Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:440

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
16-661610-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt verdacht van ontuchtige handelingen met een 14-jarig meisje, welke ontuchtige handelingen onder meer hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

De verdachte heeft tijdens het verhoor op 22 en 23 mei geen gebruik kunnen maken van een advocaat. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een zodanig ernstig verzuim dat de verklaringen die verdachte op 22 en 23 mei 2014 heeft afgelegd bij de politie moeten worden uitgesloten.

De rechtbank oordeelt, met de bewijsmiddelen in het dossier, dat de verdachte ontucht heeft gepleegd en veroordeelt de verdachte voor een gevangenisstraf van 91 dagen waarvan 90 voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-661610-14 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 januari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1944] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 september 2015, 18 november 2015 en 14 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op 1 maart 2014 te [plaats] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] die op dat moment 14 jaar oud was, welke ontuchtige handelingen onder meer hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;

subsidiair

op 1 maart 2014 te [plaats] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] die op dat moment 14 jaar oud was.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Hij ziet reden om de verklaring die verdachte op 22 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd van het bewijs uit te sluiten, omdat verdachte voorafgaand aan dat verhoor geen advocaat heeft geconsulteerd. Dit geldt niet voor de verklaring die verdachte op 23 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd: voorafgaand aan dat verhoor had verdachte zijn advocaat wel geconsulteerd. Volgens de officier van justitie kan het primair ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen worden indien deze verklaring van verdachte van 23 mei 2014 eveneens van het bewijs wordt uitgesloten, en wel op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en [A] en het whatsapp bericht.

4.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Volgens de raadsman moeten de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd van het bewijs worden uitgesloten. Het overige bewijs is afkomstig van één bron, te weten [slachtoffer] . De verklaring van [A] is een weergave van wat zij van [slachtoffer] heeft gehoord.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Te bespreken verweer

Ten aanzien van de verklaring die verdachte op 22 mei 2014 heeft afgelegd overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte met zijn vingers in haar vagina is binnengedrongen, hetgeen een verdenking op grond van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplevert. Voor het plegen van een strafbaar feit als omschreven in artikel 245 Sr kan iemand worden gestraft met een gevangenisstraf van 8 jaren. Volgens de Aanwijzing rechtsbijstand bij politieverhoor wordt als een categorie A-zaak aangemerkt een zedenzaak met een strafbedreiging van 8 jaar. Gelet hierop is de onderhavige zaak een categorie A-zaak.

Verdachte heeft bij zijn verhoor op 22 mei 2014 verklaard dat hij geen gebruik wenst te maken van een advocaat. Hij is toen gehoord zonder voorafgaand aan het verhoor een advocaat te consulteren. Bij een categorie A-zaak kan een verdachte, volgens voornoemde aanwijzing, echter geen afstand doen van het recht voorafgaand aan het eerste inhoudelijk verhoor een advocaat te raadplegen. Gelet op het voorgaande zal de verklaring die verdachte op 22 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd van het bewijs worden uitgesloten.

Ten aanzien van de verklaring die verdachte op 23 mei 2014 heeft afgelegd overweegt de rechtbank als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3608) overwogen dat de Hoge Raad er voortaan vanuit gaat dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Indien een aangehouden verdachte niet de gelegenheid is geboden om zich bij zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een raadsman, levert dit in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechter dient de vraag te beantwoorden of aan een dergelijk verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Eén van die factoren is de ernst van het verzuim.

Het rechtsgevolg dat aan de afwezigheid van de raadsman bij het verhoor moet worden verbonden behoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit bewijsuitsluiting. Artikel 359a Sv sluit niet uit dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, strafvermindering wordt toegepast dan wel wordt volstaan met de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Bij het bepalen van de ernst van het verzuim is in het bijzonder van belang of de verhorende opsporingsambtenaren redelijkerwijze mochten aannemen dat niet de gelegenheid behoefde te worden geboden tot het verlenen van rechtsbijstand tijdens het verhoor. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat deze opsporingsambtenaren tot het onderhavige arrest niet bedacht behoefden te zijn op deze aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand en dat niet mag worden aangenomen dat zij onmiddellijk bekend zijn geraakt met de inhoud van dit arrest en de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk. De Hoge gaat daarom ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie.

De rechtbank leidt uit genoemd arrest van de Hoge Raad af dat in het onderhavige geval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Bij aanvang van het verhoor van verdachte op 23 mei 2014 hebben de verhorende verbalisanten de volgende tekst gelezen op een briefje dat zij van verdachte hadden gekregen: “ik heb mijn verklaring van gisteren 22 mei 2014 niet doorgelezen. Ik beroep mij voor het overige op mijn zwijgrecht zo lang mijn advocaat niet bij het verhoor aanwezig mag zijn”. Verdachte heeft dus uitdrukkelijk zijn wens kenbaar gemaakt dat zijn advocaat bij het verhoor aanwezig zou zijn. Ook de raadsman had gevraagd om bij het verhoor van 23 mei 2014 aanwezig te mogen zijn. Toestemming daarvoor is evenwel geweigerd. Gelet hierop, op de ernst van de verdenking en het belang van verdachte bij aanwezigheid van zijn advocaat bij zijn verhoor is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig ernstig verzuim dat de verklaring die verdachte op 23 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd ook van het bewijs moet worden uitgesloten.

4.3.2

Bewijsmiddelen1

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat het feit op 1 maart 2014 omstreeks 16.00 uur te [plaats] heeft plaatsgevonden.2

[slachtoffer] stond met [verdachte] in het schapenhok. [verdachte] pakte haar beet door een arm om haar heen te slaan. Hij sloeg zijn arm om haar middel. Zijn hand lag op haar heup. Hij draaide zich naar haar toe en gaf haar een knuffel. Hij draaide met zijn hele lichaam naar haar toe. Hij keek haar aan en sloeg toen zijn armen om haar heen halverwege haar rug. Ze voelde dat hij redelijk tot veel druk met zijn handen in haar rug gaf. Ze had het gevoel dat ze door de druk die hij gaf niet makkelijk weg zou kunnen gaan. Vervolgens gaf hij haar een kus op haar wang. Hij greep haar nog steviger vast waardoor ze het gevoel had echt gevangen te zitten. Nadat hij haar een kus had gegeven, gleed hij met zijn handen langzaam naar beneden. Eerst waren zijn handen halverwege haar rug. Hij gleed met zijn handen naar haar billen. Hij hield haar heel stevig vast.3 Hij ging over haar billen strelen met beide handen. Dat deed hij op haar kleding. Daarna ging hij met beide handen haar broek in bij haar billen. Hij ging weer wrijven met beide handen. Hij kon haar blote billen voelen.

Hij ging met zijn handen naar voren. Hij ging met zijn hand nog in haar broek langs haar middel naar voren toe.4 Zijn hand lag net boven haar schaamlippen. Hij ging toen richting haar schaamlippen en wreef erover. Hij gleed met zijn vingers in haar buitenste schaamlippen. Hij wreef daar een paar keer heen en weer. Ze voelde dat hij met zijn vingertop in haar vagina ging. Hij heeft haar hele vagina aangeraakt.5

[slachtoffer] heeft in een app bericht aan [A] (de rechtbank begrijpt: [A] ) geschreven dat [verdachte] wat vervelends had gedaan en heeft haar gevraagd of ze straks even langs kon komen. [slachtoffer] is op 1 maart 2014 om 19.30 uur naar [A] gegaan. Ze heeft [A] verteld dat [verdachte] met zijn hand in haar broek was gegaan.6

[slachtoffer] is op [1999] geboren.7

[slachtoffer] heeft [A] (de rechtbank begrijpt: [A] ) de volgende berichten gestuurd:

[slachtoffer] : “Ben je vanavond thuis?”

[A] : “Ja hoor (…)”

[slachtoffer] : “Want ik moet even wat kwijt… [verdachte] heeft iets gedaan, wat ik helemaal niet fijn vond”

(...)

[A] : “Hoe laat komt het uit dan zorg ik er ben okee? (…)

[slachtoffer] : “Ik ga straks eten en kan ik er om 7 uur zijn denk ik”

[A] : Oke (…)

[slachtoffer] : “Okee fijn”

Opmerking verbalisanten:

Getuige [A] toonde ons bovenstaande app berichten. De berichten zijn geregistreerd op zaterdag 1 maart 2014 te 17.01 uur en 17.40 uur.8

[slachtoffer] vertelde aan [A] dat [verdachte] met zijn hand in haar broek is gegaan en haar schaamlippen heeft aangeraakt. Hij heeft in haar broek gezeten. [slachtoffer] viel huilend bij [A] in de armen toen ze de deur opendeed. Ze heeft [slachtoffer] laten praten. [slachtoffer] huilde daarbij.9

Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 januari 2016 verklaard dat hij op 1 maart 2014 omstreeks 16.00 uur met [slachtoffer] in het schapenhok heeft gestaan.10

4.3.3

Bewijsoverwegingen

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 1 maart 2014 omstreeks 16.00 uur met verdachte in het schapenhok stond en dat verdachte daar toen de in haar aangifte genoemde handelingen bij haar heeft verricht. Kort daarna, te weten om 17.01 uur heeft zij een whatsapp bericht naar [A] gestuurd met de mededeling dat [verdachte] iets gedaan had wat zij niet helemaal fijn vond. Dezelfde avond omstreeks 19.30 uur heeft [slachtoffer] huilend aan [A] verteld dat verdachte zijn hand in haar broek had gedaan. [slachtoffer] heeft aan [A] voor het eerst verteld wat er tussen [verdachte] en haar is gebeurd.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] te twijfelen. De rechtbank acht daarbij het tijdstip van het whatsapp bericht en de verklaring van [A] over haar emoties van belang.

4.3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

primair

op 1 maart 2014 te [plaats] met [slachtoffer] , geboren op [1999] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] hebbende verdachte

- die [slachtoffer] op haar wang gekust en

- zijn, verdachtes, armen om die [slachtoffer] heen geslagen en daarbij zijn, verdachtes lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] gedrukt en gebracht en

- de billen van die [slachtoffer] over de kleding betast en gestreeld en vervolgens zijn, verdachtes hand in de broek van die [slachtoffer] gebracht en vervolgens de billen van die [slachtoffer] betast en gestreeld en

- zijn, verdachtes, vingers tegen de schaamstreek en in/tegen de vagina en tegen/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

6 Strafbaarheid van verdachte

E.H. van Barneveld, psychiater onder supervisie van psychiater E.A.M. Schouten, heeft op 12 maart 205 een rapport opgemaakt, onder meer inhoudende dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Rapporteur adviseert om verdachte toerekeningsvatbaar te achten.

G.J.W. Pol, psycholoog, heeft op 8 april 2015 een rapport opgemaakt waarin eveneens wordt geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Volgens rapporteur kan verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht, volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank neemt voormelde conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat ook voor het overige niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de rechtbank bij eventuele een strafoplegging rekening dient te houden met de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte is een man op leeftijd en heeft een slechte gezondheid. Hij is een first offender. Er is bij hem geen ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld. Deze strafzaak heeft een grote impact op het leven van verdachte en zijn vrouw. Ze leiden nu, anders dan voorheen, een teruggetrokken leven.

De raadsman meent dat in geval van bewezenverklaring een voorwaardelijke straf met een eventueel langere proeftijd met algemene voorwaarden moet worden opgelegd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is volgens hem niet op zijn plaats en een werkstraf is lastig uitvoerbaar gelet op de beperkingen van verdachte.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met een 14-jarig meisje dat een paard verzorgde op zijn land. De ontuchtige handelingen bestonden uit het op de wang kussen van het meisje, de armen om haar heen slaan en haar tegen zich aan te houden, haar billen zowel over als onder de kleding betasten en strelen, en de vingers in haar schaamstreek en vagina bewegen. Het slachtoffer had ten tijde van het bewezen verklaarde een kwetsbare leeftijd. Met zijn handelingen heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het meisje. Verder heeft hij haar vertrouwen in hem beschaamd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 november 2015 (blanco);

- het hiervoor onder 6. genoemde rapport pro justitia van 12 maart 2015, opgemaakt door E.H. van Barneveld, psychiater onder supervisie van psychiater E.A.M. Schouten;

- het hiervoor onder 6. Genoemde rapport pro justitia van 8 april 2015, opgemaakt door G.J.W. Pol, psycholoog.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde de verdachte volledig kan worden toegerekend, zoals onder 6 vermeld.

Verder houdt de rechtbank rekening met de persoon van verdachte. Hij is 71 jaar oud en heeft hartproblemen. Hij en zijn vrouw hebben zich uit hun sociale leven teruggetrokken als gevolg van deze strafzaak.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 91 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[B] heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het primair ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 809,57 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.500,- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte primair bewezen verklaarde feit.

De binnen de beperkingen van dit strafgeding (zie volgende alinea) toewijsbare immateriële schade wordt vastgesteld op € 750,- en de materiële schade wordt begroot op € 809,57.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1.559,57 worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente. Over de immateriële schade wordt deze toegekend vanaf 1 maart 2014 (datum delict), over de materiële schade vanaf 15 oktober 2014 (ongeveer halverwege de periode van de therapeutische behandelingen van het slachtoffer, waarvan de kosten de materiële schade vormen (samen met de reiskosten)).

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk. De benadeelde partij kan deze bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 91 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 90 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.559,57 (zegge duizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en zevenenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 1 maart 2014 en over het restant vanaf 15 oktober 2014.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 1.559,57 (zegge duizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en zevenenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Frieling, voorzitter,

mrs. J. Ebbens en R.L.M. van Opstal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2016.

Mr. R.L.M. van Opstal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer] (geboren op [1999] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] hebbende verdachte

- die [slachtoffer] op haar wang gekust en/of

- zijn, verdachtes, armen om die [slachtoffer] heen geslagen en/of (daarbij) zijn, verdachtes lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] gedrukt en/of gebracht en/of

- de billen van die [slachtoffer] (over de kleding) betast en/of gestreeld en/of (vervolgens) zijn, verdachtes hand(en) in de broek van die [slachtoffer] gebracht en/of (vervolgens) de billen van die [slachtoffer] betast en/of gestreeld en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina en/of de in/tegen/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of

- de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en/of betast;

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland met [slachtoffer] , geboren op [1999] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande in het ontuchtig

- kussen op de wang van die [slachtoffer] en/of

- omhelzen en/of knuffelen van die [slachtoffer] en/of (daarbij) duwen en/of brengen van zijn, verdachtes lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- betasten en/of strelen van de billen van die [slachtoffer] (over de kleding) en/of (vervolgens) brengen van zijn, verdachtes handen in de broek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) betasten en/of strelen van de billen van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of duwen en/of houden zijn, verdachtes, vinger(s) in/tegen de schaamstreek en/of in/tegen de vagina en/of de in/tegen/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- aanraken en/of betasten van de borsten van die [slachtoffer] .

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Utrecht, onderzoeksnummer 09ZED14030, van 3 juni 2014, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 107.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 16.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 21.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 22.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 23.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , doorgenummerde pagina 25.

7 Een geschrift, inhoudende een akte van geboorte, doorgenummerde pagina 30.

8 Proces-verbaal van verhoor van [A] , doorgenummerde pagina 38.

9 Proces-verbaal van verhoor van [A] , doorgenummerde pagina 39.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting van 14 januari 2016.