Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6874

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
C-03-180382 - HA ZA 13-205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat, langdurige vertrouwensrelatie cliënt – advocaat, bijzondere omstandigheden

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 383
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/146 met annotatie van mr. J.D. Kraaikamp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/180382 / HA ZA 13-205

Vonnis van 22 juli 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. drs. N.Th.G. Keulers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1] B.V.,

gevestigd te Valkenburg aan de Geul,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Stolk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en (in mannelijk enkelvoud) [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 april 2013

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de aanvullende producties van [gedaagde]

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] stelt dat haar voormalig advocaat mr. [gedaagde] - werknemer van de voornoemde B.V. - niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. [gedaagde] heeft bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als advocaat van [eiseres] beroepsfouten gemaakt, waardoor [eiseres] schade heeft geleden respectievelijk zal lijden, aldus [eiseres] . [gedaagde] is voor schade ten gevolge van dergelijke fouten verzekerd, maar desondanks heeft hij de (gevolg)schade van [eiseres] niet vergoed, een schriftelijke aansprakelijkstelling en sommaties van [eiseres] van 23 april 2008 en 16 mei 2008 ten spijt.

2.2.

[eiseres] stelt ter onderbouwing hiervan dat zij sedert de beëindiging van haar huwelijk met [naam ex-echtgenoot] in januari 1999 is verwikkeld in een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. [gedaagde] is in die periode (tot 2008) haar advocaat geweest. Bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 september 2004 (productie 1 bij dagvaarding) is de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap verdeeld, in die zin dat [naam ex-echtgenoot] is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 255.951,55, en heeft [eiseres] op grond daarvan een executoriale titel jegens [naam ex-echtgenoot] verkregen. [eiseres] stelt dat zij het vonnis van 29 september 2004 heeft willen executeren via veiling van de aan [naam ex-echtgenoot] toegedeelde, tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap behorende, panden te [plaats] aan de [adres 1] en de [adres 2] , maar dat dit is verhinderd door [naam kind 1] en [naam kind 2] , de twee kinderen van [naam ex-echtgenoot] voornoemd (verder: de kinderen van [naam ex-echtgenoot] ). De kinderen van [naam ex-echtgenoot] hebben conservatoir beslag doen leggen op die panden op grond van een vordering van hen op [naam ex-echtgenoot] in verband met het volgende.

De kinderen van [naam ex-echtgenoot] hebben jegens [naam ex-echtgenoot] de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder gevorderd, de vroegere echtgenote van [naam ex-echtgenoot] , mevrouw [naam vroegere echtgenote] (hierna: [naam vroegere echtgenote] ), die op [overlijdensdatum] is overleden. In deze procedure is [eiseres] tussengekomen en hebben zowel de rechtbank ’s-Hertogenbosch (bij vonnis van 8 maart 2002) als het hof ’s-Hertogenbosch (bij arrest van 16 september 2003) geoordeeld dat de kinderen van [naam ex-echtgenoot] erfgenaam zijn van [naam vroegere echtgenote] (zie de producties 2 en 3 bij dagvaarding). De beslissingen van de rechtbank en het hof zijn in kracht van gewijsde gegaan. Op grond van het arrest hebben de kinderen van [naam ex-echtgenoot] een vordering op hun vader ter hoogte van de waarde van hun erfdeel in de genoemde nalatenschap.

In de gemelde procedure tussen [eiseres] en [naam ex-echtgenoot] is de bovenstaande schuld van [naam ex-echtgenoot] aan de kinderen van [naam ex-echtgenoot] betrokken in de boedelverdeling. Zo heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 29 september 2004 (productie 1 bij dagvaarding) de schuld van [naam ex-echtgenoot] aan de kinderen voorwaardelijk - namelijk indien en voor zover [naam ex-echtgenoot] tot betaling aan zijn kinderen zal worden veroordeeld - bij helfte aan ieder van partijen ( [naam ex-echtgenoot] en [eiseres] ) toegedeeld, aldus [eiseres] . In hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch (arrest van 15 april 2008, productie G1 zijdens [gedaagde] ) het vonnis van de rechtbank van 29 september 2004 [in zoverre] bekrachtigd. Het bedrag dat [naam ex-echtgenoot] aan [eiseres] (in het kader van overbedeling) tegen finale kwijting dient te voldoen is daarbij - na correctie - bepaald op € 202.879,27, aldus [eiseres] .

Eerste beroepsfout

2.3.

Ter onderbouwing van de (eerste) beroepsfout van [gedaagde] stelt [eiseres] dat zij in mei 2004 ervan op de hoogte is geraakt dat [naam ex-echtgenoot] reeds op 2 januari 1987 de gemelde nalatenschap namens de - toen nog minderjarige - kinderen van [naam ex-echtgenoot] had verworpen. [naam ex-echtgenoot] en zijn kinderen hebben daarvan geen mededeling gedaan in de voornoemde procedure betreffende de verdeling van de nalatenschap. De verwerping bleek uit een rechtsgeldige akte van verwerping van 2 januari 1987 (productie 4 bij dagvaarding). [eiseres] heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld, doch [gedaagde] heeft vervolgens nagelaten om binnen drie maanden na ontdekking van de akte van verwerping het rechtsmiddel herroeping (artikel 382 Rv) in te stellen tegen het reeds in kracht van gewijsde gegane arrest van 16 september 2003 betreffende de verdeling van de nalatenschap.

2.4.

[eiseres] stelt verder dat indien [gedaagde] tijdig herroeping had gevorderd, de uitkomst van een herroepingsprocedure (het herroepingsvonnis) zou zijn geweest dat, gelet op de akte van verwerping van 2 januari 1987, de kinderen van [naam ex-echtgenoot] geen aanspraak konden maken op de nalatenschap van [naam vroegere echtgenote] . In dat geval zou (hun aandeel in) die nalatenschap in de huwelijksgoederengemeenschap van [naam ex-echtgenoot] en [eiseres] zijn gevallen en de kinderen van [naam ex-echtgenoot] niet het gemelde beslag kunnen hebben laten leggen op de panden. [eiseres] is gelet hierop in haar eigen verhaalsmogelijkheid van de (boedel)vordering op [naam ex-echtgenoot] benadeeld, aldus [eiseres] . De veilingexecutie van de panden heeft niet kunnen plaatsvinden. Dit brengt volgens [eiseres] met zich dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het niet kunnen incasseren van de gehele (boedel)vordering van [eiseres] op [naam ex-echtgenoot] van € 202.705,53.

2.5.

[eiseres] stelt voorts dat, met inachtneming van het vonnis van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 29 september 2004 (productie 1 bij dagvaarding), de waarde van het erfdeel van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] door de Rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van

9 januari 2013 voor ieder kind is bepaald op een/derde deel van € 310.000,00 (productie 14 bij dagvaarding). Nu [naam ex-echtgenoot] [eiseres] aansprakelijk kan houden tot betaling van de helft van de vordering van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] , stelt [eiseres] dat zij er recht en belang bij heeft dat komt vast te staan dat [gedaagde] de (definitieve) vordering van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] voor zijn rekening zal dienen te nemen, indien de kinderen de desbetreffende vordering alsnog zullen instellen. De kinderen van [naam ex-echtgenoot] hebben hoger beroep ingesteld.

Tweede beroepsfout

2.6.

[eiseres] stelt vervolgens schade te hebben geleden doordat [gedaagde] - in plaats van herroeping te vorderen - nodeloos procedures heeft gevoerd. [gedaagde] heeft bij de afwikkeling van de boedelprocedure (zie o.a. 3.2.1. - 4.4.2. dagvaarding), door zijn proceshouding in weerwil van de uitkomst van het arrest van het hof te ’s-Hertogenbosch van 16 september 2003 - ten aanzien waarvan hij heeft nagelaten om het rechtsmiddel van herroeping in te stellen - gelet op de ontstane status quo, nodeloos procedures gevoerd en kosten (waaronder - extra - proceskosten) gemaakt. Ook door deze handelswijze van [gedaagde] heeft [eiseres] schade geleden.

Derde beroepsfout

2.7.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] tevens in zijn werkzaamheden als haar advocaat is tekort geschoten, nu hij in het kader van de executie van het vonnis in de boedelprocedure van 29 september 2004, heeft nagelaten om executoriaal beslag te leggen op de bij dat vonnis aan [naam ex-echtgenoot] toegedeelde levensverzekeringspolissen met de nummers 010280509 en 010416905. De waarde van die polissen bedroeg blijkens dat vonnis op 29 september 2004 € 120.705,53. [eiseres] stelt dat [naam ex-echtgenoot] in mei 2006 de desbetreffende polissen heeft afgekocht, waardoor zij, nu buiten de twee genoemde panden en die polissen geen verhaalsobjecten voorhanden waren, (wederom) ernstig in haar verhaalsmogelijkheid uit hoofde van het vonnis van 29 september 2004 was beperkt. Zij lijdt hierdoor schade, welke schade niet zou zijn ontstaan indien [gedaagde] tijdig beslag op de levensverzekeringspolissen zou hebben gelegd, aldus [eiseres] .

Leenbijstandschade

2.8.

[eiseres] stelt dat indien [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding, zij een door haar genoten bijstandsuitkering zal moeten terug betalen. De Gemeente Beek heeft aan haar een voorschot verstrekt in het kader van leenbij-stand op grond van de Bijstandswet. [eiseres] zal dat voorschot, dat zij netto heeft ontvangen, bruto moeten terugbetalen, indien zij die schadevergoeding betaald krijgt. Mocht onverhoopt blijken dat zij dat verschil tussen het bruto bedrag en de netto uitkering niet van de belastingdienst kan terugvorderen lijdt zij schade ter hoogte van dit verschil, aldus [eiseres] . [eiseres] stelt dat [gedaagde] ook die schade aan haar zal moeten vergoeden.

Vordering

2.9.

Op grond van het vorenstaande vordert [eiseres] kort gezegd te verklaren voor recht dat [gedaagde] de gemelde beroepsfouten heeft begaan en dat hij schadeplichtig is jegens [eiseres] , met veroordeling van [gedaagde] om de schade ter hoogte van

€ 202.705,53 aan [eiseres] te voldoen, vermeerderd met rente, (nodeloos gemaakte) kosten en proceskosten. [eiseres] doet voor wat betreft de door [gedaagde] overgelegde declaraties, ter aanzien waarvan hij stelt dat die nog door [eiseres] moeten worden betaald, primair een beroep op verjaring. Daarnaast betwist [eiseres] de gestelde omvang van de vordering van [gedaagde] uit hoofde van die facturen. Zij voert daartoe aan dat [naam ex-echtgenoot] fl. 25.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald als voorschot op de verdeling en dat dat bedrag door [gedaagde] is verrekend met openstaande declaraties inzake [eiseres] . [gedaagde] heeft die verrekening niet gespecificeerd, zodat [eiseres] - bij gebrek aan wetenschap - ook betwist dat de gemelde declaraties niet zijn betaald. [gedaagde] heeft na verrekening van fl. 6.000,00 een bedrag van fl. 19.000,00 aan [eiseres] uitbetaald.

Verweer

2.10.

[gedaagde] voert verweer. Het verweer zal hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

3 De beoordeling

Eerste beroepsfout

3.1.

Het meest ver strekkende verweer van [gedaagde] houdt in dat [eiseres] niet tijdig over de eerste beroepsfout heeft geklaagd op de voet van artikel 6:89 BW, zodat [eiseres] geen beroep meer toekomt op de gestelde tekortkoming van [gedaagde] als haar advocaat.

3.2.

Dit verweer van [gedaagde] wordt verworpen. Daartoe het volgende.

3.2.1.

Nadat zij in mei 2004 op de hoogte was geraakt van de akte van verwerping van

2 januari 1987, heeft [eiseres] kort na die ontdekking [gedaagde] daarvan op de hoogte gesteld. [gedaagde] heeft blijkens het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

29 september 2004 (productie 1 bij dagvaarding, overweging 5) bij conclusie van 12 mei 2004 in de boedelprocedure melding van die verwerpingsakte gemaakt. Tevens heeft hij blijkens het arrest van het hof van 1 november 2005 (productie 6 bij dagvaarding, overweging 4.2) in een door [eiseres] gevoerde kortgedingprocedure jegens de kinderen van [naam ex-echtgenoot] de akte van verwerping in die procedure bij fax van 6 december 2004 overgelegd. In de laatstgemelde procedure heeft [gedaagde] (blijkens overweging 4.6 van het arrest) desgevraagd verklaard dat hij niet aan een herroepingsprocedure had gedacht, reden waarom deze niet aanhangig is gemaakt. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het rechtsmiddel van herroeping had moeten worden ingesteld tegen het reeds in kracht van gewijsde gegane arrest van 16 september 2003 en dat het beroep van [eiseres] op artikel 21 Rv niet opgaat.

3.2.2.

De rechtbank is met het hof van oordeel dat door het niet tijdig vorderen van herroeping van het in kracht van gewijsde gegane arrest van 16 september 2003 - waarbij het hof had geoordeeld dat de kinderen van [naam ex-echtgenoot] erfgenaam zijn van [naam vroegere echtgenote] - de verwerpingakte haar werking heeft verloren. De bijzondere omstandigheden in deze zaak maken dat, hoewel de uitkomst van het arrest van 1 november 2005 duidelijk is, wat betreft [eiseres] zelf die uitkomst mede dient te worden bezien in het licht van de door [gedaagde] daarover (kennelijk) gegeven uitleg en de gekozen proceshouding/strategie. Hiertoe wordt overwogen dat [gedaagde] tot september 2007 de advocaat van [eiseres] is geweest, waarbij blijkens het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 31 juli 2007 (productie 7 bij dagvaarding, blad 6) door [gedaagde] in weerwil van het arrest van het hof van 1 november 2005 wederom een beroep op de verwerpingsakte is gedaan. Gesteld door [eiseres] is dat

de kinderen [naam ex-echtgenoot] geen enkel recht hebben op enig erfdeel, laat staan met de man [ [naam ex-echtgenoot] ] een deelgenoot zijn in de gemeenschap. De vrouw [ [eiseres] ] verwacht dat het Hof dit in haar einduitspraak zal bevestigen.

Kennelijk was [gedaagde] / [eiseres] nog steeds van mening dat tegen de genoemde vaststelling van het recht van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] nog een andere remedie (dan herroeping) mogelijk was. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [gedaagde] , anders dan [eiseres] , ook in het kader van deze procedure (punt 46-50 conclusie van antwoord) heeft aangevoerd dat het hof in de boedelprocedure, gelet op het arrest van 15 april 2008 en haar oordeel terzake van de verwerpingsakte, ten onrechte voorbij is gegaan aan het zijdens [eiseres] gedane beroep op artikel 21 Rv. Wat daar verder ook van zij, gelet op al het vorenoverwogene, bezien in het kader van de langdurige vertrouwensrelatie tussen partijen tot september 2007, met de rol daarin van [gedaagde] als professional en [eiseres] zelf als juridische leek, kon in redelijkheid niet van [eiseres] worden gevergd dat zij in die periode zelfstandig de (kennelijk) juridische argumenten van haar advocaat naast zich neer had moeten leggen en over het niet tijdig vorderen van herroeping van het arrest van 16 september 2003 bij hem had moeten klagen. Er is doorgeprocedeerd, waarbij, ondanks de uitkomst van het bovenstaande arrest van het hof van 1 november 2005, is volhard door [gedaagde] / [eiseres] in de stelling dat op grond van artikel 21 Rv voor wat betreft de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap toch nog rekening kon worden gehouden met de gemelde verwerpingsakte.

3.2.3.

Gelet op al het vorenoverwogene wordt [eiseres] , die, nadat zij zich door een andere advocaat heeft laten bijstaan, op 23 april 2008 bij [gedaagde] heeft geklaagd over het niet tijdig vorderen van herroeping, geacht binnen bekwame tijd te hebben geklaagd over de gestelde eerste beroepsfout van [gedaagde] .

3.3.

Gelet op de gemelde aansprakelijkheidstelling van 23 april 2008 heeft [eiseres] vervolgens haar vorderingen uit hoofde hiervan bij dagvaarding van 19 april 2013 tijdig jegens [gedaagde] ingesteld.

3.4.

Het onder 3.2. overwogene maakt dat [gedaagde] er evenmin in is geslaagd de onderbouwde stelling van [eiseres] dat door het niet tijdig herroepen van het arrest van 16 september 2003 sprake is van een beroepsfout, deugdelijk te weerleggen. Gelijk het hof (arrest 1 november 2005, overwegingen 4.5 tot en met 4.7, productie 6 bij dagvaarding) is de rechtbank van oordeel dat het gezag van gewijsde slecht teniet kan worden gedaan door de aanwending van een buitengewoon rechtsmiddel. Indien een dergelijk rechtsmiddel niet tijdig is aangewend kan niet alsnog met een beroep op artikel 21 Rv de ontstane rechtstoestand worden opengebroken, hetgeen immers in strijd zou zijn met het beginsel van het gezag van gewijsde en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, het instellen van cassatieberoep tegen het arrest van 15 april 2008 in de boedelprocedure kans van slagen zou hebben gehad wordt mede gelet hierop verworpen.

3.5.

De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht (I a van het petitum) ligt derhalve voor toewijzing gereed, in die zin dat is komen vast te staan dat [gedaagde] een beroepsfout heeft begaan door na te laten de gemelde herroepingsprocedure te starten binnen de daarvoor geldende termijn en dat hij daardoor aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eiseres] geleden schade.

3.6.

Wat betreft de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Ten gevolge van de eerste beroepsfout van [gedaagde] hebben de kinderen van [naam ex-echtgenoot] jegens [naam ex-echtgenoot] , op grond van het gemelde arrest van het hof van 16 september 2003, de vordering op hun vader - ter hoogte van de waarde van hun erfdeel in de nalatenschap van [naam vroegere echtgenote] - rechtens behouden. [naam ex-echtgenoot] kan die vordering in de boedelverdeling inbrengen. Gelet op de arresten van het hof van 29 september 2004 en 15 april 2008 staat immers rechtens vast dat, indien en voor zover [naam ex-echtgenoot] tot betaling aan zijn kinderen zal worden veroordeeld, de vordering van de kinderen in de boedelprocedure bij helfte aan [naam ex-echtgenoot] en [eiseres] is toegedeeld. De vordering van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] jegens [naam ex-echtgenoot] is kennelijk nog niet te gelde gemaakt, zodat de vordering van [naam ex-echtgenoot] jegens [eiseres] nog niet onvoorwaardelijk geldt. Deze omstandigheid doet er echter niet aan af dat [eiseres] schade lijdt ten gevolge van de eerste beroepsfout, indien de bovenstaande keten van vorderingen alsnog te gelde zal worden gemaakt. Gelet hierop zal ook de onder IV b in het petitum van de dagvaarding gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen, in dier voege dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt, indien [naam ex-echtgenoot] bovenstaande vordering jegens [eiseres] zal instellen.

3.7.

Dat [gedaagde] , gelet op de bovenstaande aansprakelijkheid, naast hetgeen onder 3.6 is overwogen, gehouden is tot vergoeding van de gehele boedelvordering is daarentegen onvoldoende onderbouwd. Hiertoe wordt overwogen dat [eiseres] onbestreden heeft gesteld dat haar verhaalspositie is gewijzigd door de bijkomende (verhaals)positie van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] op grond van het vonnis van 16 september 2003. [eiseres] heeft echter niet aangetoond dat zij hierdoor de gehele boedelvordering, dan wel een deel daarvan, niet meer op [naam ex-echtgenoot] kan verhalen. Op grond van de stukken is enkel gebleken dat de woning aan de [adres 2] te [plaats] is verkocht - zie productie 7 bij dagvaarding - doch de omvang van het (netto) aandeel dat [naam ex-echtgenoot] , respectievelijk de kinderen van [naam ex-echtgenoot] op grond van die verkoop, is niet aangetoond. De onderhandse verkoopwaarde van de woning/winkel aan de [adres 1] te [plaats] is verder bepaald op
€ 310.000,00, doch gelet op het door de kinderen ingestelde hoger beroep staat de omvang van hun erfdeel nog niet vast. Niettemin heeft [eiseres] wel het bestaan van schade of de mogelijkheid daarvan door deze beroepsfout van [gedaagde] aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank, nu begroting niet aanstonds mogelijk is, [gedaagde] in zoverre zal veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat.

Tweede beroepsfout

3.8.

Zoals hiervoor is gebleken is [eiseres] - voor zover thans van belang - sedert de beëindiging van haar huwelijk met [naam ex-echtgenoot] in januari 1999 tot september 2007 verwikkeld in een aantal gerechtelijke procedures.

3.9.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] hieraan mede debet is, doordat hij

- samengevat - geen herroeping heeft gevorderd van het vonnis van 16 september 2003 en met inachtneming van de verwerpingsakte van 2 januari 1987 (welke haar werking had verloren) heeft doorgeprocedeerd namens [eiseres] . [eiseres] verwijst daartoe naar de geëntameerde kortgedingprocedure tot opheffing van de beslagen door de kinderen van [naam ex-echtgenoot] - waarin in beroep op 1 november 2007 uitspraak is gedaan -, de gemelde veilingexecutie van de registergoederen, de gemelde kortgedingprocedure - waarvan uitspraak op 19 januari 2008 -, het aangespannen en weer ingetrokken kort geding jegens notaris [naam 2] en de door Huis & Land jegens [eiseres] geëntameerde dagvaardingsprocedure. Gelet hierop is - haars inziens - sprake van een schade van € 2.134,00 + pro memorie.

3.10.

De rechtbank is van oordeel - mede in het licht van hetgeen zij onder 3.2 en 3.4 heeft overwogen - dat de na 1 november 2005 tot september 2007 geëntameerde (nieuwe) procedures zijn te kwalificeren als nodeloos gevoerde procedures. Het vorderingsrecht van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] en het (vermogensrechtelijk) effect van dat vorderingsrecht, zijn in al die procedures (kennelijk) niet, dan wel onvoldoende door [gedaagde] / [eiseres] meegewogen, zodat [gedaagde] , gelet op de bovenstaande (ongewijzigde) proceshouding betreffende de rechtspositie van de kinderen van [naam ex-echtgenoot] , tekort is geschoten in de hoedanigheid van advocaat van [eiseres] . Het vonnis van 1 november 2005 maakt - zoals hiervoor reeds is overwogen - in niet mis te verstane woorden (nogmaals) duidelijk dat de kinderen van [naam ex-echtgenoot] moeten worden geacht erfgenaam te zijn van wijlen [naam vroegere echtgenote] . Het verweer van [gedaagde] , inhoudende dat [eiseres] zelf debet is aan de hiervoor genoemde procedures, nu zij adviezen van [gedaagde] in de wind zou hebben geslagen en zou hebben aangedrongen op “doorprocederen”, met name wat betreft de veilingexecutie en de daarmee samenhangende procedures, wordt reeds hierom gepasseerd, nu, wat hier ook van zij, [gedaagde] als advocaat ‘dominus litis’ is en bepaalt welk juridisch pad bewandeld dient te worden.

3.11.

De onder punt II van het petitum van de dagvaarding gevorderde verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen, aldus dat [gedaagde] in de hoedanigheid van advocaat van [eiseres] een beroepsfout heeft begaan door na 1 november 2005 namens [eiseres] de veilingexecutie te entameren en de daarmee samenhangende procedures te voeren, nu [gedaagde] behoorde te weten dat de kinderen van [naam ex-echtgenoot] met succes de levering van het woonhuis konden verhinderen en dat [gedaagde] gelet hierop schadeplichtig is jegens [eiseres] .

3.12.

De rechtbank acht, mede gelet op de door [eiseres] bij dagvaarding overgelegde producties 15 en 16, terzake van gevorderde nodeloos gemaakte kosten toewijsbaar een bedrag ter hoogte van (afgerond) € 3.000,00.

Derde beroepsfout

3.13.

Niet weersproken is dat geen beslag is gelegd op de gemelde levensverzekering-polissen. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd aangevoerd waarom een beslaglegging weinig opportuun leek. De door [gedaagde] overgelegde brief van 31 juli 1998 van de hypotheekverstrekker van [naam ex-echtgenoot] (Amev) (productie G2 zijdens [gedaagde] ) toont voldoende aan dat de levensverzekeringen aan Amev verpand waren. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het oudere pandrecht van Amev zou hebben geprevaleerd boven het nadien tot stand gekomen beslagrecht van [eiseres] . [naam ex-echtgenoot] heeft de polissen bovendien (kennelijk) afgekocht in 2004 en 2006. [eiseres] heeft haar stelling inhoudende dat sprake is van een juridische misslag, gelet hierop, onvoldoende (nader) onderbouwd.

3.14.

Gelet hierop wordt het onder III in het petitum van de dagvaarding gevorderde afgewezen.

Leenbijstandschade

3.15.

[gedaagde] heeft de gestelde leenbijstandschade gemotiveerd weersproken. [eiseres] heeft vervolgens niet aangetoond dat, en op grond waarvan, zij het gestelde bruto-netto verschil niet zou kunnen terugvorderen bij de belastingdienst, zodat reeds bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van de gestelde schade de gevorderde leenbijstandschade wordt afgewezen.

Verrekenverweer

3.16.

[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht bij de toewijzing van enig (schade)bedrag aan [eiseres] rekening te houden met de - zijns inziens - door [eiseres] onbetaalde declaraties. [eiseres] heeft - bij gebreke van wetenschap - betwist dat die declaraties nog zouden moeten worden betaald en - voor zover nodig - een beroep gedaan op verjaring van de vorderingen uit hoofde van die declaraties (punt 57 repliek).

3.17.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen kennelijk vaststaat dat betreffende die declaraties een betalingstermijn van 14 dagen geldt. Die betalingstermijn is (eveneens) vermeld in de facturen. Nu gelet op het bepaalde in artikel 3:307 BW het vorderingsrecht van [gedaagde] uit hoofde van de gemelde declaraties verjaard lijkt en [eiseres] de omvang van die vordering gemotiveerd heeft betwist, is de vordering van [gedaagde] niet op eenvoudige wijze vast te stellen (zie artikel 6:136 BW), zodat voor een beroep op verrekening door [gedaagde] geen plaats is. Het verrekenverweer van [gedaagde] wordt derhalve verworpen.

Wettelijke rente en overige

3.18.

De gevorderde wettelijke rente is eerst toewijsbaar vanaf 23 april 2008, de eerste datum van aansprakelijkstelling van [gedaagde] door [eiseres] .

3.19.

[eiseres] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen, met dien verstande dat een veroordeling tot vergoeding van die kosten reeds deels heeft plaatsgevonden onder 3.13. Aan buitengerechtelijke kosten wordt nog toegewezen een bedrag van € 2.000,00.

3.20.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proces-kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat € 5.000,00 (2,5 punten × tarief € 2.000,00)

totaal € 5.167,82.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] in de hoedanigheid van advocaat van [eiseres] een beroepsfout heeft begaan door na te laten namens [eiseres] herroeping te vorderen van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 16 september 2003 binnen de daarvoor geldende termijn, en dat [gedaagde] gelet daarop aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt,

4.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde] , gelet op 4.1, de vordering van [naam ex-echtgenoot] op [eiseres] op grond van het vonnis van 16 september 2003, bekrachtigd door het hof

’s-Hertogenbosch bij arrest van 15 april 2008, indien [naam ex-echtgenoot] die vordering jegens [eiseres] instelt, de omvang van die vordering aan [eiseres] dient te vergoeden,

4.3.

verklaart voor recht dat [gedaagde] in de hoedanigheid van advocaat van [eiseres] een beroepsfout heeft begaan door na 1 november 2005 namens [eiseres] de veilingexecutie te entameren en de daarmee samenhangende procedures te voeren, nu [gedaagde] behoorde te weten dat de kinderen [naam ex-echtgenoot] met succes de levering van het woonhuis konden verhinderen,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] , gelet op 3.6 en 3.7, tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 23 april 2008 tot de dag van volledige betaling,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] , gelet op 3.12, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 23 april 2008 tot de dag van volledige betaling,

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 2.000,00,

4.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 5.167,82, waarvan € 92,82 aan explootkosten, na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL22 RBOS 0569 9906 45 ten name van MvJ Arr. Limburg locatie Maastricht (542) onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

4.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft 4.4. tot en met 4.7. uitvoerbaar bij voorraad,

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1

1 type: CM