Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5696

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
16/701649-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de tenuitvoerlegging toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Kleve van 7 augustus 2014 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank legt aan de veroordeelde ter zake van het in dat vonnis bewezenverklaarde feit op een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen met aftrek van de tijd gedurende welke veroordeelde ter zake van dit feit in Duitsland en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten van 27 december 2013 tot en met 5 januari 2015, waarvan 228 dagen voorwaardelijk met en proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heft het reeds geschorste bevel tot bewaring van veroordeelde op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701649-14

Rekestnummer: WTS-I-2014039898

Datum uitspraak: 28 april 2015

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement van 6 januari 2015 strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht te Kleve van 7 augustus 2014 waarbij is veroordeeld:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,

postadres: [adres] , [postcode] [woonplaats]

ter zake van de handel in verdovende middelen, tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden.

De stukken

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:

- een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, van 23 december 2013, waarbij wordt toegestaan de overlevering van [veroordeelde] aan de Leitende Oberstaatsanwalt te Kleve (Duitsland), ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat gewaarborgd is dat hij, indien hij door de Duitse autoriteiten tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou worden veroordeeld, hij deze straf in Nederland kan ondergaan en dat deze zal worden omgezet;

- een vonnis van het Landgericht Kleve, waaruit blijkt dat de veroordeelde op 7 augustus 2014 wegen overtreding van de Duitse opiumwet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden;

- een brief van 30 oktober 2014 van het Justizministerium des Landes Nordrhein-Westfalen aan de Dienst Justitiële Inrichtingen te Den Haag, met het verzoek om de aan [veroordeelde] onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden verder in Nederland ten uitvoer te leggen. Uit deze brief blijkt ook dat de veroordeelde van 27 december 2013 tot 2 januari 2014 in uitleveringsdetentie heeft uitgezeten en dat veroordeelde in Duitsland 234 dagen gedetineerd heeft gezeten in het kader van de voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde straf. Verder is in dit geschrift vermeld dat het einde van de straf zal zijn op 23 juni 2020;

- een geschrift van 24 september 2014, inhoudende de instemming van veroordeelde met betrekking tot overbrenging naar Nederland voor het ondergaan van het overblijvende gedeelte van zijn straf;

- de tekst van de toepasselijke artikelen van de Duitse opiumwet;

- de geautoriseerde vertaling in de Nederlandse taal van de hiervoor genoemde stukken;

- de stukken met betrekking tot de overdracht en voorlopige aanhouding op 23 december 2014, de inverzekeringstelling, de bewaring en de schorsing op 5 januari 2015 van de veroordeelde;

- de vordering verlof tenuitvoerlegging van de officier van justitie ex artikel 18 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van 6 januari 2015.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Artikel 18 WOTS bepaalt dat de officier van justitie binnen twee weken na ontvangst van het buitenlandse verzoek zijn vordering dient in te dienen. Deze termijn is in het onderhavige geval door de officier van justitie overschreden. Nu echter op overschrijding geen sanctie is gesteld en de veroordeelde overigens ook niet in zijn belangen is geschaad, kan de officier in zijn vordering worden ontvangen.

Voor het overige zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Het onderzoek ter terechtzitting

Ter openbare terechtzitting van 14 april 2015 heeft de behandeling van de vordering plaats gevonden. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. D.M.P. van Eijsden, advocaat te Den Haag.

De officier van justitie heeft ter zitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, WOTS voorgelezen en vervolgens aan de rechtbank overgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan veroordeelde een gevangenisstraf wordt opgelegd van 600 dagen, waarvan 228 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft onder meer bepleit om aan de veroordeelde een lagere straf op te leggen dan het Landgericht Kleve heeft gedaan, en wel een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de veroordeelde reeds van zijn vrijheid beroofd is geweest.

Beoordeling van de toelaatbaarheid van de vordering

De vordering is gegrond op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Trb 74 (verder te noemen het Verdrag) en op de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder te noemen de Wet).

De overgelegde stukken voldoen aan de eisen gesteld in genoemd Verdrag.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van het Verdrag en aan de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 18 van de Wet.

Van beletselen als bedoeld in artikel 30 lid 1, van de Wet is niet gebleken.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland is derhalve op het Verdrag en de Wet gegrond en toelaatbaar.

De strafoplegging

De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid van de Wet in samenhang met artikel 9, eerste lid sub b van het Verdrag mee dat de rechtbank voor de straf die het Landgericht Kleve aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

Ten laste van veroordeelde is door het Landgericht Kleve bewezen verklaard de handel in verdovende middelen in niet geringe hoeveelheden. Uit de motivering van de uitspraak blijkt dat het Landgericht heeft vastgesteld dat de veroordeelde tussen september 2012 en eind mei 2013 samen met anderen een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd met 1.000 planten. Het Landgericht is er van uitgegaan dat in ieder geval een keer 25 kilogram marihuana is geoogst en dat deze oogst door veroordeelde of door zijn mededaders – met zijn medeweten – met winst is doorverkocht.

Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 29a, lid 1, punt 2 van de Duitse opiumwet.

Het overeenkomstige feit is naar Nederlands recht strafbaar gesteld in artikel 3 in samenhang met artikel 11 van de Opiumwet. Voor van dit feit kan een maximum straf van 6 jaar of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

Veroordeelde is voor dit strafbare feit strafbaar, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die deze strafbaarheid zouden kunnen verminderen of opheffen.

Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in artikel 11 van het Verdrag.

De rechtbank zal de aan de veroordeelde in Duitsland opgelegde straf vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, waarbij de rechtbank tevens rekening zal houden met internationale gevoeligheden. De rechtbank houdt er daarom rekening mee dat in Duitsland het telen, bereiden en verkopen van softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde geldt. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de veroordeelde, door zich in Duitsland schuldig te maken aan voornoemde delicten, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat van een ernstig vergrijp sprake is. De rechtbank is echter ook van oordeel dat de in Duitsland aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en de door de het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren (LOVS) voor een dergelijk vergrijp gehanteerde oriëntatiepunten, en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, dusdanig hoog is dat volledige tenuitvoerlegging van de door Duitsland opgelegde straf niet op zijn plaats is.

Op vorenstaande gronden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen, waarvan 228 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren- zoals gevorderd door de officier van justitie- gerechtvaardigd is.

BESLISSING

De rechtbank acht de tenuitvoerlegging toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Kleve van 7 augustus 2014 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank legt aan de veroordeelde ter zake van het in dat vonnis bewezenverklaarde feit op een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen met aftrek van de tijd gedurende welke veroordeelde ter zake van dit feit in Duitsland en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten van 27 december 2013 tot en met 5 januari 2015, waarvan 228 dagen voorwaardelijk met en proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heft het reeds geschorste bevel tot bewaring van veroordeelde op.

Aldus gedaan door mr. V.M.A. Sinnige, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en E.M. de Stigter, rechters, bijgestaan door mr. M.J.C.J. Evers, griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 28 april 2015.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.