Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3671

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
3152325 CV EXPL 14-6876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(In beperkte mate) Kennelijk onredelijke opzegging. Geen beroep werkgever op verjaring (hoewel dit alleszins voor de hand lag).

Uitsluitend naar het gevolg is de opzegging aanvechtbaar, omdat van ‘vals’ noch ‘voorgewend’ in de redengeving sprake was.

Onduidelijkheid over precieze aard en omvang van de gevolgen door onvoldoende precisie in stellingen werkneemster.

Desondanks wel aangenomen dat zij enige hinder ondervindt / ondervond door uitblijven gerichte scholing en/of begeleiding.

Bedrag € 3 500,00 naar keuze te besteden aan outplacement / scholing (declaratie inclusief btw) dan wel als vervangend inkomen (bruto).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/790
AR-Updates.nl 2015-0435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3152325 CV EXPL 14-6876

Vonnis van de kantonrechter van 6 mei 2015

in de zaak

[eiseres]

wonend te [woonplaats 1] aan de [adres 1]

verder ook te noemen “[eiseres]”

eisende partij

gemachtigde: mr. M.J. Jacobs-Hellebrekers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Roermond

tegen

de twee voormalige vennoten van de vennootschap onder firma (in liquidatie)

[naam v.o.f.] te Maastricht:

[gedaagde sub 1]

en

[gedaagde sub 2]

beiden wonend te [woonplaats 2] aan de [adres 2]

verder ook te noemen “[gedaagde]” in vrouwelijk enkelvoud

gedaagde partij

gemachtigde: mr. L.C.P. Verschuren-Heijmans, werkzaam bij VBW te Gorinchem

De procedure

[eiseres] heeft [gedaagde] bij dagvaarding d.d. 5 juni 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in her exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan [gedaagde] negen (deels meervoudige) producties in fotokopievorm betekend zijn.

[gedaagde] heeft - na verkregen uitstel - ter rolzitting d.d. 13 augustus 2014 schriftelijk geantwoord en verweer gevoerd onder het bijbrengen van producties met de nummering 1, 2, 3a tot en met 3d en 4 (eveneens fotokopieën).

Het schriftelijke debat is (nadat zijdens [gedaagde] tevens een schriftelijke procesvolmacht overgelegd was) voortgezet met een ter rolzitting d.d. 15 oktober 2014 genomen repliek van [eiseres] en een dupliek met de producteis 5 tot en met 8 van de zijde van [gedaagde].

[eiseres] is ter respectering van de fundamentele eis van hoor en wederhoor gelegenheid geboden op deze vier extra producties te reageren, hetgeen zij bij akte d.d. 17 december 2014 gedaan heeft, waarna alsnog vonnis bepaald is.

De uitspraak van dit vonnis is nader op vandaag gesteld.

Het geschil

[eiseres] vorderde bij exploot, naast een op zichzelf niet noodzakelijke verklaring van recht omtrent het rechtskarakter van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (in termen van het exploot: ‘te verklaren voor recht dat de opzegging door gedaagden aan eiseres bij brief van 26 maart 2013 tegen 1 juli 2013 kennelijk onredelijk is’), veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en hoofdelijk voor wat de beide echtgenoten betreft - tot betaling van een op art. 7:681 BW te baseren schadevergoeding van in totaal € 7 096,75 bruto, althans een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de voldoening, alsmede tot betaling van ‘de buitengerechtelijke incassokosten conform de Staffel’ (waarbij het bedrag ongenoemd gebleven is) alsmede de aan de zijde van [eiseres] nader te liquideren proceskosten.

Uitgangspunt voor de vordering is het laatstelijk voor [eiseres] in dienst van [gedaagde] op een bedrag van € 807,30 gestelde brutoloon per maand (‘maandinkomen’) voor gemiddeld achttien werkuren per week. Het genoemde loonbedrag is exclusief ‘emolumenten’.

[eiseres], geboren op [geboortedatum] en derhalve ten tijde van opzegging 41 en aan het einde van de arbeidsovereenkomst juist 42 jaar oud, is van 1 mei 1989 tot 1 juli 2013 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur bij [gedaagde] en/of haar directe rechtsvoorganger in dienst geweest, laatstelijk als verkoopster/administratief medewerkster voor een uurloon van € 10,35 bruto. Zij is van oordeel dat de met toestemming van het UWV (WERKbedrijf) bij brief van 26 maart 2013 tegen 1 juli 2014 gedane opzegging van haar arbeidsovereenkomst zowel wegens de in haar ogen ‘valse voorgewende reden’ of (elders in de tekst van het exploot) ‘valse, voorgewende reden’ als wegens de voor haar onevenredig te achten gevolgen kennelijk onredelijk is. De gronden voor de eerste kwalificatie zoekt [eiseres] in haar ‘indruk’ dat in werkelijkheid geen sprake was van een ‘bedrijfseconomische noodzaak’ tot opzegging, maar van de bij [gedaagde] bestaande intentie om de onderneming ‘beter van de hand te doen’ (namelijk met minder werknemers in actieve dienst; preciezer: nadat eerst nog van twee werknemers, [eiseres] en een ongenoemde collega, afscheid genomen was). Die overname heeft per 1 juli 2013 gestalte gekregen, direct aansluitend op het ontslag van [eiseres] en kennelijk ook van die collega). In de ogen van [eiseres] is ‘de gang van zaken rondom de overname (…) op zijn minst als dubieus’ te bestempelen.

Daarnaast vormt het ontbreken van enige voor haar getroffen voorziening in het licht van het feit dat een opzegging op bedrijfseconomische gronden geheel in de risicosfeer van [gedaagde] ligt en bij een immer uitstekende dienstvervulling door [eiseres], die door de opzegging te kampen kreeg met ‘grote (financiële) gevolgen’ (wegens leeftijd, economische malaise en slechte arbeidsmarktpositie, mede wegens eenzijdige werkervaring) een doorslaggevend argument om [gedaagde] thans te veroordelen tot een ‘verzochte’ (bedoeld zal zijn: gevorderde) betaling van een schadevergoeding op de voet van art. 7:681 BW. Als er al sprake is/was van een slechte bedrijfseconomische positie van de onderneming is/was dit een gevolg van slecht beleid en onvoldoende inspelen op de markt en de consumentenvraag. [eiseres] taxeert voor zichzelf (met hulp van de aanbevolen website www.hoelangwerkloos.nl) de te verwachten werkloosheidsduur op 752 dagen en wijst erop dat zij maximaal tot 30 juni 2015 recht op uitkering heeft op de voet van de Werkloosheidswet. Op basis daarvan ‘berekent’ of bepaalt [eiseres] de te ‘leiden’ directe inkomensschade over 24 maanden op € 6 .190,38, terwijl zij daarnaast pensioenschade lijdt, welke schade zij over dezelfde periode naar contante waarde op € 906,57 (bruto) stelt.

De aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt uitsluitend in abstracte bewoordingen beargumenteerd, zonder concrete inspanningen te benoemen en te beprijzen.

In voortgezet debat heeft [eiseres] de tegenargumenten van [gedaagde] bestreden door onder meer (opnieuw) te wijzen op wat zij als beleidsfouten of tekortschietend beleid van [gedaagde] aanmerkt en door ‘vraagtekens’ te plaatsen bij de ingebrachte financiële stukken. Als die stukken de werkelijkheid juist weergeven, moet men zich volgens [eiseres] afvragen waarom twee werknemers desondanks het risico namen de zaak over te nemen (met uitzondering van de eigendom van de winkel die zij van [gedaagde] huren). [gedaagde] maakt voor zichzelf overigens geen melding van de huurinkomsten die de overnemers aan haar betalen. Dat [gedaagde] ‘op een houtje heeft moeten bijten’ (of nog bijt), waagt [eiseres] ‘met een korreltje zout’ te nemen, net als de noodzaak van ontslag waar [gedaagde] in haar visie heel goed op andere posten had kunnen besparen. Ook bij de door [gedaagde] genoemde noodzaak van actuele uitgaven plaatst [eiseres] vraagtekens. Dat [gedaagde] in het voorjaar van 2013 actie ten gunste van [eiseres] zou hebben ondernomen bij andere werkgevers, is haar geheel onbekend gebleven en die ‘actie’ is kennelijk niet voortgezet of heeft in ieder geval geen resultaat opgeleverd.

[gedaagde] heeft in haar verweer ten aanzien van de door [eiseres] aan art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW ontleende grond van kennelijke onredelijkheid impliciet betwist dat sprake was van een voorgewende of valse opzeggingsreden door te verwijzen naar de argumenten die ook aangevoerd zijn in de gevoerde toestemmingsprocedure ten overstaan van het UWV en die bij de beschikking d.d. 25 maart 2013 door het UWV gehonoreerd zijn. [gedaagde] kon niet anders dan kiezen voor snijden in het personeelsbestand omdat andere in het licht van de productiviteitseisen van haar brancheorganisatie getroffen maatregelen tot bezuiniging niet toereikend gebleken waren. Dat de echtelieden [gedaagde] verder wegens gevorderde leeftijd de zaak wensten over te dragen, was al twee jaar bij de werknemers bekend. Het gesprek met de kandidaat-overnemers [naam kandidaat-overnemer 1] en [naam kandidaat-overnemer 2] (ook werknemers van [gedaagde]) liep ten tijde van de UWV-toestemmingsprocedure ten aanzien van [eiseres] en haar collega, maar is pas daarna afgerond toen een aantal financiële hobbels genomen was. [gedaagde] heeft mettertijd veel privémiddelen in de onderneming gestoken en zelfs extra geld geleend (naast de bancaire financiering die zij al had) om de zaak draaiend te houden. Zij tracht dit met bescheiden aan te tonen, ook om duidelijk te maken dat volgens haar nog steeds de middelen ontbreken om [eiseres] tegemoet te komen.

Ook in het licht van het door [eiseres] aangevoerde gevolgencriterium acht [gedaagde] zich niet gehouden [eiseres] financieel tegemoet te komen. Het belang van [gedaagde] bij de opzegging was het voorkomen van faillissement en zij heeft zo veel mogelijk getracht met het belang van de betrekkelijk jonge [eiseres] (aan wie zeker kansen als verkoopster of administratieve kracht toegedacht moeten worden) rekening te houden. Onder meer zijn wel 25 bedrijven als potentiële werkgevers aangeschreven en is [eiseres] attent gemaakt op de website die de Vereniging Bloemist Winkeliers (VBW) aanhoudt. Volgens [gedaagde] betoonde [eiseres] te weinig of geen interesse. Het feit als zodanig dat zij in inkomen achteruit zou gaan, is onvoldoende om tot kennelijke onredelijkheid van de opzegging te concluderen. Bovendien is [gedaagde] niet in de positie om de gevorderde schadevergoeding te voldoen, zodat die minst genomen gematigd zou moeten worden (zo niet op nihil gesteld). [gedaagde] zou daarvoor immers opnieuw geld moeten lenen.

In voortgezet debat heeft [gedaagde] onder meer de nadruk gelegd op de haar toekomende beleidsvrijheid ten aanzien van onderdelen van de bedrijfsvoering en op de betrouwbaarheid van de harerzijds ingebrachte financiële stukken zoals die door een accountant opgesteld zijn. [gedaagde] meent dat [eiseres] spijkers op laag water zoekt waar zij her en der ‘vraagtekens plaatst’. Zij hamerde er bij dupliek opnieuw op dat zij al veel eerder ‘actie’ (maatregelen in de ontslagsfeer / bezuinigen op personeelslasten) had moet nemen om de negatieve trend te keren. Zij acht het opmerkelijk dat [eiseres] zich ziek meldde na het bekend worden van het ontslagvoornemen en zich prompt per 1 juli 2013 (datum einde arbeidsovereenkomst) weer hersteld meldde. [gedaagde] acht het dan ook gerechtvaardigd en terecht dat aan deze ‘ziekte’ niet al te veel aandacht besteed is.

De beoordeling

de ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vordering

Hoewel de thans door [eiseres] aangevochten opzegging van haar arbeidsovereenkomst reeds van 26 maart 2013 dateert en de opzegging tegen 1 juli 2013 gedaan is, en hoewel [gedaagde] eerst bij exploot d.d. 5 juni 2014 op de voet van art. 7:681 BW in rechte aangesproken is, heeft [gedaagde] zich niet beroepen op de in art. 7:683 BW vervatte termijn. Bijgevolg kunnen geen consequenties verbonden worden aan het ontbreken van concrete aanwijzingen dat [eiseres] - na een eenmalige vergeefse poging d.d. 14 augustus 2013 om [gedaagde] tot het doen van een ‘financieel voorstel’ te bewegen - [gedaagde] buiten rechte schriftelijk aangemaand of medegedeeld heeft op de wijze als voorzien in art. 3:317 BW.

[eiseres] moet dus ontvankelijk geacht worden in haar actuele vordering(en).

de gestelde kennelijke onredelijkheid van de opzegging

Het gaat bij de beoordeling van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst op de daarvoor gebruikte grond kennelijk onredelijk te achten is, om de opzegging zelf en de daarbij gehanteerde reden en slechts in afgeleide mate om het oordeel van het UWV over de voorgenomen opzegging in het kader van de toestemmingsprocedure ex art. 6 BBA. De UWV-procedure - meer speciaal de daarin gegeven toestemmingsbeschikking - kan zicht bieden op de zorgvuldigheid waarmee het (identieke) opzeggingsmotief door de bestuurlijke instantie UWV getoetst is. Het belang van de stukkenwisseling ten overstaan van het UWV is slechts in betrekkelijke mate relevant, zij het dat [eiseres] in de actuele procedure bij de kantonrechter in sterke mate herhaalt wat zij destijds zonder veel succes ook tegen het ingediende toestemmingsverzoek aangevoerd heeft. En dan in het bijzonder waar zij haar argumenten relevant acht voor het beroep op art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW dat berust op de stelling van [eiseres] dat de opzegging geschied is onder opgave van een ‘valse voorgewende reden’.

Allereerst maakt [eiseres] hier ten onrechte geen onderscheid tussen ‘vals’ en voorgewend’ waar de wet die twee begrippen bepaald niet als synoniem of in elkaar opgaand aanmerkt. Vals is een gehanteerde reden als deze in werkelijkheid niet blijkt te bestaan (niet aangetoond is), doch van een voorgewende reden is sprake als deze wel reëel is, doch slechts gebruikt wordt om de daaronder verscholen werkelijke reden te verbergen / te verhullen.

Aan de door [eiseres] ingebrachte producties valt te ontlenen dat beide partijen zich voor de toetsingsprocedure ex art. 6 BBA ten overstaan van het UWV van rechtshulp voorzien hadden ([eiseres] in de persoon van haar huidige gemachtigde, terwijl [gedaagde] zich door een andere bij VBW werkzame juriste liet bijstaan), dat omstandig en met stukken onderbouwd tussen 8 januari 2013 en het tijdstip van de beslissing, 25 maart 2013, de aangevoerde bedrijfseconomische noodzaak en de begeleidende maatregelen van een opzegging bediscussieerd zijn en dat het UWV-oordeel pertinent, duidelijk en toereikend gemotiveerd was. Dat voor opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] desondanks - in de visie van [eiseres] - een door de financiële situatie van de onderneming van [gedaagde] ingegeven doorslaggevend bedrijfseconomisch motief ontbrak, is volstrekt in tegenspraak met de feiten die ook [eiseres] voor juist houdt en die het UWV- conform het unanieme advies van de ontslagadviescommissie - tot het aan [gedaagde] als werkgeefster gerichte oordeel brachten:

“Wij vinden het redelijk dat u kostenbesparende maatregelen neemt op het personeel om zodoende de continuering van uw bedrijf te kunnen waarborgen en dat u met de winst van uw onderneming in uw onderhoud kan voorzien. Wij zijn van mening dat u een economische noodzaak tot het vervallen van de arbeidsplaats van werknemer aannemelijk heeft gemaakt. (……)

Werknemer heeft mij niet kunnen overtuigen betreffende haar bezwaren over uw beleid. De wijze waarop u uw onderneming inricht toetsen wij marginaal. We gaan niet ‘op de stoel van de werkgever zitten.’ U bepaalt zelf het beleid en de keuzes die u maakt ten aanzien van uw onderneming. Dit is een beleidsvrijheid waar wij niet in mogen treden.”

Met de kanttekening dat die beleidsvrijheid wel haar grenzen vindt in de eveneens door [gedaagde] in acht te nemen eisen van goed werkgeverschap ex art. 7:611 BW, kan de kantonrechter zich achter deze overwegingen scharen. [eiseres] heeft met haar oppositie tegen de keuzes die [gedaagde] maakte en tegen de cijfers die deze inbracht (ook al waren die op ondergeschikte onderdelen aanvechtbaar of twijfelachtig), niet aangetoond dat iedere redelijke noodzaak tot bezuiniging op personele kosten in het algemeen en tot het doen vervallen van haar functie in het bijzonder, ontbrak of dat de motieven van [gedaagde] om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, op los zand gebaseerd waren. Ook haar redenering dat het werkelijke motief gelegen was in de wens van [gedaagde] de onderneming ‘met minder werknemers’ aan twee andere werknemers ‘van de hand te doen’ (omdat dit de prijs zou opvoeren of de overdracht zou versnellen en vergemakkelijken), laat onverlet dat dit nog steeds een door financiële noodzaak ingegeven bedrijfseconomische reden is en dat deze nevenoverweging in de toepassing bij het UWV uitdrukkelijk aan de orde geweest én van bevoegde zijde gesanctioneerd is. In de woorden van het UWV:

“Het behoort tot uw beleidsvrijheid om uw zaak in de toekomst aan derden over te dragen. Een dergelijke beslissing is een beleidsbeslissing waarin UWV niet kan treden. Ondernemingen mogen uiteraard wel in het licht en zicht van een mogelijke overname reorganiseren en inkrimpen als dat bedrijfseconomisch noodzakelijk is, ongeacht die eventuele overname . Ons is niet gebleken dat de bepalingen van de wet overgang onderneming nu al in deze van toepassing zijn. Werknemer heeft mij met de door haar op dit punt ingebrachte bezwaren niet kunnen overtuigen van haar stelling dat u in werkelijkheid een andere reden voor ogen heeft dan de bedrijfseconomische reden waarvoor u bij ons een ontslagverzoek voor werknemer heeft ingediend.”

Conclusie van het voorgaande is, nu [eiseres] ook op dit aspect niet verder komt dan een vage suggestie van een verborgen motief zonder harde feiten en bewijzen, dat de gehanteerde reden(en) tot opzegging niet het oordeel van vals of voorgewend in de zin van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW rechtvaardigen. Bijgevolg zal bezien moeten worden of de opzegging kennelijk onredelijk geacht kan worden wegens de daaraan voor [eiseres] verbonden en door haar onevenredig geachte gevolgen (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW).

In ieder geval heeft [eiseres] ook niet aangetoond (en zelfs niet aannemelijk gemaakt en vervolgens specifiek nader te bewijzen aangeboden) dat voor haar na het schrappen van de functie in de onderneming een uitwisselbare functie bleef bestaan, zodat om die reden van slecht werkgeverschap sprake had kunnen zijn dat (in de gevolgensfeer) [gedaagde] tot financiële compensatie verplicht zou hebben. Ook dat element was overigens door het UWV - met voor [gedaagde] positief gevolg - in de toetsing betrokken, net als de mogelijkheid van herplaatsing. Wat wel overeind blijft, is het aan het adres van [gedaagde] gemaakte verwijt dat juist daarom niet of onvoldoende rekening gehouden is met de omstandigheden waarin [gedaagde] na een tamelijk eenzijdig georiënteerd dienstverband van 24 jaren (verkoop en lichte administratie in bloemenzaak) op een leeftijd van 42 jaar kwam te verkeren. Zeker nu uit de argumentatie van [gedaagde] zelf af te leiden valt dat de bloemenbranche (detailhandel) bepaald niet florerend is. Daarenboven is in het geheel niet gebleken dat [eiseres] mettertijd op kosten van [gedaagde] enige aanvullende scholing of training in het benutten van arbeidskansen elders genoten heeft. Ook is gesteld noch gebleken dat [eiseres] gericht begeleid is naar ander werk in de periode tussen begin 2013 en juli 2013, terwijl haar afwezigheid wegens ziekte in de laatste maanden mogelijk de verklaring vormt voor het feit dat zij ook geen weet had van ‘stille’ pogingen van [gedaagde] om voor haar een gaatje te zoeken in het werkaanbod dat zich bij collega-ondernemers voordeed. Terecht betoogt [eiseres] wat dit laatste betreft, dat de betekenis daarvan moeilijk in te schatten is doordat zij daar zelf niet bij betrokken was. Ook de betekenis van verwijzing naar een website met mogelijk werkaanbod is veel te beperkt om daarin aanwijzingen te vinden van gerichte (laat staan tevens professionele) hulp bij het vinden van ander werk.

Daar staat dan weer wel tegenover dat [eiseres] in alle opzichten nalaat gegevens te verschaffen over zowel haar feitelijke inkomen na 30 juni 2013 als haar pogingen op eigen kracht (of met steun van het UWV dan wel anderszins) vervangende arbeid te vinden én de resultaten daarvan. Als klap op de vuurpijl is zij zelfs in het geheel niet ingegaan op de tegenwerping van [gedaagde] bij antwoord dat zij niet geïnteresseerd was in werkaanbod op een website voor de bloemenbranche omdat zij (tevens) werk verrichtte in het bedrijf van haar partner die een accountantskantoor drijft. Als dat zo is, waarom maakt [eiseres] daar dan zelf geen melding van? (maar als dat niet zo zou zijn, waarom blijft dan iedere betwisting achterwege?) De puur theoretische berekening van inkomens- en pensioenschade die [eiseres] presenteert aan de hand van de aanbevolen website www.hoelangwerkloos.nl, een maximale WW-duur van 24 maanden en een daarop stoelend inkomenspercentage (niet de werkelijke WW-bedragen), kan in algemene zin sporen met het uitgangspunt dat de omstandigheden en verwachtingen ten tijde van de opzegging bepalend zijn voor zowel het k.o.-oordeel als de schadebepaling. Maar zeker in een zaak die in zo ‘belegen’ vorm aan de rechter voorgelegd is als deze, had van [eiseres] verwacht én verlangd mogen worden dat zij ter illustratie van de mogelijke juistheid van die verwachtingen ten tijde van opzegging de werkelijke situatie tussen 1 juli 2013 en op zijn minst einde 2014 geschetst én met bewijs gedocumenteerd had. Net zoals zij van [gedaagde] verlangde dat deze in het kader van de belangenafweging de eigen financiële situatie met stukken staafde en op detailniveau (uitgaven voor ‘dure patisserie’, ‘nieuwe auto’ en ‘wekelijks naar de kapper gaan’) toelichtte.

Omdat aldus niet heeft kunnen blijken van werkelijk nijpende omstandigheden waarin [eiseres] per 1 juli 2013 is komen te verkeren, en omdat zij ook niet per definitie tot de categorie niet of minder kansrijke werkzoekenden gerekend kan worden, kan voor wat de toepassing van het gevolgencriterium betreft, hoogstens geconstateerd worden dat [gedaagde] als goed werkgeefster tekortschoot door iedere vorm van gerichte begeleiding van [eiseres] naar andere arbeid in de laatste maanden van het dienstverband achterwege te laten. Zeker nu in de voorafgaande periode ook niet aanwijsbaar in de employability van de werkneemster geïnvesteerd was. Dat maakt de opzegging kennelijk onredelijk en [gedaagde] schadeplichtig. De weinig doorzichtige financiële gegevens die [gedaagde] inbracht om haar financiële onvermogen tot het aanbieden van ook maar enige betaling te illustreren, overtuigen de kantonrechter er niet van dat toekenning van een (beperkte) schadevergoeding de ondergang van de beide privépersonen / ex-ondernemers teweeg zou brengen. Die ondoorzichtigheid heeft er met name mee van doen dat ondernemingsgegevens en privébaten / privéverplichtingen door elkaar lopen en dat daardoor van de financiële situatie van de echtelieden [gedaagde] noch van die van hun onderneming in liquidatie een compleet en controleerbaar beeld te verkrijgen valt. Bijgevolg bleef ook het debat van partijen beperkt tot het kissebissen over zaken als leningen, huurinkomsten, aflossing van hypothecaire leningen, privéoverdrachten en investeringen in een keuken, zonder dat ooit of in enig overzicht alle inkomsten, uitgaven en vermogensbestanddelen en/of schulden helder in kaart gebracht zijn. Er moet bij al die onduidelijkheid daarom van uitgegaan worden dat de echtelieden [gedaagde] in staat zullen blijken te zijn de hierna te bepalen schadevergoeding aan [eiseres] te voldoen zonder dat dit hen tot de bedelstaf brengt of van hen onoverkomelijke offers vergt.

In het licht van het voorgaande komt het de kantonrechter passend voor aan [eiseres] een schadevergoeding ten bedrage van € 3 500,00 toe te kennen, welk bedrag gelijk te stellen is met de redelijk te achten kosten van een professionele training / aanvullende scholing dan wel een vorm van outplacementbegeleiding die haar kan of had kunnen helpen bij de overgang van een min of meer ingesleten arbeidspatroon in de bloemisterij naar een nieuwe werkomgeving van mogelijk geheel andere aard, maar waarvoor haar competenties en ervaring toereikend waren (althans met hulp van die scholing of begeleiding geschikt te maken waren). Aldus zal de kantonrechter de voor vergoeding in aanmerking komende som (wegens schade tot een maximum van € 3 500,00) ter keuze van [eiseres] als brutobedrag toekennen (en dus als een vorm van bijzonder loon) dan wel als kostenbedrag met inbegrip van btw bij daadwerkelijke besteding op declaratiebasis.

De gevorderde wettelijke rente is over dit (lager dan gevorderd uitgevallen) bedrag toewijsbaar vanaf de in het petitum aangehouden dagvaardingsdatum.

Voor toewijzing van enig bedrag aan vergoeding van incassokosten ontbreekt een solide grondslag, waar [eiseres] (haar gemachtigde) ten enenmale naliet daaromtrent meer concreets (toetsbaar) naar voren te brengen dan de verzending van één enkele brief, die aangemerkt moet worden als een nogal ver in het verleden liggende vorm van procesvoorbereiding. De slechts zeer gedeeltelijke toewijzing van de vordering rechtvaardigt tot slot een algehele compensatie van de proceskosten, zodat partijen de eigen kosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

De echtelieden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden hoofdelijk - en wel aldus dat betaling door de een, de ander tot de hoogte van een dergelijke betaling zal kwijten - veroordeeld om aan [eiseres] als vergoeding van schade wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst € 3 500,00 bruto dan wel inclusief btw (al naar gelang een door [eiseres] aan hen kenbaar te maken keuze van de wijze van besteding) te voldoen, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2014 tot de datum van algehele voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten voor haar rekening dient te nemen.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS