Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3589

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
28-04-2015
Zaaknummer
03/659367-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling ontvankelijkheid in verband met artikel 27 van het Kaderbesluit van de Raad van Europa van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (het specialiteitsbeginsel). Vrijspraak van het tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/659367-13

Datum uitspraak : 28 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres], [woonplaats 1].

Raadsman is mr. F.P. Slewe, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2015. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman. Als gemachtigde van de benadeelde partij, [slachtoffer], heeft de rechtbank gehoord mr. A.J.F. van Dok, advocaat, kantoorhoudende te Venray. Het onderzoek heeft plaatsgehad met bijstand van een tolk Roemeens.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

primair

hij op of omstreeks 29 januari 2012 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lag - meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 29 januari 2012 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] opzettelijk - terwijl deze op de grond lag - meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen en/of te slaan;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 29 januari 2012 te Horst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Dr. Van de Meerendonkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen en/of slaan tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer].

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat:

  • -

    de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen.

3.2

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de aan verdachte meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Zij onderbouwt dit als volgt. De officier van justitie heeft in het door haar ingevulde standaard Europese arrestatiebevel van 20 augustus 2013 (met uniek kenmerk OVL-U-2013042350) onder e sub I aangekruist dat hetgeen zij daarvoor over het feit heeft aangevoerd, betrekking heeft op “Moord en doodslag, zware mishandeling”. De (in het Engels vertaalde) beslissing van het hof van Constanta van 12 september 2013 (met rolnummer 789/36/2013) beveelt de uitvoering van dit Europese arrestatiebevel. In deze uitspraak heeft het hof overwogen (op blad 3) dat de in de artikelen 287, 302 en 300 Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedragingen ook in Roemenië strafbaar zijn. De raadsman voert aan dat het Hof artikel 141 Wetboek van Strafrecht niet in de beoordeling betrokken heeft, omdat in het Europese arrestatiebevel is verzuimd om onder e sub II (met als opschrift: “Volledige omschrijving van het strafbare feit (…) die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen”) openlijke geweldpleging en artikel 141 Wetboek van Strafrecht op te nemen. Daardoor stond het, zo begrijpt de rechtbank, de officier van justitie niet vrij om dat feit toch (meer subsidiair) ten laste te leggen; dit levert namelijk strijd op met het in artikel 27 van het Kaderbesluit van de Raad van Europa van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten neergelegde specialiteitsbeginsel.

De officier van justitie is het oneens met de verdediging en wijst erop dat in het arrestatiebevel onder a tot en met e het materiële feit is beschreven waarvoor de overlevering is bevolen en daarbij artikel 141 Wetboek van Strafrecht niet alleen als mogelijk toepasselijke wetsbepaling is genoemd, maar de inhoud daarvan ook integraal in het bevel is opgenomen. Zij betwist derhalve dat de beslissing van het Hof van Constanta geen betrekking heeft op de in artikel 141 Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het zogenaamde specialiteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 27 van genoemd Kaderbesluit houdt in (samengevat: zie lid 2 van genoemd artikel) dat een overgeleverd persoon niet vervolgd of berecht mag worden wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welke de reden tot overlevering is geweest. De vraag is nu of de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wel of geen onderdeel uitmaakt van het strafbare feit waarvoor de overlevering is toegestaan. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van hoe strikt het feitbegrip in het Kaderbesluit moet worden uitgelegd. Is het materiële handelen dat op meerdere manieren kan worden gekwalificeerd, als één feit te beschouwen, of zijn de verschillend mogelijke kwalificaties elk afzonderlijk als feit aan te merken? De rechtbank is van oordeel dat uit moet worden gegaan van de ruime feit-opvatting: de openlijke geweldpleging is (de alternatieve kwalificatie van) hetzelfde feit als de zware mishandeling of de poging doodslag. Deze uitleg sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad (en met name de advocaat-generaal) in zijn uitspraak van 27 november 2007 heeft overwogen (ECLI:NL:HR:2007:BB3994: de vraag was of overlevering voor doodslag vervolging voor moord valideerde) en is in overeenstemming met de aan het Kaderbesluit verbonden wens om overlevering in beginsel mogelijk te maken (vertrouwensbeginsel) en alleen op hoofdpunten te toetsen (opgenomen in de artikelen 3 en 4 van het Kaderbesluit). Deze uitleg heeft tot gevolg dat het specialiteitsbeginsel op deze situatie niet van toepassing is.

Het aankruisen van een van de vakjes in het arrestatiebevel onder e sub I dient ervoor om aan de beoordelingsinstantie duidelijk te maken dat in de achter die kruisjes genoemde delicten niet getoetst worden aan de dubbele strafbaarheid (zowel in het land dat het arrestatiebevel uitvaardigt als het land dat het honoreert, zie artikel 2 Kaderbesluit). Bij overige delicten (op te nemen onder e sub II van het model Europees arrestatiebevel) worden andere delicten opgenomen waarvan het het gerecht dat over de uitvoering van het arrestatiebevel oordeelt, vrijstaat om die dubbele strafbaarheid wel te beoordelen. Het gevolg van het in de vorige alinea besproken feitbegrip is dat onder e sub I en II volstaan kan worden met vermelding van het delict / de delictgroep waarvoor in de fase van verdenking een redelijk vermoeden van schuld bestaat (zonder dat dus de alternatieve kwalificaties ook allemaal afzonderlijk moeten worden opgenomen). Voor zover daar anders over gedacht kan worden, merkt de rechtbank op dat in het arrestatiebevel het feitensubstraat zorgvuldig is beschreven met vermelding van (mede) de kwalificaties openlijke geweldpleging en (eenvoudige) mishandeling en dat de betreffende artikelen (141 en 300) vervolgens ook integraal in het arrestatiebevel zijn uitgeschreven, zodat, zelfs als deze alternatieve kwalificaties onder e sub II hadden moeten worden opgenomen, aangenomen mag worden dat het Hof van Constanta daarvan op de hoogte was. Nu het Hof de tenuitvoerlegging van het arrestatiebevel dat aan haar beoordeling voorlag, zonder voorbehoud heeft bevolen, staat het aan de rechtbank niet vrij om die beslissing op juistheid te beoordelen (zie ook hierover het hierboven vermelde arrest van de Hoge Raad) en moet aangenomen worden dat de goedkeuring van het Hof op het gehele arrestatiebevel betrekking heeft, ook waar dit de openlijke geweldpleging als grondslag gebruikt.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging en dat het verweer van de verdediging daartegen geen doel treft.

3.3

De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Inleiding

In de avond van 28 januari 2012 is aangever [slachtoffer] met zijn vrouw in café [naam café] te Horst. Even na middernacht, op 29 januari 2012, verlaten beiden gezamenlijk het café. Even verderop, op een parkeerplaats, loopt [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel op: een brilhematoom en een zogenoemd battle sign achter het rechteroor, hetgeen wijst op een schedelbasisfractuur, alsmede meerdere fracturen in het aangezicht. Voorts werd in het brein van [slachtoffer] een overmatige hoeveelheid lucht aangetroffen.

Aangever heeft verklaard dat twee mannen achter hem aan renden, waarvan één man hem bij de kraag greep en hem op de grond gooide. Beide mannen zouden geweld tegen hem hebben gebruikt. Aangevers vrouw, [naam vrouw slachtoffer], heeft verklaard dat aangever door twee mannen werd aangevallen. Deze mannen trapten op aangever in; zij trapten met flinke kracht op zijn gezicht.

Daarnaast zijn diverse andere personen, allen min of meer bekenden van de verdachte, gehoord.

Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd: (primair) medeplegen van poging tot doodslag, (subsidiair) medeplegen van zware mishandeling en (meer subsidiair) openlijke geweldpleging.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde, het medeplegen van poging tot doodslag, bewezen. De verdachte zou, in ieder geval samen met [medeverdachte], het slachtoffer hebben geschopt en geslagen met ernstig letsel tot gevolg. De verdachte zou willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer door hun handelen zou komen te overlijden.

De officier van justitie heeft haar oordeel gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van zijn vrouw [naam vrouw slachtoffer], op de verklaringen van [medeverdachte], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], alsmede op de medische informatie met betrekking tot het letsel van de aangever.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, alsmede de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor datzelfde bedrag.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.

In de eerste plaats heeft de verdediging aangevoerd dat uit de verschillende getuigenverklaringen, in onderling verband bezien, niet kan volgen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage zou hebben geleverd aan de feitelijke uitvoeringshandelingen van het primair dan wel het subsidiair tenlastegelegde.

In de tweede plaats heeft de verdediging naar voren gebracht dat de geweldshandelingen al waren beëindigd op het moment dat de verdachte bij de schermutselingen arriveerde. Dit houdt in dat er onvoldoende bewijs is voor het meer subsidiair tenlastegelegde, aldus de verdediging.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Inleiding

In deze zaak gaat het om een vechtpartij waarbij verschillende personen zijn betrokken. In dit soort zaken is het niet altijd eenvoudig - en soms zelfs onmogelijk - om (bij benadering) te kunnen vaststellen wat er is gebeurd. De reden hiervoor is dat de verklaringen van diverse getuigen vaak niet gelijkluidend zijn. Dit is ook niet goed mogelijk, nu ieders waarneming afhankelijk is van diverse factoren zoals de afstand tussen de getuige en hetgeen hij heeft waargenomen, het aanwezige licht en de tijdsduur van de waarneming. Daarnaast kan de consumptie van alcohol de waarneming vervormen. Bovendien is de inhoud van de verklaring van de getuige afhankelijk van zijn geheugen. Een en ander betekent niet dat verklaringen, die niet gelijkluidend zijn aan andere verklaringen, voor het bewijs steeds terzijde (moeten) worden geschoven. Of dergelijke verklaringen voor het bewijs gebruikt kunnen worden is bijvoorbeeld afhankelijk van de aard van de verschillen. Ook is van belang in hoeverre er een aanvaardbare verklaring voor de verschillen bestaat.

Ook in deze zaak lopen de verklaringen uiteen. Hieronder zal de rechtbank ingaan op de inhoud van de verschillende verklaringen, waarna zij de vraag zal beantwoorden of er voldoende bewijs is voor het primair, het subsidiair of het meer subsidiair tenlastegelegde.

4.4.2

De verklaringen

De verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [naam vrouw slachtoffer]

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat de twee mannen, die zijn afgebeeld op de foto op pagina 50 van het proces-verbaal van politie, de mannen zijn die hem hebben mishandeld. Dit heeft hij later nog eens bevestigd.

Ook getuige [naam vrouw slachtoffer] heeft bevestigd dat deze twee mannen aangever hebben mishandeld door op hem in te trappen. Zij heeft verklaard dat zij 100 procent zeker is dat het deze mannen waren. Zelf zou zij nog zijn geslagen door een derde man, een man met hele lange bakkebaarden.

Uit onderzoek is gebleken dat de twee mannen op de foto op pagina 50 van het proces-verbaal van politie [medeverdachte] en [getuige 1] zijn. Dit zou betekenen dat de verdachte niet een van degenen is geweest die aangever [slachtoffer] heeft getrapt. Het zou dan nog mogelijk zijn dat verdachte de man is geweest die [naam vrouw slachtoffer] heeft geslagen. [naam vrouw slachtoffer] heeft immers verklaard dat zij is geslagen door de man die haar in café [naam café] heeft lastiggevallen en vervolgens door [slachtoffer] is weggeduwd. En de verdachte heeft verklaard dat hij in café [naam café] twee meisjes aansprak, waarop hij van een man een klap kreeg op zijn gezicht, waarbij hij een bloedneus opliep. Aangever [slachtoffer] heeft echter verklaard dat hij die avond een paar jongens heeft weggeduwd, omdat zij zijn vrouw lastigvielen. Volgens de aangever zijn er dus meer mannen geweest met wie hij in [naam café] onenigheid heeft gehad.

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en [naam vrouw slachtoffer] kan dan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld of getuige [naam vrouw slachtoffer] heeft geslagen. Dit laatste is overigens niet ten laste gelegd.

De verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [medeverdachte] en de verdachte

[getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte samen met [medeverdachte] en [getuige 3] achter de aangever is aangerend in de richting van de parkeerplaats. Toen [getuige 1] op de parkeerplaats aankwam zag hij dat [getuige 3] bovenop een man zat en hem meermalen sloeg. Daarnaast zag hij dat [medeverdachte] en de verdachte even verderop met een andere jongen aan het vechten waren. Die andere jongen lag overigens niet op de grond.

[getuige 2] heeft aanvankelijk verklaard dat de verdachte samen met [medeverdachte] in de richting van de parkeerplaats rende. Daar aangekomen zag hij dat de verdachte op een andere persoon zat, terwijl [medeverdachte] op een afstand van ongeveer een meter stond. Later heeft deze getuige verklaard dat hij niet weet of het [medeverdachte] was of [getuige 1] die met de verdachte rende in de richting van de parkeerplaats. Bovendien heeft hij toen verklaard dat de verdachte niet op het slachtoffer zat, maar dat hij naast het, op de grond liggende, slachtoffer stond.

[getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] en de verdachte in de richting van het parkeerterrein achter het slachtoffer aan renden en dat ook hij naar het parkeerterrein ging. Daar aangekomen rende het slachtoffer op [getuige 3] af, waarop [getuige 3] hem duwde. De man viel, waarna [medeverdachte] hem meermalen schopte. [getuige 3] duwde de man telkens, opdat deze niet kon opstaan.

[medeverdachte] heeft aanvankelijk verklaard dat de verdachte de aangever op de grond gooide en hem vervolgens een keer tegen de onderrug en een keer tegen zijn benen schopte. Later heeft hij verklaard dat de verdachte en het slachtoffer probeerden elkaar op de grond te gooien. Na afloop van het gevecht stond het slachtoffer nog, aldus [medeverdachte].

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] en [getuige 3] achter het slachtoffer aanrenden en dat [medeverdachte] het slachtoffer neerhaalde, waardoor deze over een struik viel.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen zodanig uiteenlopen, dat zij op grond hiervan niet kan vaststellen wat de verdachte heeft gedaan. Hierbij overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] - de enige persoon die heeft verklaard dat hij de verdachte heeft zien schoppen - onbetrouwbaar acht, nu hij in diezelfde verklaring zijn eigen aandeel in het geheel volledig ontkent, terwijl diverse personen hebben verklaard over zijn strafbare aandeel.

4.4.3

Conclusie

Nu de rechtbank de rol van de verdachte niet kan vaststellen, zal zij hem vrijspreken van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde.

5 De benadeelde partij

5.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 6.556,28, te vermeerderen met de wettelijke rente, terzake van het tenlastegelegde.

5.2

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering is de benadeelde partij in haar vordering alleen ontvankelijk indien aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Nu de verdachte van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde;

Benadeelde partij

ten aanzien van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde

  • -

    verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats 2], niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. J.H.M. Engels en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 april 2015.