Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3019

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
UTR 15/4934
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minister van Veiligheid en Justitie moet een gedeelte van de documenten over de

MH-17 die zij op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) weigerde te verstrekken aan RTL, De Volkskrant en de NOS opnieuw doornemen en beoordelen. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland vrijdag in een tussenuitspraak beslist.

De zaak

RTL, De Volkskrant en de NOS hebben op grond van de Wob de minister verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de vliegramp met de MH-17. Het gaat hierbij om documenten van de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing. De minister heeft een deel van de documenten verstrekt en een deel geweigerd. De stukken zijn geweigerd omdat de documenten buiten het Wob-verzoek zouden vallen of omdat er sprake was van persoonlijke beleidsopvattingen. Dit zijn onder andere gronden waarop de minister de openbaarmaking van stukken mag weigeren.

Opnieuw beoordelen

De rechtbank oordeelt dat de afgewezen stukken zoals conceptversies van nota’s en factsheets onder het Wob-verzoek vallen en alsnog verstrekt zouden moeten kunnen worden. De rechtbank vindt ook dat er opnieuw gekeken moet worden naar onderdelen die weggelakt zijn. Volgens de minister zijn alleen de persoonlijke beleidsopvattingen weggelakt maar de rechtbank oordeelt dat onder sommige weggelakte onderdelen feitelijke gegevens en beschrijvingen staan, die niet verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde documenten zijn geweigerd. De minister moet daarom deze weggelakte onderdelen binnen acht weken opnieuw doornemen en beoordelen. RTL, De Volkskrant en de NOS krijgen daarna de gelegenheid om op de beoordeling van de minister te reageren. Vervolgens zal de rechtbank in een einduitspraak beoordelen of de minister juist heeft gehandeld.

Persoonsgegevens niet openbaar

De documenten met persoonsgegevens van slachtoffers en hulpverleners, maar ook de contactgegevens van betrokken ambtenaren mocht de minister wel weigeren. De openbaarmaking van die stukken zou een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4934

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2016 in de zaak tussen

RTL Nieuws, te Hilversum, eiseres

(gemachtigden: [X] en [Y] ),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de politiek-bestuurlijke afhandeling van de vliegramp met de MH-17 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 11 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [Y] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. D.W.M. Wenders en [A] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten van of bij de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) inzake de vliegramp met de MH-17, in het bijzonder agenda’s, convocaties, ingekomen stukken, adviezen, vergaderstukken, besluiten en besluitenlijsten, verslagen en notulen en alle overige documenten die via deze gremia zijn gewisseld. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat het verzoek betrekking heeft op 176 documenten van de ICCb en 79 documenten van de MCCb. Een deel van deze documenten is (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

2. Met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank kennis genomen van alle documenten. Eiseres heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

3. De rechtbank heeft allereerst geconstateerd dat in de mappen met de ongelakte stukken de documenten met nummer 132, de bijlagen bij document A10 en documenten A76 tot en met A79 ontbreken. De rechtbank kan dus niet beoordelen of verweerder deze documenten terecht heeft geweigerd. Verweerder dient deze documenten alsnog aan de rechtbank toe te sturen, zodat de rechtbank de beoordeling alsnog kan uitvoeren.

Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat bij de stukken, zoals deze aan eiseres openbaar zijn gemaakt, pagina 2 van document 98, pagina’s 1 en 2 van document 144 en de bijlagen van A10 ontbreken. Deze documenten dient verweerder alsnog aan eiseres toe te sturen, voor zover ze naar het oordeel van verweerder openbaar gemaakt kunnen worden. Als verweerder delen van deze pagina’s/documenten wil weigeren, dan dient deze weigering te worden voorzien van een toereikende motivering.

4. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de weigeringsgronden zoals vermeld op de documenten, niet altijd corresponderen met de weigeringsgronden zoals deze staan vermeld op de bijgevoegde lijsten. De rechtbank heeft waar dit zich voordoet, steeds de weigeringsgronden zoals vermeld op de documenten zelf, als uitgangspunt genomen. In het bijzonder ten aanzien van de documenten 71, 153 en A42 overweegt de rechtbank dat verweerder op de bijgevoegde lijst heeft vermeld dat deze documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat deze documenten volledig openbaar zijn gemaakt.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat niet voldaan is aan het ‘noodzakelijkheidsvereiste’ van artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het noodzakelijkheidsvereiste beoogt paal en perk te stellen aan een beroep op de uitzonderingsgronden en beperkingen van de Wob. De EVRM-jurisprudentie beoogt te bewerkstelligen dat informatie alleen kan worden geweigerd als er zeer dwingende redenen zijn om informatie aan het publieke domein te onthouden. Dit geldt volgens het EHRM te meer als het gaat om verzoeken afkomstig van zogenoemde social watchdogs, zoals de pers. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat met artikel 10 en artikel 11 van de Wob is voorzien in inmenging in artikel 10, eerste lid, van het EVRM.

6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kan aan artikel 10 van het EVRM in beginsel een recht op het ontvangen van inlichtingen worden ontleend. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiseres aan artikel 10 van het EVRM dit recht kan ontlenen. Zoals verder volgt uit rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6945) vereist artikel 10 van het EVRM echter niet dat alle informatie wordt verstrekt of openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Artikel 10, tweede lid, van het EVRM bepaalt immers dat de uitoefening van de vrijheid om inlichtingen te ontvangen, kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Door de regeling in de artikelen 10 en 11 van de Wob is de beperking van het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM vervatte recht om die inlichtingen te ontvangen in dit geval bij de wet voorzien. Deze wettelijke beperkingen voldoen aan de eisen van artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Dit betekent dat niet iedere concrete weigering nog rechtstreeks aan artikel 10 van het EVRM moet worden getoetst. De positie van eiseres als social watchdog maakt dit niet anders. Voor het EHRM is deze positie relevant voor de beantwoording van de vraag of aan artikel 10, van het EVRM een recht op het ontvangen van inlichtingen kan worden ontleend. Zoals hiervoor al is overwogen, wordt dit door de ABRvS in beginsel en door de rechtbank in dit geval, aangenomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres heeft bestreden dat delen van documenten niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Alle informatie in de relevante documenten moet worden geacht onder de reikwijdte van het verzoek te vallen. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat in de documenten informatie van (zeer) geringe omvang is opgenomen die niet ziet op of van belang is voor de politiek-bestuurlijke afwikkeling van de ramp met de MH-17. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder in een aantal documenten passages onleesbaar heeft gemaakt op deze grond onder aanduiding met de letter E. De rechtbank overweegt hierover dat het systeem van de Wob zich hiertegen verzet. Alle documenten betreffen in hun geheel een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. In dat geval kan het verstrekken van informatie daaruit niet achterwege blijven op de grond dat die informatie geen bestuurlijke aangelegenheid betreft. Verweerder heeft deze passages dus niet op deze grond kunnen weigeren en zal tot openbaarmaking over moeten gaan als ook geen andere weigeringsgrond van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet. Verweerder zal deze beoordeling alsnog moeten maken. In het bijzonder met betrekking tot de rubricering van de documenten, die op deze grond onleesbaar is gemaakt, overweegt de rechtbank dat verweerder hierover ter zitting heeft opgemerkt dat de rubricering van de documenten niet geheim is en dat hierop geen andere weigeringsgrond van toepassing is. Verweerder dient de rubricering van de documenten dan ook openbaar te maken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2303) laat de rechtbank het aan verweerder over hiervoor de meest geëigende wijze te kiezen.

8. Over de documenten met nummers 40, 69, 87, 102, 107, 114, 117, 125, 171 en A17 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze buiten de strekking van het Wob-verzoek vallen, omdat het conceptversies van nota’s en factsheets betreffen. De rechtbank overweegt hierover dat niet in te zien valt waarom deze documenten niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiseres zouden vallen. Het verzoek omvat immers ‘Ingekomen stukken, adviezen en vergaderstukken’ en ‘Alle overige documenten die via de MCCb en ICCb zijn gewisseld’. Eiseres heeft daarbij conceptversies van documenten niet expliciet uitgesloten, zodat er voor verweerder geen enkele aanleiding bestond om aan te nemen dat eiseres niet geïnteresseerd zou zijn in conceptversies van documenten. Verweerder had eiseres op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wob kunnen verzoeken hierover duidelijkheid te verschaffen, maar heeft dit nagelaten. Verweerder zal zich dus alsnog een oordeel dienen te vormen of deze documenten openbaar gemaakt kunnen worden, dan wel of er weigeringsgronden van toepassing zijn die aan openbaarmaking op grond van de Wob in de weg staan.

9. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de openbaarheid. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat hij in redelijkheid het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren zwaarder heeft kunnen laten wegen. Het betreft persoonsgegevens van ambtenaren die gelet op hun functie beroepsmatig niet regelmatig in de openbaarheid optreden, aldus verweerder. Verweerder heeft de weigeringen waaraan deze weigeringsgrond ten grondslag ligt in alle documenten aangeduid met de letter A.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat openbaarmaking van de geweigerde persoonsgegevens inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Aan het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, zoals slachtoffers en hulpverleners, mocht verweerder een zwaarder gewicht toekennen dan aan het belang bij openbaarmaking van de namen van die betrokkenen. De geweigerde persoonsgegevens betreffen daarnaast namen en contactgegevens van betrokken ambtenaren. Hoewel, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, ligt dit anders als het gaat om het openbaar maken van namen en contactgegevens van ambtenaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook waar het gaat om betrokken ambtenaren een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht daarbij van belang dat de ambtenaren wiens persoonsgegevens zijn geweigerd, zichzelf niet reeds uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren. Alle passages aangeduid met de letter A zijn door verweerder terecht geweigerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

11. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte documenten integraal heeft geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob. Per deel van ieder document behoort te worden beoordeeld of openbaarmaking van een feit, feitelijk gegeven of besluit inderdaad de relaties met andere landen of internationale organisaties zou kunnen schaden. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle verslagen van de ICCb en de MCCb (74 documenten in totaal) integraal heeft geweigerd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan de integrale weigering van deze verslagen de weigeringsgronden van de artikelen 10, tweede lid, onder g, en 11, eerste lid, van de Wob ten grondslag zijn gelegd en dat op passages uit de verslagen ook nog de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob van toepassing is. Verweerder heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat dit bij uitstek documenten zijn bestemd voor intern beraad. De ratio van artikel 11, eerste lid, van de Wob is de bescherming van de vrije meningsvorming. De noodzaak van vertrouwelijkheid en van ongedwongen beraadslaging geldt te meer bij een gevoelig onderwerp zoals de ramp met de MH-17 en in gremia zoals de MCCb en de ICCb. De verslagen bevatten persoonlijke beleidsopvattingen en voor zover ze zuiver feitelijke informatie bevatten, is deze informatie zodanig verweven met de in de documenten opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen dat deze daarvan niet kan worden gescheiden. Om die reden moet openbaarmaking van feitelijke informatie ook worden geweigerd. Verder zou openbaarmaking van de verslagen tot een onevenredige benadeling leiden, omdat openbaarmaking de open en ongedwongen beraadslaging tussen de leden van beide commissies zal belemmeren. Het belang van het goed functioneren van deze gremia en het voorkomen van onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken organisaties weegt zwaarder dan het algemene belang dat is gediend met openbaarmaking.

12. Voor de rechtbank staat vast dat de verslagen van de MCCb en de ICCb zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Een aantal van deze documenten bevatten ontegenzeggelijk ook persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank stelt echter, na bestudering van de documenten, ook vast dat in vele passages geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn vervat, omdat het niet gaat om een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over de bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. In het bijzonder onder de kopjes ‘Situatiebeschrijving’, ‘Duiding’ en ‘Omgevingsanalyse’ staan feitelijke gegevens en beschrijvingen. Dit zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen en naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten ook niet zodanig met persoonlijke beleidsopvattingen verweven dat zij niet los daarvan kunnen worden bezien. Door de gekozen opmaak van de documenten zijn deze passages goed zelfstandig leesbaar. Onder het kopje ‘Besluiten’ staan veelal besluiten en ook dat zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen. Artikel 11, eerste lid, van de Wob verzet zich dan ook niet tegen openbaarmaking van deze passages, zodat integrale weigering van alle verslagen in strijd is met artikel 11, eerste lid, van de Wob. De door verweerder gemaakte vergelijking van de verslagen van de MBBb en de ICCb met de notulen van de Ministerraad en de verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 17 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4132) gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in het feit dat verweerder, blijkens het rapport Evaluatie nationale crisisbeheersingsorganisatie vlucht MH17 van de Universiteit Twente van 9 december 2015, de verslagen van de MCCb en de ICCb richting de onderzoekers ook anders heeft gewaardeerd. De verslagen zijn immers integraal aan de onderzoekers ter beschikking gesteld, terwijl dit niet is gebeurd met de notulen van de Ministerraad (pagina’s 57 en 58 van het rapport).

12. Aan de integrale weigering van de openbaarmaking van de verslagen van de MCCb en de ICCb heeft verweerder ook artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag gelegd. De rechtbank overweegt hierover dat er, volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, gelet op de aard van het belang als beschermd door de in dit artikel opgenomen uitzonderingsgrond, niet aan kan worden ontkomen om per document of gedeelte van het document de vraag te beantwoorden of aan dat belang een zodanig gewicht toekomt dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege mag blijven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8477). Gelet op de omvang van de documenten en de opsplitsing daarvan in verschillende hoofdstukken moet per onderdeel van ieder document worden bepaald of openbaarmaking ertoe kan leiden dat de open en ongedwongen beraadslaging tussen de leden van beide commissies wordt belemmerd en zo ja, of daaraan zodanig gewicht moet worden toegekend dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken. Nu deze afweging ontbreekt, is het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

14. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder de verslagen van de MCCb en de ICCb zal moeten doornemen en per onderdeel daarvan zal moeten beoordelen of het openbaar gemaakt moet worden of dat een weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking ervan verzet. Gelet hierop acht de rechtbank het op dit moment niet opportuun om te beoordelen of verweerder terecht de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob aan de weigering van een aantal passages ten grondslag heeft gelegd. Pas nadat verweerder de documenten geheel heeft doorgenomen en beoordeeld, zal de rechtbank hierover een oordeel geven.

15. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3 is overwogen ontbreken de documenten A76 tot en met A79 bij de ongelakte stukken, maar omdat uit de bijgevoegde lijst blijkt dat het ook om verslagen van de MCCb gaat, geldt voor deze documenten hetzelfde als wat daarover hiervoor in rechtsoverweging 13 en 14 is overwogen.

15. Ook de volgende documenten zijn door verweerder integraal geweigerd: Memo dreigingsbeeld van 25 juli 2014 (document 45), de scenario’s MH-17 (documenten 83 en A52), de Nota evaluatie crash met MH-17 (document 138), toevoeging besluit MCCb van 29 juli 2014 (document A37) en het verslag teleconferentie MCCb 14 augustus 2014 (document A58). Wat betreft documenten 45, 83 en A52 is de rechtbank van oordeel dat de daaraan ten grondslag gelegde weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder g en artikel 11, eerste lid, van de Wob de weigering tot openbaarmaking kunnen dragen.
Voor documenten 138, A37 en A58 geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen over de verslagen van de ICCb en de MCCb. Deze documenten bevatten niet uitsluitend persoonlijke beleidsopvattingen. Per onderdeel van het document dient verweerder dan ook te motiveren welke weigeringsgrond van toepassing is. Voor zover in deze documenten de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob en de grond dat een passage buiten de bestuurlijke aangelegenheid valt, zijn toegepast, verwijst de rechtbank naar de overwegingen die hierover gaan. Deze zijn in zoverre ook van toepassing op deze documenten.

17. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in alle documenten getiteld “Situatieschets en duiding” de volledige tekst onder het kopje Duiding heeft weggelakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Ook hiervoor geldt hetzelfde als de rechtbank hiervoor over de verslagen van de ICCb en de MCCb heeft overwogen. Het gehele document is weliswaar opgemaakt ten behoeve van intern beraad, maar niet alle tekst onder het kopje Duiding bevat persoonlijke beleidsopvattingen. Sommige bulletpoints bevatten feitelijke gegevens en beschrijvingen, die niet zodanig verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen dat ze niet los daarvan gelezen kunnen worden. Verweerder zal dus alle tekst onder het kopje Duiding opnieuw moeten doornemen en beoordelen.

18. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat verweerder geweigerd heeft passages openbaar te maken, terwijl deze zelfde passages in eenzelfde of vrijwel identiek document wel openbaar zijn gemaakt. De rechtbank doelt op de volgende passages. In document A21 zijn de woorden “presentabel moeten zijn” openbaar gemaakt en in document 29 zijn ze weggelakt. In document 33 is de zin “President Obama en premier Rutte hebben afgesproken dat Rusland meer sancties kan verwachten als het land niet ophoudt met het leveren van troepen en materieel aan de rebellen” weggelakt; in document A22 is deze zin wel openbaar gemaakt. In document A57, dat inhoudelijk grotendeels overeenkomt met document 94 zijn onder het kopje Hoofdpunten zinnen weggelakt die in documenten A57 wel openbaar zijn gemaakt. In document A75 zijn onder het kopje b) Protocol – placering niet-nabestaanden vanuit gekozen vorm de eerste en derde alinea weggelakt, terwijl exact dezelfde tekst in document 160 wel is blijven staan; het omgekeerde geldt voor de alinea onder het kopje d) Uitnodigingskaart MP: Bijgevoegd voorstel accorderen; in document 160 is de tekst weggelakt, terwijl deze in document A75 wel is blijven staan. Dit is, in ieder geval zonder nadere motivering, niet begrijpelijk. Verweerder dient hiervoor een nadere motivering te geven, dan wel deze gegevens ook openbaar te maken.

19. Met betrekking tot alle geweigerde passages in de navolgende documenten die niet vallen onder één van de rechtsoverwegingen hiervoor, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd deze openbaar te maken op de grond, zoals daarbij in het document vermeld. Dit betreft de passages in de documenten 11, 14, 18, 22, 23, 26, 33, 34, 39, 48, 53, 57, 59, 61, 64, 67, 78, 82, 99, 103, 113, 130, 131, 135, 145, 146, 151, 160, 161, 162, 163, 166A, 175, A5, A10, A14, A35 en A75.

20. Ten aanzien van de hierna volgende (onderdelen van) documenten is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond de weigering niet kan dragen, dan wel onvoldoende gemotiveerd is waarom de weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet.

Document 1: de derde bulletpoint onder ‘Feiten’ behelst geen persoonlijke beleidsopvatting; over de tekst bij de laatste bulletpoint onder ditzelfde kopje is de rechtbank van oordeel dat de daaraan ten grondslag gelegde weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking verzet.

Document 3: de 11e bulletpoint onder ‘Feiten’ bevat geen persoonlijke beleidsopvatting; voor de 12e bulletpoint geldt hetzelfde als voor de laatste bulletpoint van document 1 (hiervoor genoemd), omdat dit dezelfde tekst is. Over de weigering van de tekst achter de eerste bulletpoint op pagina 3 is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende gemotiveerd is.

Document 6: de tekst achter de eerste bulletpoint op pagina 2 bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 7: de tekst achter de tweede bulletpoint op pagina 3 bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 21: de tekst achter de vijfde bulletpoint bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 29: de tekst achter ‘Nederlandse Hercules’ en achter ‘Australische C17’ bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 35: de tekst achter ‘Nederlandse Hercules’ en achter ‘Australische C17’ en de tekst achter het laatste gedachtestreepje op pagina 2 bevat geen persoonlijke beleidsopvattingen, maar zelfstandig leesbare feiten, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 38: de weigering van de openbaarmaking van de tekst achter de tweede bulletpoint onder ‘Bergen, identificeren en repatriëren slachtoffers’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het is geen persoonlijke beleidsopvatting en zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in dat de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob de weigering kan dragen.

Document 62: de tekst achter ‘Nederlandse Hercules’ en achter ‘Australische C17’ bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document 63: de weigering van de openbaarmaking van de tekst achter de eerste bulletpoint op pagina 4 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere toelichting is het de rechtbank niet duidelijk waarom sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting.

Document 75: de weigering van de openbaarmaking van de tekst onder ‘Optreden regering en reacties internationale organisaties’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het is geen persoonlijke beleidsopvatting en zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in dat de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob de weigering kan dragen.

Document 76: naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien, althans niet zonder nadere motivering, waarom de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de nationaliteiten van de slachtoffers en het aantal slachtoffers met die nationaliteit.

Document 88: de weggelakte passages op pagina 2 na Vervolg: en achter de twee laatste bulletpoints en op pagina 3 de eerste twee bulletpoints bevatten geen persoonlijke beleidsopvattingen, maar procedurele afspraken. De gehanteerde weigeringsgrond kan de weigering dus niet dragen.
Verder is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat op pagina 3 een passage is weggelakt die op pagina 4 wel leesbaar is gebleven.

Document 89: met betrekking tot de weggelakte passages op pagina’s 1, 3 en 7 is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering de gehanteerde weigeringsgrond de weigering tot openbaarmaking niet kan dragen. Verder acht de rechtbank niet begrijpelijk dat de weggelakte passage op pagina 10 onder Doel/omvang van het deelproject is geweigerd, terwijl deze zelfde passage in document 88 wel openbaar is gemaakt.

Document 98: naar het oordeel van de rechtbank kan de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond, de weigering tot openbaar making van de passages achter de bulletpoints onder Hoofdpunten, zonder nadere motivering niet dragen. Hetzelfde geldt voor de passage achter de tweede bulletpoint onder het kopje Contextueel.

Document 100: zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de tekst op pagina 4 onder het kopje Beleidsuitgangspunten persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Verweerder dient dit nader te motiveren.

Document 111: de weigering van de tekst achter de tweede bulletpoint onder het kopje Hoofdpunten en achter de derde bulletpoint onder het kopje Onderzoek ramp met een beroep op de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, dient verweerder nader te motiveren.

Documenten 126, 137 en 141: de weglakkingen met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob zijn zonder nadere motivering naar het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk. Verder valt niet in te zien dat passages in document 126 wel leesbaar zijn gelaten, terwijl deze in document 137 zijn weggelakt en omgekeerd.

Document 156: zonder nadere motivering valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de weggelakte alinea onderaan pagina 1 doorlopend op pagina 2 persoonlijke beleidsopvattingen bevat.

Document 157: zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de weggelakte passage na MP, een persoonlijke beleidsopvatting bevat. Verweerder dient dit nader te motiveren. De weggelakte specificaties en kosten op pagina 1 bevatten in ieder geval geen persoonlijke beleidsopvattingen. Deze weigeringsgrond kan de weigering van de openbaarmaking daarvan dan ook niet dragen. Dit laatste geldt ook voor de bijlage; deze bevat geen persoonlijke beleidsopvatting.

Document 166B: naar het oordeel van de rechtbank bevat de weggelakte tweede alinea op pagina 1 geen persoonlijke beleidsopvatting. Deze weigeringsgrond kan de weigering tot openbaarmaking van deze alinea dan ook niet dragen.

Document 172: de weglakking op de pagina 3 Schematische weergave en acties en deadlines is niet begrijpelijk en bevat geen persoonlijke beleidsopvatting.

Document A21: de tekst achter ‘Nederlandse Hercules’ en achter ‘Australische C17’ bevat geen persoonlijke beleidsopvatting, maar een zelfstandig leesbaar feit, zodat deze weigeringsgrond zich niet tegen openbaarmaking daarvan verzet.

Document A37: de rechtbank stelt vast dat van een persoonlijke beleidsopvatting geen sprake is, nu het document betrekking heeft op een besluit. Deze weigeringsgrond kan de weigering tot openbaarmaking dan ook niet dragen. De weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob, die eveneens aan de weigering ten grondslag is gelegd, is zonder nader motivering niet begrijpelijk.

21. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en niet zorgvuldig is voorbereid. Het besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

22. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende aandacht heeft gehad voor beperkte verstrekkingsvormen overweegt de rechtbank dat de wijze van informatieverstrekking pas aan de orde komt wanneer een bestuursorgaan heeft besloten dat de gevraagde informatie kan worden verstrekt. Derhalve speelt dit punt hier geen rol.

23. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder de integraal geweigerde documenten (behalve de documenten 45, 83 en A52; zie rechtsoverweging 16) en de tekst onder het kopje Duiding in de documenten getiteld “Situatieschets en duiding” doornemen en per onderdeel daarvan beoordelen of het openbaar gemaakt moet worden. Als verweerder ervoor kiest een onderdeel van een document te weigeren, dan dient deze weigering voorzien te zijn van een toereikende motivering. Verder dient verweerder alle passages die aangeduid zijn met de letter E opnieuw te beoordelen, alsook de in rechtsoverweging 18, 19 en 20 genoemde passages. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

24. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

25. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. T. Pavićević, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.