Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:85

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-01-2016
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
4635147 AE VERZ 15-163 AL/1116
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Zaak aangespannen door pakketbezorger van PostNL tegen PostNL. Ten aanzien van hem is geoordeeld dat hij geen arbeidsovereenkomst heeft met PostNL. Daartoe is het volgende van belang. De subcontractor was ook voor aanvang van zijn werkzaamheden voor PostNL al een aantal jaren als zelfstandige ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij verricht gedurende slechts één dag per week werkzaamheden voor PostNL en op andere dagen werkt hij voor andere opdrachtgevers. Derhalve kan ook niet worden gezegd dat hij economisch afhankelijk is van PostNL.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen en afwegend, komt bij de subcontractor een beeld naar voren van een subcontractor die bewust heeft gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap, die geacht mag worden de consequenties daarvan te kunnen overzien en zich daar ook naar heeft gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0013
AR 2016/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4635147 AE VERZ 15-163 AL/1116

Beschikking van 6 januari 2016

inzake

[verzoeker] , handelend onder de naam [naam eenmanszaak],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,

tegen:

de besloten vennootschap

PostNL Pakketten Benelux B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

verder ook te noemen PostNL,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.M. van Slooten.

1 De procedure

In de hoofdzaak en in het incident

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift tot vernietiging van het gegeven ontslag ex artikel 7:681 BW tevens houdende verzoeken ex artikel 223 Rv, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de aanvullende producties A tot en met X van de zijde van [verzoeker] ;

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 15;

  • -

    de aanvullende producties A tot en met H van de zijde van PostNL;

  • -

    de aanvullende producties I en J van de zijde van PostNL;

  • -

    de pleitnota van [verzoeker] ;

  • -

    de pleitnota van PostNL;

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 december 2015 waarvan aantekeningen is gehouden.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

1.3.

Op 24 december 2015 heeft PostNL een verzoekschrift ex artikel 843a Rv ingediend, onder de voorwaarde dat de verzoeken van [verzoeker] niet reeds aanstonds worden afgewezen.

2. De feiten

In de hoofdzaak en in het incident

2.1.

Koninklijke PostNL B.V. is op grond van artikel 84 Postwet 2009 met ingang van

1 april 2009 aangewezen als verlener van universele postdienst in Nederland. Zij is op grond van de Postwet onder meer verplicht pakketvervoer te verzorgen. PostNL is de vennootschap die daarvoor zorgdraagt. PostNL maakt voor deze pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (ook wel subcontractors genoemd). In totaal gaat het in Nederland om ongeveer 1100 subcontractors. PostNL heeft daartoe met deze subcontractors overeenkomsten gesloten. Deze subcontractors zijn hetzij zelfstandige zonder personeel (ZZP-er), hetzij zelfstandige met werkend personeel (ZMP-er), hetzij zelfstandige met een zelfstandige (ZMZ-er).

2.2.

[verzoeker] , geboren op [1951] , drijft sinds 5 november 2006 de eenmanszaak [naam eenmanszaak] . Als activiteiten staan op het uittreksel van de Kamer van Koophandel vermeld:

“(...) Koeriers

(...) Inzameling van onschadelijk afval

Distributie van goederen/koeriersbedrijf Handel in gebruikte goederen”.

2.3.

Op 5 augustus 2011 hebben PostNL en [verzoeker] een vervoersovereenkomst (hierna ook de overeenkomst) gesloten, ingaande op 8 augustus 2011. De Belastingdienst heeft een VAR/WUO verklaring afgegeven aan [verzoeker] . Hij behoort tot de hiervoor genoemde groep ZZP-ers.

2.4.

In voormelde overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“(...) In aanmerking nemend, dat

- De Vervoerder een zelfstandige zonder personeel is, hetgeen betekent dat hij met één bus rijdt en

geen werknemers in dienst heeft;

(…)

1.1

De Vervoerder voert vervoersopdrachten uit in opdracht van PostNL, waarbij nadere (technische) eisen gesteld kunnen worden aan de voertuigen van Vervoerder in verband met de processen van PostNL en eisen t.a.v. duurzaamheid (…). Daarnaast stelt PostNL eisen t.a.v. representatie van de Vervoerder en diens voertuigen. (…)

2.2

De Overeenkomst kan door één van beide Partijen schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand.

(…)

3.2

Toepasselijkheid van boek 7 BW (met name de agentuurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst) sluiten Partijen hierbij uit.

(…)

6.1

De Vervoerder ontvangt voor het verrichten van Vervoersopdrachten een vergoeding voor de nader overeen te komen vervoersopdrachten, zoals nader omschreven in de Bijlage.

6.2

Elke Partij heeft het recht om een voorstel te doen tot aanpassing van de overeengekomen vergoedingen. (…)

7.1

De Vervoerder en zijn werknemers kunnen elkaar vrijelijk vervangen bij de uitvoering van de opdracht. De Vervoerder dient de vervanging zelf te regelen.

(…)

8.1

De Vervoerder dient ervoor te zorgen dat hij en zijn werknemers ervan op de hoogte zijn dat PostNL het recht heeft te allen tijde en zonder voorafgaande kennisgeving actie te ondernemen om diefstal te voorkomen, in het bijzonder in de vorm van inspectie van de voertuigen van de Vervoerder (inclusief chauffeurscabine en geladen goederen) en de persoonlijke bezittingen van de Vervoerder en zijn werknemers. (…)

(…)

12.1

De Vervoerder is verantwoordelijk voor afdracht van alle belastingen en sociale premies (…) Claims voortvloeiend uit het niet voldoen aan deze verplichting kunnen niet op PostNL worden verhaald. Vervoerder vrijwaart PostNL voor dergelijke claims. (…)”.

2.5.

In de overeenkomst zijn partijen de toepasselijkheid van Algemene Voorwaarden overeengekomen. In de Algemene Voorwaarden staat onder meer opgenomen:

“(…) Servicekaders het geheel van dienstverleningsvoorwaarden (producten) dat TPP is overeengekomen met haar klanten.

(…)

3.1

Vervoerder en zijn werknemers voeren de Vervoersopdrachten uit conform de door PostNL verstrekte specificaties en instructies die voortvloeien uit de Servicekaders. Deze instructies zijn terug te vinden op www.subconet.nl, de site waartoe elke Vervoerder toegang heeft. (…)

4.1

TPP stelt een digitale factuur op (self billing) op basis van de uitgevoerde Vervoersopdrachten. Tenzij Vervoerder deze betwist, wordt dit bedrag uitbetaald, twee weken na de wekelijkse vaststelling van de uitgevoerde Vervoersopdrachten.

(…)

9.1

De Vervoerder garandeert te zijn verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging van Zendingen of Lading (…)”.

2.6.

In de bijlage bij de overeenkomst wordt de route omschreven met daarin een aantal vaste postcodegebieden, vaste dagen en een tariefindicatie gebaseerd op deze route met daarin het aantal stops en het stoptarief. Deze bijlage wordt telkens wanneer er iets wijzigt in de route, of bij tariefswijziging, opnieuw getekend door zowel PostNL als de subcontractor. Voorts is in de bijlage bepaald:

(…) Gedurende de tijdstippen dat de Vervoerder zich daadwerkelijk bezig houdt met de uitvoering van de vervoersovereenkomst is te allen tijde duidelijk dat de Vervoerder in opdracht van PostNL handelt, o.a. door(dat):

  • -

    het voertuig dat wordt ingezet voldoet aan alle wagenparkvoorwaarden zoals vermeld op www.subconet.nl

  • -

    zich op representatieve wijze te presenteren bij de klant door o.a. het herkenbaar dragen van kleding die voldoet aan de huisstijl van PostNL (te bestellen via www.subconet.nl)

  • -

    dat het voertuig wit en representatief is (…)”.

2.7.

In het onderhavige geval waren partijen aanvankelijk overeengekomen dat [verzoeker] van maandag tot en met zaterdag vanuit de vestiging Amersfoort de route Vermeerkwartier reed tegen een stoptarief van € 1,30.

Per 12 november 2012 is de route Baarn MA overeengekomen. [verzoeker] reed deze route op maandag, tegen een vergoeding van € 1,47 per succesvolle stop. Daarnaast werd overeengekomen dat [verzoeker] op oproepbasis inzetbaar was voor twee andere routes vanuit het depot in Amersfoort, beiden tegen een stoptarief van € 1,25.

De producttoeslag bedraagt per afgeleverd pakket € 0,16.

2.8.

PostNL heeft bij brief van 30 september 2015 de overeenkomst met [verzoeker] beëindigd, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Als reden voor de beëindiging is aangegeven “(...) u op dit moment niet kunt aantonen over de Eurovergunning te beschikken per 1 januari 2016 of in aanmerking te kunnen komen voor uitstel tot 1 april 2016 (...)”.

2.9.

Gedurende de periode 2013 tot en met 2015 heeft [verzoeker] zich voor 41 van zijn 415 ritten laten vervangen. Daarmee heeft [verzoeker] over deze periode een vervangingspercentage van 9 %.

2.10.

Over het jaar 2014 heeft [verzoeker] een omzet gegenereerd van € 11.000,--.

2.11.

[verzoeker] heeft naast PostNL nog andere opdrachtgevers.

2.12.

Op het LinkedIn profiel van [verzoeker] staat “directeur, Self-employed”. De uitdraai van dat overzicht dateert van 11 december 2015.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter:

in de hoofdzaak

A. Primair:

a. voor recht te verklaren dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst;

b. de opzegging van de arbeidsovereenkomst dan wel het gegeven ontslag te vernietigen;

c. toelating tot de werkvloer te bevelen op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

d. veroordeling tot doorbetaling van het verschuldigde salaris gelijk aan het CAO salaris van een pakketbezorger in vaste dienst bij PostNL, althans gelijk aan de gemiddelde wekelijkse vergoeding die [verzoeker] ontvangt van PostNL, vanaf

30 september 2015, althans vanaf 31 december 2015, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

e. betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

f. betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

g. betaling van wettelijke rente over het sub b, c en d gevorderde;

B. Subsidiair:

h. voor het geval ingevolge enige andere rechterlijke beslissing of op andere wijze zal komen vast te staan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, de opzegging van de arbeidsovereenkomst dan wel het gegeven ontslag te vernietigen;

i-m. veroordeling van PostNL tot het hiervoor onder A. sub c tot en met sub g omschreven primair gevorderde;

in het incident

om een voorlopige voorziening voor de duur van onderhavige procedure:

n-r. veroordeling van PostNL tot het hiervoor onder A. sub c tot en met sub g omschreven primair gevorderde;

in de hoofdzaak en in het incident

veroordeling van PostNL in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort weergegeven – dat de rechtsverhouding tussen hem en PostNL moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst en dat de opzegging daarvan op grond van artikel 7:681 BW jo artikel 7:671 BW vernietigbaar is. Er is, aldus [verzoeker] , geen sprake van een ontslag op staande voet, instemming met het ontslag of een vergunning van UWV Werkbedrijf.

3.3.

PostNL verweert zich tegen het verzoek. Op haar verweren zal hierna worden in gegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak en in het incident

4.1.

Het toetsingskader voor de beoordeling van de vraag of een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht is gesloten, wordt gevormd door artikel 7:610 BW en de inhoud die daaraan is gegeven door de Hoge Raad in (onder meer) de arresten [naam] /Schoevers (NJ 1998/149), ABN AMRO/ [naam] (NJ 2003/124), Diosynth/ [naam] (NJ 2005/239), Thuiszorg Rotterdam/PGGM (NJ 2007/449) en De Gouden Kooi (NJ 2011/594) en recentelijk HR 9 oktober 2015 (JAR 2015/277).

4.2.

AG Van Ballegooijen vat in de Conclusie bij het arrest De Gouden Kooi de civielrechtelijke lijn van de Hoge Raad in deze rechtspraak als volgt samen:

“Uit de jurisprudentie (…) volgt dat het bij de vraag of een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht is gesloten, gaat om een totaaloordeel van de gezamenlijke omstandigheden. Een en andermaal overweegt de Hoge Raad dat niet slechts gelet moet worden op hetgeen partijen (aanvankelijk) bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, maar ook op de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus inhoud hebben gegeven aan het overeengekomene. Daarbij is niet één enkel kenmerk van een bepaalde rechtsverhouding beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien.”.

4.3.

AG Timmerman concludeert bij het arrest Stichting Thuiszorg Rotterdam/PGGM als volgt:

“In [naam] /Schoevers worden de criteria genoemd (…). Men kijkt naar de wijze van beloning, de wijze van betaling (door wie aan wie), de mate van ondernemingsrisico, de mate van investeringen (wie levert de grondstoffen en de hulpmiddelen), het type werkzaamheden en naar de vraag wie zorg draagt voor de sociale zekerheid. Ook wordt gekeken naar de duurzaamheid van de arbeidsprestatie, de strekking van de instructiebevoegdheid, de mate van zelfstandigheid en de maatschappelijke positie van de opdrachtnemer. (…)”.

4.4.

Wanneer deze “holistische” benadering op de onderhavige situatie wordt toegepast levert dit het volgende beeld op.

Wat heeft partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen gestaan?

4.5.

In de vervoersovereenkomst is toepasselijkheid van boek 7 BW “met name de (…) arbeidsovereenkomst” uitgesloten.

4.6.

Op grond hiervan lijkt de partijbedoeling duidelijk niet gericht te zijn geweest op het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Echter, in een situatie waarin partijen maatschappelijk en economisch als gelijkwaardig zijn te beschouwen, dient naar het oordeel van de kantonrechter meer gewicht te worden toegekend aan de partijbedoeling zoals deze blijkt uit de tussen hen gesloten overeenkomst(en), dan in een situatie waarin sprake is van maatschappelijke ongelijkheid en economische afhankelijkheid. In dat laatste geval zijn er immers minder argumenten om betrokkenen de ongelijkheidscompensatie van het arbeidsrecht te ontzeggen.

4.7.

In het onderhavige geval is door partijen niets gesteld met betrekking tot hetgeen tussen hen is besproken ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, met name ten aanzien van aanspraken op WW en WIA, het afsluiten van een arbeidsongeschiktheids-verzekering en een eventuele pensioenvoorziening. Vast staat echter dat [verzoeker] zijn bedrijf op 5 november 2006 heeft opgericht, derhalve ruim 4,5 jaar voordat hij begon met werken voor PostNL. Hieruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] reeds lange tijd vóór aanvang van zijn werkzaamheden voor PostNL als zelfstandige werkte. [verzoeker] wist dus wat het werken als zelfstandige inhield.

Op welke wijze hebben partijen feitelijk uitvoering gegeven aan de overeenkomst?

Beloning

4.8.

Vast staat dat [verzoeker] niet werd beloond op basis van zijn inspanningen en/of op basis van gewerkte uren, maar op basis van het door hem geleverde resultaat. [verzoeker] ontving een vergoeding per succesvolle stop. Het risico van het niet bezorgen, en daarmee het risico ten aanzien van de beloning, lag dus bij [verzoeker] . De vervangers die [verzoeker] inzette (zie hierna) werden door [verzoeker] betaald. In geval van ziekte of vakantie ontving [verzoeker] geen vergoeding.

4.9.

Als bijlage bij de vervoersovereenkomst, die door beide partijen is getekend, bevindt zich een tariefindicatie. Hierin is de route vermeld, het aantal stops en de prijs per stop.

4.10.

[verzoeker] stuurde niet zelf een factuur aan PostNL maar ontving wekelijks een

“Creditfactuur” waarop het weeknummer vermeld stond met de tekst: “Door u geleverde diensten voor vestiging: Amersfoort Depot”, het aantal stops en de data daarvan, het daarvoor door PostNL verschuldigde bedrag en de daarover verschuldigde BTW.

Ondernemingsrisico, investeringsrisico

4.11.

[verzoeker] heeft zich bij het aangaan van de overeenkomst verplicht om voor de uitvoering van zijn werkzaamheden voor PostNL een bus aan te schaffen die moest voldoen aan door PostNL verschafte specificaties (wit, juiste maatvoering en representatief).

4.12.

[verzoeker] heeft deze bus zelf aangeschaft en gefinancierd. Hij draagt hiervan zelf het investeringsrisico.

4.13.

De verplicht voorgeschreven werkkleding werd verschaft door (en bleef eigendom van) PostNL.

4.14.

PostNL faciliteert een website, Subconet, voor communicatie met de subcontractors. Op deze site wordt gewezen op de mogelijkheid om (bedrijfs)middelen met korting en onder aantrekkelijke voorwaarden aan te schaffen bij bepaalde leveranciers. Ook is er een Subco Wagenpark, waarbinnen koop,- lease- of huurconstructies worden aangeboden ten aanzien van de door de subcontractors aan te schaffen bus.

4.15.

[verzoeker] heeft een btw nummer, wordt door de Belastingdienst aangemerkt als zelfstandige, is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, publiceert jaarstukken en is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid.

Aard van arbeidsprestatie, strekking van de instructiebevoegdheid, mate van zelfstandigheid

4.16.

De aard van de werkzaamheden is zodanig dat ten aanzien van de inhoud van het werk weinig inhoudelijke instructie valt te geven (het bezorgen van een pakje is immers niet iets wat op tien verschillende wijzen gedaan kan worden, anders dan bijvoorbeeld het geven van een muziekles of de taak van een verzorgster). De stelling van PostNL dat geen voorbeelden zijn genoemd van instructies die aan [verzoeker] zijn gegeven buiten na te noemen op papier beschreven instructies, overtuigt dan ook niet omdat dergelijke instructies moeilijk denkbaar zijn.

4.17.

PostNL heeft echter ten aanzien van vrijwel alles wat met de uitvoering van het werk samenhangt, zoals de bedrijfskleding, het schoeisel en de wijze waarop de scanner voor pakjes bevestigd dient te worden aan de broekriem, gedetailleerde instructies gegeven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kleur en de maatvoering waaraan de bus van [verzoeker] dient te voldoen. Er zijn Werkinstructies en Huisregels van toepassing verklaard die ook gelden voor de subcontractors van PostNL. PostNL stelt in dit verband dat sprake is van Servicekaders die beogen te waarborgen dat voor klanten herkenbaar is dat [verzoeker] werkt in opdracht van PostNL, en die voorts voortvloeien uit de Postwet en het consumentenrecht. Ook indien dit juist is, doet dit niet af aan het gegeven dat het aan de subcontractors opleggen van dergelijke Servicekaders afbreuk doet aan hun ondernemersvrijheid. Terecht stelt de gemachtigde van PostNL dat in vele vormen van zelfstandige dienstverlening kaders worden opgelegd aan de opdrachtnemer, het gaat evenwel om de mate waarin dit gebeurt, in samenhang met de overige feiten en omstandigheden.

4.18.

PostNL controleert op de naleving van deze instructies, onder meer door het houden van zogeheten “Straatcontroles”. Op het “Straatcontrole formulier” zijn vragen vermeld betreffende de aanwezigheid van alcohol en/of drugs in de bus.

Ook vermeldt het formulier de volgende vragen:

“Is de chauffeur de persoon die volgens het dcp/depot de rit moet rijden

Draagt de chauffeur representatieve PostNL kleding

Is het herkenbaar dat dit voertuig in opdracht van PostNL rijdt?

Behoren alle zendingen in de auto tot deze rit? (steekproef van ca 10 stuks)”

Hieruit kan geconcludeerd worden dat de straatcontroles niet louter dienen ter waarborging van de juiste behandeling van de pakketten en de veiligheid van betrokkenen, maar ook strekken tot controle op naleving van de voorschriften door de subcontractors.

4.19.

PostNL houdt periodiek evaluatiegesprekken met haar subcontractors, waarvan verslag wordt opgemaakt.

4.20.

De werkzaamheden van [verzoeker] werden blijkens de bijlage bij de vervoersovereenkomst op een vaste dag verricht, te weten op maandag. [verzoeker] was verplicht om op vaste tijden de pakketten van het depot op te halen. PostNL hanteert bij de bezorging van pakketten een systeem van Tijdvakindicatie (TVI). Dit houdt in dat klanten een indicatie krijgen van een tijdvak van twee of drie uren waarbinnen hun pakket bezorgd wordt. PostNL schrijft op basis van de postcodes die tot de route van [verzoeker] behoren van tevoren de route voor, waarbij – eveneens vooraf – aan klanten de bijbehorende TVI’s worden gegeven. Ter zitting is door PostNL gesteld dat deze route ‘voortbouwt’ op de eerdere door [verzoeker] (of zijn vervanger) gekozen route. PostNL gaat als het ware uit van het vermoeden dat dit de door de postbezorger gewenste route is. Anders dan [verzoeker] stelt staat het [verzoeker] dus wel vrij om te bepalen hoe hij zijn route rijdt. Dit is anders ten aanzien van de vraag wanneer hij zijn route rijdt. Door [verzoeker] is immers gesteld en met stukken onderbouwd dat de subcontractors worden aangesproken op een te lage “tijdvakindicatie score”. Feitelijk betekent dit systeem dat de subcontractors niet of nauwelijks de vrijheid hebben om zelf te bepalen wanneer ze hun route rijden en om tussentijds te stoppen/onderbreken voor bijvoorbeeld een langere lunchpauze of privézaken. PostNL heeft erop gewezen dat het de subcontractors vrij staat tevoren 24 of 48 uur van tevoren wijzigingen door te geven, echter in de praktijk gebeurt dit niet of nauwelijks.

4.21.

Artikel 7.1 van de vervoersovereenkomst bepaalt: “De Vervoerder en zijn werknemers kunnen elkaar vrijelijk vervangen bij de uitvoering van de opdracht. De Vervoerder dient de vervanging zelf te regelen.” Vast staat dat [verzoeker] zich in de periode 2013 tot en met 2015 voor 9 % van de tijd heeft laten vervangen door anderen. Verder staat vast dat het [verzoeker] niet vrij stond om zich door een geheel willekeurige derde te laten vervangen (en daarvan vervolgens zelf het risico te dragen). Alleen de vervangers die vooraf waren goedgekeurd door PostNL (een Verklaring omtrent gedrag, een rijbewijs en een met goed gevolg afgelegde test) werden geregistreerd als vervanger. Indien [verzoeker] zich liet vervangen moest dit vooraf worden medegedeeld aan het depot om te zorgen dat de vervanger daadwerkelijk de pakketten mee kreeg.

Andere opdrachtgevers

4.22.

[verzoeker] heeft ter zitting erkend dat hij op andere dagen dan de maandag werkzaamheden voor andere opdrachtgevers verricht. Dit blijkt overigens ook uit de bedrijfsomschrijving zoals vermeld op het uittreksel uit de Kamer van Koophandel. Daaruit blijkt tevens dat die bezigheden hoofdzakelijk op een ander terrein liggen dan het verrichten van koeriersdiensten.

Conclusie

4.23.

Ten aanzien van [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De volgende overwegingen zijn hierbij doorslaggevend.

4.24.

Gelet op het feit dat [verzoeker] bij het aangaan van de overeenkomst reeds een aantal jaren zelfstandig ondernemer was, mag aangenomen worden dat hem daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan dat hij als zelfstandige zou werken voor PostNL én dat hij de gevolgen hiervan kon overzien.

4.25.

Ten aanzien van de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden wijst hetgeen hiervoor onder 4.8, 4.9, 4.12 en 4.15 is overwogen (beloning, het hebben van bedrijfskapitaal namelijk een bus, een btw nummer, VAR-UWO en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel) op zelfstandig ondernemerschap. Daar komt bij dat [verzoeker] gedurende slechts één dag per week werkzaamheden voor PostNL verricht en hij op andere dagen dan de maandag voor andere opdrachtgevers werkt. Derhalve kan ook niet worden gezegd dat [verzoeker] economisch afhankelijk is van PostNL.

4.26.

Het feit dat PostNL gedetailleerde instructies gaf ten aanzien van de uitvoering van het werk en op de naleving daarvan toezag, hetgeen op zichzelf alle kenmerken heeft van een gezagsverhouding, weegt in het onderhavige geval niet op tegen de hierboven genoemde omstandigheden.

4.27.

Hetgeen hierboven is overwogen komt erop neer dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen en afwegend, bij [verzoeker] een beeld naar voren komt van een subcontractor die bewust heeft gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap, die geacht mag worden de consequenties daarvan te kunnen overzien en zich daar ook naar heeft gedragen. Overigens volgt uit het LinkedIn profiel van [verzoeker] dat hij er kennelijk zelf ook vanuit gaat dat hij niet bij PostNL in dienst is. Immers, op dat profiel is vermeld “Directeur, Self-employed”.

4.28.

Nu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zullen de daarop gebaseerde vorderingen, zowel in de hoofdzaak als in het incident, worden afgewezen. [verzoeker] heeft niet, ook niet subsidiair, het standpunt ingenomen dat de opzegging van de vervoersovereenkomst onterecht is geschied.

4.29.

De kantonrechter ziet in de aard van de procedure aanleiding om de proceskosten te compenseren, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

Het zelfstandig verzoek van PostNL

4.30.

Hierboven is geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De verzoeken van [verzoeker] zijn daarom afgewezen. Nu de voorwaarde van het voorwaardelijk verzoekschrift dus niet is vervuld, behoeft het verzoek geen nadere bespreking.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de hoofdzaak

- wijst de verzoeken af;

In het incident ex artikel 223 Rv

- weigert de gevraagde voorzieningen;

In de hoofdzaak en in het incident

- compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

In het zelfstandig verzoek

- stelt het buiten verdere behandeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2016.