Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1349

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
C/16/383892 / KG ZA 15-3
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Invoering nieuwe normroosters Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement (RVWM). De rechter gebiedt RVWM om het nietig verklaarde besluit over de jaarroosters binnen een week alsnog voor te leggen aan de ondernemingsraad (conform artikel 27 WOR). Zie ook ECLI:

ECLI:NL:RBMNE:2015:1348

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/371
AR-Updates.nl 2015-0218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/383892 / KG ZA 15-3

Vonnis in kort geding van 6 maart 2015

in de zaak van

DE ONDERNEMINGSRAAD RIJKSWATERSTAAT VERKEER-EN WATERMANAGEMENT (OR VWM),

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. L.C.J. Sprengers te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, IN HET BIJZONDER RIJKSWATERSTAAT VERKEER EN WATERMANAGEMENT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. S. van Heukelom-Verhage.

Partijen zullen hierna de OR en RVWM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de mondelinge behandeling op 20 februari 2015, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gehouden;

  • -

    de pleitnota van de OR

  • -

    de pleitnota van RVWM.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de zitting naar aanleiding van (I) het bij deze rechtbank door de OR ex artikel 36 juncto artikel 27 lid 5 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) ingediende verzoekschrift onder zaaknummer 3732605 UE VERZ 15-1, waarin de OR heeft verzocht te bepalen dat de OR terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het besluit van RVWM tot het vaststellen van de jaarroosters 2015 en RVWM op te dragen om de werkzaamheden op basis van de oude roosters te continueren en (II) het bij deze rechtbank door RVWM ex artikel 36 juncto artikel 27 lid 6 en lid 4 WOR ingediende verzoekschrift onder zaaknummer 3875391 UE VERZ 15-81, waarin RVWM primair heeft verzocht te verklaren dat de OR ten onrechte een beroep op de nietigheid van het besluit van RVWM tot het vaststellen van de jaarroosters 2015 heeft gedaan en zij subsidiair voor zover vereist toestemming heeft gevraagd om bedoeld besluit te nemen.

1.3.

Ten slotte is in alle zaken gelijktijdig uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rijkswaterstaat (RWS) is een onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en

Milieu. Een van de organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat is RVWM (Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement). Binnen RVWM zijn ongeveer 1.700 medewerkers werkzaam, waarvan ongeveer 1.200 in roosterdienst.

2.2.

Voor Rijkswaterstaat als geheel is een groepsondernemingsraad (de GOR)

ingesteld. In de GOR zijn 14 ondernemingsraden, waaronder de OR vertegenwoordigd.

2.3.

In 2009 is binnen RWS het programma Roosterperspectief en Anders Werken

gestart met als doel het uniformeren van de werkwijze met betrekking tot het vaststellen van dienstroosters. In 2013 is met instemming van de GOR de “Leidraad Roosterdiensten, Beschrijving van de uniforme werkwijze” versie 1.0 vastgesteld, in juli 2014 gevolgd door de “Leidraad Roosterdiensten, Beschrijving van de uniforme werkwijze” versie 2.0 (verder te noemen de Leidraad). In de Leidraad is opgenomen dat het om een collectieve regeling als bedoeld in artikel 1:4 lid 1 van de Arbeidstijdenwet (ATW) gaat.

2.4.

Binnen RVWM worden normroosters (jaarroosters) en maandroosters opgesteld. De

normroosters worden met behulp van het plansysteem Norm Rooster Generator (NRG) opgesteld.

2.5.

In artikel 2.1.9 en 2.1.10 van de tussen de OR en het bestuur van RVWM op 11 juni

2013 (nader) overeengekomen ‘Procedure instemming rooster VWM’ (verder te noemen de instemmingsprocedure) zijn bepalingen opgenomen omtrent de met betrekking tot de normroosters te volgen instemmings- en vaststellingsprocedure.

2.6.

In 2014 zijn er gesprekken gevoerd tussen het bestuur van RVWM en de OR met

betrekking tot wijziging van de instemmingsprocedure en is in dat kader in het najaar van 2014 door het bestuur een concept ‘Procedure instemming rooster VWM’ opgesteld met (wederom) in artikel 2.1.9 en 2.1.10 bepalingen omtrent de met betrekking tot de normroosters te volgen instemmings- en vaststellingsprocedure.

2.7.

Tot oktober 2014 zijn door RVWM instemmingsaanvragen bij de OR ingediend.

2.8.

Op 15 oktober 2014 heeft de voorzitter van de OR aan diens collega’s binnen de OR

een e-mail gezonden met betrekking tot de vraag of aan de OR ten aanzien van de normroosters instemmingsrecht toekomt en de wijze van toetsing van de roosters door de OR. Deze e-mail is ter informatie ook informeel aan het bestuur van RVWM gezonden.

2.9.

Op 23 oktober 2014 heeft de voorzitter van de OR aan het bestuur van RVWM een

brief gezonden met als onderwerp ‘Proces normroosters 2015’. Deze brief betreft de wijze van toetsing van de normroosters door de OR. Het woord ‘instemming’ komt in de brief niet voor.

2.10.

Op 28 oktober 2014 heeft met betrekking tot de normroosters 2015 overleg

plaatsgevonden tussen de OR en het bestuur.

2.11.

In november 2014 heeft het bestuur 71 normroosters met een toelichting op de

totstandkoming ervan aan de OR aangeboden. Het bestuur heeft de OR niet verzocht om instemming met de normroosters. De normroosters zijn op 21 november 2014 in het roostersysteem van RVWM (SAP) gepubliceerd.

2.12.

In december 2014 heeft er met betrekking tot de normroosters een briefwisseling

plaatsgevonden tussen de OR en het bestuur.

2.13.

Bij brief van 17 december 2014 heeft de OR de nietigheid ingeroepen van het rond

21 november 2014 genomen besluit tot vaststelling van de normroosters. De OR heeft het bestuur daarbij verzocht zich alsnog bereid te verklaren om het besluit ter instemming aan de OR voor te leggen en om gedurende het instemmingstraject met de oude roosters te werken dan wel om in overleg met de OR tot een andere oplossing te komen. Het bestuur van RVWM heeft daarop laten weten dat naar haar mening geen sprake (meer) is van een instemmingsrecht en dat volgens haar is voldaan aan de in de brief van 23 oktober 2014 door de OR beschreven toetsingscriteria.

2.14.

In de verdere briefwisseling tussen de OR en het bestuur van RVWM in december

2014 heeft de OR (onder meer) aangegeven bereid te zijn om alsnog in overleg een snel instemmingstraject te doorlopen en dat afronding daarvan binnen een maand, gezien het al verrichte voorwerk, mogelijk zou moeten zijn, alsmede dat zij zich genoodzaakt ziet om een procedure te starten. In haar reactie daarop heeft het bestuur van RVWM laten weten dat zij haar standpunt, “dat de OR geen instemmingsrecht heeft ten aanzien van het vaststellen van de normroosters en dat conform de afspraken verwoord in de brief van 23 oktober 2014 en de normen van de Leidraad 2.0 is gehandeld” handhaaft.

2.15.

De vanaf 1 januari 2015 geldende maandroosters zijn gebaseerd op de normroosters

2015.

3 Het geschil

3.1.

De OR vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening RVWM zal gelasten om (een deel van) de normjaarroosters, zoals die rond 21 november 2014 of later zijn vastgesteld en in SAP zijn gezet en het besluit tot vaststellen van de fijnroosters voor de maand januari 2015, zoals dat rond 26 november 2014 is vastgesteld, op te schorten en daar geen verdere uitvoering aan te geven, een en ander tot in de bodemprocedure een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel voorhanden is dan wel partijen in overleg tot een vergelijk zijn gekomen, dan wel dat de voorzieningenrechter een andere redelijke voorziening zal treffen.

3.2.

RVWM voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is met de aard van de vordering en de vaststaande feiten

gegeven.

4.2.

In de met dit kort geding samenhangende verzoekschriftprocedures met de zaaknummers 3732605 UE VERZ 15-1 en 3875391 UE VERZ 15-81 is heden tegelijk met dit vonnis een beschikking gegeven. In die beschikking heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de OR terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het door RVWM rond 21 november 2014 of later genomen besluit tot het vaststellen van de jaarroosters 2015, zoals in SAP gezet.

4.3.

Voorts heeft de kantonrechter in voormelde beschikking bepaald dat de beslissing op (het in het verzoek van de OR besloten) verzoek om aan RVWM een verbod als bedoeld in artikel 27 lid 6 van de WOR op het verrichten van (verdere) handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het nietige besluit op te leggen, zal worden aangehouden in afwachting van het ex artikel 27 WOR tussen de OR en RVWM nog te voeren overleg. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de OR niet concreet heeft gesteld dat zich na 1 januari 2015 zodanig zwaarwegende problemen bij de toepassing van de maandroosters hebben voorgedaan dat deze aan een tijdelijke voortzetting van de werkzaamheden volgens de op de normroosters 2015 gebaseerde maandroosters, in afwachting van nader te voeren overleg tussen OR en RVWM, in de weg staan. Nu aldus op dit punt in de bodemprocedure reeds voorlopig is beslist, heeft de OR geen belang meer bij haar daarmee samenhangende (primaire) vordering in dit kort geding en zal deze dus worden afgewezen.

4.4.

Gelijk de kantonrechter in de verzoekschriftprocedure heeft overwogen, zal het nietig

verklaarde besluit inzake de normroosters 2015 wel alsnog als voorgenomen besluit ex artikel 27 WOR aan de OR ter instemming moeten worden voorgelegd en zal in dat kader nader overleg dienen plaats te vinden tussen RVWM en de OR. Gegeven het gerechtvaardigde belang dat de OR er bij heeft om dit overleg op zo kort mogelijke termijn te kunnen voeren, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding voor toewijzing van de subsidiaire vordering van de OR, in die zin dat RVWM zal worden verplicht om het besluit binnen een week na de datum van dit vonnis ex artikel 27 WOR ter instemming aan de OR voor te leggen.

4.5.

Gelet op het bepaalde in artikel 22 en 22a WOR zullen de proceskosten tussen partijen

worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt RVWM om binnen een week na de datum van dit vonnis het door de kantonrechter nietig verklaarde besluit tot het vaststellen van de jaarroosters 2015 alsnog als voorgenomen besluit ex artikel 27 WOR ter instemming aan de OR voor te leggen;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2015.1

1 type: HV1325 coll: