Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ1254

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
82.267221.10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gewonde wilde dieren vanuit Nederland vervoerd naar een opvangcentrum voor wilde dieren in Opglabbeek te België. De Nationale Ombudsman heeft naar aanleiding van een klacht geoordeeld dat de AID eventuele klachten/aangiften over dit beweerdelijk illegale vervoer in behandeling had moeten nemen. De economische politierechter is van oordeel dat de uitspraak van de Ombudsman niet inhoudt dat het openbaar ministerie verplicht zou zijn in de onderhavige zaak tot vervolging over te gaan. Dit laat echter onverlet dat het openbaar ministerie hiertoe in beginsel wel bevoegd is. De economische politierechter ziet geen redenen waarom het openbaar ministerie in de onderhavige zaak geen gebruik heeft mogen maken van deze (beginsel) bevoegdheid. Zij acht het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van het beroep op een noodtoestand heeft de economische politierechter overwogen dat het dossier weinig informatie biedt over de toestand waarin de dieren verkeerden. In het dossier zit ook geen ambtsedige informatie over het al dan niet aanwezig zijn van acceptabele opvangmogelijkheden in Nederland ten tijde van de tenlastegelegde periode. Daar staat tegenover dat de stelling van de [naam verdachte] niet onaannemelijk is, te meer nu uit een brief die verdachte heeft overgelegd blijkt dat er bij het [naam hulpcentrum] geen plaats voor de dieren was.

Alles overwegende is de economische politierechter van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat hier sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand. Dit brengt met zich dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het hetgeen aan haar ten laste is gelegd. Daarom zal de economische politierechter verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 82.267221.10

Vonnis van de economische politierechter d.d. 5 april 2011

in de strafzaak tegen

De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid:

[Naam verdachte]

Adres: [adres verdachte],

Verder te noemen: [Naam verdachte].

Raadsman is mr. I.A. van Straalen, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op 22 maart 2011, waarbij de officier van justitie,

de verdediging en de vertegenwoordiger van verdachte, de heer

[L.R.], hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [Naam verdachte] beschermde dieren buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

3 Inleiding

Blijkens een proces-verbaal van 19 oktober 2010 van de verbalisanten [S.] en [v.E.] (beiden buitengewoon opsporingsambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, verder te noemen: AID) heeft de AID op 14 en 15 april 2010 meldingen ontvangen van respectievelijk de [Naam Stichting X] en dhr. [v.B.] van de [Naam Stichting Y] (verder te noemen: [het Naam Y]) inzake mogelijk illegaal vervoer van beschermde dieren door [Naam verdachte]. Melder [v.B.] heeft hierbij aangegeven dat de AID op grond van een uitspraak van de Nationale Ombudsman hieromtrent actie zou moeten ondernemen.

De uitspraak van de Ombudsman waar [v.B.] op doelt is gedaan op 2 april 2010, naar aanleiding van een klacht van [v.B.] tegen de AID. [v.B.] heeft bij de Ombudsman geklaagd dat de AID, ondanks herhaalde aangiften door hem en/of door het [Naam Y], onvoldoende handhavend heeft opgetreden tegen het illegaal vervoer door de [Naam Stichting X] van gewonde wilde dieren. [v.B.] heeft hierbij aangegeven dat hij sinds 1999 een opvangcentrum voor wilde dieren runt (het [Naam Y]). Dit centrum is gelegen te Sittard. Wanneer in de regio Limburg wilde dieren werden aangetroffen die hulp nodig hebben, werden deze niet naar het [Naam Y] gebracht, maar naar een opvangcentrum te [Adres Opvangcentrum Z] in België. Hierdoor passeerden deze dieren de grens, wat in strijd is met de Flora- en Faunawet. De AID heeft deze illegale transporten jarenlang gedoogd. Dit blijkt uit informatie die het ministerie van LNV aan de Ombudsman heeft verstrekt, alsmede uit een brief van 22 januari 2007 van de AID, gericht aan zowel de [Naam stichting X] als [v.B.]. In deze brief is vermeld dat de AID geen actie tegen de transporten wilde ondernemen, omdat het vervoer van hulpbehoevende dieren betrof die ten spoedigste overgebracht moesten worden naar een dierenarts, dan wel naar een opvangcentrum.

De Ombudsman heeft de klacht van [v.B.] gegrond verklaard. Hij heeft hiertoe overwogen dat vervoer van beschermde inheemse diersoorten naar het buitenland in beginsel in strijd is met de Flora- en Faunawet. Zodoende stond niet op voorhand vast dat geen sprake was van strafbare feiten. Door onder deze omstandigheden geen aangifte op te nemen heeft de AID het beginsel van fair-play geschonden, aldus de Ombudsman.

Op 23 april 2010 heeft de AID de [Naam stichting X] op de hoogte gesteld van het feit dat de AID vanaf die dag alsnog handhavend zal gaan optreden tegen het vervoeren van (gewonde) beschermde dieren over de grens. Omdat de [Naam stichting X] de transporten naar België in hoofdzaak uitvoer(t)de in opdracht van [Naam verdachte], heeft de AID op die zelfde dag ook [Naam verdachte] telefonisch op de hoogte gesteld van dit besluit. Op verzoek van [Naam verdachte] is een en ander ook schriftelijk aan [Naam verdachte] medegedeeld, en wel bij brief van 11 juni 2010. In deze brief is bevestigd dat een handhavingstraject zal worden ingezet. Tevens is [Naam verdachte] er op gewezen dat er wellicht een mogelijkheid bestaat ontheffing te krijgen voor het vervoer over de grens. [Naam verdachte] heeft vervolgens een verzoek tot een dergelijke ontheffing ingediend. De gevraagde ontheffing is met ingang van 29 juli 2010 verleend.

In de tussentijd heeft de AID op 23 april 2010 (de dag waarop de AID heeft medegedeeld te zullen gaan handhaven) bericht gekregen van de [Naam Stichting X] dat zij van [Naam verdachte] het verzoek hadden gekregen een gewonde buizerd vanuit Gulpen-Wittem naar het [Naam Opvangcentrum Z] te [Adres Opvangcentrum Z] in België te brengen. Vanwege de aanzegging van de AID over het handhavend optreden werd dit verzoek aanvankelijk geweigerd. Naderhand wilde de [Naam Stichting X] de buizerd toch wegbrengen, maar deze bleek toen al door [Naam verdachte] zelf te zijn opgehaald.

Naar aanleiding van dit bericht heeft de AID een onderzoek gestart naar de activiteiten van [Naam verdachte]. [L.R.] heeft namens [Naam verdachte] ten overstaan van de verbalisanten verklaard dat [Naam verdachte] zich (onder andere) bezig houdt met het vervoeren van dieren naar dierenartsen en opvangcentra en dat het belang van het dier hierbij de boventoon voert. Daarom vindt [Naam verdachte] het een vereiste dat de opvangcentra kwalitatief goed zijn en continuïteit in hun opvang kunnen waarborgen. Ten aanzien van het [Naam Y] heeft [Naam verdachte] al een aantal jaren geleden geconstateerd dat het [Naam Y] geen invulling aan deze eisen kan geven. Daarom is gezocht naar alternatieven. Dit alternatief is gevonden in het [Naam Opvangcentrum Z] te [Adres Opvangcentrum Z] in België. [L.R.] heeft voorts verklaard dat er ook na 23 april 2010 nog dieren naar [Adres Opvangcentrum Z] zijn gebracht. Om welke dieren het precies gaat weet hij niet, maar dit moet wel via administratieve bescheiden achterhaald kunnen worden.

Uit de door [Naam verdachte] overgelegde administratieve bescheiden blijkt dat in de periode 23 april 2010 tot en met 1 juli 2010 door [Naam verdachte] een aantal marters, egels, zwaluwen, koolmezen en een buizerd door [Naam verdachte] naar [Adres Opvangcentrum Z] te België zijn vervoerd.

4 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat in de onderhavige zaak tot vervolging is overgaan naar aanleiding van het door de AID opgestelde proces-verbaal, op grond waarvan een redelijk vermoeden van illegale transporten van beschermde diersoorten door [Naam verdachte] kon worden aangenomen. Op grond hiervan kon en mocht het openbaar ministerie gaan vervolgen. Het feit dat deze illegale transporten in het verleden door de AID werden gedoogd, doet hier niet aan af. De beslissing al dan niet te vervolgen is immers voorbehouden aan (alleen) het openbaar ministerie en niet aan de AID.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd, waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Kort samengevat heeft hij hiertoe aangevoerd dat de uitspraak van de Ombudsman alleen inhoudt dat de AID verplicht is een aangifte op te nemen. Dat wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie vervolgens ook verplicht is tot vervolging over te gaan. Daar komt bij dat de wijze waarop is vervolgd in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

4.3 Het oordeel van de economische politierechter

De economische politierechter is het met de raadsman eens dat de uitspraak van de Ombudsman niet inhoudt dat het openbaar ministerie verplicht zou zijn in de onderhavige zaak tot vervolging over te gaan. Dit laat echter onverlet dat het openbaar ministerie hiertoe in beginsel wel bevoegd is. De economische politierechter ziet geen redenen waarom het openbaar ministerie in de onderhavige zaak geen gebruik heeft mogen maken van deze (beginsel) bevoegdheid. Zij baseert haar oordeel op het navolgende.

Aan het openbaar ministerie is door de (buitengewone) opsporingsambtenaren van de AID een dossier aangeleverd. Uit dit dossier blijkt een redelijk vermoeden dat [Naam verdachte] zich schuldig had gemaakt aan het illegaal vervoer van beschermde dieren naar België. Uit het dossier kan voorts worden opgemaakt dat de AID al gedurende een aantal jaren weet had van het feit dat er beschermde diersoorten naar het buitenland werden vervoerd, maar dat dit in het verleden werd gedoogd.

De economische politierechter stelt voorop dat gedogen door de AID op zich onvoldoende is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De economische politierechter overweegt hiertoe dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de vraag of het openbaar ministerie tot vervolging mag overgaan, los staat van het al dan niet gedogen door een niet voor de strafvervolging verantwoordelijke autoriteit. Een van de taken van de AID is weliswaar het opsporen van strafbare feiten, maar niet het vervolgen hiervan. De AID is derhalve niet verantwoordelijk voor de strafvervolging. Het gedogen door de AID staat daarom in beginsel niet in de weg aan de onderhavige strafvervolging.

De economische politierechter heeft vervolgens gekeken of de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak reden geven tot een ander oordeel in deze.

Strijd met het vertrouwensbeginsel?

De raadsman heeft aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat het openbaar ministerie, in afwijking van een jarenlang schriftelijk, ministerieel gedoogbeleid, van de ene op de andere dag tot vervolging is overgegaan, zonder dat expliciet op dit beleid is teruggekomen en zonder [Naam verdachte] tijd te gunnen maatregelen te nemen, terwijl [Naam verdachte] bovendien pas op 11 juni 2010 schriftelijk bericht van de AID heeft gekregen inzake het veranderde handhavingsbeleid.

De economische politierechter overweegt hieromtrent dat uit het dossier wel blijkt dat over de hele gang van zaken overleg is geweest tussen het ministerie van LNV en [Naam verdachte], maar dat niet blijkt van een expliciet ministerieel gedoogbeleid. Er is dus geen ministeriele beslissing nodig om het gedoogbeleid te wijzigen. In het dossier bevindt zich bovendien slechts één schriftelijke stuk van de AID, waarin wordt aangegeven dat niet tegen de illegale transporten zal worden opgetreden. Dat is de bovengenoemde brief van 22 januari 2007. Deze brief is echter niet gericht aan [Naam verdachte], maar aan de [Naam stichting X] en aan [v.B.]. Deze ene brieft acht de economische politierechter onvoldoende om te kunnen spreken van een schriftelijk gedoogbeleid dat alleen via een schriftelijke mededeling gewijzigd had kunnen/mogen worden.

Strijd met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging?

Volgens de raadsman is het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging geschonden, omdat geen rekening is gehouden met het feit dat het in het belang van de (gewonde) dieren was dat deze dieren naar België werden getransporteerd.

De officier van justitie heeft hier tegenover gesteld dat de dieren ook naar het [Naam Y] te Sittard gebracht konden worden. Er was dus een (legaal) alternatief.

Volgens de raadsman was dit alternatief er niet. Dit zou blijken uit informatie op de website van het [Naam Y]. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt een brief overlegd, gedateerd 24 april 2010, waarin staat dat er in het [Naam Y] op dat moment geen enkele opvangcapaciteit voor (wilde/beschermde) dieren was.

De economische politierechter overweegt dat uit het rapport van de Ombudsman blijkt dat [v.B.] het [Naam Y] al runt vanaf 1999. Het oorspronkelijke centrum is in 2006 gesloten, maar vanaf toen tot heden opereerde [v.B.] volgens de Ombudsman vanuit een kleinere vestiging in de regio Limburg. Op grond van dit gegeven heeft de officier van justitie er van uit mogen gaan dat er op het moment van dagvaarden een reëel alternatief was voor de opvang van (gewonde) wilde dieren in de regio Limburg. Het feit dat er tijdens het onderzoek ter terechtzitting informatie is overgelegd waaruit blijkt dat dit niet zo was, doet hier niet aan af.

Concluderend is de economische politierechter van oordeel dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen en acht zij het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

5 De bewezenverklaring

Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [Naam verdachte] in de tenlastegelegde periode de hierboven opgesomde beschermde dieren vanuit Nederland naar België heeft gebracht, zonder de daartoe vereiste vergunning. Verdachte heeft hiermee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 13 van de Flora- en Faunawet.

De economische politierechter acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [Naam verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 23 april 2010 tot en met 1 juli 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, opzettelijk meermalen dieren behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse diersoort, te weten marters, egels, zwaluwen, koolmezen en een buizerd naar België heeft gebracht.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de dader

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht [Naam verdachte] niet strafbaar. Volgens de officier was er sprake was overmacht, in de zin van een noodtoestand, aangezien (naar tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken) in zuidelijk Nederland geen mogelijkheden waren voor de opvang van (gewonde) wilde dieren. Zodoende was [Naam verdachte] gedwongen de dieren over de grens naar België te brengen.

7.2 Het standpunt van de raadsman

Ook de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [Naam verdachte] niet strafbaar is vanwege overmacht in de zin van noodtoestand. Daarnaast heeft hij een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Er was hier immers sprake van noodzakelijke hulp voor dieren. Hulp, dan wel zorg voor dieren is een van de doelstellingen van [Naam verdachte] en er was geen alternatief in Nederland om de dieren onder te brengen.

7.3 Het oordeel van de economische politierechter

Om een beroep te kunnen doen op overmacht in de zin van noodtoestand moet er sprake zijn van prangende omstandigheden, van een acute noodtoestand waarmee de betrokkene wordt geconfronteerd, waaraan hij poogt zo goed mogelijk een einde te maken.

Door [Naam verdachte] is betoogd dat het hier ging om dieren die in nood verkeerden. Deze dieren hadden dringend gespecialiseerde hulp nodig en deze hulp kon alleen maar worden geboden door het [Naam Z] in België. Niet alleen omdat het [Naam Z] de juiste expertise in huis had, maar tevens omdat uit de brief van 24 april 2010, die door de verdediging is aangetroffen op de website van het [Naam Y], blijkt dat het [Naam Y] naar eigen zeggen ook geen plaats had om de dieren op te vangen.

De economische politierechter stelt voorop dat het dossier weinig informatie biedt over de toestand waarin de dieren verkeerden. In het dossier zit ook geen ambtsedige informatie over het al dan niet aanwezig zijn van acceptabele opvangmogelijkheden in Nederland ten tijde van de tenlastegelegde periode. Daar staat tegenover dat de stelling van [Naam verdachte] niet onaannemelijk is, te meer nu de officier van justitie heeft medegedeeld dat hij er niet aan twijfelt dat de brief van 24 april 2010 inderdaad afkomstig is van het [Naam Y].

Alles overwegende is de economische politierechter van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat hier sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand. Dit brengt met zich dat [Naam verdachte] niet strafbaar is ten aanzien van het hetgeen aan haar ten laste is gelegd. Daarom zal de economische politierechter [Naam verdachte] ontslaan van alle rechtsvervolging.

8 De wettelijke voorschriften

Artikel 13 van de Flora- en faunawet.

9 De beslissing

De economische politierechter

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart dat de verdachte niet strafbaar is;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.M.E. Kessels, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 23 april 2010 tot en met 1 juli 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans een maal, één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse en/of beschermde uitheemse diersoort, te weten (ondermeer) marter(s), egel(s), zwaluw(en), koolmees(zen), een buizerd en/of een ree naar België, in elk geval buiten het grondgebied van Nederland, heeft gebracht.

PROCES-VERBAAL VAN UITSPRAAK

Parketnummer: 82.267221.10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 5 april 2011 in de zaak tegen:

[Naam verdachte]

Adres: [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. I.A. van Straalen, advocaat te ‘s-Gravenhage.