Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6059

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
03/866220-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Politieagent schiet tijdens actie van de Arrestatie-Eenheid op de bestuurder van een personenauto, maar raakt de bijrijder. Verdenking van poging tot doodslag, zware mishandeling en (poging) tot zware mishandeling. OM vordert vrijspraak, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank acht poging tot doodslag bewezen. Sprake van voorwaardelijk opzet. Geen geslaagd beroep op noodweer(exces) of psychische overmacht. Gevangenisstraf van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Politiewet 2012
Politiewet 2012 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0330
NBSTRAF 2015/202 met annotatie van mr. dr. J.A.A.C. Claessen
NJFS 2015/198

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866220-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

te dezer zake domicilie kiezende te [adres].

Raadsman is mr. C.A. Jonkers, advocaat, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juli 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven dan wel [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar heeft mishandeld dan wel heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar te mishandelen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is primair van mening dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Uit geen der processtukken volgt voldoende bewijs voor het opzet van de verdachte tot het doden of het zwaar mishandelen van [slachtoffer 1]. Evenmin kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat er sprake was van voorwaardelijk opzet daartoe zijdens de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij gericht op [slachtoffer 2] heeft geschoten. Het is niet duidelijk waarom [slachtoffer 1] door de kogel is geraakt. De officier van justitie wijst er op dat niet kan worden uitgesloten dat de kogelbaan is veranderd omdat er door glas is geschoten. Ook is niet duidelijk gebleken of de auto in beweging was op het moment dat de verdachte heeft geschoten. Gezien deze onbekende factoren kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zou raken op het moment dat hij gericht op [slachtoffer 2] heeft geschoten. Evenmin blijkt er voorwaardelijk opzet uit de verklaring van de verdachte. De officier van justitie is van mening dat er evenmin voorwaardelijk opzet kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte. De verdachte heeft immers gericht geschoten op [slachtoffer 2], maar heeft [slachtoffer 1] geraakt. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer, meer subsidiair wegens noodweerexces.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair de vrijspraak van de verdachte bepleit. Hij stelt daartoe dat er onvoldoende bewijs is voor het opzet dan wel het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het doden van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte heeft gehandeld conform artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012. De situatie ter plaatse voldeed aan de vereisten, zoals gesteld in dit artikel. De verdachte mocht er in redelijkheid van uitgaan dat het gebruik van het vuurwapen in de onderhavige situatie geoorloofd was.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van het primaire feit

Inleiding

Op 22 augustus 2013 vond er door de politie-eenheid Limburg een onderzoek plaats met als doel om een persoon genaamd [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2]) aan te houden wegens verdenking van betrokkenheid bij een aantal ramkraken. Ten behoeve van diens aanhouding werden een observatieteam (verder: OT) en een aanhoudingseenheid (verder: AE) ingezet. De verdachte maakte die dag, tezamen met 5 collega’s, deel uit van dit AE. Het OT was [slachtoffer 2] tijdens het volgen van diens auto een aantal malen kwijtgeraakt, vanwege zijn hoge snelheid (van boven de 200 kilometer per uur). Tijdens het volgen van [slachtoffer 2] nam het OT op enig moment waar dat er in Meerssen een passagier in diens auto stapte. Dit bleek het latere slachtoffer [slachtoffer 1] te zijn. Het OT observeerde op enig moment dat [slachtoffer 2] met zijn personenauto de parkeerplaats van de coffeeshop “[naam]” in Heerlen opreed. Op het moment dat de AE vervolgens de procedure tot het aanhouden van [slachtoffer 2] inzette op deze parkeerplaats, probeerde [slachtoffer 2] met de auto te vluchten. Tijdens deze manoeuvre vond er vervolgens een schietincident plaats, waarbij de bijrijder [slachtoffer 1] door een kogel werd geraakt.2

Aangifte door [slachtoffer 1]

Op 19 september 2013 heeft [slachtoffer 1] aangifte tegen de verdachte gedaan wegens poging doodslag, zware mishandeling dan wel een poging tot zware mishandeling. [slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verwezen naar zijn eerdere verklaring, afgelegd bij de politie op 27 augustus 2013.3 Op 27 augustus 2013 heeft [slachtoffer 1] als getuige verklaard dat hij zich op 22 augustus 2013 als bijrijder in de auto van [slachtoffer 2] bevond. Bij coffeeshop “[naam]” parkeerde [slachtoffer 2] de auto en ging hij naar binnen, terwijl [slachtoffer 1] in de auto bleef wachten. Nadat [slachtoffer 2] een halve minuut binnen was geweest, nam deze weer plaats op de bestuurdersplaats van de auto. [slachtoffer 1] hoorde kort hierna een geluid achter de auto en toen hij naar achteren keek, zag hij dat een personenauto achter hun auto was gestopt. Er kwamen volgens [slachtoffer 1] twee mannen met zwarte kleding uit deze auto. Toen deze aan weerszijden van de auto stonden, hoorde [slachtoffer 1] harde klappen en hoorde hij dat er werd geroepen “Uit de auto komen!”. Ook hoorde hij dat er “Politie!” werd geroepen. [slachtoffer 2] vergrendelde volgens [slachtoffer 1] de autodeuren. Vervolgens reed [slachtoffer 2] met een behoorlijke snelheid weg en maakte daarbij een bocht van 180 graden. Tijdens het wegrijden werd er volgens [slachtoffer 1] op de ramen van de auto geslagen. Bij het nemen van de bocht zag [slachtoffer 1] dat het raam in het rechter voorportier kapot was. Nadat [slachtoffer 2] de bocht had genomen, reed hij volgens [slachtoffer 1] rechtdoor, waarna hij zich klem reed op de parkeerplaats tussen twee auto’s. Pas toen [slachtoffer 1] door de politie uit de auto was gehaald en op de grond lag, merkte hij dat hij was geraakt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij niet weet wanneer de politie heeft geschoten.4 In zijn aangifte van 19 september 2013 heeft [slachtoffer 1] aan zijn eerdere verklaring toegevoegd dat hij zich niet kan herinneren wanneer het woord “politie” werd geroepen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij als bijrijder niet bij machte was om iets te doen en dat hij geen enkele aanleiding heeft gegeven om op hem te schieten.5

Het letsel van [slachtoffer 1]

Zowel de Spoedeisende Hulp van het Atrium Medisch Centrum als dr. [naam], chirurg, hebben een geneeskundige verklaring opgesteld over het letsel van [slachtoffer 1]. Uit de verklaring van het Atrium Medisch Centrum volgt dat bij [slachtoffer 1] een schotwond in zijn thorax links werd aangetroffen, alsook een longcontusie links, een corcontusie met een spoor pericardvocht en een schotwond in de linker arm, waarbij de kogel nog aanwezig was.6 Dr. [naam] heeft deze verwondingen nader omschreven en heeft gerelateerd dat er sprake was van één wond direct naast het borstbeen en één wond iets verder naar links op dezelfde hoogte (bovenrand hart), welke imponeerde als een uitschotwond. Tevens was er sprake van een wond aan de binnenzijde van de linker bovenarm. Uit radiologisch en laboratoriumonderzoek volgde dat de kogel naast het borstbeen op een rib was gestoten en naar opzij was gegaan. De kogel had de wond verlaten via de tweede wond op de borstkas, zonder daarbij vitale schade aan te richten. Door de klap van de kogel zijn er een longkneuzing en een kneuzing van het hartzakje ontstaan. De wonden van [slachtoffer 1] werden op de operatiekamer verzorgd, waarbij de kogel uit zijn arm werd verwijderd.7

De verklaring van de verdachte

Op 23 augustus 2013 heeft de verdachte een verklaring bij de politie afgelegd over hetgeen er op de avond van 22 augustus 2013 is gebeurd. De verdachte, politieagent en AE-lid, werd samen met zijn AE-collega’s [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] ingezet voor de aanhouding van verdachte [slachtoffer 2]. [naam] en [naam] namen na een korte briefing plaats in een onopvallend dienstvoertuig en werden gevolgd door de overige AE-leden, die in een onopvallend dienstvoertuig (zijnde een Volkswagen Golf) hadden plaatsgenomen. De verdachte had plaatsgenomen achterin het dienstvoertuig, aan de rechterzijde. Tijdens het rijden werd de AE op de hoogte gehouden van de waarnemingen van het OT. Zo vernam het OT op enig moment dat er een passagier naast [slachtoffer 2] zat. Het OT berichtte het AE vervolgens dat [slachtoffer 2] gestopt was bij de coffeeshop “[naam]” te Heerlen. Via de portofoon maakte het OT kenbaar dat het tot actie wilde overgaan. De verdachte en zijn collega’s droegen op dat moment allemaal jassen met opvallende politie-emblemen aan de voor-, zij- (mouw) en achterkant. De verdachte heeft verklaard dat het AE niet de opdracht had om de passagier aan te houden, maar deze diende onder controle te worden gehouden ter beveiliging van omstanders en de AE-leden. Via de portofoon vernam het AE plotseling dat de aanhouding niet in de coffeeshop zou plaatsvinden, maar buiten de coffeeshop. [slachtoffer 2] maakte immers aanstalten om weg te rijden. Volgens de verdachte was er geen tijd om een plan van aanpak te maken en diende men over te gaan op routinematig handelen. Via de portofoon deelde het OT mede dat het de auto van [slachtoffer 2] zou ‘vastzetten’.

De verdachte heeft verklaard dat [naam] de dienstauto vlak achter de auto van [slachtoffer 2] parkeerde en dat hij zag dat de achteruitverlichting van de auto van [slachtoffer 2] aan was. Op het moment dat [naam] de auto stopte, stapte de verdachte uit en liep naar de rechtervoorzijde van de auto. De verdachte probeerde het rechter voorportier te openen, maar dit lukte niet. De verdachte riep hierbij “Politie!” en sloeg met zijn vrije hand op de ruit. De verdachte heeft verklaard dat het zijn taak was om de passagier uit de auto te halen, maar dat deze noch [slachtoffer 2] reageerde. Volgens de verdachte kwam de auto van [slachtoffer 2] opeens in beweging. De verdachte hoorde hoe de automotor hoge toeren maakte en hij sloeg met de onderzijde van de kolf en later met de loop van het pistool op de ruit van het portier, terwijl hij de inzittenden bleef aanroepen. De auto van [slachtoffer 2] schoot volgens de verdachte weg.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren hoe de auto is weggereden. Hij liep met de auto mee en wist niet waar zijn collega’s zich op dat moment bevonden. De verdachte heeft verklaard dat de auto probeerde weg te rijden van de parkeerplaats. Hij was bang dat de auto zijn collega’s omver zou rijden en hij vreesde voor zijn eigen leven. De verdachte heeft verklaard dat hij mensen aan de kant zag springen en vervolgens instinctief reageerde. Op dat moment heeft de verdachte op [slachtoffer 2] gericht en geschoten. Hij wilde de Golf stoppen en was gefocust op de bestuurder. Hij stond of liep op dat moment rechts van de auto en kon in de auto kijken. Volgens de verdachte verbrijzelde de rechterportierruit na het schot. De verdachte zag echter hierop geen reactie bij de inzittenden. De auto reed weg en kwam op de parkeerplaats in aanrijding met twee auto’s, waaronder de onopvallende dienstauto van [naam] en [naam]. Hierna bleef de auto stilstaan en werden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit de auto gehaald. Op dat moment begreep de verdachte pas dat [slachtoffer 1] geraakt was. Volgens de verdachte was de dreiging en gevaarzetting pas voorbij op het moment dat [slachtoffer 2] werd aangehouden.8

Ter terechtzitting heeft de verdachte aan zijn verklaring bij de politie toegevoegd dat het zijn taak was om zich bezig te houden met de bijrijder. Dit wist de verdachte gezien zijn zitplaats in het voertuig van de AE. De agenten links in het voertuig zouden zich met de bestuurder bezig houden, de agenten rechts in het voertuig met de passagier. Het hele incident duurde volgens de verdachte maar enkele seconden en verliep heel snel. De verdachte voelde hoe zijn nekharen overeind gingen staan en het zweet hem uitbrak. Zijn oren begonnen te suizen en hij voelde zijn eigen hartslag. De verdachte heeft verklaard dat hij bang was om zijn leven te verliezen. Hij stond op een armlengte van de auto vandaan. Volgens de verdachte kon hij niet inschatten waar de auto heen zou gaan. De verdachte heeft verklaard dat hij niet precies weet wanneer het schot is gevallen. Hij heeft met gestrekte armen geschoten. De verdachte keek over zijn loop, maar richtte niet met de korrel en had op dat moment zicht op [slachtoffer 2]. Hij dacht dat hij [slachtoffer 2] in zijn romp zou raken. Op dat moment bevond [slachtoffer 1] zich niet in de baan van het vuurwapen. Hij zag op dat moment niet waar zijn collega’s stonden. De verdachte heeft verklaard dat hij niet kan verklaren hoe [slachtoffer 1] kon worden geraakt.9

De reconstructie aan de hand van de bewakingsbeelden van “[naam]”

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de reconstructie van het verloop van de gebeurtenissen op de parkeerplaats van “[naam]” getoond, opgesteld door het Nederlands Forensisch Instituut. De totale reconstructie bedraagt 21,3 seconden. Op de beelden is het parkeerterrein van “[naam]” vanuit drie verschillende gezichtspunten, opgenomen met vier verschillende bewakingscamera’s, zichtbaar. De beelden bestrijken de tijdslijn van het arriveren van de auto’s van het OT en de AE tot het moment waarop de AE-leden overgaan tot de aanhouding van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Op de bewakingsbeelden van iedere afzonderlijke bewakingscamera is ieder lid van de AE, alsook getuige L115, met kleur ingetekend. Deze beelden vertonen simultaan hetgeen er zich in de avond van 22 augustus 2013 heeft afgespeeld tijdens de inzet van de AE. De rechtbank neemt op deze reconstructie het navolgende waar.

Uit deze beelden volgt dat de personenauto van [slachtoffer 2] op de parkeerplaats van coffeeshop “[naam]” staat geparkeerd, als er achtereenvolgens drie onopvallende personenauto’s het parkeerterrein oprijden (seconde 0,6).10 Op basis van de verklaring van getuige L115, die lid van het OT is11, constateert de rechtbank dat de eerste personenauto de auto van het OT is. Deze personenauto rijdt voorbij de auto van [slachtoffer 2] en zet de auto op enige afstand van de auto van [slachtoffer 2] stil zonder deze auto te blokken. Kort hierna is zichtbaar hoe de auto’s van het AE op het parkeerterrein achter de auto van [slachtoffer 2] stoppen. De eerste auto, waarin zich – gezien de verklaring van de verdachte – de verdachte en drie andere AE-leden bevinden, stopt vlak achter de auto van [slachtoffer 2].12 De tweede auto, waarin [naam] en [naam] zich bevinden13, verspert de in-en uitrit van het parkeerterrein. Een derde auto neemt daar weer achter plaats. Op de beelden is zichtbaar dat er zich op dat moment geen andere omstanders op het parkeerterrein bevinden.14 Op seconde 4,3 stapt AE-lid [naam], gezeten links achterin de eerste auto15, uit. Op seconde 5,1 stapt de verdachte (op de beelden gemarkeerd met een lichtbruine kleur) als bijrijder uit de eerste auto van de AE.16 De overige AE-leden stappen eveneens uit de beide personenauto’s, waarbij verdachte en de AE-leden uit de eerste auto, zijnde [naam], [naam] en [naam]17 zich richting de auto van [slachtoffer 2] begeven.

Vanaf seconde 6,6 is zichtbaar hoe de auto van [slachtoffer 2] in beweging komt en vooruit rijdt, waarbij hij vanuit zijn geparkeerde positie een U-vormige manoeuvre maakt. Op dat moment bevindt AE-lid [naam] zich aan de linkerzijde van de auto en de AE-leden [naam], [naam] en de verdachte bevinden zich aan de rechterzijde. Zichtbaar is dat de verdachte zich ter hoogte van het bijrijdersportier van de auto van [slachtoffer 2] bevindt. Vanaf seconde 9,3 is zichtbaar dat de verdachte zijn dienstvuurwapen in zijn rechterhand houdt. Aan het einde van deze U-vormige bocht (seconde 11,7), rijdt de auto van [slachtoffer 2] enkele meters achteruit (tot seconde 14,7). Op seconde 15,0 komt de auto van [slachtoffer 2] in beweging richting de in- en uitrit van het parkeerterrein. Op dat moment bevindt de verdachte zich nog steeds ter hoogte van het bijrijdersportier. Daarna rijdt de auto met een snelheid die toeneemt tot maximaal 26 km/uur, richting de in-en uitrit van het parkeerterrein (seconde 15,6) en op seconde 17,7 tegen een tweetal auto’s aan, waaronder de auto van [naam] en [naam]. De auto rijdt tijdens deze laatste manoeuvre zichtbaar sneller dan tijdens zijn eerdere manoeuvre (de U-bocht). Op seconde 18,9 is de auto van [slachtoffer 2] tot stilstand gekomen.18

Op basis van de verklaringen van de verschillende AE-leden ter plaatsen constateert de rechtbank dat de agenten zich middels kleding met het embleem ‘Politie’, alsook door ‘Politie!’ te roepen, hebben geïdentificeerd als zijnde politie.19 Ook het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft aanvankelijk verklaard dat hij heeft gehoord dat er ‘Politie!’ werd geroepen.

Verschillende AE-leden hebben tevens verklaard dat de motor van de auto van [slachtoffer 2] ronkende geluiden maken en dat deze piepende banden had tijdens de manoeuvre.20

Tussenconclusie

Gezien de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van de verdachte en het geconstateerde letsel van [slachtoffer 1] acht de rechtbank bewezen dat de verdachte een kogel heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer 2], waarbij die kogel het lichaam van [slachtoffer 1] is binnengedrongen. De rechtbank stelt vast dat er bijna 12 seconden zitten tussen het wegrijden van [slachtoffer 2] en het tot stilstand komen van diens auto tegen de auto van [naam] en [naam]. De rechtbank constateert op basis van de verklaring van de verdachte en de aangever [slachtoffer 1] dat de verdachte op enig moment tijdens de circa 12 seconden lang durende manoeuvre van [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Het moment van schieten

Op de beelden kan de rechtbank het daadwerkelijke schot niet waarnemen. Aan de hand van de bevindingen van het forensisch onderzoek, de reconstructie en de verklaring van AE-leden en de verdachte is de rechtbank evenwel van oordeel dat dit moment wel kan worden vastgesteld.

Uit het onderzoek van de forensische technische ondersteuning op het parkeerterrein volgt dat het aannemelijk is dat er op de Volkswagen Golf van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is geschoten vanaf de rechterzijde, waarbij door het rechter portierraam werd geschoten en het slachtoffer [slachtoffer 1] werd getroffen in de linkerborst.21 Aan de kleding van [slachtoffer 1] is forensisch onderzoek verricht. In een zwart T-shirt werd ter hoogte van de borst en in de linkermouw nagenoeg horizontaal en op een lijn een vijftal gaten aangetroffen. Ter visualisatie werd de bovenkleding van [slachtoffer 1] (een jack en een T-shirt) op een etalagepop gezet, waarbij middels een breinaald de waarschijnlijke baan van het projectiel werd weergegeven. De verbalisanten concludeerden dat het projectiel waarschijnlijk ter hoogte van de rechterborst een inschot veroorzaakte, vervolgens ter hoogte van de linkerborst een uitschot en aan de binnenzijde van de linkerarm wederom een inschot.22

Getuige [naam], zijnde AE-lid, heeft over het schot verklaard dat hij een knal hoorde en dat hij zag dat de verdachte met het vuurwapen in zijn handen bij het bijrijdersportier stond.23

Getuige [naam], tevens AE-lid, heeft verklaard dat [slachtoffer 2] wegstuurde en dat er een schot viel. [naam] weet niet precies wanneer het schot viel, maar het is hem bijgebleven dat de auto in beweging was. Volgens [naam] keek hij op dat moment tegen de achterkant van de auto aan. [naam] heeft vervolgens verklaard dat het schot is gevallen bij het manoeuvreren van de auto.24

Getuige [naam] heeft verklaard dat hij zag dat het voertuig van [slachtoffer 2] vervolgens weer naar voren gaat. [verdachte] ziet hij op dat moment aan de passageriszijde van het voertuig staan. Ook ziet hij [naam] met zijn wapen in zijn handen. Vervolgens geeft de bestuurder volledig gas en ziet hij de auto gaan bewegen. In die fractie van een seconde hoort hij een schot vallen en een ruit sneuvelen.25

Op basis van deze verklaringen en resultaten, de aard van de verwondingen van [slachtoffer 1], en de verklaring van verdachte ter zitting dat hij zicht had op de bestuurder concludeert de rechtbank dat de verdachte zich ten tijde van het schieten min of meer haaks ten opzichte van [slachtoffer 1] aan de rechterzijde van de auto van [slachtoffer 2] moet hebben bevonden. Gedurende de ongeveer 12 seconden durende manoeuvre van de auto van [slachtoffer 2] is er naar het oordeel van de rechtbank slechts één moment zichtbaar waarop de verdachte zich in deze positie en in de door hem omschreven schiethouding (met gestrekte armen) ten opzichte van de auto van [slachtoffer 2] bevindt, te weten tussen de seconden 15,0 en 15,3. De verdachte heeft op dit moment een enigszins gebukte houding, zodat het vanuit deze houding tevens mogelijk was om – zoals de verdachte heeft verklaard – [slachtoffer 2] te zien en op hem te richten. De rechtbank stelt vast dat dit het moment is waarop de auto van [slachtoffer 2] zijn achteruitrijdende beweging heeft afgerond en deze in beweging komt om vervolgens met toenemende snelheid richting de in- en uitrit van de parkeerplaats te rijden. Op de reconstructie is zichtbaar dat er zich op dat moment niemand in de rijrichting van de auto van [slachtoffer 2] bevindt, met uitzondering van plaatsvervangend AE-commandant [naam], die iets verderop staat. [naam] staat buiten het gezichtsveld van verdachte als verdachte schiet. De overige leden van het AE-team bevinden zich naast of meer achter de auto.26

Het aangetroffen acceleratiespoor is door de Verkeersongevalsanalysedienst onderzocht. Dit had een lengte van 8,95 meter. De auto van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werd in het verlengde van dit bandenspoor in zijn eindpositie aangetroffen. Uit de analyse van dit spoor volgt dat de bestuurder van de auto ter hoogte van het einde van het spoor heeft gereden met een “indicatieve” snelheid tussen ongeveer 21 en 26 kilometer per uur.27 Gezien de locatie van het aangetroffen acceleratiespoor, in combinatie met de beelden, concludeert de rechtbank dat dit spoor is ontstaan nadat de verdachte in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten. Uit de reconstructie volgt dat de auto van [slachtoffer 2] tussen de seconden 15,0 en 15,3 een snelheid van minimaal 12 en maximaal 13 kilometer per uur had.28

Sprake van (voorwaardelijk) opzet?

De rechtbank zal nu de vraag beantwoorden of er zijdens de verdachte sprake was van opzet dan wel voorwaardelijk opzet op het doden van [slachtoffer 1]. De rechtbank merkt allereerst op dat uit geen van de processtukken volgt dat verdachte het opzet op het doden van [slachtoffer 1] had. Daarom dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte met zijn gedragingen ten tijde van het incident willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij mogelijk [slachtoffer 1] zou doden. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn wapen had gericht op de borst van [slachtoffer 2], waarbij het richten zo begrepen dient te worden dat hij niet over de korrel en de loop heeft gekeken maar het vuurwapen met twee gestrekte armen op [slachtoffer 2] heeft gewezen. [slachtoffer 2] bevond zich echter in een bewegende en manoeuvrerende auto. Het was de verdachte bekend dat er zich een passagier naast [slachtoffer 2] in de auto bevond. Door onder deze omstandigheden en op deze wijze op korte afstand van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn wapen af te vuren op romphoogte, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij mogelijk [slachtoffer 1] in plaats van [slachtoffer 2] in zijn rompstreek zou raken en, gezien de ligging van vitale organen in de borststreek, daarbij zou doden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] had.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting nog naar voren heeft gebracht dat verdachte heeft gehandeld conform artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012. De verdachte mocht er volgens de raadsman in redelijkheid van uitgaan dat het gebruik van het vuurwapen in de onderhavige situatie geoorloofd was. Echter, nu de raadsman hier geen uitdrukkelijke conclusies aan heeft verbonden, bijvoorbeeld in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, behoeft het verweer van de raadsman geen (verdere) bespreking. De rechtbank merkt nog op dat de hoofdofficier in zijn schrijven van 12 februari 2014 (sepotbeslissing) tot de conclusie is gekomen dat verdachte in strijd met de Ambtsinstructie van Politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren heeft gehandeld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd waarbij die kogel het lichaam van die [slachtoffer 1] is

binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van primair:

poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu deze een geslaagd beroep kan doen op noodweer. Er was evident sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf van de verdachte, alsook van dat van zijn collega’s. Ter terechtzitting heeft de getuige [naam] verklaard dat hij vreesde door de auto overreden te worden, aangezien de auto op hem af kwam. De verdachte heeft verklaard dat hij zich nabij de wielkast van de auto bevond en dat hij vreesde om weggedrukt te worden en onder de wielen terecht te komen. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat het noodzakelijk was dat de verdachte zich verdedigde tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2]. Het gebruik van het vuurwapen door de verdachte voldoet volgens de officier van justitie onder de gegeven omstandigheden aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft zich geïdentificeerd als politieagent en heeft op verschillende manieren getracht om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tot stilstand te bewegen. De verdachte bevond zich tijdens het manoeuvreren van de auto door [slachtoffer 2] vlak naast de wielkast. De raadsman wijst er op dat er sprake was van piepende banden en slippende wielen. [slachtoffer 2] paste excessief geweld toe op een kleine parkeerplaats. Hierbij is volgens de raadsman van belang dat de verdachte niet wist wat [slachtoffer 2] zou gaan doen. De raadsman wijst in dit verband op de verklaring van de verdachte, waaruit volgt dat hij vreesde voor zijn eigen leven en dat van zijn collega’s.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte en/of zijn collega AE-leden door de personenauto, waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden.

De verdachte heeft verklaard dat hij vreesde voor zijn leven en dat hij bang was dat de auto zijn collega’s omver zou rijden. Over zijn eigen positie heeft de verdachte verklaard dat hij zich, ter hoogte van de wielkast, rechts naast de auto bevond. De rechtbank heeft hiervoor onder 3.3 overwogen dat de verdachte het schot heeft gelost tussen seconde 15,0 en seconde 15,3 van de reconstructie. De rechtbank constateert aan de hand van deze reconstructie, alsook uit de verklaring van de verdachte, dat de verdachte zich noch voor, noch op dat moment in de directe rijrichting van de auto van [slachtoffer 2] bevond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op dat moment geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Ook blijkt uit de beelden dat verdachte zich op geen enkel tijdstip zorgen heeft hoeven maken dat hij in aanraking met de auto zou komen waarbij letsel te duchten zou zijn. Voor wat betreft de collega AE-leden van de verdachte overweegt de rechtbank dat ook ten aanzien van hen onvoldoende is gebleken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In de eerste plaats heeft de verdachte verklaard dat hij niet wist waar deze zich bevonden toen hij in de richting [slachtoffer 2] schoot. Gelet op de verklaringen van de AE-leden en verdachte dat altijd gewerkt wordt in een kommetje met leden die zich naast de auto bevinden, had verdachte ook niet hoeven te verwachten dat er zich leden in de rijrichting van de auto bevonden. Aan de hand van de reconstructie heeft de rechtbank verder geconstateerd dat geen van de AE-leden zich in de rijrichting van de auto bevond voor en op het moment dat de verdachte schoot. Wel concludeert de rechtbank dat plaatsvervangend-commandant [naam] in de rijrichting van de auto kwam te staan toen [slachtoffer 2] instuurde nadat hij weer vooruit ging rijden; dat is na het schot. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat er jegens [naam] eventueel sprake was van een mogelijke te verwachten ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding toen de auto van [slachtoffer 2] in snelheid toenam en ook daadwerkelijk na insturen in diens richting reed (vanaf seconde 15,3). Dit geschiedt echter pas nádat de verdachte het schot heeft gelost (tussen seconde 15,0 en 15,3). [naam] heeft verklaard dat hij de bestuurder was van de tweede auto van de AE-eenheid (op de eerder genoemde beelden ingekleurd met rood) en dat hij toen de auto van [slachtoffer 2] na de keer-manoeuvre vooruit ging weggesprongen is. Hij had op dat moment wel een wapen in zijn hand, maar hij weet niet zeker of hij zijn wapen ook gericht had op het voertuig van [slachtoffer 2]. De rechtbank concludeert uit deze verklaring en uit de beelden dat [naam] redelijk eenvoudig weg kon komen voor de vooruitrijdende auto van [slachtoffer 2] en dat er voor hem geen noodzaak/reden was om gebruik te maken van zijn wapen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens verdachte of een van diens collega’s voorafgaand aan het moment dat de verdachte schoot. Ook pal na het schot was er van een dergelijke situatie geen sprake. Om deze reden verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is voorts van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu deze een geslaagd beroep kan doen op noodweerexces. De verdachte heeft omschreven dat hij zich angstig voelde, dat hij begon te zweten en dat hij naar huis wilde. Volgens de officier van justitie was er dus sprake van een hevige gemoedstoestand ten gevolge van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2].

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Bij de verdachte was er sprake van een hevige gemoedsbeweging, die werd veroorzaakt door het excessieve geweld van [slachtoffer 2]. De raadsman wijst in dit verband op de verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de politie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Noodweerexces

Onder verwijzing naar al hetgeen hiervoor is overwogen, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen. Nu naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen sprake is van noodweer wegens het ontbreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, kan evenmin sprak zijn van noodweerexces.

Ambtshalve oordeel over psychische overmacht

Hoewel ter zake geen verweer is gevoerd zal de rechtbank, gelet op de door de verdachte ter terechtzitting gekozen bewoordingen tijdens het onderzoek naar de feiten, ambtshalve de vraag beantwoorden of er zijdens de verdachte sprake was van psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake in de gevallen van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Hoewel de rechtbank er zonder meer vanuit gaat dat de situatie op het parkeerterrein, zoals de verdachte ook heeft verklaard, stresserend was, acht zij de psychische nood van de verdachte niet zodanig te objectiveren aan de hand van de onder 3.3 genoemde bewijsmiddelen dat dit de conclusie kan staven dat de verdachte, op het moment van het begaan van het feit, zich zodanig in en psychische overmacht-situatie bevond dat hij niet anders kon of behoorde te handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank wijst er op dat uit de verklaring van de verdachte, maar ook uit die van de getuige [naam], volgt dat de verdachte als AE-lid is getraind in het verrichten van risicovolle aanhoudingen. Hoewel de auto van [slachtoffer 2] tegen de verwachting van de AE in niet geblokt was door de auto van het OT, vond de aanhouding plaats op een terrein dat door de AE van tevoren als geschikt werd bevonden voor een dergelijke actie. Het betrof een goed verlichte, door een auto van het AE afgesloten ruimte, waarop zich geen nietsvermoedende derden bevonden. De rechtbank acht voorts van belang dat uit de reconstructie volgt dat de auto van [slachtoffer 2] zich tijdens het voor- en achteruit manoeuvreren slechts een beperkte snelheid van ongeveer 12 tot 13 kilometer per uur had. Dat de gecontroleerde rijmanoeuvre van [slachtoffer 2] (hij komt immers telkens bij voor- en achteruitrijden netjes voor de obstakels/muren tot stilstand) verdachte zo psychisch uit zijn evenwicht gebracht hebben dat hij in een toestand van psychische overmacht geraakte, valt niet uit het dossier te concluderen. Daarbij komt nog dat er weliswaar een acceleratiespoor op het parkeerterrein is aangetroffen, maar dit spoor pas is ontstaan na het schietincident, te weten toen de auto van [slachtoffer 2] uiteindelijk richting de uitrit van het parkeerterrein reed. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht.

De verdachte is strafbaar omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair de vrijspraak van de verdachte gevorderd en (meer) subsidiair het ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair de vrijspraak van de verdachte bepleit en (meer) subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar en als ervaren lid van de Arrestatie-Eenheid Limburg-Zuid een schot gelost tijdens een spoedinzet, waarbij werd gepoogd om de bestuurder [slachtoffer 2] in diens auto aan te houden. Terwijl de verdachte zich op korte afstand van de personenauto bevond, heeft hij - zonder noodzaak - zijn dienstvuurwapen gebruikt en door de ruit van het bijrijdersportier geschoten. Ten gevolge van het schot is de bijrijder [slachtoffer 1] gewond geraakt aan zijn borst en bovenarm. De kogel heeft hierbij de borstkas van [slachtoffer 1] doorboord. Door het lossen van het schot in de richting van [slachtoffer 2], terwijl diens auto in beweging was, heeft de verdachte de kans aanvaard dat [slachtoffer 1] gedood zou kunnen worden. De rechtbank kent in dit verband gewicht toe aan de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1], waaruit volgt dat diens behandelend arts heeft gezegd: ‘een centimeter verder en er was een begrafenis geweest’.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden buitenproportioneel en ondoordacht heeft gehandeld. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Een poging tot doodslag is een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is in beginsel als straf enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft in dit geval meegewogen dat verdachte politieagent is en het strafbare feit heeft gepleegd in de uitoefening van zijn functie, maar ziet daarin onvoldoende valide zijnde reden om af te wijken van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zoekt aansluiting bij de strafmaatjurisprudentie van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch behorende bij een poging tot doodslag. In deze jurisprudentie wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren als uitgangspunt gehanteerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om hiervan af te wijken. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte een blanco strafblad heeft. Bovendien blijkt uit het reclasseringsadvies dat er geen sprake is van een recidiverisico en dat de verdachte op geen enkel leefgebied problemen ondervindt. Dat het schietincident en (uitkomst van) de strafzaak een grote impact hebben gehad en nog zal hebben op verdachtes leven, realiseert de rechtbank zich terdege en heeft zij bij haar oordeel betrokken. Ten slotte weegt het als strafmatigend mee dat het feit bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht, alles overziend, de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geëigend.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.534,60, waarvan

€ 1.034,60 ter zake van materiële schade en € 3.500,00 ter zake van immateriële schade, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts vordert de benadeelde partij een vergoeding van

€ 1.657,98 ter zake van kosten voor rechtsbijstand.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, indien de verdachte zal worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de officier van justitie ten slotte gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk dient te worden toegewezen. De officier van justitie acht een vergoeding van € 500,00 redelijk en billijk ter zake van door [slachtoffer 1] geleden materiële schade. De officier van justitie verzet zich niet tegen toewijzing van de verzochte immateriële schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de verzochte vergoeding van de kosten rechtsbijstand.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt geformuleerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij indien de verdachte zal worden vrijgesproken dan wel zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Geheel subsidiair heeft de verdediging zich ter zake van de verzochte materiële schade aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. De verdediging heeft zich voorts gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake van de verzochte immateriële schadevergoeding en de verzochte vergoeding van de kosten rechtsbijstand.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde [slachtoffer 1] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Tegen de hoogte van de gevorderde vergoeding wegens materiële schade is verweer gevoerd. Hoewel de verzochte materiële schadevergoeding niet is onderbouwd met aankoopbonnen, blijkt uit het procesdossier voldoende dat de (merk)kleding van [slachtoffer 1] is beschadigd. Nu niet is gebleken wat de ouderdom van deze kleding is, zal de rechtbank de materiële schade ex aequo et bono vaststellen op € 750,00. Het door [slachtoffer 1] meer gevorderde moet worden afgewezen. Tegen de hoogte van de gevorderde vergoeding wegens immateriële schade is geen verweer gevoerd. In zoverre moet de vordering van [slachtoffer 1] worden toegewezen. Gelet op de referte van de verdachte tegen de hoogte van de vordering inzake immateriële schade zal de rechtbank deze schade vaststellen op € 3.500,00. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2013. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Nu de gemachtigde van de benadeelde [slachtoffer 1] de vordering heeft ingediend en tevens ter terechtzitting aanwezig is geweest, zal de rechtbank – gezien de hoogte van de vordering – de kosten van rechtsbijstand conform Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) en salarissen in rolzaken kanton toekennen en wel voor een bedrag van € 500,00 (2 punten). Voor het overige zal de rechtbank de verzochte kosten rechtsbijstand afwijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte voor het primaire feit tot een gevangenisstraf van 2 jaren;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 4.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 22 augustus 2013 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 500,00;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1], van € 4.250,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 52 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 22 april 2013 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. J.H.M. Engels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juli 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd

in de richting van die [slachtoffer 1] waarbij die kogel het lichaam van die [slachtoffer 1] is

binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht,

door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren in de richting van

die [slachtoffer 1] en waarbij die kogel het lichaam van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met

een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1] en

waarbij die kogel het lichaam van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de Rijksrecherche Regio Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 20130074 d.d. 22 augustus 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 P-v 20130074 [naam] d.d. 10 oktober 2013, p. 4.

3 P-v van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 16 september 2013, p. 163 en 164.

4 P-v van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 27 augustus 2013, p. 158 tot en met 160.

5 P-v van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 16 september 2013, p. 164.

6 Geneeskundige verklaring Spoedeisende Hulp Atrium Medisch Centrum d.d. 22 augustus 2013, p. 166 en 167.

7 Brief van dr. [naam] d.d. 26 september 2013, zonder doornummering.

8 P-v verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 augustus 2013, p. 114 tot en met 119.

9 De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2015.

10 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

11 P-v verhoor getuige L115 d.d. 23 augustus 2015, p. 155.

12 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

13 P-v verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 150 en 151.

14 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

15 P-v verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 144.

16 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

17 P-v verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 augustus 2013, p. 116.

18 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

19 P-v verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 141 en p-v [naam] d.d. 23 augustus 2015, p. 145.

20 P-v verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 133 en p-v verhoor getuige L115 d.d. 23 augustus 2015, p. 155.

21 P-v forensisch technische ondersteuning betreffende politioneel schietincident d.d. 16 september 2013, p. 16 tot en met 18.

22 P-v sporenonderzoek d.d. 13 september 2013, p. 89 en 90.

23 P-v van verhoor getuige [naam] d.d. 30 augustus 2013, p. 125.

24 P-v van verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 145.

25 P-v van verhoor getuige [naam] d.d. 23 augustus 2013, p. 151.

26 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.

27 P-v Verkeersongevallenanalyse d.d. 2 september 2013, p. 53 tot en met 58.

28 CD-rom NFI, animatie / reconstructie, d.d. 2 oktober 2014.