Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:382

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
16.659474-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt twee mannen voor oplichting van een Urker visgroothandel in november 2013. De eigenaar van de visgroothandel wordt veroordeeld voor de gijzeling van één van de oplichters.

Oplichting

Twee mannen hebben zich schuldig gemaakt aan oplichting van een visgroothandel door onder een valse naam een lading vis af te nemen. De rechtbank veroordeelt deze verdachten tot werkstraffen van respectievelijk 100 en 200 uur (waarvan 50 uur voorwaardelijk). Een derde man die ervan verdacht werd betrokken te zijn geweest bij de oplichting, is inmiddels overleden. In deze zaak werd de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard.

Gijzeling

De eigenaar van de visgroothandel heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van één van de verdachten in de oplichtingszaak. De eigenaar had aangifte gedaan van de oplichting, maar vond dat de politie niet voortvarend genoeg optrad. Hij wilde met de gijzeling de oplichters bewegen het geld voor de door hem geleverde vis te betalen of de lading vis aan hem terug te geven. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van een ploertendoder. De rechtbank legt deze verdachte een geldboete op van €10.000,-.

Vrijspraak

Een medewerker van de visgroothandel wordt vrijgesproken omdat niet kan worden geconcludeerd dat de man deelgenomen heeft aan de gijzeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659474-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1964] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.N. Brens-Cats, advocaat te Emmen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

F. Rethmeijer en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 november 2013 tot en met 19 november

2013 op Urk en/of te Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde]

heeft bewogen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid vis

(zalmfilet) en/of garnalen, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich tegenover (medewerker(s) van) die [benadeelde] voorgedaan als

een medewerker van [hotel] en/of daarbij

gebruikmakend van een valse naam en/of van een (gedeeltelijk) vals e-mailadres

en/of de bedrijfsgegevens en/of het logo van [hotel]

, en/of

- in die (valse) hoedanigheid voornoemde partij vis en/of garnalen besteld bij

die [benadeelde] en/of

- zich (aldus) voorgedaan als een bonafide koper en/of de indruk gewekt dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de betreffende partij vis en/of

garnalen na levering zou/zouden betalen,

waardoor die [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2013 tot en met 20 november

2013 op Urk en/of te Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of

door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] te bewegen tot

de afgifte van een (grote) hoeveelheid garnalen, in elk geval van enig goed,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt heeft

gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- zich tegenover (medewerker(s) van) die [benadeelde] voorgedaan als

een medewerker van [hotel] en/of daarbij

gebruikmakend van een valse naam en/of van een (gedeeltelijk) vals e-mailadres

en/of de bedrijfsgegevens en/of het logo van [hotel]

, en/of

- in die (valse) hoedanigheid voornoemde partij garnalen

bij voornoemde [benadeelde] besteld en/of

- zich (aldus) voorgedaan als een bonafide koper en/of de indruk gewekt dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemde partij garnalen na

levering zou/zouden betalen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte van [aangever] , de verklaring van [getuige] , de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (de zwager van verdachte) en de verklaring van verdachte. Verdachte kan als medepleger worden aangemerkt, omdat hij met zijn handelingen een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank 1

Aangever, eigenaar van [benadeelde] op Urk, heeft verklaard dat hij op

15 november 2013 telefonisch een order kreeg van [A] om voor € 20.513,37 vis te leveren. Vervolgens werd in een e-mail bevestigd dat de order afkomstig was van [A] namens [hotel] , waarbij gebruik werd gemaakt het logo van [hotel] en de Kamer van Koophandel en BTW gegevens. Op

19 november 2013 kwam er een Mercedes koelbus het terrein op rijden met daarop de letters [autoverhuurbedrijf] .2 Er stapte een man uit die de vis inlaadde. Deze man is vervolgens weggereden. Diezelfde dag kreeg aangever weer een e-mail van [A] met het verzoek opnieuw vis te leveren. Aangever kreeg argwaan en heeft naar [hotel] gebeld waar men aangaf geen [A] te kennen en geen vis bij [benadeelde] besteld te hebben. Op 20 november 2013 kwam hetzelfde busje het terrein oprijden. De chauffeur van de bus bleek een ander te zijn dan de chauffeur van de dag ervoor, maar in de bus herkende aangever de pallets van de levering van de dag ervoor. Aangever heeft [A] gebeld met de vraag waar de vis gebleven was en wanneer hij zou gaan betalen, maar door [A] werd de telefoon opgehangen.3

Uit de door aangever overgelegde e-mailwisseling tussen hem en [A] volgt dat het gaat om twee partijen vis bestaande uit zalmfilet en gamba’s.4

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 19 november 2013 naar Urk is geweest met een gehuurde bus uit Almere om een vracht te laden. Hij is daarmee naar Zwolle gereden en heeft daar de vracht uitgeladen. Daarna heeft hij de bus aan zijn zwager [verdachte] gegeven. Hij heeft de bus op zijn naam gehuurd bij een bedrijf in Almere genaamd [autoverhuurbedrijf] . Hij heeft de bus ’s ochtends op 19 november 2013 opgehaald en heeft ’s middags gebeld of de bus langer gehuurd kon worden voor in totaal twee dagen. Hij heeft de borg voor de bus betaald met het pinpasje dat hij van zijn zwager had meegekregen. [medeverdachte 2] heeft hem de opdracht gegeven om een bus bij [autoverhuurbedrijf] in Almere te huren.5 [medeverdachte 1] is alleen naar binnen gegaan; zijn zwager en [medeverdachte 2] hadden hem afgezet. Daarna zijn ze met z’n drieën naar Urk gereden. Hij kreeg instructies van [verdachte] en [medeverdachte 2] . Hij moest naar een bepaalde visopslagplaats bij [benadeelde] . Hij heeft [medeverdachte 2] gebeld hoe hij moest rijden. Hij is naar het bedrijf gegaan en heeft gezegd dat hij een lading kwam ophalen voor [hotel] ; dat moest hij zeggen van [medeverdachte 2] . Dat was één van de instructies die hij had gekregen. Hij moest zich van de domme houden als ze vragen zouden stellen. Hij is zonder [medeverdachte 2] en [verdachte] naar [benadeelde] gereden. Ter plaatse werd hij geholpen met het laden van de vis in de bus en werd hem gevraagd waarom hij geen bus van [hotel] had. Op instructie van [medeverdachte 2] heeft hij gezegd dat de bus van [hotel] gemaakt moest worden. Vervolgens heeft hij gebeld met [medeverdachte 2] dat de vis geladen was en hebben ze afgesproken bij een benzinepomp.6 Ze zijn vandaar met z’n drieën naar Zwolle gereden naar een toko om de lading te lossen. [medeverdachte 2] is bij de toko naar binnen gegaan en even later hebben ze de bus uitgeladen. [verdachte] zei tegen hem dat [medeverdachte 2] binnen aan het afrekenen was en dat [verdachte] daar niet bij mocht zijn.7

Ze zijn daarna eerst naar [medeverdachte 2] ’s huis gegaan, waar [medeverdachte 2] hem € 1.000,- contant betaalde. [verdachte] kreeg zo’n € 1.200,- of € 1.300,- betaald. [medeverdachte 1] wist dat hij iets had gedaan dat niet door de beugel kon, omdat hij bij het bedrijf van [benadeelde] moest tekenen voor een pakbon op naam van [hotel] en omdat hij er € 1.000,- mee kon verdienen. Hij heeft met een andere, niet zijn eigen, handtekening getekend.8

De volgende dag is hij met zijn zwager naar een benzinepomp in Zwolle gereden, waar [medeverdachte 2] op hen stond te wachten. Hij hoorde [medeverdachte 2] tegen een andere jongen zeggen dat hij € 1.000- kon verdienen als hij ook naar Urk zou rijden. Hij moest net als [medeverdachte 1] naar [benadeelde] rijden en een partij vis ophalen.9

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] had gebeld en had aangegeven dat hij handel had, waarbij wat dozen gesjouwd moesten worden en een auto teruggebracht moest worden.10

Op dinsdag [19 november 2013] is er een bus gehuurd. Hij heeft met [medeverdachte 2] en [B] , zijn zwager, de bus opgehaald. [B] heeft de bus gehuurd en heeft hiervoor de bankpas van verdachte gebruikt. Ze zijn met de auto van [medeverdachte 2] naar Almere gereden om de bus op te halen. Omdat in de bus geen navigatie zat, zijn hij en [medeverdachte 2] voor de bus gaan rijden, die werd bestuurd door [B] . Vervolgens zijn ze richting Urk gereden. Verdachte wist dat ze vis gingen halen. [medeverdachte 2] gaf de papieren, waarschijnlijk een pakbon, aan [B] mee en vertelde [B] hoe hij moest rijden. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn bij de haven gebleven.11

Vervolgens is [B] achter verdachte en [medeverdachte 2] aangereden richting een Chinese toko in Zwolle. [medeverdachte 2] ging naar binnen om het een en ander te regelen, waarna ze de vis hebben uitgeladen. [medeverdachte 2] heeft [B] gevraagd of de bus nog een dag langer gehuurd kon worden en dit is later telefonisch bevestigd. Verdachte heeft de bus op verzoek van [medeverdachte 2] op een parkeerplek aan de A28 neergezet. Hij heeft de sleutels van de bus aan [medeverdachte 2] gegeven en zag [medeverdachte 2] vervolgens richting de bus lopen.12

[medeverdachte 2] heeft hem op die donderdag [21 november 2013] opgehaald, waarna ze naar Zwolle zijn gereden. Daar stond de koelbus van [autoverhuurbedrijf] met de sleutels op het linker voorwiel.13 Verdachte is in de bus gestapt en is weggereden; hij moest de bus naar Almere rijden. Hij is achter [medeverdachte 2] aangereden en is met [medeverdachte 2] naar de Shell in Almere gereden om te tanken. Verdachte heeft de brandstof betaald en zou voor alle onkosten vrijgesteld worden.14

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij € 1.000,- heeft ontvangen voor het rijden naar de Chinese toko in Zwolle en zo’n € 300,- voor de door hem gemaakte kosten. Hij wist dat [medeverdachte 2] nog een bestelling ging doen die op woensdag [20 november 2013] moest worden opgehaald. Verdachte besefte voordat ze naar [benadeelde] te Urk vertrokken al dat [medeverdachte 2] hem en zijn zwager iets voorspiegelde wat niet klopte.15

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de voltooide oplichting van aangever [benadeelde] zoals ten laste is gelegd onder feit 1 en bij de poging tot oplichting zoals ten laste is gelegd onder feit 2. Er was sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij [medeverdachte 2] de initiator was en ze alle drie een rol hadden bij de uitvoering van de feiten. Onderling is er meermalen overleg gevoerd en zijn er instructies gegeven. Verdachte heeft een rol gespeeld bij het huren, het heen een weer rijden en het terugbrengen van de bus en heeft geholpen met het uitladen van de vis. Ook heeft verdachte een geldbedrag gekregen voor zijn bijdrage en wist hij dat er iets niet in de haak was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan beide feiten, zodat hij als medepleger kan worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals blijkt uit de bewezenverklaring.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 14 november 2013 tot en met 19 november 2013 op Urk en/of te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid vis

(zalmfilet) en garnalen,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

- zich tegenover (medewerker(s) van) die [benadeelde] voorgedaan als een medewerker van [hotel] en daarbij gebruikmakend van een valse naam en van een (gedeeltelijk) vals e-mailadres en de bedrijfsgegevens en het logo van [hotel] , en

- in die (valse) hoedanigheid voornoemde partij vis en garnalen besteld bij die [benadeelde] en

- zich (aldus) voorgedaan als een bonafide koper en/of de indruk gewekt dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de betreffende partij vis en garnalen na levering zou/zouden betalen, waardoor die [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in de periode van 19 november 2013 tot en met 20 november 2013 op Urk en/of te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] te bewegen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid garnalen, in elk geval van enig goed,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- zich tegenover (medewerker(s) van) die [benadeelde] voorgedaan als een medewerker van [hotel] en daarbij gebruikmakend van een valse naam en van een (gedeeltelijk) vals e-mailadres en de bedrijfsgegevens en het logo van [hotel] , en

- in die (valse) hoedanigheid voornoemde partij garnalen bij voornoemde [benadeelde] besteld en

- zich (aldus) voorgedaan als een bonafide koper en de indruk gewekt dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemde partij garnalen na levering zou/zouden betalen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Van het onder feit 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Medeplegen van oplichting.

Feit 2:

Medeplegen van poging tot oplichting.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de ouderdom van de feiten en de uitkomst van de bemiddelingsgesprekken en te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan een voltooide en een poging tot oplichting door zich voor te doen als bonafide koper en de indruk te wekken dat de door hun bestelde partijen vis na levering zouden worden betaald. Verdachte en zijn mededader(s) hebben misbruik gemaakt van het door het slachtoffer in hun gestelde vertrouwen met als doel eigen financieel gewin. Door deze handelswijze is het slachtoffer financieel gedupeerd, hetgeen heeft geleid tot represailles van de kant van het slachtoffer. Dit soort delicten tasten voorts de zuiverheid van het handelsverkeer aan. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Verdachte en het slachtoffer hebben deelgenomen aan bemiddelingsgesprekken van Slachtoffer in Beeld (SiB). Uit de eindovereenkomst van deze SiB-mediation blijkt dat beide partijen begrip hebben gekregen voor elkaars handelen. Duidelijk is geworden dat ze elkaar geen schade hebben willen toebrengen en dat ze spijt hebben van wat de consequenties zijn geweest. Partijen hebben aangegeven dat de situatie voor een ieder voldoende is hersteld en dat de geleden materiële en immateriële schade als verlies wordt geaccepteerd.

Uit een reclasseringsrapport van 10 december 2015 volgt dat verdachte zijn leven op orde had totdat hij in 2011 een hartaanval kreeg. Er ontstonden financiële problemen waardoor verdachte zijn zaken van de hand moest doen. Sindsdien is zijn leefsituatie instabiel. Hij heeft geen werk, moet rondkomen van een uitkering, dreigt zijn woning kwijt te raken en in de schuldsanering terecht te komen. Het delict is uit financiële overwegingen en in het contact met zijn familie gepleegd. Het baat de reclassering zorgen dat verdachte na de onderhavige verdenking opnieuw voor eenzelfde soort delict met justitie in aanraking is geweest. De consequenties van het delict hebben indruk gemaakt op verdachte en hij wil meewerken aan wat van hem gevraagd wordt. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig en geadviseerd wordt een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat verdachte blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 november 2015 niet eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een werkstraf voor de duur van 200 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Een geheel voorwaardelijke straf doet, ondanks de geslaagde bemiddelingsgesprekken, in de ogen van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag dat verdachte in verzekering doorgebracht heeft;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. F.G. van Arem en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers 2013087622 en 2013087127, doorgenummerd 1 tot en met 262.

2 Pagina 182.

3 Pagina 183.

4 Pagina 187 en 189.

5 Pagina 162.

6 Pagina 163.

7 Pagina 164.

8 Pagina 165.

9 Pagina 166.

10 Pagina 144.

11 Pagina 145.

12 Pagina 146.

13 Pagina 144.

14 Pagina 145.

15 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2016.