Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4080

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
5052643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. OR-lid. Geheimhoudingsplicht. Opzegverbod.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 13
Wet op de ondernemingsraden 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2330
JAR 2016/204
AR-Updates.nl 2016-0877
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5052643 UE VERZ 16-232 MT/1291

Beschikking van 20 juli 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] Apotheken B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen [naam] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. H.T. ten Have,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.M.L. Hopmans.

1 Het verloop van de procedure

[naam] heeft op 4 mei 2016 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft 24 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 29 juni 2016 behandeld. Daarvan zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. De gemachtigde van [naam] heeft aan de hand van pleitaantekeningen het standpunt van [naam] nader toegelicht. De gemachtigde van [verweerder] heeft volstaan met een mondelinge toelichting.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam] is een vennootschap die activiteiten verricht op het gebied van medische hulpmiddelen, geneesmiddelen en bijbehorende zorg. Het hoofdkantoor van [naam] is gevestigd in Utrecht. Er is een gemeenschappelijke ondernemingsraad (OR) ingesteld door [naam] Apotheken Nederland B.V. (waar [naam] ook onder valt). Er is daarnaast een centrale ondernemingsraad (COR) ingesteld op het niveau van [naam] B.V.

Drs. [X] (verder te noemen: [X] ) is directeur van [naam] Apotheken Nederland.

2.2.

[verweerder] , geboren op [1952] , is op [2002] in dienst getreden van [naam] , in de functie van tweede apotheker voor 24 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.840,30 bruto per maand.

2.3.

[verweerder] is bij aanvang van het dienstverband vanuit een zogenaamde flexpool ingezet in verschillende apotheken en heeft daarna gedurende gemiddeld 1 dag per week interne audits bij [naam] apotheken verricht. [verweerder] is daarnaast lid van de OR van [naam] . Tot oktober 2014 is [verweerder] ook voorzitter geweest van de OR en lid van de COR.

2.4.

[verweerder] is daarnaast lid van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD). Dit lidmaatschap staat los van zijn dienstverband bij [naam] . De LAD onderhandelt, als partij aan werknemerszijde, met onder meer de Associatie van Keten Apotheken (AKSA), als partij aan werkgeverszijde, waar [naam] lid van is, over het opzetten van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor apothekers in loondienst.

2.5.

Op 9 september 2014 heeft [verweerder] een e-mailbericht gestuurd aan alle [naam] apothekers. In dit e-mailbericht stond het volgende:

“(…)

De afgelopen maanden zijn we meerdere malen als CAO partijen bij elkaar gekomen. Zoals bekend onderhandelt het LAD namens de apothekers in loondienst en bestaat de zijde van de werkgevers uit de Vereniging van Zelfstandige Apotheken (VZA) en de Associatie van Keten Apotheken (ASKA). (…)

Wij streven er naar nog dit jaar een cao voor apothekers af te sluiten. Wel zien wij verschillen in opstelling van enerzijds de VZA en anderzijds de ASKA. Wij hebben vooralsnog de meeste moeite met de opstelling van ASKA als het gaat om de positie van apothekers. Deze verschilt nogal met die van de meer constructieve en op inhoud gedreven VZA. Ons sterven is nog steeds om wel met de VZA als de ASKA gezamenlijk een cao af te sluiten. Mocht dit helaas niet lukken dan is een mogelijkheid alleen met de VZA een cao af te sluiten en een verzoek bij de overheid in te dienen de cao algemeen verbindend te verklaren, waardoor deze ook op apothekers in loondienst bij de ketens van toepassing is.

Tenslotte nog een opmerking van persoonlijke aard. Zoals bekend ben ik ook voorzitter van de ondernemingsraad van [naam] Apotheken Nederland. Mede vanwege het feit dat ik namens het LAD aan de onderhandelingstafel zit was dit voor de bestuurder aanleiding mijn positie als voorzitter van de ondernemingsraad ter discussie te stellen. De ondernemingsraad is hierop niet ingegaan, voor mij is dit echter wel reden om na te denken of beide functies nog wel verenigbaar zijn. Overigens is de actie van de bestuurder nogal opmerkelijk omdat de ondernemingsraad haar eigen verantwoordelijkheid heeft en ook de vice-voorzitter van de ondernemingsraad reeds jaren als kaderlid van het CNV aanzit aan de onderhandelingstafel voor de [naam] cao.”

2.6.

Bij brief van 24 september 2014 heeft [naam] hierop richting [verweerder] gereageerd als volgt:

“Ik verneem van apothekers dat je een schrijven hebt verspreid via het [naam] apothekers netwerk over de status CAO apothekers in loondienst waar je een aantal onjuistheden weergeeft. Bovendien heeft de werkgever geen exemplaar gekregen en geen toestemming verleend om de [naam] mailadressen voor dit doeleind te gebruiken.

Ik splits dit in twee onderdelen.

1. Communicatie status CAO Apothekers in loondienst

 Er zijn nog geen afspraken gemaakt over communicatie met de achterban tussen CAO partijen. Het is dan ook hoogst ongebruikelijk en ongehoord om dit te doen. Dit helaas niet niet de 1ste keer, blijkbaar leg je dit naast je neer.

 De onjuistheid inzake Avv CAO. Wil je een CAO avv verkrijgen bij het ministerie is overeenstemming nodig van zowel de VZA als ASKA. Wat jij beweert is geheel niet juist en daarmee zet je de apothekers op een verkeerd spoor.

 De ASKA vertegenwoordigt meerdere apotheekketens. Deze mail aan [naam] apothekers zet [naam] in een verkeerd daglicht en door dit nadrukkelijke te benoemen zet je bewust een “wig” tussen VZA en ASKA.

Werkgeverspartijen zijn zeer ontstemd.

2. Persoonlijke noot over OR

 Vertrouwelijke OR info hoort niet bij communicatie naar e achterban.

 De bestuurder heeft niet jouw OR positie ter discussie gesteld door deelnamen aan de klankbordgroep. Dit heeft, zoals bekend andere redenen.

 Jij hebt de werkgever niet vooraf op de hoogte gesteld van jouw deelname aan de klankbordgroep en toestemming gevraagd conform de geldende regels “nevenactiviteiten”. Zoals eerder aangegeven ben je hier in overtreding gegaan.

 De vergelijking met [A] is niet correct omdat het een bedrijfs CAO en niet een branche CAO betreft.

Wij beraden ons over deze kwalijke situatie.

(…)”

2.7.

Bij e-mailbericht van 8 oktober 2014 heeft [verweerder] aan alle apothekers van [naam] het volgende gestuurd:

“Sinds mijn vorige mail zijn er de nodige ontwikkelingen geweest met betrekking tot de onderhandelingen van een CAO voor loondienstapothekers. Reden voor mij jullie hierbij de laatste nieuwsbrief van het LAD toe te sturen. Door in deze nieuwsbrief te klikken op de link cao-pagina komen jullie op de site van het LAD waar ook de vorige nieuwsbrieven zin te lezen. Lees met name ook de zesde nieuwsbrief van 18 september.

Overigens heeft de bestuurder de afgelopen maand bij de Ondernemings Raad een instemmingsaanvraag ingediend voor een nieuw loon- en functiegebouw. Dit was één van de dossiers die het LAD in de CAO voor loondienstapothekers wilde opnemen om daarmee een harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden voor alle loondienst apothekers te bereiken.

Het feit dat de onderhandelingen thans zijn opgeschort heeft helaas ook de nodige impact op het pensioen van alle apothekers. (…)”

2.8.

Op diezelfde dag heeft [verweerder] een e-mailbericht gestuurd aan alle apothekers bij [naam] waarin hij meedeelt dat hij zich niet beschikbaar zal stellen voor een nieuwe termijn als voorzitter van de OR. In het e-mailbericht staat verder onder meer:

“(…)

Helaas hebben er het afgelopen jaar een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden waardoor het onderling vertrouwen tussen de OR leden ernstig is geschaad en de OR meer met zichzelf is bezig geweest dan waarvoor zij in het leven is geroepen: het opkomen voor de belangen van de medewerkers.

Tot mijn grote verbazing werden wij begin dit jaar geconfronteerd met het feit dat een aantal OR leden buiten de reguliere vergaderingen om overleg pleegden met de bestuurder en ook afspraken maakten m.b.t. het functioneren van de OR waar de andere OR leden geen weet van hadden. (…) Daarnaast werd In februari door een aantal leden van de Centrale Ondernemings Raad (waaronder een aantal van onze OR leden) bij de groepsdirecteur HR commentaar geleverd op mijn functioneren als voorzitter van onze OR. (…) Tenslotte was er één OR lid die maandenlang met zijn mails op de mijn positie als voorzitter speelde, genomen besluiten van de OR probeerde terug te draaien en de onderlinge verstandhoudingen binnen de OR enorm verstoorde. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke gang van zaken funest is voor een goede samenwerking en het onderling vertrouwen in elkaar.

Reden voor ons om te proberen middels mediation de problemen op te lossen. In juni hebben nagenoeg alle OR leden afzonderlijk gesproken met de mediator, waarna er in juli een gezamenlijke bijeenkomst met hem plaatsvond. Daarin werden afspraken gemaakt hoe in het vervolg met elkaar om te gaan. Helaas bleek al snel dat gemaakte afspraken niet werden nagekomen. Reden om nogmaals begin september met de mediator samen te komen, nu alleen met de OR leden van de oude OR die ook in de nieuwe OR zitting zouden nemen. Op voorstel van de mediator is toen besloten dat de leden van het DB en de COR hun functies ter beschikking zouden stellen en deze niet opnieuw zouden innemen in de nieuwe OR. Helaas hebben op de eerste vergadering van de nieuwe OR de (C)OR leden al besloten hun besluit in te trekken en zich alsnog weer beschikbaar te stellen voor een nieuwe periode in de COR. Ik kan helaas niet anders concluderen dan dat maanden van mediation niets heeft opgeleverd.”

2.9.

Bij brief van 20 oktober 2014 heeft [verweerder] aan [naam] het volgende geschreven:

“(…)

In onze brief aan jou van 24 september jl. hebben wij ons ongenoegen geuit over het feit dat jij zonder overleg vertrouwelijke en bovendien onjuiste informatie verstrekte

aan apothekers van [naam] . Wij hebben je er in deze brief uitdrukkelijk op gewezen dat het niet acceptabel is om vertrouwelijke informatie uit de ondernemingsraad te delen met anderen.

Ondanks deze waarschuwing heb jij op 8 oktober jl. e-mails verstuurd aan de apothekers binnen [naam] . Je hebt daarbij wederom vertrouwelijke informatie uit de ondernemingsraad gedeeld en tevens informatie verspreid over de inhoud van de mediation waaraan de ondernemingsraad heeft deelgenomen. Het verspreiden van dergelijke informatie over interne aangelegheden van de ondernemingsraad is opnieuw een grove schending van de geheimhouding die jij als ondernemingsraadslid dient te betrachten. Bovendien staat het, op zijn minst, op gespannen voet met het karakter van mediation. Dit steekt te meer nu wij jou recentelijk uitdrukkelijk op dergelijk verwijtbaar gedrag hadden aangesproken. Jouw handelswijze is daarom voor ons een reden om met jou in gesprek te treden. Wij zullen jou daarvoor uitnodigen op donderdag 23 oktober 2014 om 10.00 uur op het hoofdkantoor.

(…)”

2.10.

Op 23 oktober 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam] en [verweerder] .

2.11.

Bij e-mailbericht van 19 december 2014 heeft [verweerder] aan alle apothekers van [naam] het volgende geschreven:

“(…)

Afschaffing salarisschalen 11 en 12 voor beherend apothekers

Zoals jullie in de laatste infORmatie hebben kunnen lezen heeft de OR Inmiddels onder haar nieuwe voorzitter de eerste advies- en instemmingsaanvragen afgewikkeld. Helaas was de informatie over de instemmingsaanvraag Performance Mangement Systeem (bewust?) niet volledig. Kort werd vermeld dat bij deze aanvraag ook een passende beloningsstructuur hoorde. Wat dit echter inhoudt werd niet vermeld. Zoals bekend hanteert [naam] voor apothekers naast schaal 10 ook de schalen 11 en 12. Daarmee onderscheidde [naam] zich positief t.a.v. van de KNMP richtlijn. Door het aannemen van deze instemmingsaanvraag komen de apothekers niet meer in aanmerking voor de schalen 11 en 2, deze worden gereserveerd voor de clustermanagers. (…)

Over deze instemmingsaanvraag is overleg geweest met het LAD, zij adviseerden ons deze aanvraag aan te houden totdat de onderhandelingen over een CAO voor apothekers waren afgerond of als dit niet mogelijk was deze instemmingsaanvraag af te wijzen. Helaas heeft de OR anders beslist…….

(…)”

2.12.

[verweerder] is vervolgens ziek geworden.

2.13.

[verweerder] is met ingang van december 2015 weer aan het werk gegaan waarbij hij ook weer deelnam aan OR-vergaderingen.

2.14.

Bij e-mailbericht van 8 februari 2016 heeft [verweerder] aan alle apothekers van [naam] het volgende geschreven:

“Van: OR [naam] Apotheken Nederland [mailto: [e-mailadres] ]

(…)

Onderwerp: pensioenpremie apothekers [naam]

(…)

Ook heb ik in december weer voor het eerst deelgenomen aan de vergaderingen van de OndernemingsRaad en viel ik meteen met mijn neus in de boter: de instemmingsaanvraag over de pensioenpremie van de apothekers. Het zal jullie niet verbazen dat ik samen met collega [M] zitting heb genomen in de commissie die deze aanvraag behandelt. In bijgaande brief wordt de instemmingsaanvraag besproken.

Tevens willen wij hier onze zorg uitspreken over de gang van zaken. Wij voelen dat er op dit moment een enorme druk op ons wordt uitgeoefend, zowel van binnen als buiten de OR, om op de komende OR vergadering van 16 februari akkoord te gaan met deze instemmingsaanvraag. Dat vinden wij onverantwoord aangezien wij nog veel vragen over deze aanvraag hebben. Zoals jullie kunnen lezen is dit een instemmingsaanvraag die niet alleen gaat over pensioenpremie, maar ook over collectieve verzekeringen en de salarissen. Zaken waar wij normaal niet over gaan, maar waarover door de vakbonden wordt onderhandeld als er sprake is van een CAO. Maar aangezien wij als apothekers nog geen CAO hebben kan [naam] ervoor kiezen een instemmingsaanvraag bij de OR in de dienen. Zoals het bij de vakbonden gebruikelijk is, het bereikte resultaat eerst ter goedkeuring voor te leggen aan de leden, willen wij als vertegenwoordigers van de apothekers in de OR over deze aanvraag dan ook geen beslissing nemen, zonder jullie hierin te kennen en jullie in de gelegenheid te stellen je mening hierover te geven.

Wij hadden deze mail via het e-mail adres van de OR willen versturen. Helaas is dit niet mogelijk omdat dit door de voorzitter van de OR wordt tegengehouden. Daarom heb ik bij mijn xs4all account een e-mail adres voor de OR aangemaakt. Graag ontvangen wij jullie reacties op dit adres.

(…)”

2.15.

De voorzitter van de OR heeft in een e-mailbericht van 10 februari 2016 hierop gereageerd als volgt:

“(…)

Ik had nadrukkelijk aan jou laten weten dat er gecommuniceerd dient te worden via de OR-mailbox. Het aanmaken van een eigen OR-mailbox in privé-domein is absoluut niet toelaatbaar.

Het staat iedereen vrij te communiceren als privé-persoon. Echter mag daarvoor zonder afstemming geen informatie uit de OR worden gebruikt. Ook de suggestie dat er namens de OR / OR-commissie is gecommuniceerd is ronduit stuitend.

(…)

Ik heb dit binnen het DB besproken.

Wij beraden ons nog op de gang van zaken. Tevens hebben wij Jan [X] als bestuurder hiervan op de hoogte gesteld.

(…)”

2.16.

Bij e-mailbericht van 10 februari 2016 aan alle apothekers van [naam] heeft [verweerder] het volgende geschreven:

“(…)

Helaas wordt ons initiatief wreed verstoord door een brief van de voorzitter van de OR waarin de voorzitter suggereert dat ik op eigen houtje zou werken. Niets is minder waar. Zoals jullie uit de vorige mail kunnen afleiden hebben de beide apothekers in de OR dit initiatief opgepakt.

(…)

Gebruikelijk bij een advies/instemmingsaanvraag is dat de commissie zelfstandig de aanvraag behandeld en advies uitbrengt aan de OR die dan vrijwel altijd het advies van de commissie overneemt. Dat thans de voorzitter een volledige andere wending aan het proces geeft is uiterst ongebruikelijk en ook nogal vreemd als men bedenkt dat juist de apothekers als direct betrokkenen van de aanvraag in onderling overleg proberen de aanvraag te behandelen. Daarnaast bevat de brief van de voorzitter diverse onjuistheden (zie onze brief) en loopt de voorzitter vooruit op een voorstel dat nog niet eens door de OR is genomen!(…)

De gang van zaken bevestigd eens te meer wat wij reeds in de vorige mail aangaven: dat er zowel binnen als buiten de OR een enorme druk op ons wordt gelegd om de komende OR bijeenkomst akkoord te gaan met deze aanvraag.

(…)”

2.17.

Bij brief van 12 februari 2016 heeft [naam] aan [verweerder] het volgende geschreven:

“Hierbij nodigen wij u uit voor een gesprek op maandag 15 februari om 13:00 uur op ons hoofdkantoor in Utrecht. Tijdens dit gesprek zullen wij stilstaan bij het volgende.

Uw recente e-mails van 8 en 10 februari jl. (zoals bijgevoegd) zijn niet vooraf met ons of met de OR afgestemd en zijn bovendien niet voor het eerst een grove schending van de geheimhoudingsverplichting die u als OR-lid dient te betrachten. Uw correspondentie bevatte informatie die nog niet door ons als werkgever richting de medewerkers is gecommuniceerd. Het is naar ons oordeel volstrekt onacceptabel dat een OR-lid voorafgaand aan communicatie van de werkgever reeds mededelingen doet aan de medewerkers zonder dat dit vooraf uitdrukkelijk is afgestemd.

Daarnaast is uw omschrijving van de kwestie niet volledig en schetst dit een onjuist beeld. Het is daarbij ook niet aan u om hierover mededelingen te doen uitgaan.

Wij moeten vaststellen dat het zeker niet voor het eerst is dat u dergelijk zeer ongewenst gedrag vertoont; (…)

Wij achten uw voornoemde handelswijze volstrekt onacceptabel en zijn dan ook tot de conclusie gekomen dat wij de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst in overweging dienen te nemen. Met het oog daarop wisselen wij graag maandag a.s. om 13:00 uur met u van gedachten.

Om verdere escalatie te voorkomen hebben wij bovendien besloten om u op non-actief te stellen en lost te koppelen van de [naam] -systemen. Het is ook nadrukkelijk niet de bedoeling dat u anderszins communiceert met medewerkers van [naam] en wij instrueren u bij deze dan ook daarvan af te zien.

(…)”

2.18.

Op 19 februari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij [verweerder] , [X] en hun gemachtigden aanwezig waren. Uit de brief van 25 februari 2016 van [X] blijkt dat [naam] de verklaring van [verweerder] voor zijn handelswijze onvoldoende rechtvaardiging vond en heeft zij haar voornemen om naar het einde van de arbeidsovereenkomst te streven aangekondigd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[naam] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen zo spoedig mogelijk te ontbinden:

- primair vanwege verwijtbaar handelen van [verweerder] , en

subsidiair vanwege de verstoorde arbeidsverhouding,

zodanig dat in redelijkheid van [naam] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren,

- voor recht te verklaren dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] en [verweerder] daardoor geen recht heeft op de transitievergoeding,

- een en ander met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek stelt [naam] dat [verweerder] zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door vertrouwelijke informatie, zoals de inhoud van en de gang van zaken bij de instemmingsaanvraag pensioenen en de inhoud van de gesprekken die in het kader van die instemmingsaanvraag tussen bestuurder en OR en OR-leden onderling werden gevoerd, mee te delen aan zijn collega apothekers.

Volgens [naam] houdt het ontbindingsverzoek geen verband met enig opzegverbod.

3.3.

[verweerder] voert gemotiveerd verweer. Hij voert aan dat de informatie die hij heeft gedeeld met alle apothekers, openbaar was. Verder heeft hij nieuwsberichten verspreid vanuit zijn rol in de LAD, welke berichten vooraf zijn afgestemd met de onderhandelaars van de LAD.

Ook is volgens [verweerder] binnen de onderneming gebruikelijk dat vanuit de OR via een nieuwsbrief wordt aangegeven dat [naam] een instemming- of adviesaanvraag had ingediend.

Volgens [verweerder] houdt het ontbindingsverzoek direct verband met zijn werkzaamheden als lid van de OR.

4 De beoordeling

4.1.

[naam] heeft bezwaar gemaakt tegen de (te) late indiening van het verweerschrift door [verweerder] . Nu het (ook) mogelijk is mondeling verweer te voeren tijdens de mondelinge behandeling en [naam] tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op de voor de beoordeling relevante punten van het verweer van [verweerder] , is de kantonrechter van oordeel dat in de procedure voldoende ruimte is geweest voor hoor en wederhoor. De kantonrechter zal hierna verder gaan met de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Geheimhoudingsplicht

4.2.

[verweerder] heeft betwist dat hij enige geheimhoudingsplicht heeft geschonden, waarbij hij heeft aangevoerd dat hetgeen hij heeft meegedeeld, niet verdergaat dan hetgeen al bekend was althans bekend had kunnen zijn bij de betreffende collega’s.

De kantonrechter volgt [verweerder] niet in dit verweer. De wijze waarop hij heeft gerapporteerd aan ‘zijn achterban’, zoals hij dat heeft omschreven, gaat namelijk verder dan dat, doordat hij bijvoorbeeld niet alleen de status maar ook de inhoud van een door de ondernemer ingediende instemmingsaanvraag heeft besproken. Zijn mededelingen gaan ook verder dan de gebruikelijke wijze van informeren via de nieuwsbrief van de OR waarin (enkel) het feit dát een instemmingsaanvraag is ingediend normaalgesproken wordt genoemd.

Daarbij heeft [verweerder] ook zijn eigen mening gegeven en kritiek geuit op de bestuurder en uitlatingen gedaan over de verhoudingen binnen de OR en tussen het bestuur en de OR. Hieronder zal daarom dienen te worden beoordeeld of [verweerder] door deze verdergaande mededelingen ook ontoelaatbaar heeft gehandeld en wat daar eventueel de gevolgen van dienen te zijn.

4.3.

[naam] heeft gesteld dat [verweerder] zijn geheimhoudingsplicht die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden. [naam] beroept zich ten eerste op artikel 20 WOR waarin is bepaald dat leden van de OR verplicht zijn tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid van OR-lid vernemen, van de aangelegenheden waarvan de ondernemer of de OR hun geheimhouding heeft opgelegd en of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter hadden moeten begrijpen.

Volgens [naam] vallen de door [verweerder] met alle apothekers gedeelde berichten onder de hiervoor genoemde ‘zaken- en bedrijfsgeheimen’ van [naam] .

4.4.

[verweerder] heeft erop gewezen dat geen van de aan hem verweten mededelingen aangelegenheden betrof waarvan geheimhouding was opgelegd.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat [naam] heeft erkend dat niet specifiek geheimhouding was opgelegd ten aanzien van de aangelegenheden waarover [verweerder] volgens [naam] ten onrechte heeft bericht aan zijn collega’s. De vraag is dus enkel of [verweerder] met zijn mededelingen zaken- of bedrijfsgeheimen van [naam] heeft geopenbaard. Volgens de kantonrechter is daarvan geen sprake. [verweerder] heeft mededelingen gedaan over de stand van zaken van de onderhandelingen over een CAO voor apothekers in loondienst en hij heeft benoemd dat hij een verschil zag in opstelling tussen de werkgeverspartijen die betrokken zijn bij die onderhandelingen. Ook heeft hij kritische opmerkingen geplaatst over het handelen van de bestuurder van [naam] . [verweerder] heeft daarnaast meegedeeld aan alle apothekers van [naam] dat er een instemmingsaanvraag door de ondernemer was ingediend, wat die inhield en daarbij de gevolgen van instemming door de OR voorgespiegeld. [verweerder] heeft ook mededelingen gedaan over het mediationtraject tussen de bestuurder en de (C)OR.

De kantonrechter overweegt dat geen van deze onderwerpen naar hun aard te kwalificeren zijn als zaken- of bedrijfsgeheimen. Bij zaken- of bedrijfsgeheimen kan gedacht worden aan productiemethoden, investeringsplannen, onderzoek of adressen. Verder zullen onder de geheimhoudingsplicht vallen aangelegenheden die uit concurrentieoverwegingen of wettelijke voorschriften niet openbaar gemaakt mogen worden. De onderwerpen waar [verweerder] zijn collega apothekers over heeft geïnformeerd en geraadpleegd betreffen weliswaar aangelegenheden die binnen de onderneming spelen, maar zijn organisatorisch van aard. Hiervan kan niet worden gezegd dat die concurrentiegevoelig zijn. Dit is door [naam] ook niet betoogd. Door [naam] is aangegeven dat de wijze waarop [verweerder] ‘uit de school is geklapt’ maakt dat onrust is ontstaan onder de apothekers en dat de bestuurder met vele vragen van werknemers is geconfronteerd.

Nu ten aanzien van de betreffende aangelegenheden geen geheimhouding was opgelegd en evenmin sprake is van zaken- of bedrijfsgeheimen kan van een schending door [verweerder] van artikel 20 WOR geen sprake zijn.

4.6.

De situatie in het in dit verband door [naam] genoemde arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013, JAR 2013/274, is verder naar het oordeel van de kantonrechter niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest was sprake van een werknemer, die actief en welbewust, onder gebruikmaking van zijn bevoegdheden als voormalig lid van de ondernemingsraad, op zoek ging naar informatie. De door hem uiteindelijk met collega’s gedeelde informatie bevond zich daarbij ook nog in een submap die gelabeld was ‘strikt vertrouwelijk’. In dit geval is van een welbewust op zoek gaan naar informatie door [verweerder] geen sprake. Ook was die informatie, zoals hiervoor ook al is genoemd, juist niet uitdrukkelijk als geheim bestempeld.

4.7.

[naam] heeft ook gesteld dat de mededelingen van [verweerder] in strijd zijn met artikel 7:611 BW (goed werknemerschap) en artikel 7:678 lid 2 sub i en/of algemeen gebruik. Van strijd met artikel 7:678 lid 2 onder i kan geen sprake zijn. Hierin is bepaald dat voor de werkgever een dringende reden voor ontslag van de werknemer bestaat indien de werknemer bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever bekend maakt. Niet alleen gaat het in dit geval niet om bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van werkgever, zoals hiervoor al uiteen is gezet, ook het consulteren van de werknemers die het aangaat acht de kantonrechter niet gelijk aan het in artikel 7:678 lid sub i opgenomen ‘bekend maken’.

4.8.

De vraag resteert nu of de mededelingen van [verweerder] in strijd zijn met de meer algemene verplichting uit artikel 7:611 BW om zich als goed werknemer te gedragen. De Hoge Raad overwoog in het arrest Querijns/TGB (HR 26 oktober 2012, LJN BW9244, JAR 2012/313): “De in art. 7:611 BW neergelegde verplichting van een werknemer om zich als een goed werknemer te gedragen brengt mee dat hij, zoals ook het hof in r.o. 3.7.4. heeft overwogen, in beginsel tegenover zijn werkgever is gehouden tot discretie en loyaliteit. Dit geldt ook indien de werknemer van mening is dat binnen de organisatie sprake is van een misstand die in het algemeen belang dient te worden bestreden”.

De kantonrechter stelt voorop dat juist gelet op de hiervoor besproken specifieke bepaling voor OR-leden ten aanzien van geheimhouding, niet snel kan worden aangenomen dat een gedraging die daarmee niet in strijd is wél strijd oplevert met de algemene norm uit artikel 7:611 BW. Voorstelbaar is dit bijvoorbeeld indien de wijze van communiceren naar zijn aard bijzonder kwalijk is en/of geheel los van het OR-lidmaatschap staat, in welk geval de gedraging als een schending van de door de werknemer in acht te nemen discretie en loyaliteit jegens de werkgever kan worden gekwalificeerd. Dat hiervan sprake is, is door [naam] onvoldoende onderbouwd. Het onderhavige geval verschilt bovendien ook van die uit het voormelde arrest, nu [verweerder] geen misstanden binnen de organisatie kenbaar heeft gemaakt naar personen buiten de organisatie.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van een schending van een geheimhoudingsplicht door [verweerder] . De door [naam] op die schending gestoelde ontbindingsgrond van verwijtbaar handelen door [verweerder] is daarmee niet komen vast te staan.

4.10.

Ten aanzien van de door [naam] gestelde ontbindingsgrond bedoeld onder artikel 7:669 lid 3 onder g heeft te gelden dat ook daar een voldoende (zelfstandige) onderbouwing voor ontbreekt. Dezelfde verwijten die [naam] aan [verweerder] heeft gemaakt in het kader van de hiervoor besproken ontbindingsgrond, heeft [naam] in dit kader naar voren gebracht. Dat [verweerder] zich kritisch heeft uitgelaten en collega’s op de hoogte heeft gebracht van wat er binnen de OR (vergaderingen) is besproken, zet de interne verhoudingen wellicht onder druk, maar maakt niet dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat op grond daarvan een einde aan de arbeidsovereenkomst dient te komen.

Opzegverbod

4.11.

Partijen twisten verder over de vraag of een opzegverbod in de weg staat aan de verzochte ontbinding. Uitgaande van de veronderstelling dat de gedragingen van [verweerder] wél voldoende aanleiding zouden zijn voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, dan is de kantonrechter van oordeel dat alsnog het lidmaatschap van [verweerder] van de OR aan de verzochte ontbinding in de weg staat. Op grond van artikel 7:670 BW lid 4 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de werknemer die lid is van de OR. De kantonrechter kan het verzoek tot ontbinding in dat geval alleen inwilligen indien het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van de OR. (artikel 7:671b lid 6 BW).

4.12.

De ontslagbescherming die op grond van het voorgaande geldt voor een OR-lid kan slechts opzij worden gezet indien sprake is van zwaarwegende gewichtige redenen, om de onafhankelijkheid en een kritische houding van de (leden van de) OR mogelijk te maken.

Dat [verweerder] - kortgezegd - kritisch is, onder meer naar de bestuurder van [naam] , hij tot in detail hetgeen in de OR speelt, heeft gedeeld met zijn collega’s en dat er naar aanleiding van zijn mededelingen onrust ontstaan is binnen [naam] , is van onvoldoende gewicht om de ontslagbescherming voor een OR-lid opzij te zetten. Daarnaast vallen de aan [verweerder] verweten gedragingen naar het oordeel van de kantonrechter nu juist samen met de wijze waarop [verweerder] meent vorm en inhoud te moeten geven aan zijn activiteiten als lid van de OR. Hij heeft die mededelingen gedaan met de bedoeling de werknemers die het aangaat te informeren over en te betrekken bij de besluitvorming binnen [naam] .

4.13.

In beginsel biedt artikel 13 WOR het kader voor [naam] en/of de OR van [naam] om discutabele gedragingen van een OR-lid het hoofd te bieden. Niet is gesteld of gebleken, dat de gedragingen van [verweerder] zodanig zijn, dat dat instrumentarium ontoereikend is en moet worden gegrepen naar het middel van beëindiging van het dienstverband.

Conclusie

4.14.

Op grond van het voorgaande wordt het verzoek van [naam] afgewezen.

4.15.

In het verweerschrift staat op pagina 18 een tussenkopje “Zelfstandig verzoek om wedertewerkstelling”. Hieronder gaat [verweerder] in op het feit dat hij geschikt en bereid is om zijn werkzaamheden weer op te pakken, maar wordt geen daadwerkelijk verzoek tot wedertewerkstelling gedaan. Ook aan het slot onder de conclusie van het verweerschrift is hier niet om verzocht. Dit verzoek ligt dan ook niet aan de kantonrechter ter beoordeling voor.

4.16.

[naam] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt [naam] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2016.