Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:2190

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-03-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
428325 - KG EXPL 13-2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Oproepovereenkomst. Voorovereenkomst.

De door oproep tot stand gekomen eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is op grond van artikel 7:668, lid 1, BW twee maal voor de duur van twee maanden stilzwijgend verlengd. De vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is op grond van de Wet van 30 juni 2010 tot tijdelijke verruiming van de mogelijkheid in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan in verband met het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren (Staatsblad 2010, 274) aangegaan voor bepaalde tijd.

De overeengekomen ontbindende voorwaarde is onverenigbaar met de met het gesloten stelsel van het ontslag samenhangende ontslagbescherming. De arbeidsovereenkomst is niet door het intreden van deze voorwaarde geëindigd. Voor het berekenen van het salaris en het bepalen van de omvang van de arbeidsovereenkomst is artikel 7:610b BW toegepast.

In de arbeidovereenkomst is in strijd met artikel 7:634, lid 1, BW vastgelegd dat geen aanspraak bestaat op vakantiedagen. De kantonrechter gaat er voorshands vanuit dat in het uurloon geen vergoeding voor vakantiedagen is verdisconteerd. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 7:639, lid 1, BW gestelde eis dat er behoud van loon is gedurende de vakantiedagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/314
NJF 2013/495
AR-Updates.nl 2013-0752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 428325 \ KG EXPL 13-2 (CB)

Uitspraakdatum: 12 maart 2013

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[naam 1] te [plaats]

eisende partij in kort geding

verder ook te noemen: [werknemer ]

gemachtigde: mr. M.E. Frank-Kleijne, advocaat te Den Helder

tegen

de stichting Stichting “Blijf van m’n Lijf Den Helder” te Den Helder

gedaagde partij in kort geding

verder ook te noemen: de Stichting

gemachtigde: mr. A.E. Koster, advocaat te Den Helder.

Het procesverloop

[werknemer ] heeft bij dagvaarding van 29 januari 2013 een voorziening gevorderd.

De zaak is behandeld - gelijktijdig met het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek (BW) onder rep.nr.: 428124 - op de terechtzitting van 26 februari 2013 te Alkmaar, alwaar zijn verschenen [werknemer ] en [directeur 1], directeur-bestuurder van de Stichting (verder: [directeur ]). Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken tijdens de terechtzitting. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd.

Vervolgens is op vandaag uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1.1 [werknemer ], geboren[datum], heeft in de periode van 1 september 2010 tot (en met) juni 2011 stage gelopen bij de Stichting.

1.2 De Stichting biedt hulp en opvang, op een anoniem adres, aan vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld.

1.3 Op 1 juli 2011 hebben partijen een ‘arbeidsovereenkomst vakantiekracht’ gesloten. In de preambule is, voor zover van belang, bepaald:

Werknemer verklaart in beginsel beschikbaar te zijn om op afroepbasis voor Werkgever werkzaamheden te verrichten in de functie van Maatschappelijk Werker bij het Ambulante Team, iedere keer wanneer Werkgever dit wenselijk acht.

In artikel 1 van deze overeenkomst is vermeld:

Deze voorovereenkomst is aangegaan voor de duur van 2 maanden. Beide partijen zijn niet gerechtigd tussentijds deze overeenkomst te beëindigen. De overeenkomst is beëindigd van rechtswege op 31 augustus 2011.

1.4 In de periode van 1 juli 2011 tot 1 januari 2012 heeft [werknemer ] bij de Stichting werkzaamheden als maatschappelijk werker verricht.

1.5 Op 1 januari 2012 zijn [werknemer ] en de Stichting een “arbeidsovereenkomst oproepkracht” overeengekomen. In deze overeenkomst is als loon vermeld een bedrag van € 14,20 bruto per gewerkt uur. In de preambule is de tekst als weergegeven onder 1.3 vermeld.

In artikel 1 van deze overeenkomst is bepaald:

Deze voorovereenkomst is aangegaan voor de duur van door werkgever te bepalen periode. Beide partijen zijn gerechtigd deze overeenkomst te beëindigen. De overeenkomst eindigt van rechtswege zodra er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht noodzakelijk is.

Artikel 7 van deze overeenkomst bepaalt:

Werknemer bouwt geen vakantierechten op gedurende de periode dat hij/zij werkzaamheden verricht voor werkgever.

1.6 Op 15 maart 2012 zijn partijen overeengekomen een ‘wijzigingsovereenkomst arbeidscontract’. Daarbij is afgesproken dat de tussen hen geldende arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2012 ook geldt voor uren die ingezet moeten worden voor AWARE met een maximum van gemiddeld 2,5 uur per week. [werknemer ] heeft zich bereid verklaard om de op te roepen uren te werken tot en met eind december 2012.

1.7 AWARE is een alarmsysteem ontwikkeld om vrouwen die het risico lopen opnieuw slachtoffer te worden van stalking, geweld of mishandeling, sneller en beter te kunnen beschermen.

1.8 [werknemer ] heeft eind juni 2012 haar opleiding Maatschappelijk Werk en dienstverlening afgerond.

1.9 In september 2012 heeft de Stichting aan [werknemer ] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst per 20 september 2012 van rechtswege zou eindigen.

Het geschil

2.

[werknemer ] vordert – zakelijk weergegeven – bij wege van voorziening ex artikel 254 lid 4 BRv bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de Stichting tot betaling van een bedrag van € 5.026,80 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldata. [werknemer ] vordert voorts de Stichting te veroordelen aan haar te voldoen het haar toekomende loon vanaf 1 januari 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de vervaldata. [werknemer ] vordert bovendien de Stichting te veroordelen haar toe te laten de bedongen werkzaamheden als maatschappelijk werkster te hervatten onder verbeurte van een dwangsom. Verder vordert [werknemer ] de Stichting te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 326,60 bruto. Tot slot vordert [werknemer ] de Stichting te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 700,00 en de kosten van deze procedure. Daartoe stelt [werknemer ] – kort weergegeven – dat zij bij de Stichting voor onbepaalde tijd in dienst is als maatschappelijk werker bij het Ambulante Team. De ontbindende voorwaarde in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig. De Stichting is verplicht om het loon van [werknemer ] per september 2012 door te betalen. De hoogte van het salaris moet worden gebaseerd op basis van het aantal uren dat [werknemer ] in de drie maanden voorafgaand aan de maand september 2012 heeft gewerkt. Het gemiddeld aantal uren in die periode bedroeg 80,67 per maand.

[werknemer ] stelt zich op het standpunt dat zij voor AWARE een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft. Deze overeenkomst is van rechtswege geëindigd per 31 december 2012. De overeenkomst staat geen tussentijdse opzegging toe. De Stichting is verplicht om het loon van [werknemer ] per september 2012 door te betalen. De hoogte van het salaris moet worden gebaseerd op basis van het aantal uren dat [werknemer ] in de drie maanden voorafgaand aan de maand september 2012 voor AWARE heeft verricht. Het gemiddeld aantal uren in die periode bedroeg 19,33 per maand.

Het achterstallig salaris over de maanden september tot en met december 2012 bedraagt volgens[werknemer ] € 3.351,20 bruto en de wettelijke verhoging € 1.675,60 bruto.

Tot slot stelt [werknemer ] zich op het standpunt dat de bepaling in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst betreffende het niet opbouwen van vakantiedagen niet rechtsgeldig is. Bij brief van 21 september 2012 heeft [werknemer ] de vernietigbaarheid van deze bepaling ingeroepen. De Stichting dient volgens [werknemer ] het loon te voldoen dat behoort bij de door haar opgebouwde en genoten vakantiedagen in 2013, te weten een bedrag van € 326,60 bruto.

3.

De Stichting heeft betoogd dat een spoedeisend ontbreekt. Als er al een spoedeisend belang zou zijn, dan kan dat alleen gelden voor de vordering tot doorbetaling van het loon en niet voor de overige vorderingen.

Voor zover er wel sprake is van een spoedeisend belang, stelt de Stichting dat er van een arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 7:610 BW geen sprake is. Het was de bedoeling van partijen om een oproepovereenkomst te sluiten. [werknemer ] is steeds ingezet voor specifieke doeleinden, te weten ziekte, bevallingsverlof en vakantie. Dat die situaties elkaar vrijwel direct opvolgden, was volgens de Stichting puur toeval. De bedoeling van de oproepovereenkomst was dat deze zou eindigen zodra er geen werkzaamheden meer zouden zijn en dat was rond 20 september 2012 het geval. Aan het einde van de overeenkomst lag geen subjectief oordeel van de Stichting ten grondslag. Het specifieke doel waar [werknemer ] voor was ingezet, eindigde op dat moment. Voor zover er sprake is van een lopende oproepovereenkomst stelt de Stichting dat er geen werkzaamheden meer zijn waar [werknemer ] voor kan worden ingezet.

De Stichting stelt zich ten aanzien van de werkzaamheden voor AWARE op het standpunt dat er geen aparte oproepovereenkomst is gesloten. Het ging slechts om een wijziging/aanvulling van de reeds bestaande oproepovereenkomst. Deze werkzaamheden waren tijdelijk van aard. De oproepovereenkomst voor AWARE liep tot en met december 2012.

Voor het geval de loonvordering toewijsbaar is, betwist de Stichting de omvang van het door [werknemer ] gestelde gemiddeld aantal gewerkte uren over de maanden juni tot en met augustus 2012.

Voor zover enig loon wordt toegekend, verzoekt de Stichting daarover geen wettelijke verhoging en wettelijke rente te berekenen, dan wel deze tot nihil te matigen. Er is namelijk nooit sprake geweest van opzettelijk niet betalen door de Stichting. Ook betekent toewijzing van de vordering dat dit geld niet kan worden ingezet voor het ideële doel waarvoor de Stichting bestaat.

Voor wedertewerkstelling bestaat volgens de Stichting geen grond.

[werknemer ] kreeg volgens de Stichting aanmerkelijk meer uitbetaald dan haar CAO-loon. Het loon over de vakantiedagen is daarin verdisconteerd. Om deze reden is artikel 7 in de oproepovereenkomst opgenomen.

De Stichting betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Bovendien betwist de Stichting dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, alsmede de hoogte van het gevorderde bedrag. Daarbij merkt de Stichting op dat [werknemer ] op basis van een toevoeging procedeert en dat de eigen bijdrage ook ziet op de buitengerechtelijke werkzaamheden. Verder hebben de werkzaamheden bestaan uit zeer beperkte correspondentie.

De beoordeling

Spoedeisend belang

4.

Het spoedeisend belang dat [werknemer ] heeft bij de gevorderde voorzieningen vloeit reeds voort uit de aard van de (loon)vordering.

Arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd

5.1

Beantwoord moet worden de vraag of de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat tussen [werknemer ] en de Stichting wat betreft de werkzaamheden als maatschappelijk werker een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

5.2

Op grond van artikel 7:668a, lid 1, aanhef en onder b, BW geldt vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.

Bij Wet van 30 juni 2010 tot tijdelijke verruiming van de mogelijkheid in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan in verband met het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren (Staatsblad 2010, 274; verder: de Wet van 30 juni 2010) is met ingang van 1 januari 2010 aan artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een lid 6 toegevoegd.

Op grond van artikel 7:668a, lid 6, BW, voor zover van belang, wordt voor werknemers jonger dan 27 jaar in lid 1 onder b in plaats van «3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten»: 4 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten gelezen.

Op grond van artikel III van de Wet van 30 juni 2010, voor zover van belang, vervalt met ingang van 1 januari 2012 lid 6, met dien verstande dat genoemd lid van toepassing blijft op de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2012 voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 668a lid 1 en lid 3.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat zij per 1 juli 2011 een oproepovereenkomst zijn overeengekomen. De kantonrechter gaat er vanuit dat deze overeenkomst een zogenaamde voorovereenkomst betreft, welke overeenkomst niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. De kantonrechter leidt dit af uit de preambule en de tekst van artikel 1. Alleen wanneer de Stichting dit wenselijk achtte, kon [werknemer ] worden oproepen. Ook was [werknemer ] niet verplicht aan iedere oproep gehoor te geven en had [werknemer ] op grond van artikel 8 alleen aanspraak op loon, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over de periode waarin zij feitelijk voor de Stichting werkzaamheden heeft verricht. De kwalificatie van voorovereenkomst brengt met zich mee dat bij een oproep voor de duur van de oproep een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt gesloten.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer ] per 1 juli 2011 is opgeroepen en dat zij voor de Stichting werkzaamheden heeft verricht. Aldus is per 1 juli 2011 een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand gekomen. De kantonrechter volgt [werknemer ] in haar standpunt dat deze arbeidsovereenkomst gold tot en met 31 augustus 2011. Blijkens de voorovereenkomst verrichtte [werknemer ] werkzaamheden als vakantiekracht en was deze overeenkomst beperkt tot de vakantieperiode van twee maanden. [directeur ] bevestigt in haar verklaring van 13 februari 2013 dat [werknemer ] een contract kreeg als vakantiekracht van juli tot september 2011. De kantonrechter volgt de Stichting derhalve niet in haar standpunt dat de eerste overeenkomst gold tot en met december 2011.

5.5

Vast staat dat [werknemer ] tot en met december 2011 werkzaamheden bij de Stichting heeft verricht. Nu niet is gebleken van een nieuwe (schriftelijke) overeenkomst per 1 september 2011, gaat de kantonrechter er, met [werknemer ], vanuit dat voornoemde arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:668, lid 1, BW twee maal voor de duur van twee maanden stilzwijgend is verlengd. Over de periode van 1 september 2011 tot 1 november 2011 is derhalve een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is ontstaan en over de periode van 1 november 2011 tot 1 januari 2012 een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

5.6

[werknemer ] en de Stichting hebben per 1 januari 2012 een nieuwe oproepovereenkomst gesloten. Niet in geschil is dat [werknemer ] vanaf deze datum werkzaamheden voor de Stichting is gaan verrichten. De kantonrechter stelt met [werknemer ] vast dat haar arbeidsovereenkomst op 1 januari 2012 voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 7:668a, lid 1, aanhef en onder b, BW. Gelet op het bepaalde in artikel III van de Wet van 30 juni 2010 en de leeftijd van [werknemer ], zij is jonger dan 27 jaar, blijft op haar echter het zesde lid van toepassing. Dit betekent dat eerst na vier voor bepaalde tijd aangegane overeenkomsten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. De kantonrechter volgt derhalve niet het betoog van [werknemer ] dat er wat betreft de werkzaamheden als maatschappelijk werker per 1 januari 2012 tussen haar en de Stichting een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Tussen partijen geldt aangaande deze werkzaamheden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

5.7

Tussen partijen is niet in geschil dat wat betreft de werkzaamheden voor AWARE over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 een oproepovereenkomst bestond. Door de oproep is per 1 maart 2012 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaan.

Ontbindende voorwaarde

6.1

Wat betreft de duur van de arbeidsovereenkomst overweegt de kantonrechter het volgende. De Stichting en [werknemer ] zijn overeengekomen dat de tussen hen bestaande overeenkomst (van rechtswege) eindigt zodra er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht noodzakelijk is. De kantonrechter merkt deze voorwaarde, met [werknemer ], aan als ontbindende voorwaarde.

6.2

Beoordeeld moet worden in hoeverre de ontbindende voorwaarde verenigbaar is met het gesloten stelsel van het ontslagrecht. Een voorwaarde die met dit stelsel redelijkerwijs niet te verenigen is, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden.

6.3

Met de met het gesloten stelsel van het ontslag samenhangende ontslagbescherming strookt naar het oordeel van de kantonrechter niet om als geldig aan te merken een ontbindende voorwaarde die er op neer komt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer naar het (subjectieve) oordeel van de Stichting er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht noodzakelijk is. Dat, zoals door de Stichting is betoogd en door [werknemer ] is betwist, [werknemer ] werkzaamheden verrichtte met een specifiek doel, te weten vervanging bij ziekte, vakantie en ouderschapsverlof, en dat bij het einde van dit specifieke doel de werkzaamheden ook ten einde kwamen, blijkt niet uit de formulering van onderhavige voorwaarde. Voorts blijkt uit het door de Stichting overgelegde “overzicht oproepen” dat [werknemer ] ook voor extra werk is ingezet. De vraag of er extra werk is, kan niet worden beantwoord zonder een eigen, subjectieve waardering van de omstandigheden door de Stichting. Het is derhalve aannemelijk dat in een bodemprocedure onderhavige ontbindende voorwaarde als ongeldig zal worden beoordeeld.

6.4

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de vordering van [werknemer ] op dit punt in een bodemprocedure zal slagen en er thans in onderhavige kort geding procedure voorshands van uitgegaan kan worden dat de ontbindende voorwaarde niet is ingetreden en dat de arbeidsovereenkomsten niet per september 2012 zijn geëindigd. [werknemer ] heeft derhalve recht op betaling van haar loon vanaf september 2012. Wat betreft de werkzaamheden als maatschappelijk werker heeft [werknemer ] recht op wedertewerkstelling.

De dwangsom zal worden gematigd en aan het totaal der te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden.

Omvang arbeidsovereenkomst

7.1

Zoals aan de zijde van [werknemer ] is aangevoerd, dient voor het berekenen van haar salaris en het bepalen van de omvang van de arbeidsovereenkomsten artikel 7:610b BW te worden toegepast. Op grond van dit artikel wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Ter zitting heeft de Stichting zich beperkt tot betwisting van de omvang van het aantal gewerkte uren over de maanden juni tot en met augustus 2012. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich na de zitting schriftelijk uit te laten over de gemiddelde urenomvang over deze drie maanden. Het standpunt van de Stichting in de brief van haar gemachtigde van 5 maart 2013 dat voornoemde referentieperiode een onjuist beeld geeft over de arbeidsomvang, zal wegens strijd met de goede procesorde worden gepasseerd. De Stichting had deze grond immers ook naar voren kunnen brengen tijdens de zitting.

7.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer ] over de maand juni 2012 99 uur heeft gewerkt en over de maand juli 2012 89 uur. Met betrekking tot de maand augustus 2012 stelt [werknemer ] dat zij 112 uur heeft gewerkt. De Stichting gaat echter uit van 103 uur. Uit het door de Stichting overgelegde ‘Overzicht oproepen [voornaam] [werknemer ]’ blijkt dat [werknemer ] in de maand augustus 2012 84 uur heeft gewerkt betreffende ‘vervanging verlof’, 9 uur ‘piket’ en 19 uur ‘extra werk’. [werknemer ] heeft aldus in de maand augustus 2012 112 uur gewerkt.

7.3

Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter op een gemiddeld aantal uur van 100 uur. Dit urenaantal vermenigvuldigd met het vaststaande uurloon van € 14,20 levert een bruto maandloon op van € 1.420,00. In de periode van 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 had [werknemer ] derhalve recht op een bedrag van € 5.680,00 bruto. Na aftrek van het door de Stichting niet betwiste bedrag van € 2.328,80 bruto, is een bedrag van € 3.351,20 bruto voor toewijzing vatbaar betreffende de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012.

7.4

Nu vast staat dat de werkzaamheden voor AWARE per 1 januari 2013 zijn geëindigd, is de kantonrechter, met de Stichting, van oordeel dat [werknemer ] vanaf 1 januari 2013 recht heeft op een bruto maandloon waarbij geen rekening is gehouden met de voor AWARE gewerkte uren. Uit voornoemd overzicht blijkt dat [werknemer ] in de maanden juni tot en met augustus 2012 totaal 58 uur voor AWARE heeft gewerkt. Gemiddeld is [werknemer ] derhalve gedurende 19,33 uur voor AWARE werkzaam geweest. Na aftrek van dit urenaantal van voornoemd aantal van 100 uur en vermenigvuldigd met het uurloon van € 14,20 bruto is de Stichting per 1 januari 2013 een bruto maandloon verschuldigd van € 1.145,47.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

8.

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW en de wettelijke rente zijn eveneens toewijsbaar vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging, gelet op de omstandigheden van het geval, matigen tot 10%.

Vakantiedagen

9.1

Tussen partijen is in geschil of [werknemer ] aanspraak heeft op doorbetaling van haar salaris als bedoeld in artikel 7:639 lid 1 BW over de vijf door haar opgebouwde en genoten vakantiedagen in het jaar 2012. Door de Stichting is niet betwist dat [werknemer ] van 23 juli 2012 tot 27 juli 2012 vrij heeft genomen.

9.2

Op grond van artikel 7:634, lid 1, BW verwerft de werknemer over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een overeenkomstige tijd.

Op grond van artikel 7:639, lid 1, BW behoudt de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon.

Op grond van artikel 7:640, lid 1, BW kan de werknemer tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst geen afstand doen van zijn aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding.

9.3

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in artikel 7 van de arbeidovereenkomst in strijd met artikel 7:634, lid 1, BW vastgelegd dat geen aanspraak bestaat op vakantiedagen. Dat, zoals door de Stichting is betoogd en door [werknemer ] is betwist, in het uurloon van € 14,20 bruto een vergoeding voor vakantiedagen is verdisconteerd, blijkt niet uit de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst, dan wel uit andere gedingstukken. [werknemer ] heeft tijdens de comparitie betwist dat dit tijdens het tekenen van de eerste arbeidsovereenkomst ter sprake is gekomen. Voorts heeft [werknemer ] uitgebreid onderbouwd waarom op grond van de CAO in het uurloon geen vakantiegeld is verdisconteerd. Het betoog van de Stichting dat alle maatschappelijk medewerkers sociaal pedagogisch medewerkers zouden zijn, die niet in schaal 8 zijn ingedeeld, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende met feiten onderbouwd. Voor zover al rechtens zou zijn toegestaan om in het uurloon een vergoeding voor vakantiedagen op te nemen, gaat de kantonrechter er voorshands vanuit dat in het uurloon van [werknemer ] geen vergoeding voor vakantiedagen is verdisconteerd. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldaan aan de in artikel 7:639 lid 1 BW gestelde eis dat er behoud van loon is gedurende de vakantiedagen.

9.4

Nu de Stichting de berekening van de vordering van [werknemer ] niet heeft betwist, komt deze voor toewijzing in aanmerking.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

10.

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. Ofschoon De Stichting deze kosten en de hoogte daarvan heeft bestreden, komen deze niet onredelijk hoog en voldoende onderbouwd voor.

11.

De Stichting dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

Veroordeelt de Stichting om aan [werknemer ] te betalen:

a. het achterstallig salaris van € 3.351,20 bruto over de periode 1 september tot en met 31 december 2012;

b. het loon van € 1.145,47 bruto per maand te blijven voldoen vanaf 1 januari 2013 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;

c. de wettelijke verhoging van 10% op basis van artikel 7:625 van het BW over het verschuldigde salaris vanaf het moment van opeisbaar zijn tot de dag der algehele voldoening;

d. het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid van de betreffende bedragen tot de dag der voldoening.

e. de buitengerechtelijke kosten ad € 700,00.

Veroordeelt de Stichting om [werknemer ] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis in staat te stellen de werkzaamheden als maatschappelijk werker op de gebruikelijke arbeidstijden en op het filiaal te Den Helder te hervatten, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00.

Veroordeelt de Stichting om aan [werknemer ] te betalen het loon van € 326,60 bruto betreffende de door [werknemer ] opgebouwde en genoten vakantiedagen in het jaar 2012.

Veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [werknemer ] tot op heden begroot op € 789,71, waarvan te voldoen:

- € 713,00 ( griffierecht en salaris gemachtigde) aan [werknemer ];

- € 76,71 voor kosten van de dagvaarding aan de griffier van deze rechtbank, bij voorkeur te betalen door middel van de toegezonden acceptgirokaart.

Verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.

De griffier

De kantonrechter