Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1421

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
3695327 OA VERZ 14-202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren wordt afgewezen. Geen dossier, geen verbetertraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/386
AR-Updates.nl 2015-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 3695327 \ OA VERZ 14-202

Uitspraakdatum: 23 februari 2015

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap Loodgietersbedrijf P.C. van der Horst B.V., gevestigd te Uitgeest

verzoekende partij

verder ook te noemen: Van der Horst

gemachtigde: mr. C.J. de Lange, advocaat te Hoorn

tegen

[naam gedaagde], wonende te [Plaats]

verwerende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J.C. Kuipéri-Botter, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

Van der Horst heeft op 19 december 2014 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [werknemer] bij verweerschrift op gereageerd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2014, alwaar zijn verschenen namens Van der Horst de heer [A], directeur, de heer [B], hoofd administratie, en [werknemer] in persoon; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- en verweerschrift nader toegelicht, waarbij Van der Horst een pleitnotitie heeft overgelegd. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting nog producties overgelegd.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1. [werknemer], geboren op 14 januari 1977, is met ingang van 1 juli 2013 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Van der Horst in de functie van bedrijfsleider tegen een salaris van

€ 4.500,- bruto per maand exclusief emolumenten.

2. Medio 2013 is het faillissement van installatiebedrijf [werknemer] uitgesproken. Dit bedrijf werd gerund door [werknemer] en zijn vader. Na het faillissement heeft Van der Horst (een deel van) de orderportefeuille overgenomen.

3. In september 2014 heeft [werknemer] een nieuwe leaseauto mogen bestellen van Van der Horst.

4. Op 7 oktober 2014 heeft Van der Horst een werkgeversverklaring verstrekt aan [werknemer] ten behoeve van een hypotheekaanvraag. In deze verklaring staat onder ‘Aard van het dienstverband’ vermeld dat werkgever niet voornemens is het dienstverband binnenkort te beëindigen.

5. Op 9 oktober 2014 stond een evaluatiegesprek gepland met [werknemer] ten behoeve waarvan [werknemer] een zelfbeoordeling had opgesteld en ingeleverd. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.

6. Tijdens een gesprek op 31 oktober 2014, waarbij [A] (directeur), [C] (financieel directeur), [B] (hoofd administratie), de gemachtigde van Van der Horst en [werknemer] aanwezig waren, is aan [werknemer] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd wegens disfunctioneren. In datzelfde gesprek heeft Van der Horst een voorstel gedaan ten aanzien van een vaststellingsovereenkomst.

Het geschil

7. Van der Horst verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, kosten rechtens.

Van der Horst voert aan dat sprake is van disfunctioneren. De bedoeling was dat [werknemer] zou doorgroeien naar directieniveau, althans hem de mogelijkheid zou worden geboden te functioneren als de zogeheten rechterhand van de heer [A], maar gebleken is dat [werknemer] geen grip heeft gekregen op de organisatie en bedrijfsvoering. De functie van bedrijfsleider heeft [werknemer] nooit kunnen waarmaken. Feitelijk heeft [werknemer] vanaf zijn indiensttreding de functie van projectleider vervuld en is hij deze functie nooit ontgroeid. Hoewel Van der Horst [werknemer] de nodige ondersteuning heeft geboden, is in zijn functioneren geen verbetering opgetreden. Van der Horst verwijt [werknemer] dat hij over onvoldoende vakkennis beschikt en zijn communicatievaardigheden te wensen overlaten. Daarnaast heeft [werknemer] fouten gemaakt bij het calculeren en het afrekenen van bepaalde bouwwerken. Ook diverse opdrachtgevers hebben geklaagd over [werknemer].

8. Het verweer van [werknemer] komt er – kort weergegeven – op neer dat er volgens hem geen sprake is van disfunctioneren en dat de verwijten van Van der Horst onjuist zijn. [werknemer] vraag primair om de verzochte ontbinding af te wijzen, en voor het geval de arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden, om toekenning van een vergoeding overeenkomend met tenminste zes maanden salaris inclusief vakantiegeld.

9. Bij de beoordeling wordt zo nodig nog nader ingegaan op de standpunten van partijen.

De beoordeling

10. Ter zitting heeft de gemachtigde van [werknemer] bezwaar gemaakt tegen productie 4 aan de zijde van Van der Horst omdat zij deze niet, althans niet tijdig heeft ontvangen. De kantonrechter honoreert dit bezwaar, zodat deze productie buiten beschouwing wordt gelaten bij de beoordeling van het geschil.

11. Niet gebleken is dat het ontbindingsverzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

12. De kantonrechter kan een arbeidsovereenkomst ontbinden indien sprake is van gewichtige redenen. Als gewichtige redenen worden (onder meer) beschouwd veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Van der Horst stelt zich op het standpunt dat dergelijke omstandigheden zich voordoen, omdat sprake is van een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie als gevolg van disfunctioneren van [werknemer].

13. Nu [werknemer] de stelling van Van der Horst, dat er sprake is van disfunctioneren, gemotiveerd betwist, dient Van der Horst dit disfunctioneren aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de kantonrechter is Van der Horst hier niet in geslaagd. Van der Horst heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [werknemer] niet op voldoende niveau presteert. De e-mailberichten van de financiële administratie aan [werknemer] (productie 5) ondersteunen de stelling van Van der Horst niet, althans onvoldoende. In de eerste plaats geeft de overgelegde correspondentie een onvolledig beeld; de reactie van de zijde van [werknemer] ontbreekt. Ten tweede heeft [werknemer] ter zitting onweersproken gesteld dat hij ieder verzoek met een goed gevolg heeft afgehandeld. Bovendien blijkt uit de inhoud noch uit de toon van de berichten dat [werknemer] een steek heeft laten vallen.

Het verwijt dat [werknemer] over onvoldoende vakkennis zou beschikken en niet goed zou communiceren heeft Van der Horst ook niet met stukken onderbouwd. Als er al opdrachtgevers geklaagd zouden hebben over [werknemer], hetgeen door [werknemer] wordt betwist, dan had het op de weg van Van der Horst gelegen om [werknemer] hiermee te confronteren. Niet gebleken is dat dit eerder is gebeurd dan in deze procedure. Verder verwijt Van der Horst [werknemer] dat de (eind)afrekening van verschillende werken niet tijdig, onjuist en onvolledig heeft opgesteld waardoor Van der Horst financiële schade heeft geleden. Ook dit verwijt heeft [werknemer] voldoende gepareerd. Ter zitting heeft [werknemer] onbetwist gesteld hij ter zake de projecten waarop Van der Horst doelt (van aannemersbedrijf Feld) pas bij de schadeafhandeling in beeld is gekomen. Tot slot is niet gebleken, zoals Van der Horst aanvoert, dat [werknemer] grove fouten heeft gemaakt bij het calculeren.

14. Bij disfunctioneren dient een werkgever de werknemer bovendien in de gelegenheid te stellen om het functioneren naar het vereiste niveau te brengen. Alvorens een werknemer in deze gelegenheid te stellen is het van belang dat de werknemer er door de werkgever op gewezen wordt – bij voorkeur schriftelijk – dat sprake is van disfunctioneren. De werknemer dient vervolgens een reële mogelijkheid te worden geboden om zijn functioneren te verbeteren. Pas als de werknemer, na in voldoende mate in de gelegenheid te zijn gesteld zijn functioneren te verbeteren, er nog steeds geen blijk van geeft aan zijn functie-eisen te kunnen voldoen, kan het (dis)functioneren van de werknemer als grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst dienen. Niet gebleken is dat Van der Horst een dergelijk traject heeft bewandeld.

15. Van der Horst erkent dat er geen functionerings- of beoordelingsgesprekken zijn gevoerd met [werknemer]. Volgens Van der Horst is dit niet gebruikelijk binnen het bedrijf. Van der Horst wijst er op dat er wel wekelijks een (werk)overleg plaatsvindt waarbij alle projectleiders aanwezig zijn, waaronder [werknemer]. [werknemer] betwist dat hij er in deze overleggen op is gewezen dat hij tekort schoot in zijn functioneren. De gesprekken gingen over de dagelijkse gang van zaken en de voortgang van projecten. Op geen enkel moment is aan de orde gekomen dat [werknemer] niet op voldoende niveau functioneerde, aldus [werknemer]. Door Van der Horst is niet betwist dat deze overleggen veelal operationeel van aard waren. Een dergelijk overleg is uiteraard ook niet bedoeld om het functioneren van een bepaalde werknemer aan de orde te stellen. Ook anderszins is niet gebleken dat Van der Horst [werknemer] op zijn functioneren heeft aangesproken.

16. Van der Horst is aldus voor het eerst in het gesprek van 31 oktober 2014 er op gewezen dat hij onvoldoende functioneert als projectleider dan wel bedrijfsleider. In dit gesprek is tevens aan [werknemer] kenbaar gemaakt dat Van der Horst tot een beëindiging van het dienstverband wenst te komen.

17. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de aan [werknemer] gerichte verwijten omtrent zijn functioneren door Van der Horst onvoldoende zijn onderbouwd. Als al sprake zou zijn geweest van serieuze klachten over de wijze waarop [werknemer] zijn functie uitvoert dan heeft Van der Horst die in elk geval niet zorgvuldig met [werknemer] gecommuniceerd. Ook is [werknemer] in het verlengde daarvan niet in de gelegenheid gesteld om mogelijk eventueel onvoldoende functioneren te verbeteren.

18. Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van gewichtige redenen die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen wordt het verzoek daartoe van Van der Horst afgewezen. Van beide partijen mag worden verlangd dat zij zich maximaal inspannen om de arbeidsrelatie op positieve wijze voort te zetten.

19. Van der Horst zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst het verzochte af.

Veroordeelt Van der Horst in de proceskosten, die aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 400,-- voor salaris gemachtigde, waarover Van der Horst geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 23 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter