.

In de brief van de Poolse douane van 20 december 2011 naar aanleiding van een verzoek van de Nederlandse douane om een onderzoek in te stellen bij [B] staat het volgende vermeld:

“in reply to your request referenced as above, in accordance with the provisions of the

aforementioned Regulation, Polish customs administration would like to inform you that

control of the company [B] have been carried out.

1. As a result of an overview of all payments for the garments and footwear, there have

not been found any payments done by [B] for [Y]

Ltd., i.e. the company mentioned in the invoice no.

[nummer 4] enclosed to the customs declaration no. [nummer 5]. There have

not been found any payments done for other Chinese companies listed in the Dutch

letter.

2. In a documentation of the company there have not been found any documents

confirming lodging customs declaration in release for free circulation procedure so

there have not been found any products’ reselling, orders, contracts, purchase

invoices, invoices for transport or proof of payment for imported goods etc.

3. There have been found two transactions of the garments and footwear purchasing.

According to the invoice no. [nummer 6] of 01st October 2010 the company [B]

purchased the garments and footwear from the company [AA]

, ul. [adres 3]. In accordance with the invoice no.

[nummer 7] of 01st April 2010 the purchase from the company [BB]

, uL [adres 4] was made.

According to the above, customs authority has not got any documentation Dutch customs

administration asks for. There have not been found any commercial or bank operations with

foreign contractors from outside EU.

(…)”

Beoordeling van het geschil

1. In geschil is of verweerder de utb’s terecht en op goede gronden aan eiseres heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres terecht als schuldenaar is aangemerkt (13/5007) en de douanewaarde van de goederen (13/5007 en 13/5008).

Schuldenaarschap (13/5007)

2. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte als schuldenaar heeft aangemerkt; eiseres is immers in het bezit van een machtiging directe vertegenwoordiging in de zin van artikel 5, tweede lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW). De machtiging is afgegeven door de importeur en ondertekend door de directeur van [C] De naam en handtekening komen overeen met de gegevens in het Poolse handelsregister. Zij erkent dat er sprake is van een mogelijk niet zorgvuldige totstandkoming van de overeenkomst doch het is aan verweerder om de gronden tot weigering als direct vertegenwoordiger te onderbouwen en verweerder is hierin niet geslaagd. De rapporten van de Poolse douaneautoriteiten leveren onvoldoende grond op voor de weigering, aldus eiseres. Uit de door eiseres overgelegde bescheiden naar aanleiding van aangiften ten invoer in Duitsland kan worden afgeleid dat de verklaring van de importeur dat zij nooit goederen heeft laten invoeren niet juist kan zijn. Bovendien komt de handtekening op het inkoopcontract overeen met de handtekening op de machtiging directe vertegenwoordiging. Tot slot merkt eiseres op dat zij niet heeft gehoord van een mismatch over haar ICL-opgaven waarin zij de zendingen van de importeur [C] heeft vermeld.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij eiseres terecht als schuldenaar heeft aangemerkt. Hij voert hiervoor aan dat uit de van de Poolse douaneautoriteiten ontvangen informatie blijkt dat de vennootschap [C] in het onderzoekstijdvak geen goederen heeft geïmporteerd van buiten de Europese Unie, hetgeen ook is verklaard door een bestuurder van deze vennootschap. De overeenkomst tot directe vertegenwoordiging is bovendien op een indirecte wijze tot stand gekomen via een in Duitsland gevestigd expeditiebedrijf. Volgens eiseres zijn er geen rechtstreekse contacten geweest tussen het expeditiebedrijf en voornoemde vennootschap. Bovendien gaf het expeditiebedrijf telkens de opdracht om partijen in te klaren en vonden betalingen ten aanzien van de inklaringen aan het expeditiebedrijf plaats.

4. Artikel 5 van het CDW bepaalt:

“1. Onder de in artikel 64, lid 2, gestelde voorwaarden en onder voorbehoud van de in het kader van artikel 243, lid 2, punt b, geldende bepalingen kan iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten doen vertegenwoordigen.

2. De vertegenwoordiging kan:

– direct zijn wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel

– indirect zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.

(…)

4. De vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen; voorts dient hij aan te geven of het een directe dan wel een indirecte vertegenwoordiging betreft en moet hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten.

De persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. 5. De douaneautoriteiten kunnen van elke persoon die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, het bewijs eisen dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.”

5. Op grond van artikel 5, tweede lid, van het CDW is sprake van directe vertegenwoordiging wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt. Niet in geschil is dat eiseres de aangiften op naam van de in Polen gevestigde vennootschap [C] heeft gedaan en zich daarbij heeft gepresenteerd als direct vertegenwoordiger. Bovendien is niet in geschil dat eiseres beschikt over een machtiging directe vertegenwoordiging met de gegevens van laatstgenoemde vennootschap. Verweerder heeft eiseres evenwel aangemerkt als douaneschuldenaar op grond van artikel 201, derde lid, van het CDW, omdat de overeenkomst om als direct vertegenwoordiger op te treden op een indirecte wijze tot stand is gekomen en uit het onderzoek van de Poolse douane zou blijken dat de vennootschap [C] geen goederen van buiten de Europese Unie heeft geïmporteerd.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte als schuldenaar heeft aangemerkt. Zij overweegt daartoe als volgt. Eiseres beschikt over een overeenkomst directe vertegenwoordiging, waarvan de bedrijfsgegevens overeenkomen met de gegevens in het Poolse handelsregister en de in het dossier aanwezige handelsbescheiden. De handtekening op de overeenkomst directe vertegenwoordiging vertoont zeer grote gelijkenis met de handtekening op de door eiseres overgelegde koopovereenkomst van [C], zodat op voorhand niet aan de authenticiteit hoeft te worden getwijfeld. Eiseres beschikt eveneens over een van de Belastingdienst afkomstig verificatieformulier van het btw-identificatienummer van [C] van 16 juni 2010 en bij de gedingstukken zit een bevestiging uit het VIES-systeem dat de combinatie van naam, adres en Pools btw-nummer op 1 februari 2013 bevat. Eiseres mocht er daarom vanuit gaan dat er een overeenkomst directe vertegenwoordiging met een in Polen gevestigde ondernemer bestond. Hoewel verweerder terecht kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de totstandkoming ervan betekent dit nog niet dat geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst. Uit de door eiseres overgelegde (handels)bescheiden, zoals hiervoor onder het kopje feiten onder punt 7 vermeld, leidt de rechtbank af dat het onderzoek van de Poolse douaneautoriteiten, al dan niet door toedoen van [C], niet volledig is geweest en ruimte laat voor een andere uitkomst. De handelsbescheiden duiden immers op de import van goederen van buiten de Europese Unie, de betalingsbewijzen vermelden een bankrekening ten name van [C] die niet in het onderzoek van de Poolse douane is betrokken en de verklaring van een van de bestuurders lijkt niet met de feiten in overeenstemming. Het had in het kader van het onderzoek meer in de rede gelegen een verklaring op te nemen van de bestuurder die de overeenkomst directe vertegenwoordiging heeft ondertekend. Uit de correspondentie tussen verweerder en de Poolse douane leidt de rechtbank af dat ook verweerder vraagtekens plaatst bij uitkomsten van het onderzoek van de Poolse douane. Dat de aanvullende vragen van verweerder, zoals deze zijn verwoord in een e-mailbericht van

29 november 2011, niet (meer) kunnen worden beantwoord omdat [C] niet (langer) reageert op verzoeken van de Poolse douane en/of niet meer is te traceren, zoals uit het bericht van de Poolse douane van 2 augustus 2013 blijkt, rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking die verweerder daaraan verbindt. Het heeft er veel van weg dat deze onderneming zich aan de mogelijke gevolgen van het gerezen vermoeden dat tegen een te lage invoerwaarde is aangegeven probeert te onttrekken. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het onderscheid dat verweerder maakt tussen [C] en de andere (in een eerder stadium) verdwenen importeurs en waarom verweerder eiseres in dit geval wel als schuldenaar beschouwt en in de andere gevallen niet. Ter zitting heeft verweerder immers desgevraagd verklaard dat voor het weigeren van de overeenkomst van directe vertegenwoordiging van belang is of de identiteit van de vermelde vertegenwoordigde is gekaapt (wel weigeren) of dat sprake is van een op een gegeven moment verdwenen vertegenwoordigde, terwijl in eerste instantie wel sprake was van rechtsgeldige directe vertegenwoordiging (niet weigeren). In het geval van [C] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de tweede situatie, zodat verweerder de overeenkomst tussen eiseres en deze onderneming in overeenstemming met zijn eigen opvatting niet had mogen weigeren.

Tot slot acht de rechtbank van belang dat, zoals eiseres onweersproken heeft gesteld, er kennelijk geen sprake is van een mismatch naar aanleiding van de door haar in het kader van haar optreden als beperkt fiscaal vertegenwoordiger voor [C] gedane opgaven Intra Communautaire Leveringen.

Gelet op al het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte als schuldenaar heeft aangemerkt. Het beroep is derhalve gegrond. Nu het beroep ten aanzien van het schuldenaarschap gegrond is, behoeft de vraag omtrent de vaststelling van de douanewaarde niet te worden beantwoord.

De douanewaarde (13/5008)

7. Eiseres stelt zich ten aanzien van de vaststelling van de douanewaarde op het standpunt dat de door verweerder gehanteerde methode van redelijke middelen als bedoeld in artikel 31 van het CDW moet worden verworpen, omdat verweerder zich daarbij heeft gebaseerd op een gemiddeld gewogen statistische waarde, waarbij elementen zoals de kwaliteit en de specifieke omstandigheden rondom de transactie niet zijn meegenomen. Een dergelijke waardebepaling is niet in overeenstemming met één van de wettelijke methodieken om te komen tot vaststelling van de douanewaarde. Eiseres voert aan dat de ingevoerde goederen uit oude voorraden komen en sterk gedemodeerd zijn en feitelijk alleen geschikt zijn voor de onderkant van de Oost-Europese markt. Eiseres stelt dat de door haar aangegeven douanewaarde op basis van de factuurprijs de juiste waarde is en dat de douanewaarde nimmer kan worden vastgesteld op basis van een gemiddelde prijs. Zij wijst op een tweetal facturen voor soortgelijke goederen. Voor zover eiseres hierin niet gevolgd wordt, stelt zij dat dan moet worden uitgegaan van een percentage van de door verweerder berekende gemiddelde prijs. Eiseres stelt dat het gebruik van een referentielijst met gemiddelde waarden als indicatie voor een te lage prijs in strijd is met wet- en regelgeving.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bevindingen bij het ingestelde onderzoek en de gehanteerde methode voor de waardebepaling terecht hebben geleid tot de utb, temeer nu eiseres onvoldoende heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende informatie. Eiseres is in 2008 al gewaarschuwd voor goederenstromen met extreem lage waarden. De in de aangiften aangegeven douanewaarden zijn extreem laag, mede gelet op de leveringscondities. Verweerder wijst op de hem bekende referentielijsten. De gebruikte referentieprijzen zijn volgens verweerder niet arbitrair en niet willekeurig, de prijzen zijn gebaseerd op zes relevante bronnen waarbij steeds de laagste waarde is gebruikt. De referentielijsten zijn daarom zeer bruikbaar.

9. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de rechtbank geen toestemming heeft gegeven om uitspraak te doen mede op grondslag van de door verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Awb overgelegde referentielijsten. De rechtbank heeft daarom geen kennis genomen van deze stukken en kan deze dan ook niet inhoudelijk toetsen. De gevolgen hiervan dienen voor risico van eiseres te komen. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat hetgeen verweerder over de samenstelling en de inhoud van de referentielijsten heeft gesteld, juist is.

10. Ingevolge artikel 181bis, eerste lid, van de TCDW behoeven de douaneautoriteiten de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van transactiewaarde vast te stellen indien zij overeenkomstig de in het tweede lid omschreven procedure, wegens gegronde twijfel, niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de in artikel 29 van het CDW omschreven totale betaalde of te betalen prijs overeenkomt. Ingevolge artikel 181bis, tweede lid, van de TCDW kunnen de douaneautoriteiten, wanneer bij hen de in het eerste lid bedoelde twijfel bestaat overeenkomstig artikel 178, vierde lid, van de TCDW om aanvullende informatie vragen. Indien deze twijfel blijft bestaan, stellen de douaneautoriteiten, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en bieden zij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk medegedeeld.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres heeft medegedeeld dat er bij hem gegronde twijfel bestaat of de aangegeven waarden in de onderhavige aangiften overeenkomen met de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Daarbij is verwezen naar de resultaten van de controle van het LWT. Er is medegedeeld dat niet aannemelijk is dat de goederen tegen de in de facturen vermelde stuksprijzen zijn verkocht omdat volgens statistische gegevens de gemiddelde inkoopprijzen van dergelijke goederen veel hoger zijn en in de vermelde stuksprijzen ook nog de verzekerings- en vrachtkosten zijn begrepen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld informatie te verstrekken, doch zij heeft in relatie tot de vennootschap [B] geen nadere informatie verstrekt, omdat zij geen contact heeft met deze vennootschap.

12. Aldus heeft verweerder in overeenstemming met het bepaalde in artikel 181bis van de TCDW eiseres op de hoogte gebracht van de redenen op grond waarvan hij gegronde twijfel heeft over de juistheid van de aangegeven douanewaarden.

13.1.

Verweerder schrijft in het controlerapport dat de stuksprijs en de prijs per kilogram nettogewicht van de goederen extreem laag zijn. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de goederen tegen de in de facturen vermelde stuksprijzen zijn verkocht, omdat die lage prijzen ook nog de vracht- en verzekeringskosten zouden omvatten, waardoor de stuksprijs nog lager zou zijn, en statistische gegevens omtrent de gemiddelde (inkoop)prijzen van de goederen veel hoger zijn. Gelet op het onder 9 neergelegde uitgangspunt, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze constateringen, althans voor zover het textiel betreft. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat verweerder gerede twijfel mocht hebben aan de juistheid van de opgegeven douanewaarden. Omdat eiseres, hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, geen verklaring heeft kunnen geven voor de lage douanewaarden behoefde verweerder, wegens gegronde twijfel, de douanewaarden van de ingevoerde goederen niet vast te stellen op de transactiewaarden. De stelling van eiseres dat de goederen vanwege de lage kwaliteit zeer wel tegen lage prijzen kunnen worden aangeboden is onvoldoende om de gegronde twijfel weg te nemen. Eiseres heeft niets overgelegd ter onderbouwing van deze algemene stelling. Eiseres heeft daarnaast niets aangevoerd om het vermoeden van verweerder te ontzenuwen.

Gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd met betrekking tot de totstandkoming van de referentielijsten en de door verweerder bij het bepalen van de douanewaarde gehanteerde uitgangspunten, acht de rechtbank de wijze waarop verweerder de waarde heeft bepaald in overeenstemming met de methode van waardebepaling op de voet van artikel 31 van het CDW. De rechtbank vermag niet in te zien waarom zou moeten worden uitgegaan van een percentage van de door verweerder berekende prijs, zoals eiseres stelt, nog los van de vraag hoe dat dan zou moeten worden bepaald. Het standpunt dat het gebruik van de referentielijsten in strijd met wet- en regelgeving is, zoals eiseres stelt, deelt de rechtbank niet. Het beroep van eiseres op een van de waardeberekeningsmethoden van artikel 30 van het CDW (soortgelijke/identieke goederen) op basis van twee door haar overgelegde facturen kan haar reeds niet baten, omdat de prijzen op die facturen vergelijkbaar zijn met de prijzen waartegen verweerder zijn gegronde twijfel heeft geuit. Nu niet is gebleken dat de waarde van het textiel te hoog is vastgesteld, acht de rechtbank het beroep op dit punt ongegrond.

13.2.

Ten aanzien van het schoeisel is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in de aangiften opgenomen douanewaarden onjuist zijn, nu uit de bijlage van de utb kan worden afgeleid dat het verschil in waarde voor schoeisel varieert van 4,6% tot 17,5% ten opzichte van de aangegeven douanewaarde. Niet gezegd kan worden dat dergelijke verschillen zo onwerkelijk zijn dat de transactiewaardemethode van artikel 29 van het CDW niet zou kunnen worden toegepast.

14. De conclusie luidt dat verweerder de aangegeven transactiewaarde voor het textiel terecht en voor het schoeisel ten onrechte heeft verworpen en de douanewaarde voor het textiel met toepassing van artikel 31 van het CDW aan de hand van de referentielijsten niet te hoog heeft vastgesteld. Deze grief zal derhalve (deels) gegrond worden verklaard en de utb zal dienovereenkomstig worden verminderd.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.714 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, twee maal een 0,5 punt voor het verschijnen ter comparitie, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt in de zaak 13/5007 de utb;

- vermindert de utb in de zaak 13/5008 tot een bedrag van € 15.844,44;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.714;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 636 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.