Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2577

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
834228 UC EXPL 12-15236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 834228 UC EXPL 12-15236 MT/4253

Vonnis van 12 maart 2014

inzake

[eiseres], handelend onder de naam '[naam]',

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Proximedia Nederland B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

verder ook te noemen Proximedia,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: Nouta Westland Gerechtsdeurwaarderskantoor B.V.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 september 2013

  • -

    de akte van 2 oktober 2013 van Proximedia

  • -

    de akte van 30 oktober 2013 van Proximedia

  • -

    de akte van [eiseres] van 30 oktober 2013

  • -

    de akte van Proximedia van 27 november 2013

  • -

    de akte van [eiseres] van 27 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 18 september 2013. In dat tussenvonnis is Proximedia in de gelegenheid gesteld een aantal in het vonnis gespecificeerde uitspraken in het geding te brengen. Ook zijn beide partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar aanleiding van die uitspraken aan te passen. In het tussenvonnis is [eiseres] verder opgedragen haar bewijsaanbod ten aanzien van de door haar gestelde dwaling nader te concretiseren.

2.2.

In de door Proximedia overgelegde uitspraken is de klant die een beroep deed op dwaling steeds belast met het bewijs van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen. [eiseres] heeft er ten eerste voor gepleit om in deze zaak Proximedia met het bewijs te belasten dat de door verstrekte informatie juist en volledig is met een beroep op artikel 6:193j BW dan wel 6:194 en 6:195 BW.

Al deze bepalingen zijn het resultaat van de implementatie van de Europese Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Voor zover al sprake zou zijn van de hier bedoelde oneerlijke handelspraktijken aan de zijde van Proximedia is van belang dat deze richtlijn en aldus de genoemde bepalingen van toepassing zijn op de relatie tussen een onderneming en een consument. De handelsprakijken tussen ondernemingen onderling, waaronder ook kleine zelfstandigen, vallen hier buiten (Nadere MvA EK, Kamerstukken I 2007/08, 30928 E, p.6). Voor de door [eiseres] bepleite omkering van de bewijslast is dan ook geen plaats.

2.3.

Het is [eiseres] die een beroep doet op de rechtsgevolgen van de aan haar zijde aanwezige dwaling en vordert de overeenkomst tussen partijen te vernietigen zodat zij voldoende (onderbouwd) dient te stellen en eventueel op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Rv met het bewijs van haar stellingen in dat kader dient te worden belast.

2.4.

De kantonrechter verwijst naar de stellingen van [eiseres] zoals die zijn verwoord in het tussenvonnis van 18 september 2013 onder 4.7. [eiseres] heeft in de akte van 30 oktober 2013 aan haar beroep op dwaling nog het volgende toegevoegd. Aan haar is meegedeeld dat zij als referent zou dienen en dat om die reden aan haar een uniek aanbod gedaan kon worden, waardoor zij aanzienlijke kosten zou kunnen besparen. Meer in het bijzonder is aan [eiseres] medegedeeld dat de aanbieding van Proximedia een speciaal aanbod was voor juist de kleine zelfstandige. [eiseres] was volgens Proximedia de enige in [woonplaats] die als referent dit unieke aanbod kreeg. Aan [eiseres] werd medegedeeld dat Proximedia als bedrijf voornamelijk actief was in het zuiden des lands en dat Proximedia nu ook in de omgeving van [woonplaats] wilde uitbreiden. [eiseres] zou Proximedia daarbij als referent kunnen helpen.

2.5.

Wat van het voorgaande ook zij, deze mededelingen hebben naar het oordeel van de kantonrechter het karakter van een verkooptechniek, bedoeld om de klant over de streep te trekken maar die mededelingen kunnen een beroep op dwaling niet staven. Deze mededelingen leveren geen dwaling op; te meer nu [eiseres] zelf de conclusie ook niet getrokken heeft dat, had zij geweten dat zij niet de enige was die het genoemde aanbod had ontvangen, althans niet speciaal was geselecteerd, zij de onderhavige overeenkomst niet zou hebben gesloten.

[eiseres] trekt die conclusie wel ten aanzien van de mededelingen omtrent de looptijd van de overeenkomst, de kosten daarvan en het boetebeding. Daarvan heeft [eiseres] gesteld dat, had zij geweten wat de looptijd, de kosten en het boetebeding inhielden, zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten.

De looptijd staat echter - vetgedrukt - op pagina 1 van de overeenkomst vermeld. Ook is het maandelijks verschuldigde bedrag onderaan op pagina 1 met pen ingevuld. Dat stelling van [eiseres] dat Proximedia [eiseres] nog explicieter op die onderdelen van de overeenkomst had moeten wijzen volgt de kantonrechter niet. Of Proximedia [eiseres] expliciet op het boetebeding heeft gewezen kan verder in het midden blijven. Uit het feit dat voldoende duidelijk moet zijn geweest voor [eiseres] dat zij de overeenkomst aanging voor 48 maanden volgt dat in beginsel zij niet tussentijds van de overeenkomst af zou kunnen. Dat zij niet is gewezen op het boetebeding in geval van vroegtijdige beëindiging kan haar beroep op dwaling dan ook niet dragen. Onder de gegeven omstandigheden had het op de weg van [eiseres] gelegen om te onderzoeken welke (rechts)gevolgen een eventuele tussentijdse opzegging zou meebrengen.

Uit de stellingen van [eiseres] omtrent de door Proximedia te leveren diensten (gratis laptop, gratis website, opleiding en online back up) en haar verwachtingen hiervan op grond van het verkoopgesprek valt verder niet op te maken dat [eiseres] heeft gedwaald over wat zij in ruil voor de maandelijkse betaling zou ontvangen. De door Proximedia te verrichten diensten zijn omschreven in het formulier (productie 4: gelijksoortig formulier op naam van [naam]). Ten tijde van het verkoopgesprek heeft [eiseres] de overeenkomst kunnen bekijken. Indien zij na de presentatie van de vertegenwoordiger van Proximedia zich onvoldoende geïnformeerd achtte of zij te weinig tijd had voor een deugdelijke beoordeling, had zij ervoor kunnen kiezen de overeenkomst simpelweg niet te tekenen.

[eiseres] heeft in de dagvaarding gesteld dat het formulier misleidend is, omdat het de indruk wekt dat zij gratis een laptop in eigendom zou verwerven. Uit het formulier kan echter hooguit worden afgeleid dat [eiseres] geen investeringskosten zou hebben voor de door Proximedia ter beschikking te stellen laptop (op het formulier genoemd onder “Materiaal”) en dat zij een betalingsverplichting op zich nam van € 5,63 per dag. Dat [eiseres] dit laatste ook zo heeft begrepen blijkt bovendien ook uit haar eigen stellingen onder punt 22. van de dagvaarding. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiseres] wist welke betalingsverplichting zij op zich nam en welke diensten zij in ruil daarvoor zou kunnen verwachten en dat maakt dat zij niet gedwaald heeft ten aanzien van de essentialia van de overeenkomst. De persoonlijke omstandigheden van [eiseres] kunnen niet bijdragen aan de conclusie dat zij omtrent de overeenkomst heeft gedwaald. Haar beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling moet dan ook worden afgewezen.

2.6.

Nu de (nadere) stellingen van [eiseres] haar beroep op dwaling niet kunnen dragen, komt de kantonrechter aan het opdragen van bewijs conform het door [eiseres] gedane bewijsaanbod niet toe.

Wanprestatie

2.7.

[eiseres] heeft gesteld dat Proximedia tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst. Zo heeft Proximedia geen gratis laptop ter beschikking gesteld, bleek de opleiding een ‘farce’ te zijn en heeft de ontwikkeling van de website niet plaatsgevonden zoals overeengekomen.

Nu uit het voorgaande volgt dat [eiseres] niet heeft mogen verwachten dat zij een gratis laptop zou verkrijgen, kan het beroep op wanprestatie door Proximedia op dit punt al niet slagen.

Proximedia heeft ten aanzien van de opleiding verwezen naar de door haar overgelegde productie 6 waarin [eiseres] schriftelijk heeft verklaard: “alle betrokken personen kregen een opleiding zoals beschreven in artikel 3 van de overeenkomst”. Vervolgens heeft [eiseres] niet nader gemotiveerd wat haar bezwaren tegen de ontvangen opleiding waren terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Tot slot heeft Proximedia zich blijkens de overeenkomst verbonden tot het ontwerpen van een standaardwebsite. Dat Proximedia op dit punt niet aan haar verplichting zou hebben voldaan is door [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Bovendien is door haar niet gesteld, noch is gebleken dat zij de bezwaren die zij had tegen de door Proximedia ontworpen website schriftelijk aan Proximedia kenbaar heeft gemaakt en haar in de gelegenheid heeft gesteld binnen een redelijke termijn die bezwaren weg te nemen. Voor het intreden van verzuim is een dergelijke schriftelijke mededeling wel noodzakelijk. Nu geen sprake is van verzuim komt [eiseres] geen bevoegdheid toe de overeenkomst op grond van wanprestatie te ontbinden.

Onredelijk bezwarend beding

2.8.

[eiseres] heeft gesteld dat zij de overeenkomst op 25 februari 2009, althans 10 maart 2009, althans 7 juni 2011, heeft opgezegd. De kantonrechter gaat voor de datum van de opzegging door [eiseres] uit van de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 7 juni 2011. Dat is de eerste mededeling van [eiseres] waaruit Proximedia heeft moeten begrijpen dat [eiseres] van de overeenkomst af wilde. Niet alleen zijn de eerdere mededelingen niet als een zodanige verklaring op te vatten, ook is uit het daarop gevolgde bericht van 6 april 2009 op te maken dat wat er ook zij van haar eerdere berichten zij op dat moment juist expliciet aangeeft de samenwerking met Proximedia te willen behouden, waardoor eerdere mededelingen als ingetrokken moeten worden beschouwd.

Pas bij de hiervoor genoemde brief van 7 juni 2011 heeft [eiseres] de overeenkomst opgezegd. Daarvan uitgaande is zij de maandtermijnen tot en met juni 2011 verschuldigd. Over de resterende periode vanaf juli 2011 tot de einddatum van de overeenkomst is zij op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst een verbrekingsvergoeding verschuldigd van 60% van de resterende maandtermijnen.

2.9.

Volgens [eiseres] is artikel 7.1 van de overeenkomst onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 BW, op grond van de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen en de wederzijds kenbare belangen van partijen. [eiseres] doet een beroep op (reflexwerking van) de artikelen 6:236 en 6:237 BW, meer specifiek op de artikelen 6:236 sub b en 6:237 sub i BW. Daarnaast beroept [eiseres] zich op de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen.

2.10.

Proximedia heeft betwist dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Zij heeft aangevoerd dat de maandtermijn die de klant betaalt uit drie componenten bestaat: de kostprijs voor de eenmalige investeringen, de kostprijs voor wederkerige diensten en de winstopslag.

De eenmalige investeringen vallen doorgaans aan het begin van de overeenkomst zoals het ontwerpen van de website, het leveren en plaatsen van de hardware, de opleiding en de back-up software.

De componenten worden evenredig over de looptijd van de overeenkomst gespreid. In de maandtermijn zit tevens een rentecomponent begrepen.

De 60 %-vergoeding bij vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst ziet enkel op geleden schade, namelijk op door haar al gemaakte maar door de klant nog niet terugbetaalde kosten.

Ter onderbouwing van het gehanteerde percentage heeft Proximedia een aantal financiële stukken overgelegd. Het betreft de volgende stukken:

1. de jaarrekening 2007,

2. de jaarrekening 2007 KVK,

3. de jaarrekening België,

4. Financiële analyse details 2007,

5. Indirecte kosten 2007,

6. Materiele kosten 2007,

7. informatie over de jaarrekening 2007 en

8. Kostprijsberekening 2008.

2.11.

Ten aanzien van de door Proximedia in het geding gebrachte financiële stukken heeft [eiseres] het volgende naar voren gebracht. [eiseres] heeft gesteld dat de jaarstukken zien op 2007, terwijl de overeenkomst is gesloten in 2009. Ook heeft [eiseres] een aantal bezwaren tegen die stukken naar voren gebracht die kunnen worden samengevat als volgt:

- de kostprijs per overeenkomst bedraagt € 3.642,00, de maandelijkse afschrijving daarop komt overeen met 37% van de betaalde maandtermijnen, veel minder dan de te betalen 60%;

- niet inzichtelijk is waarom de kosten onder de noemer “commercialisatie payroll” na beëindiging van de overeenkomst doorlopen en ook niet waarom 70% van de loonkosten van de algemeen directeur aan de overeenkomst toegerekend kan worden, laat staan na beëindiging van de overeenkomst: hetzelfde geldt voor de 75 % van de kosten voor personeel dat zich met webdesign bezighoudt en 55% van de loonkosten voor het technisch personeel;

- de restwaarde van de na beëindiging van de overeenkomst retour ontvangen hardware blijkt niet uit de stukken;

- niet duidelijk is in welke mate € 1.102,00 aan indirecte productie- en installatiekosten toegerekend kunnen worden aan de overeenkomst;

- niet duidelijk is waarom 50% van de loonkosten van het administratieve personeel op de overeenkomsten drukt, en ook niet waarop € 41.496,00 aan indirecte kosten betrekking heeft.

2.12.

De kantonrechter overweegt dat ten eerste dat [eiseres] niet de bescherming toekomt van de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG), omdat zij in het onderhavige geval heeft gehandeld in de uitoefening van hun bedrijf en daarom niet zijn aan te merken als consument in de zin van de richtlijn. Het begrip “consument” wordt door het Europese Hof van Justitie strikt opgevat. De ondernemer die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf wordt daaronder niet begrepen.

2.13.

De kantonrechter overweegt dat artikel 7.1 van de overeenkomst niet een beperking inhoudt van de bevoegdheid van [eiseres] tot ontbinding, maar een beding is zoals opgenomen 6:237 sub i BW. Immers, op grond van dit artikel bestaat de mogelijkheid de overeenkomst tussentijds te beëindigen, met dien verstande dat zij in dat geval aan Proximedia een vergoeding is verschuldigd ter hoogte van 60% van de resterende maandtermijnen. In artikel 6:237 sub i BW van de grijze lijst is bepaald dat een beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn als dat beding bepaalt dat als de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van haar verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij verplicht is een geldsom te betalen, behoudens voor zover het een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst betreft.

2.14.

Het door Proximedia overgelegde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 5 maart 2013 is ook in het kader van het beroep van [eiseres] op de onredelijk bezwarendheid van artikel 7.1. van belang. Het hof heeft in zijn arrest van 5 maart 2013 beoordeeld of bij de in artikel 7.1 bedongen vergoeding bij opzegging sprake is van een redelijke vergoeding voor verrichte werkzaamheden. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. Het merendeel van de verplichtingen van Proximedia moet worden nagekomen direct na het ingaan van de looptijd van de overeenkomst: dan vindt onder meer de terbeschikkingstelling van de computer en daarbij behorende apparatuur plaats, wordt de opleiding gegeven, de website ontworpen en de domeinnaam geregistreerd. In de verdere looptijd behoudt de klant de voordelen van die inspanningen van Proximedia. In het “verdienmodel” van Proximedia wordt voor die inspanningen niet reeds betaald in het begin van de looptijd, maar financiert zij de door haar te maken kosten voor. Pas naarmate de looptijd verstrijkt, wordt Proximedia door middel van de overeengekomen maandelijks afdrachten betaald voor haar in de aanvangsfase gemaakte kosten voor de informaticaprestaties ten behoeve van de klant. Nu in de volgens het beding te betalen vergoeding rekening is gehouden met de verstreken looptijd van de overeenkomst - deze is immers gekoppeld aan de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode - en de prestaties van Proximedia voor het overgrote deel in het begin van de looptijd zijn verricht, is de vergoeding volgens het hof niet onredelijk te noemen.

Het hof heeft dan ook geen reden gezien voor vernietiging van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden van Proximedia op de grond dat die bepaling voor de klant onredelijk bezwarend is. Ook is van groot belang is dat het hof daarbij expliciet heeft overwogen dat het beroep op de (reflexwerking van) de artikelen 6:236 sub b en 6:237 sub i BW de klant niet kan baten. De in dit arrest uitgezette lijn is daarna ook in vergelijkbare zaken bevestigd in drie arresten van 25 juni 2013 (twee van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, en één van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem).

2.15.

De kantonrechter sluit thans aan bij de overwegingen uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 5 maart 2013. De in dit kader van belang zijnde stellingen van Proximedia, hiervoor weergeven onder 2.9., zijn door [eiseres] niet gemotiveerd betwist. Aldus overweegt de kantonrechter dat Proximedia het merendeel van verplichtingen moet nakomen direct na het sluiten van de overeenkomst, dat zij pas naarmate de looptijd verstrijkt wordt betaald voor deze in aanvang gemaakte kosten en dat in het beding rekening is gehouden met de verstreken looptijd van de overeenkomst.

2.16.

Verder valt niet in te zien waarom de door Proximedia overgelegde cijfers niet van haarzelf afkomstig mogen zijn, waarbij wordt aangetekend dat deze zijn beoordeeld door [accountant 1], zulks (mede) aan de hand van het accountantsrapport 2007 van [accountant 2]. In de berekening van de door [eiseres] genoemde 37% is afgezien van rente. [eiseres] heeft niet gesteld dat het gehanteerde rentepercentage afwijkt van het commercieel gebruikelijke. [accountant 1] heeft 56% als kostprijs van een gemiddelde omzetwaarde concreet onderbouwd. Met betrekking tot de percentages van toegerekende kosten stelt de kantonrechter vast dat het om bedrijfsbeslissingen gaat die, naar mag worden aangenomen, binnen algemeen gehanteerde normen vallen, mede nu zij de accountantscontrole zijn gepasseerd. Waarom die toerekeningen onjuist zouden zijn heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Haar bezwaren betreffen vooral onduidelijkheden, zonder dat zij aangeeft wat van Proximedia nog meer aan informatieverschaffing verwacht had mogen worden.

Het bezwaar van [eiseres] dat de restwaarde van de geretourneerde apparatuur na een voortijdige beëindiging van de overeenkomst niet uit de door Proximedia overgelegde stukken blijkt, is verder niet van doorslaggevende betekenis nu die apparatuur snel in waarde daalt.

Het voorgaande in aanmerking nemende komt de kantonrechter thans tot het oordeel dat de door Proximedia op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst in rekening gebrachte vergoeding moet worden aangemerkt als een redelijke vergoeding.

2.17.

Verder overweegt de kantonrechter dat het beroep op de reflexwerking van artikel 6:237 i BW [eiseres] niet kan baten. Immers, op grond van het voorgaande staat vast dat de in artikel 7.1 van de overeenkomst opgenomen vergoeding een redelijke vergoeding is. Verder brengen de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen en de wederzijdse belangen van partijen en de overige omstandigheden niet mee dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding.

2.18.

In dit kader heeft [eiseres] gesteld dat tegenover artikel 7.1 geen ‘compenserende’ andere voorwaarde staat. Nu de voorwaarden bij beëindiging als redelijk zijn beoordeeld behoeft daar ook geen andere compenserende voorwaarde tegenover te staan. De kantonrechter volgt de redenering van [eiseres] dat tegenover de beperking van de aansprakelijkheden van Proximedia in de algemene voorwaarden, met name in artikel 3, een mogelijkheid tot kosteloze beëindiging van de overeenkomst mogelijk moet zijn, niet. In geschil is niet het door [eiseres] aangehaalde artikel 3 (en dus de vraag of daartegenover een compenserende voorwaarde staat), maar artikel 7.1.

2.19.

Verder legt hetgeen [eiseres] in dit kader nog heeft gesteld onvoldoende gewicht in de schaal om in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen dan in de soortgelijke hiervoor genoemde zaak die in hoger beroep is behandeld en heeft geleid tot de uitspraak van 5 maart 2013. Gelet op al het voorgaande ziet de kantonrechter geen reden voor vernietiging van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden van Proximedia op de grond dat die bepaling voor [eiseres] onredelijk bezwarend is.

2.20.

In de akte van 10 oktober 2012 heeft [eiseres] nog gevorderd, in het geval de kantonrechter tot de conclusie zou komen dat artikel 7.1 van de overeenkomst niet onredelijk bezwarend is, de verbrekingsvergoeding te matigen op grond van artikel 6:94 BW. Artikel 6:94 BW bevat de mogelijkheid voor de rechter om op verzoek van een partij een bedongen boete te matigen. Als een hier bedoeld ‘boetebeding’ wordt aangemerkt ieder beding waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan. Aldus is de matigingsbevoegdheid waar [eiseres] een beroep op doet aan de orde in de situatie dat [eiseres] gehouden zou zijn een boete te betalen omdat zij in de nakoming van haar verplichtingen is tekortgeschoten. Die situatie doet zich thans niet voor. Er is geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van [eiseres], maar zij heeft de overeenkomst opgezegd waardoor deze is geëindigd en zij de verbrekingsvergoeding verschuldigd is. Dit verweer van [eiseres] kan dus niet slagen.

2.21.

Tot slot heeft [eiseres] gesteld dat artikel 7.1 buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing daarvan in strijd is met artikel 6:2 en 6:248 lid 2 BW, nu het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ter onderbouwing daarvan zijn geen andere stellingen naar voren gebracht dan die welke in de voorgaande rechtsoverwegingen al zijn besproken en verworpen. Die stellingen kunnen de door [eiseres] gebezigde conclusie dan ook niet dragen.

In conventie

2.22.

Op grond van het voorgaande wordt de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de overeenkomst reeds heeft betaald, afgewezen, evenals de nevenvorderingen.

2.23.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Proximedia worden begroot op € 625,00 (2,5 punten x het tarief van € 250,00) aan salaris gemachtigde.

In reconventie

2.24.

De vordering tot betaling van de maandtermijnen zal tot en met juni 2011 worden toegewezen, zijnde een bedrag van € 804,44 (maart 2011 tot en met juni 2011).

Gelet op het uitgangspunt dat [eiseres] de overeenkomst per juli 2011 heeft opgezegd is zij vanaf dan de verbrekingsvergoeding verschuldigd. De vordering van Proximedia in reconventie is toewijsbaar voor zover het de verbrekingsvergoeding van 60% van de resterende termijnen vanaf juli 2011 tot einde looptijd, dat is tot en met januari 2013, betreft. Dat komt in dit geval neer op 60% van € 169,00 x 19 = € 1.926,60.

Totaal zal worden toegewezen een bedrag van € 804,44 + € 1.926,60 = € 2.731,04 aan hoofdsom. De wettelijke rente daarover, waartegen [eiseres] geen verweer heeft gevoerd, is toewijsbaar. Nu Proximedia onvoldoende heeft onderbouwd vanaf welke datum [eiseres] in verzuim is met de betaling van respectievelijk de achterstand in maandtermijnen en de verbrekingsvergoeding zal de gevorderde rente niet eerder dan per de datum van het instellen van de eis in reconventie worden toegewezen, zijnde 28 november 2012.

2.25.

[eiseres] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Proximedia in reconventie zullen, gelet op de samenhang tussen de conventie en reconventie, worden gehalveerd en worden begroot op € 218,75 (0,5 x 2,5 punt x het tarief van € 175,00) aan salaris gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Proximedia, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 625,00 aan salaris gemachtigde;

In reconventie

3.3.

veroordeelt [eiseres] om aan Proximedia tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.731,04 met de wettelijke rente daarover 28 november 2012 tot de voldoening;

3.4.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Proximedia, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 218,75 aan salaris gemachtigde;

3.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2014.