Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2919

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
RK 16/514
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring van het klaagschrift ex artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Na een alcoholgehalte van 1,75 milligram alcohol per milliliter bloed werd het rijbewijs van klaagster op 14 februari 2016 ingevorderd. De officier van justitie besliste tot inhouding van het rijbewijs tot uiterlijk 28 augustus 2016. De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs rechtmatig, maar beslist tot teruggave van het rijbewijs per 18 maart 2016 in verband met zwaarwegende belangen aan de zijde van klaagster. Klaagster wordt door het ontbreken van het rijbewijs immers ernstig gehinderd in de uitoefening van haar bedrijf en in de zorg voor haar jonge kinderen. Voorts is gebleken dat klaagster nooit eerder een transactie heeft betaald dan wel onherroepelijk is veroordeeld voor rijden onder invloed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Rekestnummer : 16/514

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Limburg op het klaagschrift ex artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 van:

[klaagster] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

te dezer zake domicilie kiezende te 6301GC Valkenburg aan de Geul aan de Sittarderweg 1, ten kantore van haar raadsman, mr. K.A.M.J. Horsch, advocaat te Valkenburg aan de Geul,

hierna te noemen: (de) klaagster.

1 De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan klaagster van haar ingevorderde rijbewijs. De officier van justitie houdt dit rijbewijs onder zich.

2 De procesgang

Het klaagschrift is op 3 maart 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 15 maart 2016 de officier van justitie, klaagster en haar raadsman in openbare raadkamer gehoord.

Na het onderzoek in raadkamer heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en bepaald dat op 18 maart 2016 uitspraak zal worden gedaan.

3 Standpunten der partijen

Namens klaagster is gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, nu het noodzakelijk is dat klaagster als zelfstandig onderneemster over haar rijbewijs kan beschikken. Klaagster heeft een bedrijf in de uitvaartzorg en is veel onderweg naar, onder meer, de nevenvestiging, het mortuarium, de kerk en nabestaanden. Daarbij heeft klaagster als alleenstaande moeder de zorg voor vier kinderen en brengt zij hen met de auto naar school, hobby’s en stages. Het openbaar vervoer biedt hierin geen uitkomst, nu klaagster met haar gezin afgelegen woont en de openbaar vervoerverbindingen aldus slecht zijn. Volgens de raadsman is er geen recidivegevaar: klaagster werd nooit eerder geverbaliseerd voor het besturen van een voertuig terwijl zij verkeerd onder invloed van het inwendig gebruik van alcohol en de afgelopen weken heeft zij ervaren dat haar leven erg ingewikkeld wordt als het aan haar niet is toegestaan een motorvoertuig te besturen.

De klaagster heeft in raadkamer verklaard dat zij gewoonlijk vervoerd wordt wanneer zij alcohol heeft genuttigd. Ditmaal was het bij wegen van uitzondering echter niet gelukt om zulk vervoer te regelen. Klaagster realiseert zich dat het besturen van een voertuig na het inwendig gebruik van alcohol het risico op ongevallen in hoge mate doet toenemen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, nu het algemeen belang van de verkeersveiligheid zwaarder dient te wegen dan de persoonlijke belangen van klaagster. Dat klaagster haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk had klaagster zich op het moment dat zij onder invloed in haar auto stapte moeten realiseren. De officier van justitie heeft het zorgwekkend genoemd dat klaagster bij de politie heeft verklaard dat zij drie à vier glazen alcohol op had en zichzelf desondanks toch nog in staat achtte om het voertuig te besturen.

4 De beoordeling

Tegen klaagster is op 14 februari 2016 te Brunssum proces-verbaal opgemaakt ter zake van een verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd te Voerendaal op het Kerkplein op 31 januari 2016.

Uit een onderzoek blijkt van een alcoholgehalte in het bloed van klaagster van 1,75 milligram alcohol per milliliter.

Op grond van het feit dat door de overtreding de veiligheid ernstig in gevaar werd gebracht is op 31 januari 2016 overgifte van het rijbewijs van klaagster gevorderd.

Op 10 februari 2016 heeft de officier van justitie beslist tot inhouding van het rijbewijs van klaagster uiterlijk tot 28 augustus 2016.

Uit een uittreksel van de justitiële documentatie ten name van klaagster blijkt niet dat klaagster ooit eerder een transactie betaalde, dat tegen klaagster ooit eerder een strafbeschikking werd uitgevaardigd of dat zij ooit eerder onherroepelijk is veroordeeld in verband met een overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Ook overigens is van een eerdere overtreding door klaagster van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 niet gebleken.

De rechtbank acht niettemin de inhouding van het rijbewijs rechtmatig, nu op grond van de uitslag van het bloedonderzoek moet worden aangenomen dat klaagster het voertuig bestuurde na het inwendig gebruik van zoveel alcohol dat op grond daarvan ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat klaagster, wanneer zij opnieuw in die mate alcohol tot zich heeft genomen, opnieuw een soortgelijk feit zal begaan.

In aanmerking genomen het voorgaande is de rechtbank van oordeel de inhouding van het rijbewijs tot uiterlijk 28 augustus 2016 in beginsel is gerechtvaardigd. Anderzijds bestaan aan de zijde van klaagster zwaarwegende belangen die zich tegen een verdere inhouding van het rijbewijs verzetten. De rechtbank doelt daarbij op de omstandigheid dat klaagster in de uitoefening van haar bedrijf door het ontbreken van het rijbewijs ernstig wordt gehinderd en de omstandigheid dat er zich in het gezin van klaagster nog jonge kinderen bevinden. Gelet op het voorgaande is de klacht terecht. De rechtbank zal daarom bepalen dat gehoor moet worden gegeven aan het verzoek van klaagster om haar rijbewijs terug te geven.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de klacht gegrond;

- gelast onverwijld het rijbewijs aan klaagster terug te geven.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.M. van Maanen Winters, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 18 maart 2016.1

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

1 Tegen deze beschikking staat voor belanghebbende beroep in cassatie open bij de Hoge Raad, in te stellen bij deze rechtbank, binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking.