Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7123

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
3178770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waiverzaak. Artikel 3:13 BW. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 3178770 AC EXPL 14-2917 JK/1218

Vonnis van 26 augustus 2015

inzake

de besloten vennootschap
Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,

verder ook te noemen Dexia,
gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel,

tegen:

[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het schorsings-/aanhoudingsverzoek van [gedaagde] ,

- de reactie van Dexia op het schorsings-/aanhoudingsverzoek,

- een aanvulling van [gedaagde] op het schorsings-/aanhoudingsverzoek,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de rolbeslissing van 14 januari 2015, waarbij het verzoek van [gedaagde] tot schorsing/aanhouding van deze procedure is afgewezen;

- de conclusie van dupliek, met producties,

- de akte uitlating producties van Dexia,

- de bij brief van 19 mei 2015 namens [gedaagde] toegezonden producties,

- het pleidooi op 2 juni 2015,

- de rolbeslissing van 24 juni 2015,

- de akte na pleidooi van Dexia.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn één of meer effectenleaseovereenkomsten (hierna te noemen de overeenkomst(en)) gesloten die per saldo met een negatief saldo zijn geëindigd.

2.2.

De zogenaamde “Duisenberg-regeling” voor deze effectenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade algemeen verbindend verklaard. [gedaagde] heeft door middel van een “opt-out”-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.3.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde Hofmodel. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

2.4.

Bij brief van 21 maart 2011 heeft Dexia aan [gedaagde] medegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan haar van een schadevergoeding berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde Hofmodel. Bij de berekening van de omvang van de schadevergoeding is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomst voor [gedaagde] destijds geen onaanvaardbare zware financiële last vormde als bedoeld in de jurisprudentie, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan [gedaagde] van de door haar destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van de restschuld is vergoed.

2.5.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia laten weten dat [gedaagde] haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

2.6.

Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [gedaagde] een brief gestuurd, waarbij [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat zij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [gedaagde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde “waiver” worden ondertekend en geretourneerd.

[gedaagde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

3 Het geschil

3.1.

Dexia vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met nummer 39402062 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

Dexia stelt dat [gedaagde] na de “opt-out”-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 en 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Inmiddels is duidelijk geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan, ook de verplichtingen die voortvloeien uit het schenden van haar zorgplicht ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en dat [gedaagde] op basis van het Hofmodel geen recht heeft op enige schadevergoeding, aldus Dexia. Dexia heeft, zo stelt zij voorts, alle mogelijkheden buiten rechte aangewend en zij heeft belang bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.2.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie substantiële kosten verbonden zijn terwijl de jurisprudentie is uitgekristalliseerd. Weliswaar is door [gedaagde] bestreden dat met het in stand houden van de organisatie substantiële kosten zijn gemoeid maar ook als dat niet het geval zou zijn, moet worden aangenomen dat Dexia enig redelijk en in rechte te respecteren belang kan hebben om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – onder wie [gedaagde] – aanspraken jegens haar (menen te) hebben. Daartoe kan het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel zijn.

4.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van de onderhavige vordering. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia belang kan hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging.

4.4.

Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat zij thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of zij nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van Gerechtshoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of de rol van de tussenpersoon en de aard van de effectenlease-overeenkomsten, in het bijzonder de “beleggingstechnische” gebreken in die producten, tot een andere verdeling van de schade dan in het hiervoor genoemde Hofmodel wordt gehanteerd, aanleiding kunnen geven. Deze kwesties zijn thans aan de Hoge Raad voorgelegd. Voorts speelt in een aantal procedures de vraag of ten aanzien van een aantal effectenleaseproducten sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dit betekent dat, anders dan Dexia meent, het met de effectenleaseovereenkomsten samenhangende aansprakelijkheidsvraagstuk nog niet is uitgekristalliseerd en dat, nu in de onderhavige zaak een of meer van deze discussiepunten spelen, een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken. [gedaagde] wenst dan ook op goede gronden de door haar gestelde aanspraken thans nog niet aan de rechter voor te leggen.

4.5.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat sprake is van een ontoelaatbare onevenredigheid tussen het belang van Dexia bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en het belang van [gedaagde] om ontwikkelingen in de jurisprudentie te mogen afwachten. De vordering wordt dan ook afgewezen.

4.6.

Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 200,00 (4 punten à € 50,00) wegens salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.