Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:3651

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
31-03-2014
Zaaknummer
172985 A
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Hinder door hoogte gebouw en verlichting bij naburige percelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

172985 / KG ZA 12-28226 oktober 2012

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 172985 / KG ZA 12-282

Vonnis in kort geding van 26 oktober 2012

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],[woonplaats],

eisers,

advocaat mr. T. Dohmen te Valkenburg aan de Geul,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. D.A.B. Cox, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Roermond.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 juli 2012, met producties;

  • -

    de brief van 27 juli 2012 van de zijde van[gedaagde], met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 juli 2012 en het proces-verbaal daarvan, waarvan onderdeel uitmaken de pleitnota van [eiser], met producties, en de pleitnota van [gedaagde], met producties;

  • -

    de brief van 5 oktober 2012 van de zijde van [eiser] waarin vonnis wordt gevraagd, omdat partijen niet tot een regeling zijn gekomen.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn buren van elkaar. [eiser] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer 3435 ([adres] te [woonplaats]). [gedaagde] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer 3434 ([adres]te [woonplaats]). Het perceel van [gedaagde] ligt voor een deel schuin achter dat van [eiser]. [eiser] omschrijft dit deel als “de schuine punt” en het betreft het gearceerde stukje van perceel 3434 (zie figuur 1, detail van productie 2 bij dagvaarding).

Figuur 1

2.2.

[eiser] heeft op zijn perceel als erfafscheiding tussen de schuine punt en zijn perceel een hekwerk met hedra-begroeiing geplaatst. [gedaagde] heeft op zijn perceel (schuine punt) als erfafscheiding een gemetselde muur geplaatst.

2.3.

[gedaagde] heeft evenwijdig aan de gemetselde muur op de schuine punt een garage opgericht.

2.4.

[eiser] heeft verschillende bestuursrechtelijke procedures gevoerd inzake de garage van [gedaagde]. Op grond van deze procedures staat het volgende vast.

  • -

    De door [gedaagde] in 2006 aangevraagde bouwvergunning is op 4 april 2006 verleend en bij wijze van voorlopige voorziening op 8 mei 2006 geschorst. Bij beslissing op bezwaar van 12 september 2006 is de bouwvergunning voor de garage alsnog geweigerd. In beroep heeft de rechtbank deze beslissing vernietigd, en de [woonplaats] heeft bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2007 de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning wederom geweigerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) heeft op 9 april 2008 uiteindelijk het door [gedaagde] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin de nieuwe beslissing op bezwaar tevens is beoordeeld, ongegrond verklaard, zodat de beslissing op bezwaar van 7 augustus 2007 waarbij de vrijstelling en bouwvergunning zijn geweigerd in rechte vast staat.

  • -

    [gedaagde] heeft ondanks schorsing van het oorspronkelijke primaire besluit en de daarop volgende weigering vrijstelling en bouwvergunning de garage gebouwd in iets aangepaste vorm als oorspronkelijk was aangevraagd.

  • -

    [eiser] heeft de [woonplaats] verzocht om handhavend op te treden en [gedaagde] een last tot sloop van de garage op te leggen. De [woonplaats] is hiertoe niet overgegaan, omdat zij met [gedaagde] van mening was dat de garage (inmiddels) een vergunningvrij bouwwerk was. Op 23 februari 2011 heeft de gemeente beslissend op bezwaar geoordeeld dat voor een dergelijk bouwwerk wel een vergunningplicht geldt en dat gehandhaafd dient te worden. Deze beslissing staat in rechte vast, omdat [gedaagde] geen rechtsmiddelen heeft aangewend. [gedaagde] heeft slechts in feitelijke zin gereageerd op de beslissing op bezwaar door enige aanpassingen aan de garage uit te voeren. [gedaagde] is er niet in geslaagd deze beweerdelijk nieuwe situatie te laten legaliseren. Tot op heden heeft de [woonplaats] niet handhavend opgetreden.

2.5.

[gedaagde] heeft aan de buitenkant van de lange zijde van de garage, aan de zijde van het perceel van [eiser], verlichting aangebracht, die aan de binnenzijde van de boeiboord is bevestigd. [gedaagde] kan deze verlichting vanuit zijn woning niet zien. [gedaagde] verlicht op deze wijze de zijkant van de garage tot op enig moment na middernacht, waarna het licht uitgaat. Door de verlichting blijft de garage vanaf het perceel van [eiser] zichtbaar totdat het licht uitgaat.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – primair – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven –

I. [gedaagde] veroordeelt tot het verwijderen en verwijderd houden van de garage van de schuine punt, een en ander op straffe van een dwangsom.

II. [gedaagde] verbiedt op de schuine punt gebouwen of werken op te richten die de maximaal toegelaten hoogte van de erfafscheiding overschrijden, een en ander op straffe van een dwangsom.

III. Ter verduidelijking van wat wordt bedoeld met de schuine punt een gewaarmerkt afschrift van productie 2 bij dagvaarding aan het vonnis te hechten.

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering primair op de omstandigheid dat hij hinder, die onrechtmatig is, ondervindt van de garage en de verlichting. Door de garage ondervindt [eiser], zo stelt hij, hinder in de vorm van verminderd genot van zijn woning en tuin, omdat hem het vrij uitzicht wordt beperkt en belemmerd. Door de verlichting aan de garage ondervindt [eiser], zo stelt hij, hinder in de vorm van verminderd genot van zijn woning en tuin, omdat de verlichting enkel gericht is op zijn perceel, onnodig en fel is.

[eiser] stelt recht op en spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening te hebben.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de spoedeisendheid

4.1.

[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorziening. Hij stelt dat bestuursrechtelijke procedures na ruim 6 jaar weliswaar ertoe hebben geleid dat in rechte vaststaat dat de garage zonder vergunning en illegaal is gebouwd, maar dat [gedaagde], maar ook de [woonplaats], tot op heden geen aanstalten hebben gemaakt een einde te maken aan deze illegale situatie, ondanks herhaald verzoek daartoe.

Eind 2011 tot begin 2012 heeft de wethouder een bemiddelingspoging ondernomen, doch zonder resultaat. Daarna heeft de [woonplaats] aan [eiser] toegezegdspoedig en voortvarend de handhaving ter zake de garage voort te zetten. Inmiddels zijn enkele maanden verstreken zonder dat de gemeente tot een aanschrijving richting [gedaagde] is overgegaan. [eiser] is het wachten moe, heeft al die tijd niet stilgezeten en wenst via civielrechtelijke weg handhaving te bereiken.

De voorzieningenrechter ziet in de aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende reden om thans een spoedeisend belang aanwezig te achten. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.

Ten aanzien van de hinder door de (hoogte van de ) garage.

4.2.

De hinder door de (hoogte van de) garage is onrechtmatig, zo stelt [eiser], omdat [gedaagde] heeft gebouwd zonder bouwvergunning. [gedaagde] handelt in strijd met een wettelijk plicht en [eiser] kan aan het bestemmingsplan en aan het vereiste van een bouwvergunning voor een dergelijk bouwwerk bescherming ontlenen. [eiser] stelt ernstig beperkt te worden in zijn uitzicht vanuit zijn woonkamer en keuken, dat door de garage wordt geblokkeerd, en door de garage zonlicht wordt onthouden.

4.3.

[gedaagde] stelt dat de garage waarover de verschillende bestuursrechtelijke procedures gaan, nooit is gerealiseerd en dat er thans een legaal, vergunningvrij bouwwerk staat van minder dan 30 m², op een afstand van 1 meter uit de erfgrens, en met een hoogte van minder dan 3 meter. [eiser] heeft, zo stelt [gedaagde], geen recht op uitzicht op grond van artikel 5:37 BW en gelet op de hoogte van het bouwwerk kan niet worden volgehouden dat sprake is van het hinderlijk weghouden van licht.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] gevolgd moet worden in zijn standpunt dat door de garage op onrechtmatige wijze hinder wordt veroorzaakt door het belemmeren van het uitzicht. Hij overweegt daartoe het volgende.

Vast staat dat [gedaagde] zonder bouwvergunning, die vereist is, maar geweigerd is, een garage heeft opgericht. De garage mag op grond van de geldende regelgeving – het bestemmingsplan ter plaatse met de daarbij behorende planvoorschriften – er in deze vorm niet staan. Vast staat dat legalisatie door [gedaagde] nooit is bereikt.

De garage is drie meter hoog en is daarmee één meter hoger dan de tuinmuur van [gedaagde], zodat de garage vanuit de tuin en het huis van [eiser] zichtbaar is. Nu [eiser] op grond van de vigerende regels en op grond van het feit dat een bouwvergunning is geweigerd en legalisatie nooit is bereikt, een vrij uitzicht mag verwachten, handelt [gedaagde] onrechtmatig door dit te belemmeren door dit bouwwerk, dat boven de tuinmuur uitkomt, opgericht te houden. Dat belemmeren van het uitzicht is door de ABRS in zijn uitspraak van 9 april 2008 meegewogen. Anders dan [gedaagde] stelt, is immers de opsomming van hinder in artikel 5:37 BW niet limitatief, zodat het belemmeren van uitzicht als hinder kan worden aangemerkt. Nu [gedaagde] in strijd handelt met een wettelijke plicht, staat vast dat de hinder onrechtmatig is.

4.5.

Van het aannemen van hinder door het weghouden van (zon)licht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding, nu de garage ten noorden staat.

Ten aanzien van de hinder door de verlichting.

4.6.

De hinder door de verlichting is onrechtmatig, zo stelt [eiser], omdat [gedaagde] de verlichting de gehele avond tot na middernacht laat branden, zonder dat hij daar zelf enig voordeel bij heeft, en in het geval dat het belang van [gedaagde] zou kunnen worden gevonden in bescherming tegen inbraak en diefstal, zou een minder verregaande verlichting, bijvoorbeeld met een bewegingsmelder, toereikend zijn.

4.7.

[gedaagde] stelt dat de verlichting geen onrechtmatige hinder oplevert. Hij stelt daartoe dat de verlichting aan de binnenzijde van de garage is gemonteerd en dat het drie spaarlampen van 9 Watt betreft, die even voor middernacht gedoofd worden. [gedaagde] stelt voorts dat enkel het “onthouden van licht” hinder kan opleveren in de zin van artikel 5:37 BW.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] gevolgd moet worden in zijn standpunt dat door de verlichting van de garage op onrechtmatige hinder wordt veroorzaakt. Hij overweegt daartoe het volgende.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals hierboven reeds overwogen is, dat de opsomming van soorten hinder in artikel 5:37 BW niet limitatief is. Verlichting kan derhalve onder omstandigheden hinder opleveren. Om te beoordelen of sprake is van hinder, die onrechtmatig is, zijn de aard, de ernst en de duur en de toegebrachte schade en de verdere omstandigheden van het geval bepalend.

Op grond van de ter zitting in geding gebrachte foto’s staat vast dat de verlichting aan de buitenzijde van de garage, maar achter de boeiboord is bevestigd. Op grond van de foto’s die [eiser] in geding heeft gebracht staat vast dat het licht in de tuin van [eiser] schijnt en goed zichtbaar is. De verlichting verlicht voorts weliswaar het pad tussen de garage en de tuinmuur dat leidt naar opgeslagen materialen, maar onbetwist is dat [gedaagde] de verlichting zelf niet ziet, noch is betwist dat de verlichting verder geen doel dient. Hoewel aan [gedaagde] moet worden toegegeven dat een spaarlamp van 9 Watt te vergelijken is met een gloeilamp van 40 Watt, zodat niet kan worden gesproken van fel licht, stelt [eiser] voorop dat het voortdurend branden van de lampen tot zeer laat op de avond hinderlijk is. De voorzieningenrechter ziet in dit samenstel van feiten, waarbij gewicht wordt gehecht aan het feit dat [gedaagde] zelf geen direct voordeel heeft van de verlichting en de verlichting van het pad tussen de garage en de tuinmuur ook op een minder ingrijpende wijze kan worden gerealiseerd in geval dat [gedaagde] bij de opgeslagen materialen zou moeten zijn, terwijl [eiser] voortdurend met dit licht wordt geconfronteerd en op die wijze niet het ongestoord genot heeft van zijn eigendom, omdat hij de verlichting ervan niet zelf kan bepalen, voldoende reden om te oordelen dat de verlichting onrechtmatige hinder oplevert. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat [eiser] geconfronteerd wordt met deze verlichting op een hoogte die boven zijn erfafscheiding uitkomt, omdat [gedaagde] een bouwwerk in stand houdt zonder hij daartoe op grond van de vigerende regels gerechtigd is.

Slotsom

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat zowel de (hoogte van de) garage als ook de verlichting hinder oplevert, die [eiser] niet hoeft te dulden, zodat er grond is voor toewijzen van de vordering. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat gelet op de aard van de hinder (uitzicht en verlichting) de volledige verwijdering van de garage niet noodzakelijk is, maar wel dat [gedaagde] gehouden kan worden dat deel van de garage te verwijderen en verwijderd te houden dat boven de tuinmuur, die twee meter is, uitkomt. De vordering zal derhalve worden toegewezen, zoals onder § 5 van dit vonnis bepaald. Daarbij zal de termijn waarbij [gedaagde] aan het vonnis moet voldoen, gelet op de door [gedaagde] uit te voeren werkzaamheden, op tien dagen na betekening van dit vonnis worden gesteld.

4.10.

[gedaagde] heeft gesteld dat hetgeen wordt gevorderd in wezen declaratoir is. De voorzieningenrechter kan hem daarin niet volgen, aangezien gevraagd is om een voorlopig oordeel over de hinder als gevolg van bebouwing en verlichting, zoals die is aangebracht door [gedaagde] op zijn perceel. Op basis daarvan wordt verzocht om verwijdering.

4.11.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen het opleggen van een dwangsom. De voorzieningenrechter acht evenwel een dwangsom op zijn plaats gelet op de duur van de gerechtelijke procedures tot op heden en het feit dat [eiser] in bestuursrechtelijke zin reeds in het gelijk was gesteld en [gedaagde] een weigerachtige houding is blijven aannemen, zodat betwijfeld kan worden of [gedaagde] zonder dwangsom gevolg zal geven aan het onderhavige vonnis.

4.12.

Onderdeel van de vordering is het aanhechten van een gewaarmerkt exemplaar van productie 2 bij dagvaarding ter verduidelijking van wat [eiser] bedoelt met de “schuine punt”. De voorzieningenrechter heeft in dit vonnis een detail van deze productie als figuur 1 opgenomen, zodat aanhechten van deze productie niet noodzakelijk is.

De proceskosten

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten worden aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 97,64

- griffierecht € 276,00

- salaris advocaat € 816,00

totaal € 1.189,64.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt [gedaagde] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de garage te verwijderen, die zich bevindt op de schuine punt, zoals is aangegeven op figuur 1 in dit vonnis, van het perceel van [gedaagde] dat kadastraal bekend is als gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 3434, in die zin dat [gedaagde] dat gedeelte verwijdert en verwijderd houdt dat boven de tuinmuur, in de staat waarin deze zich thans bevindt en die twee meter hoog is, uitkomt, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;

2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op €1.189,64;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay, voorzieningenrechter, en in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2012.