Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6537

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
C/16/397869 / KG ZA 15-585
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:3605, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing beslagen in conventie en in reconventie. Niet summierlijk gebleken van deugdelijkheid vorderingen. Procesvolmachtgever kan niet contractuele geheimhoudingsbepalingen inroepen die gelden tussen procesgevolmachtigde en beslagenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/397869 / KG ZA 15-585

Vonnis in kort geding van 4 september 2015

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 4],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerder in reconventie,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 5],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 6],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 7],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. L.G.C.M. de Wit te Oosterhout,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAIL SIDE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [eiseres sub 4] , [eiseres sub 5] , [eiseres sub 6] en [eiseres sub 7] . Gedaagde (tevens eiseres in reconventie) zal hierna Rail Side genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de op voorhand toegezonden productie 9 van de zijde van [eisers] ;

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 1 tot en met 8 van de zijde van Rail Side;

  • -

    de conclusie van eis in reconventie van Rail Side;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de door Rail Side overgelegde volmacht van Waalstede Vastgoed B.V. aan Rail Side;

  • -

    de pleitnota van [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van Rail Side.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] houdt zich bezig met het verrichten van onderhoudswerkzaamheden langs spoor, weg en water. In dat kader plaatst hij onder meer hekwerken en beschoeiingen, maakt hij sloten schoon, voert hij sloop- en grondwerk uit en legt hij natuurterreinen aan. Opdrachtgevers van [eisers] zijn onder andere gemeenten, waterschappen en spoorwegbeheerders.

2.2.

Rail Side heeft als statutaire doelomschrijving het verkrijgen, beheren, exploiteren, bezwaren en vervreemden van registergoederen en van vermogenswaarden in het algemeen. De vennootschap behoort tot de ’t Goeie Spoor-groep en is op 31 december 2007 opgericht met als doel de verwerving van gronden nabij spoorlijnen.

2.3.

Rail Side is een zustervennootschap van Waalstede Vastgoed B.V. (hierna: Waalstede). Naast Rail Side behoort een aantal andere vennootschappen tot de ’t Goeie Spoor-groep. Deze laatste vennootschappen worden aangeduid als de Perron-vennootschappen.

2.4.

Rail Side en [bedrijf] hebben op 13 december 2010 een overeenkomst gesloten waarvan de inhoud – voor zover relevant – luidt als volgt:

“(…)

Artikel 5 Prijs van het werk

(…)

2. De prijs van het werk bedraagt het eerste jaar een vaste overeengekomen prijs, zijnde € 350.000,- (zegge driehonderdvijftigduizend Euro) exclusief BTW.

3. Jaarlijks zal de omvang van de onderhoudsverplichting worden aangepast aan het aantal overgebleven onderhoudsplichtige kilometers.

4. De maximale jaarlijkse vergoeding bedraagt € 350.000,- (zegge driehonderdvijftigduizend Euro) exclusief BTW op basis van de door Rail Side verstrekte gegevens, zoals opgenomen in artikel 2 lid 1 van deze overeenkomst.

(…)

Artikel 10 Geheimhouding

1. Partijen verplichten zich over en weer tot geheimhouding van alle informatie die zij bij het aangaan, alsmede bij de uitvoering van deze Overeenkomst hebben verkregen, dan wel zullen verkrijgen.

2. Partijen verplichten zich tot het treffen van de nodige maatregelen die ertoe leiden dat een gelijke geheimhoudingsplicht geldt voor de personen van wie zij zich bij de uitvoering van deze overeenkomst bedienen.

(…)”

2.5.

Rail Side en [eiseres sub 4] hebben op 30 juni 2011 een overeenkomst gesloten waarvan de relevante inhoud identiek luidt aan de hiervoor ten aanzien van de overeenkomst van 13 december 2010 geciteerde delen. Deze overeenkomst was nodig omdat [bedrijf] was ingebracht in [eiseres sub 4] .

2.6.

Bij de processtukken bevindt zich een stuk dat is gedateerd op 18 september 2012. De tekst van dit stuk luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…)

ALLONGE bij de overeenkomst inzake Opdracht tot uitvoering van het schoonmaken van de watergang van de door Railside aan te wijzen sloten conform de geldende wettelijke eisen en verplichtingen voor de duur van tien jaren. ingaande op 1 januari 2011 en lopende tot 1 januari 2021.

Partijen:

1. Railside B.V., gevestigd en kantoorhoudende te (3342 LG) Hendrik Ido Ambacht aan de Langesteijn 126- 127 ingeschreven bij do Kamer van Koophandel onder nummer: 24428018, hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heet [A] in zijn hoedanigheid van directeur en de heet [B] in zijn hoedanigheid van directeur en hierna te noemen ‘Railside’,

en

2. [eiseres sub 5] , gevestigd en kantoorhoudende te ( [postcode] ) [vestigingsplaats] aan de [straatnaam] nummer [huisnummer] , ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer: [nummer] , hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [C] in zijn hoedanigheid van Eigenaar en hierna te noemen ‘ [eiseres sub 5] ’,

Verklaren dat het navolgende tussen hen is overeengekomen:

Anti-Concurrentie

Partijen zullen gedurende de looptijd van de overeenkomst en tot drie (3) jaar na het beëindigen van de overeenkomsten geen zakelijke relaties aangaan met enige (weder)partij die nauw betrokken is/was bij de uitvoering van de overeenkomst, behoudens schriftelijke toestemming van de wederpartij.

Deze allonge maakt na ondertekening integraal deel uit van de tussen Railside B.V. en [eiseres sub 5] afgesloten overeenkomst.

(…)”

2.7.

NS Vastgoed heeft in 2014 ongeveer 1.800 percelen grond, door haar aangeduid als de GreeNS-portefeuille, verkocht door middel van een besloten tender. Een beperkt aantal partijen is toegelaten tot deelname aan deze tender. Onder deze partijen bevonden zich [eiseres sub 5] en Waalstede.

2.8.

[eiseres sub 5] heeft de GreeNS-portefeuille gegund gekregen. De GreeNS-portefeuille heeft een negatieve waarde vanwege het feit dat er ten aanzien van percelen in die portefeuille diverse onderhouds- en saneringsverplichtingen bestonden. NS Vastgoed heeft ter bestrijding van de kosten die deze verplichtingen meebrengen, een bedrag van € 6.6750.000,00, te vermeerderen met € 1.417.500,00 btw, betaald aan [eiseres sub 5] .

2.9.

Rail Side heeft op 19 juni 2015 een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank tot het verkrijgen van verlof voor het ten laste van [eisers] leggen van conservatoir beslag onder Coöperatieve Rabobank De Gelderse Vallei U.A. en onder zichzelf op al hetgeen zij verschuldigd is of zal worden aan [eiseres sub 4] Bij beschikking van 22 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter Rail Side verlof verleend tot het leggen van de hiervoor genoemde beslagen. De vorderingen van Rail Side zijn in het verlof begroot op € 9.314.250,00, inclusief rente en kosten.

2.10.

Op grond van het verlof van 22 juni 2015 heeft Rail Side conservatoir beslag gelegd onder Coöperatieve Rabobank De Gelderse Vallei U.A. en onder zichzelf.

2.11.

Rail Side heeft [eisers] op 24 juni 2015 gedagvaard en een bodemprocedure aanhangig gemaakt. [eisers] heeft in die procedure inmiddels een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie genomen.

2.12.

[eiseres sub 4] heeft op 7 augustus 2015 een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, tot het verkrijgen van verlof voor het ten laste van Rail Side leggen van conservatoir beslag onder ING Bank N.V., ABN Amro Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank Drechtsteden U.A. (hierna: ING Bank, ABN Amro Bank en Rabobank). Bij beschikking van 11 augustus 2015 is door de aangezochte voorzieningenrechter verlof verleend tot het leggen van genoemde beslagen ten laste van Rail Side, met begroting van de vordering, inclusief rente en kosten, op € 870.000,00.

2.13.

[eiseres sub 4] heeft vervolgens op grond van de beschikking van 11 augustus 2015 conservatoir beslag gelegd ten laste van Rail Side onder ING Bank, ABN Amro Bank en Rabobank.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de door Rail Side krachtens het op 22 juni 2015 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland gegeven verlof ten laste van eisers gelegde conservatoire derdenbeslagen, alsmede conservatoire eigenbeslag op te heffen, althans gedaagde te gebieden deze gelegde conservatoire derden beslagen binnen vierentwintig uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat niet volledig aan dit gebod wordt voldaan en voor elke dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 5.000.000,00;

II. Rail Side te verbieden, totdat de bodemrechter van de rechtbank Midden-Nederland in de hoofdzaak inhoudelijk zal hebben beslist, om op dezelfde gronden voor dezelfde vordering opnieuw conservatoir beslag te leggen zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld en voor elke dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 1.000.000,00;

III. Rail Side te veroordelen om bij wijze van voorschot op hetgeen gedaagde ten gronde verschuldigd zal blijken te zijn aan [eiseres sub 5] te voldoen € 93.331,55, althans een zodanig bedrag dat de voorzieningenrechter juist zal voorkomen;

IV. dan wel een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist zal voorkomen;

V. veroordeling van Rail Side in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.

Rail Side voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, dit met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Rail Side vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van de door De [eiseres sub 4] ten laste van haar gelegde derdenbeslagen onder ABN Amro Bank, ING Bank en Rabobank, met veroordeling van [eiseres sub 4] in de proceskosten in reconventie.

4.2.

[eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rail Side in de proceskosten in reconventie.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Aan haar verzoek tot het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag heeft Rail Side – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Rail Side en [bedrijf] zijn op 13 december 2010 en op 30 juni 2011 – onder meer – een geheimhoudingsbeding overeengekomen. Verder is Rail Side naar eigen zeggen op 18 september 2012 met [eiseres sub 5] een non-concurrentiebeding overeengekomen (zie hiervoor onder 2.6). De hiervoor genoemde bedingen hebben volgens Rail Side werking voor alle eisers in dit kort geding. Omdat zij in strijd met genoemde bedingen kennis hebben aangewend bij de inschrijving voor een door NS Vastgoed uitgeschreven tender, schiet [eisers] tekort in de nakoming van genoemde overeenkomsten, dan wel handelt hij onrechtmatig jegens Rail Side. Doordat [eisers] de verworven kennis heeft aangewend bij inschrijving op de tender, is de GreeNS-portefeuille die Waalstede wenste te verwerven niet aan Waalstede, maar aan [eiseres sub 5] gegund. De GreeNS-portefeuille heeft een negatieve waarde vanwege het feit dat er ten aanzien van percelen in die portefeuille diverse onderhouds- en saneringsverplichtingen bestonden. NS Vastgoed heeft ter bestrijding van de kosten die deze verplichtingen meebrengen, een bedrag van € 6.6750.000,00, te vermeerderen met € 1.417.500,00 btw, betaald aan [eiseres sub 5] . Rail Side stelt als gevolg van de gestelde tekortkomingen, dan wel van het onrechtmatige handelen van [eisers] , schade te hebben geleden ter hoogte van € 8.17.500,00 te vermeerderen met verdere schade, rente en kosten.

5.2.

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

5.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door Rail Side gelegde beslagen dienen te worden opgeheven. Hiertoe is het volgende redengevend.

5.4.

Rail Side stelt zowel in het verzoekschrift van 19 juni 2015 als in de dagvaarding in de bodemprocedure als in dit kort geding zowel voor zichzelf, als in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van Waalstede op te treden. Waalstede heeft volmacht verleend en last gegeven aan Rail Side om namens haar in eigen naam [eisers] aan te spreken ter zake van de aankoop van de GreeNS-vastgoedportefeuille en de overige vastgoedtransacties waardoor Waalstede naar eigen zeggen is gedupeerd.

5.5.

Een rechthebbende kan een derde last geven een vordering op eigen naam in te stellen en een dergelijke last brengt in beginsel mee dat de derde ook op eigen naam in rechte kan optreden (vgl. Hoge Raad 21 oktober 1988, NJ 1989, 83). Dit brengt mee dat Rail Side geacht moet worden – mede – ter behartiging van de belangen van Waalstede op te treden in kort geding en bij het daartoe aanleiding gevende verzoekschrift van 19 juni 2015.

5.6.

Voor zover de gelegde conservatoire beslagen zijn gelegd door Rail Side ten behoeve van zichzelf en niet in hoedanigheid van gevolmachtigde van Waalstede, dienen deze te worden opgeheven omdat niet summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van door haar ingeroepen rechten. Rail Side stelt weliswaar dat sprake is van schending van uit de overeenkomsten van 13 december 2010 en op 30 juni 2011 voor [eisers] voortvloeiende geheimhoudingsverplichtingen, en daarmee van tekortkomingen, dan wel onrechtmatig handelen van [eisers] , maar laat na concreet te stellen en onderbouwen dat hieruit voor Rail Side schade voortvloeit. De in het verzoekschrift genoemde schade vloeit volgens Rail Side immers voort uit het feit dat niet Waalstede, maar [eiseres sub 5] de GreeNS-portefeuille gegund heeft gekregen. Op welke wijze de gestelde gang van zaken schade zou opleveren voor Rail Side blijkt uit het verzoekschrift noch uit de in dit geding aangevoerde feiten en omstandigheden. Bij het voorgaande komt dat niet Rail Side, maar Waalstede partij was bij de door NS Vastgoed uitgeschreven tender, zodat van Rail Side enige onderbouwing op dit punt mag worden verwacht, maar aan welke verwachting Rail Side niet tegemoet komt. Dat Rail Side schade heeft geleden blijkt daarom niet na summier onderzoek.

5.7.

De conservatoire beslagen dienen ook te worden opgeheven voor zover deze door Rail Side zijn gelegd in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van Waalstede.

5.8.

In de stellingen van Rail Side, zoals deze zijn verwoord in het verzoekschrift van 19 juni 2015 en in dit kort geding, ligt besloten dat zij namens Waalstede schending van de geheimhoudingsbepalingen – mede – aan de door haar gestelde tekortkomingen, dan wel het onrechtmatig handelen van [eisers] ten grondslag legt. Niet wordt duidelijk, ook niet in reactie op de stelling van [eisers] dat Waalstede de geheimhoudingsbepalingen (uit de artikelen 10 van de overeenkomsten van 13 december 2010 en 30 juni 2011) niet aan [eisers] kan tegenwerpen, op welke wijze de tussen Rail Side enerzijds en [eisers] anderzijds overeengekomen geheimhoudingsbepalingen tevens gelding hebben tussen Waalstede en [eisers] Dit klemt omdat [eisers] ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld dat bij het sluiten van de overeenkomsten van 13 december 2010 en 30 juni 2011 nimmer is gesproken over Waalstede, de overeenkomsten geen melding maken van Waalstede als partij die zich op die bepalingen zou kunnen beroepen en door Rail Side (al dan niet namens Waalstede) niet is gesteld dat de bepalingen zo ruim dienen te worden uitgelegd dat Waalstede daaronder begrepen dient te worden.

Gebruik kennis door [eisers]

5.9.

Aan haar gestelde vordering legt Rail Side, al dan niet namens Waalstede, mede ten grondslag dat [eisers] bij het inschrijven op de tender gebruik heeft gemaakt van kennis die hij heeft opgedaan bij de uitvoering van werkzaamheden voor Rail Side. [eisers] had volgens Rail Side ten kantore van Waalstede/Rail Side vrij toegang tot de projectadministratie van de gronden (waarmee kennelijk wordt gedoeld op percelen die begrepen zijn onder de GreeNS-portefeuille; voorzieningenrechter) en verder kon [eisers] gebruik maken van een zogenoemde viewer, een databank welke Waalstede heeft laten samenstellen. Door gebruikmaking van de genoemde kennis is [eisers] , zo voert Rail Side verder aan, bevoordeeld ten nadele van Waalstede en Rail Side, hetgeen volgens Rail Side een schending van de geheimhoudingsbepalingen in de overeenkomsten van 13 december 2010 en 30 juni 2011 oplevert, dan wel onrechtmatig is jegens Waalstede en Rail Side.

5.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Rail Side in reactie op het verweer van [eisers] dat hij bij inschrijving op de tender geen kennis heeft aangewend die hij heeft opgedaan bij de uitvoering van werkzaamheden voor Rail Side, onvoldoende concreet nader heeft onderbouwd welke informatie zou zijn gebruikt. Uit het feit dat [eisers] toegang had tot genoemde administratie en viewer kan, zonder de hier van de zijde van Rail Side ontbrekende noodzakelijke onderbouwing, niet worden opgemaakt dat [eisers] daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van daaruit verkrijgbare informatie en welke informatie dit zou betreffen. Dat Rail Side geen nadere onderbouwing heeft gegeven klemt omdat Rail Side geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit valt op te maken welke informatie [eisers] gebruikt zou hebben. Dit lag wel op haar weg omdat [eisers] bij dagvaarding in dit kort geding aanvoert dat door Rail Side nalaat duidelijk te maken welke informatie [eisers] gebruikt zou hebben. Te meer klemt het ontbreken van een concrete onderbouwing omdat [eisers] onweersproken heeft gesteld dat hij voor de inschrijving enkel gebruik heeft gemaakt van een door NS Vastgoed ter beschikking gestelde viewer waarin informatie over de tot de GreeNS-portefeuille behorende percelen was opgenomen, dat hij zijn inschrijving op die informatie heeft gebaseerd en hij reeds over zeer veel kennis beschikte door uitvoering van werkzaamheden aan delen van de GreeNS-portefeuille voor zijn opdrachtgevers Prorail, NS, Oranjewoud, VolkerWessels en BAM.

5.11.

Dit voorgaande leidt tot de slotsom dat in het bestek van dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat [eisers] op onrechtmatige wijze, althans in strijd met op hem rustende – en jegens Rail Side in acht te nemen – geheimhoudingsverplichtingen, gebruik heeft gemaakt van kennis die hij heeft opgedaan bij de uitvoering van werkzaamheden voor Rail Side. Dit brengt mee dat ook hierom niet blijkt van de deugdelijkheid van de door Rail Side gestelde vordering.

Anti-concurrentiebepaling

5.12.

Aan de door Rail Side gestelde vorderingen wordt naast het voorgaande ook schending van het in het stuk van 18 september 2012 (zie hiervoor 2.6) vermelde anti-concurrentiebeding ten grondslag gelegd. [eiser sub 1] betwist gemotiveerd dat hij het stuk van 18 september 2012 heeft ondertekend. Bij dagvaarding in kort geding heeft [eisers] verzocht het originele exemplaar met “natte handtekening” in de hoofdzaak in te brengen teneinde de echtheid van de handtekening te laten verifiëren. Van de zijde van Rail Side zijn geen feiten en omstandigheden gesteld en evenmin is een toelichting gegeven omtrent de (beweerdelijke) totstandkoming van de door Rail Side gestelde overeenkomst van 18 september 2012. Het had op de weg van Rail Side gelegen om, gelet op de betwisting van de echtheid van de handtekening en de betwisting van de gestelde overeenkomst, een toelichting te geven – al dan niet ter terechtzitting door de volgens Rail Side bij de overeenkomst betrokken heren [A] en [B] – over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Dit alles is niet gebeurd, zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat op 18 september 2012 een overeenkomst tussen Rail Side en [eiseres sub 5] is gesloten. Gelet hierop en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.6. tot en met 5.11. is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van schending van deze (beweerdelijk overeengekomen) bepaling. Daarmee is niet summierlijk gebleken van de deugdelijkheid van een – mede – op de gestelde overeenkomst van 18 september 2012 gebaseerde vordering. Ook hierom dienen de door Rail Side gelegde beslagen te worden opgeheven.

5.13.

Omdat artikel 705 lid 1 Rv de voorzieningenrechter daartoe bevoegd verklaart, zal hij de ten laste van [eisers] krachtens de beschikking van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 22 juni 2015 gelegde conservatoire beslagen zelf opheffen bij dit vonnis. Gelet hierop zal Rail Side niet worden veroordeeld tot opheffing van de gelegde beslagen en zal de in dat verband gevorderde dwangsom worden afgewezen.

Vordering tot verbod om opnieuw beslag te leggen

5.14.

Rail Side zal worden veroordeeld om bij een hernieuwd verzoekschrift dat gericht is op beslaglegging ten laste van [eisers] , een afschrift van dit vonnis aan de voorzieningenrechter over te leggen. Een algeheel verbod om ten laste van [eisers] beslag te (doen) leggen – al dan niet op grond van de in het beslagrekest van 19 juni 2015 c.q. het beslagverlof van 22 juni 2015 genoemde gronden – gaat te ver, omdat de voorzieningenrechter niet kan overzien of Rail Side op enigerlei wijze gerechtigd is of zal worden conservatoir beslag te (doen) leggen in de toekomst. De in dit verband gevorderde dwangsom zal, als niet weersproken, worden toegewezen in die zin dat geen dwangsom zal worden verbeurd bij voortduring van overtreding van het gegeven bevel. Deze dwangsom zal worden gemaximeerd als volgt.

Vordering tot betaling van € 93.331,55

5.15.

[eiseres sub 5] vordert veroordeling van Rail Side tot betaling van € 93.331,55. De verschuldigdheid van genoemd bedrag volgt volgens [eiseres sub 5] uit de door haar als productie overgelegde facturen.

5.16.

Rail Side stelt dat [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] verwarring zaaien met hun namen. Verder beroept zij zich, voor zover het door haar onder zichzelf gelegde beslag geen doel heeft getroffen, op opschorting totdat de door haar gestelde schade is vergoed. Volgens haar is opschorting mogelijk omdat de vordering van [eiseres sub 5] en de schadevergoedingsvordering van Rail Side voortvloeien uit dezelfde handelsrelatie.

5.17.

Zoals hiervoor is overwogen, zullen de door Rail Side gelegde beslagen worden opgeheven, waardoor het door Rail Side onder zichzelf gelegde beslag geen, althans niet langer, doel treft en het beroep op opschorting beoordeling behoeft. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Rail Side op opschorting. Hiervoor is onder 5.6 overwogen dat na summier onderzoek niet is gebleken dat Rail Side schade heeft geleden, zodat de tegenvordering van Rail Side voorshands onvoldoende aannemelijk is en evenmin dat die vordering haar beroep op een opschortingsrecht rechtvaardigt. Omdat Rail Side de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering van [eiseres sub 5] heeft erkend, zal deze vordering worden toegewezen.

Overige

5.18.

Rail Side zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en de daarover gevorderde – en niet door Rail Side weersproken wettelijke rente – worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht 1.909,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.802,84

5.19.

De nakosten, waarvan [eisers] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De over de nakosten gevorderde wettelijke rente zal, als niet weersproken, eveneens worden toegewezen.

6. De beoordeling in reconventie

6.1.

Rail Side vordert in reconventie opheffing van de door [eiseres sub 4] ten laste van haar gelegde derdenbeslagen. Het hiervoor onder 5.2. in conventie geschetste toetsingskader doet ook in reconventie opgeld.

6.2.

Aan haar verzoek tot het mogen leggen van conservatoir beslag legt [eiseres sub 4] ten grondslag dat Rail Side vanaf juli 2013 haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van 30 juni 2011 niet nakomt en geen opdrachten meer verstrekt. Omdat nakoming feitelijk onmogelijk is geworden waar het de periode juli 2013 tot augustus 2015 betreft, wenst [eiseres sub 4] vervangende schadevergoeding ter hoogte van tweemaal de overeengekomen maximale vergoeding van € 350.000,00, exclusief btw.

6.3.

Rail Side betwist gehouden te zijn tot schadevergoeding. Zij stelt dat Rail Side en [eiseres sub 4] , in afwijking van de overeenkomst van 30 juni 2011, steeds werkten met losse opdrachten. Er werd niet bij aanvang van een jaar opgave gedaan van de te verwachten werkzaamheden. Verder is Rail Side niet in gebreke gesteld en is geen verzuim ingetreden.

6.4.

Uit de stellingen van [eiseres sub 4] blijkt niet dat de door haar gestelde schade bestaat uit geleden verlies of gederfde winst die mogelijkerwijs op grond van artikel 6:96 lid 1 BW, al dan niet in samenhang met artikel 6:74 BW, voor vergoeding in aanmerking komt. Veeleer blijkt uit de door haar gegeven toelichting dat haar vordering gederfde omzet betreft, die niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat [eiseres sub 4] in reactie op de stellingen van Rail Side geen nadere onderbouwing heeft gegeven van de door haar gestelde schade en niet is gesteld dat Rail Side in gebreke is gesteld ten aanzien van de door [eiseres sub 4] aan haar vordering ten grondslag gelegde tekortkoming en gesteld noch gebleken is dat is voldaan aan een van de vereisten van de artikelen 6:81 tot en met 6:87 BW, dient er voorshands vanuit te worden gegaan dat artikel 6:74 lid 2 in samenhang met genoemde artikelen aan toewijzing van een vordering van [eiseres sub 4] op dit punt in de weg staat. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van de gestelde vordering van [eiseres sub 4] . Dit brengt mee dat de door [eiseres sub 4] ten laste van Rail Side gelegde zullen worden opgeheven.

6.5.

[eiseres sub 4] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rail Side B.V. worden begroot op € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00) aan salaris advocaat.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

heft op de door Rail Side krachtens de beschikking van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 22 juni 2015 ten laste van [eisers] gelegde conservatoire beslagen,

7.2.

gebiedt Rail Side om een afschrift van dit vonnis over te leggen aan de voorzieningenrechter indien zij verlof verzoekt tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eisers] ,

7.3.

veroordeelt Rail Side om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de in 7.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, totdat een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

7.4.

veroordeelt Rail Side om aan [eiseres sub 5] te betalen een bedrag van € 93.331,55,

7.5.

veroordeelt Rail Side in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.802,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.6.

veroordeelt Rail Side, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eisers] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling,

7.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.9.

heft op de door [eiseres sub 4] krachtens de beschikking van 11 augustus 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, ten laste van Rail Side gelegde beslagen,

7.10.

veroordeelt [eiseres sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van Rail Side tot op heden begroot op € 408,00,

7.11.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2015.1

1type: CTH/4065coll: ASP/4213