Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV3785

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
116875 - KG ZA 11-377
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Goede naam veilinghuis geschaad door onzorgvuldige uitlatingen. Toewijzing vordering tot rectificatie om schending goede naam veilinghuis recht te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 116875 / KG ZA 11-377

Vonnis in kort geding van 15 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEILINGHUIS ALD FRYSLÂN B.V.,

gevestigd te IJlst,

eiseres,

advocaten: mrs. G.J.P.M. Grijmans en M.W.J.M. van der Meer te Bolsward,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaten: mrs. B. Korvemaker en J.A. Abma te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Ald Fryslân en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Ald Fryslân heeft [gedaagde] in kort geding doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 30 januari 2012.

1.2. Ald Fryslân heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden - en na wijziging van eis - gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. a) primair: [gedaagde] verbiedt zich (nog langer) grievend uit te laten over Ald Fryslân, haar handelwijze en haar medewerkers, zolang niet onomstotelijk - door deskundigen - is vastgesteld dat Ald Fryslân valse (kunst)werken/objecten (ter verkoop/ter veiling) heeft aangeboden dan wel aanbiedt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen, per keer dat [gedaagde] zich niet aan dit verbod houdt;

b) subsidiair: [gedaagde] verbiedt zich (nog langer) grievend uit te laten over Ald Fryslân, haar handelwijze en haar medewerkers, ter zake het al dan niet bewust/moedwillig verkopen/ter veiling aanbieden/aangeboden hebben van valse/onechte/niet originele werken/objecten, zolang niet onomstotelijk - door deskundigen - is vastgesteld dat Ald Fryslân valse (kunst)werken/objecten (ter verkoop/ter veiling) heeft aangeboden dan wel aanbiedt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen, per keer dat [gedaagde] zich niet aan dit verbod houdt;

c) meer subsidiair: [gedaagde] verbiedt zich (nog langer) grievend uit te laten over Ald Fryslân, haar handelwijze en haar medewerkers, ter zake het op 17 oktober 2011 ter veiling aanbieden/aangeboden hebben van valse/onechte/niet originele werken/objecten, zolang niet onomstotelijk - door deskundigen - is vastgesteld dat Ald Fryslân valse (kunst)werken/objecten (ter verkoop/ter veiling) heeft aangeboden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen, per keer dat [gedaagde] zich niet aan dit verbod houdt;

d) nog meer subsidiair: [gedaagde] verbiedt zich (nog langer) grievend uit te laten over Ald Fryslân, haar handelwijze en haar medewerkers, ter zake het op 17 oktober 2011 ter veiling aanbieden/aangeboden hebben van valse/onechte/niet originele werken/objecten van de hand van [X], zolang niet onomstotelijk - door deskundigen - is vastgesteld dat Ald Fryslân valse (kunst)werken/objecten (ter verkoop/ter veiling) heeft aangeboden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen, per keer dat [gedaagde] zich niet aan dit verbod houdt;

II. [gedaagde] beveelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de gedane uitspraken te rectificeren, door middel van het - duidelijk leesbaar - plaatsen van onderstaand bericht, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen rectificatie in:

- NRC Weekend

- de Leeuwarder Courant

- De Telegraaf

en op de website van:

- Omrop Fryslân

- NRC Weekend

- de Leeuwarder Courant

- De Telegraaf

en wel op een zelfde (prominente) wijze/plaats als de gewraakte uitlatingen zijn gedaan, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen wijze, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, per dag of dagdeel dat [gedaagde] daaraan niet of niet volledig voldoet;

Het bericht:

"Bij vonnis van … zijn de uitspraken van mij, [gedaagde], waarmee ik Veilinghuis Ald Fryslân B.V. beticht van het aanbieden en verkopen van valse (kopieën van) kunstwerken van de hand van wijlen mijn vader [X], door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden als zijnde onrechtmatig beoordeeld en ben ik, [gedaagde], veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

De insinuaties van mij, [gedaagde], aan het adres van Veilinghuis Ald Fryslân B.V. zijn feitelijk onjuist, onzorgvuldig, onnodig grievend, misleidend en bovendien schadelijk voor de eer, goede naam en de professionele reputatie van Veilinghuis Ald Fryslân B.V. en haar medewerkers. Hiermee is Veilinghuis Ald Fryslân B.V. ernstig tekort gedaan en geheel ten onrechte in verband gebracht met onbehoorlijke praktijken.

[gedaagde]."

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

1.3. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de zitting een conclusie van antwoord ingediend.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij de advocaten van Ald

Fryslân gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. Voorts zijn ter zitting opnames van een

tv-interview en een radio-interview met [gedaagde], afgenomen door Omrop Fryslân, door

Ald Fryslân getoond althans ten gehore gebracht en is een aantal schilderwerken

- waaronder de aquarel [naam] - ter zitting getoond.

1.4. Partijen hebben producties overgelegd.

1.5. Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In dit kort geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. Ald Fryslân exploiteert een veilinghuis te IJlst. Zij richt zich op het taxeren en veilen van roerende zaken zoals kunst, antiek, curiosa, sieraden en zilver.

2.2. [gedaagde] is de zoon van wijlen [X], een bekende Friese kunstschilder.

2.3. Op 17 oktober 2011 heeft bij Ald Fryslân een veiling plaatsgevonden van een aantal werken van [X]. In dat kader zijn twee pentekeningen en drie aquarellen ter veiling ingebracht. Uiteindelijk zijn er vier werken geveild: drie pentekeningen en de aquarel [naam].

2.4. [gedaagde] heeft zich in diverse regionale en landelijke media uitgelaten over onder meer de veiling van werken van zijn vader bij Ald Fryslân van 17 oktober 2011.

2.4.1. In een radiointerview met Omrop Fryslân van 28/29 oktober 2011 heeft [gedaagde] onder meer verklaard:

"Nou ja ik heb een sterk vermoeden en ik weet het bijna wel 100% zeker. Hoe komt u daar zo bij? Nou ja dat bouwt zich op en dan op een gegeven moment valt de puzzel dan ook in elkaar.

Een week of wat terug werd er in Ald Fryslân in IJlst een viertal geveild één daarvan die leek sprekend op een aquarel die ik had. Identiek nou ja denk ik dat is toevallig maar ja vroeger maakte hij wel twee dezelfde. Vroeger! Ik denk 't zou kunnen toe maar het is wel apart maar ja het zou kunnen.

(…)

Die tekening Ald Fryslân die is voor 12.800 euro verkocht aan Zwitsers, d'r werden nog drie verkocht hè die zijn misschien ook wel nagemaakt. ik bedoel die veilinghuizen die hangen ook alles maar wat op, ik bedoel iedereen kan wel met een dingetje aankomen met [X] oh wat geweldig en dan hebben ze wat publiciteit, dan hangen ze dat ding op, dan verkopen ze, verdienen ze er leuk aan maar ze zullen niet even chequen of het wel een echte één is. Ze doen maar wat!

(…)

U hebt hier op tafel liggen een aquarel van een kerktoren met wat takjes en boerderijen denk ik. Dat is [plaatsnaam]. Ja dat is [plaatsnaam]. Dit is op zeker de echte hé, die u hier heeft. Ja deze heb ik een jaar of 14, die heb ik bij Christie's gekocht in Amsterdam toen nog heb ik mijn vader laten zien toen leefde hij nog. Hij zei: Oh wat geweldig wat leuk dat die er is, wat mooi, nou ja zo.

De advertentie van het veilinghuis ligt er boven op. Daar staat ook een klein plaatje op van het schilderij, het lijkt er wel verdacht veel op. Identiek hè, we hebben er allemaal met verbazing naar gekeken met een heleboel. Er staat één klein popje op. Ik vind het wel heel kunstig nagemaakt, moet ik zeggen. Ja. Het moet nu gewoon gebeurd wezen, dat iedereen dat zomaar namaakt straffeloos enne. En er is helemaal geen controle, niemand doet er meer een zak aan. (…)"

2.4.2. [gedaagde] heeft een interview gegeven aan NRC Handelsblad (NRC Weekend). In het naar aanleiding daarvan gepubliceerde artikel wordt onder meer vermeld:

Zoon [X] signaleert 'vervalsing'

Onduidelijkheid over de echtheid van enkele werken van schilder [X] hebben in Friesland geleid tot commotie en familieruzie.

(…)

LEEUWARDEN. Zijn vier verkochte en drie ter veiling aangeboden werken van de kunstschilder/lompenhandelaar [X] (1922-2000) echt of vals? Volgens twee veilinghuizen zijn de schilderijen authentiek. Maar [X]'s zoon [gedaagde] twijfelt. Van een werk dat wordt aangeboden door veilinghuis AAG weet hij zeker dat zijn vader het niet heeft gemaakt. "De aquarel van dat bruggetje bij Gaast hangt bij een familie in Harlingen. En mijn vader maakte nooit twee identieke werken.

(…)

Een van de werken die bij Ald Fryslân werden geveild is [naam]. [gedaagde] is ervan overtuigd dat dit ook een vervalsing is. "Het origineel hangt bij mij aan de muur." [Y] bestrijdt dat het geveilde werk vals is. "[X] verkocht deze aquarel in de oorlogsjaren aan een buurvrouw, die in de jaren vijftig naar Amsterdam verhuisde. In die tijd reisde [X] naar Amsterdam om zijn 'kindjes' terug te kopen. De vrouw wilde ze niet kwijt, maar leende de bewuste aquarel wel aan [X] uit, zodat hij er een duplicaat van kon maken. Na haar dood bracht haar zoon het ter veiling in." [gedaagde] bestrijdt dat zijn vader ooit naar Amsterdam is gereisd.

(…)

Maar [gedaagde] vindt het verdacht dat er in korte tijd bij twee veilinghuizen 'duplicaten' worden aangeboden van zijn vaders aquarellen. "De veilinghuizen zeggen dat ik de handel kapot maak met mijn uitlatingen. Dat zou mijn vader alleen maar mooi hebben gevonden. Hij was tegen hebzucht."

2.4.3. [gedaagde] heeft voorts een interview gegeven aan De Telegraaf. In het naar aanleiding daarvan gepubliceerde artikel wordt onder meer vermeld:

Soap rond vals werk [X]

(…)

HERBAIJUM, donderdag

De recherche van de politie Fryslân onderzoekt de herkomst van vervalste tekeningen van de Friese volkskunstenaar [X]. Zoon [gedaagde] vermoedt dat een armlastig familielid achter de vervalsingen zit.

In een maand tijd zijn vier vervalsingen van de kunstzinnige Friese voddenboer en oudijzerman aangeboden, waarvan de originelen in bezit zijn van particulieren en een museum. Zoon [gedaagde] heeft aangifte gedaan.

Drie vervalsingen doken maandag op bij een veiling van het Amsterdamse veilinghuis Amsterdam Auctioneers Glerum.

(…)

'Aangeboden werk zonder twijfel vals'

Van een onzer verslaggevers

HERBAIJUM, donderdag

[gedaagde] wist direct dat de tekeningen van zijn vader, die maandag zouden worden geveild, vals moesten zijn. (…)

Ook een Fries veilinghuis verkocht recent een vervalsing, zegt zoon [gedaagde]. "Dat veilinghuis verkocht vier tekeningen, waarvan er ééntje ook in mijn bezit is. Ik kocht dat doek voor twaalfduizend gulden via veilinghuis Christie's. Dezelfde tekening is nu verkocht door dat Friese veilinghuis aan een Zwitser voor bijna dertienduizend euro. Het Friese veilinghuis komt met een verklaring dat [X] het origineel ooit had verkocht in de oorlog, om het daarna na te schilderen. "Onnozele fantasieën", zegt [gedaagde]. (…)"

2.4.4. Ten slotte heeft [gedaagde] een interview gegeven aan de Leeuwarder Courant. In het naar aanleiding daarvan gepubliceerde artikel wordt onder meer vermeld:

Vervalsingen van [X] in omloop

(…)

HERBAYUM - [gedaagde] heeft dinsdag aangifte gedaan van het in omloop brengen van vervalsingen van het werk van zijn vader, [X].

(…)

Zijn vermoeden dat er vervalsingen van het werk van zijn vader in omloop zijn, is ontstaan door een opeenstapeling van gebeurtenissen. De eerste was halverwege vorig jaar toen veilinghuis Ald Fryslân in IJlst een aquarel met een dorpsgezicht van [plaatsnaam] aanbood. [gedaagde]: "Toen ik het zag, dacht ik: toevallig, die heb ik thuis ook. Ik heb de foto bij de advertentie van het veilinghuis goed bekeken. Op wat extra blad aan een boom en een poppetje na waren ze identiek. Het was nog geen reden voor argwaan. [X] senior had altijd een kist met schetsen in de kamer staan, als hij op zoek was naar een onderwerp pakte hij er wel eens een uit ter inspiratie. [gedaagde]: "Maar hij maakte nooit een kopie. Een zwart-wit schets werd kleur bijvoorbeeld, hij maakte er altijd iets nieuws van."

(…)

Veilinghuis Ald Fryslân blijft er in tussen bij dat het dorpsgezicht van [plaatsnaam] wel degelijk door [X] is geschilderd. Hij zou het in de oorlog gemaakt hebben. De vrouw die het kocht is in de jaren vijftig naar Amsterdam verhuisd. Jaren later zou [X] naar Amsterdam zijn gereisd om zijn 'kindjes' terug te vragen. De vrouw wilde het niet kwijt, wel gaf zij de schilder toestemming om een duplicaat te maken. Veilingmeester [Y] van Ald Fryslân gaat ervan uit dat de aquarel die [gedaagde] thuis heeft dat duplicaat is.

[gedaagde] zelf zegt weinig geloof aan dat verhaal te hechten, al durft hij niet met zekerheid te zeggen dat de verkochte aquarel een vervalsing is. Wat hij wel weet is dat het verhaal over Amsterdam niet klopt. "Ik heb navraag bij mijn moeder gedaan. Die beweert - ze weet het zeker - dat hij nooit naar Amsterdam is geweest om een schilderij op te halen en na te schilderen. Hij heeft nog nooit een duplicaat gemaakt."

"Ald Fryslân ontkent natuurlijk dat het een vervalsing kan zijn, anders moeten ze het geld terugbetalen aan de koper. Mij hoeven ze niet te vertellen wie het heeft ingebracht, aan de politie wel. We zullen zien."

3. De standpunten van partijen

3.1. Ald Fryslân legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door zich in de - bovengenoemde - media uit te laten over het veilen van valse werken van [X] door Ald Fryslân en het doen van onvoldoende onderzoek naar de authenticiteit van geveild werk. Van het veilen van vervalsingen is geen sprake geweest, aldus Ald Fryslân. Ald Fryslân heeft de betreffende kunstwerken van tevoren laten onderzoeken door een deskundige, die heeft aangegeven dat het echte werken van [X] betreft. Voor het geval het een (echt) duplicaat betrof van eerder werk van [X], is dat deugdelijk gecommuniceerd. [gedaagde] heeft geen enkel bewijs geleverd dat er sprake is van vervalsingen. Zijn uitlatingen worden derhalve niet geschraagd door enig feitenmateriaal. Door zijn ongefundeerde uitlatingen heeft [gedaagde] de goede reputatie van Ald Fryslân geschaad. De uitlatingen zijn een smet op het blazoen van Ald Fryslân, hetgeen [gedaagde] zich moest realiseren toen hij de uitlatingen deed. Voor een veilinghuis is behoud van haar goede reputatie van essentieel belang. Een veilinghuis is immers afhankelijk van de inbreng en aankoop van zaken door derden. [gedaagde] was zich volgens Ald Fryslân terdege bewust van het ongefundeerde karakter van zijn uitlatingen over Ald Fryslân. Uit het interview in NRC Weekend blijkt dat [gedaagde] in zekere zin trots is op zijn handelwijze. Hij heeft zijn uitlatingen moedwillig gedaan. Indien [gedaagde] verdenkingen had over vervalsingen, had hij zich (eerst) tot Ald Fryslân moeten wenden, alvorens de media te zoeken. De bijzondere positie van [gedaagde] - hij is de zoon van [X], waardoor derden meer gezag aan zijn uitlatingen zullen toekennen dan wanneer de uitlatingen door een willekeurige ander zouden zijn gedaan, had reden te meer moeten zijn om de uitlatingen achterwege te laten. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen is erin gelegen dat Ald Fryslân haar naam op de kortst mogelijke termijn

- medio februari 2012 zal zij weer werken van [X] gaan veilen - gezuiverd wenst te zien, door middel van een rectificatie en het aanbieden van excuses door [gedaagde] en het opleggen van een verbod aan [gedaagde] met betrekking tot het doen van soortgelijke uitlatingen in de toekomst.

3.2. [gedaagde] betwist dat hij met het doen van zijn uitlatingen in de diverse media onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ald Fryslân. De daarop gebaseerde vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar. In dat verband voert [gedaagde] - samengevat - het navolgende aan. Het staat [gedaagde] vrij om zich in het openbaar kritisch uit te laten over veilinghuizen in het algemeen en twijfels te uiten over de authenticiteit van door veilinghuizen - zoals Ald Fryslân - ter veiling te verkopen/verkochte kunstwerken. De opmerkingen van [gedaagde] over veilinghuizen hebben betrekking op misstanden, die [gedaagde] aan de orde heeft willen stellen, aangezien veilinghuizen naar zijn mening in het algemeen niet zorgvuldig genoeg zijn bij het controleren van aangeboden kunstwerken. Het uiten van vermoedens omtrent vervalsingen is niet onrechtmatig. De uitlatingen van [gedaagde] hadden ook niet specifiek betrekking op Ald Fryslân. Ook heeft [gedaagde] Ald Fryslân niet beschuldigd van strafbare feiten of (moedwillig) onrechtmatig handelen. [gedaagde] heeft niet gezegd dat hij ervan overtuigd is dat het door Ald Fryslân geveilde werk [naam] vals is. Hij heeft slechts een vermoeden daarover geuit. Ald Fryslân heeft geen reputatieschade geleden door de uitlatingen van [gedaagde]. De discussie over valse kunstwerken speelt altijd, met of zonder genoemde uitlatingen. Geen enkel veilinghuis kan daarom boven elke twijfel verheven zijn voor wat betreft het aanbieden en veilen van valse kunstwerken. Voorts stelt [gedaagde] dat het gevorderde verbod op het doen van grievende uitlatingen in de toekomst te vaag is. Het begrip 'grievend' is ongedefinieerd. [gedaagde] moet zijn mening kunnen blijven geven over de kunstwereld, zonder dat hij monddood wordt gemaakt. Op voorhand kan niet worden bepaald wat 'grievend' is, aldus [gedaagde]. Ald Fryslân heeft verder geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, nu de gewraakte uitlatingen inmiddels enkele maanden oud zijn. Ten slotte bestrijdt [gedaagde] de gevorderde dwangsommen. De hoogte van de gevorderde dwangsommen is buitensporig hoog en bovendien zal [gedaagde], voor zover dat in zijn mogelijkheden ligt, direct en vrijwillig aan een veroordelend vonnis voldoen. Het opleggen van dwangsommen is dus niet noodzakelijk.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter (nog) voldoende aanwezig. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] jegens Ald Fryslân, dan heeft Ald Fryslân er belang bij dat deze uitlatingen op korte termijn worden gerectificeerd, om de schending van haar reputatie te recht te zetten. Datzelfde geldt voor het gevorderde verbod op het doen van verdere onrechtmatige uitlatingen, daargelaten of dat verbod inhoudelijk gezien toewijsbaar is, waarover later in dit vonnis meer. Een ander klemt te meer, nu Ald Fryslân - naar zij ter zitting onweersproken heeft gesteld - medio februari 2012 opnieuw werk van [X] zal gaan veilen. Het feit dat de uitlatingen inmiddels enkele maanden geleden door [gedaagde] zijn gedaan, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Ald Fryslân heeft in dit verband ter zitting bovendien onweersproken gesteld dat zij [gedaagde] al bij brief van 9 december 2011 heeft aangeschreven over diens uitlatingen en dat er vervolgens op 21 december 2011 al een datum voor een kort geding is gevraagd aan de rechtbank.

4.2. De vorderingen van Ald Fryslân houden in beginsel een beperking in van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

4.3. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht van [gedaagde] op vrije meningsuiting of het recht van Ald Fryslân op bescherming van haar eer en goede naam - in het onderhavige geval het zwaarste weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Hierbij staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van Ald Fryslân dat zij niet door openbare uitlatingen - via onder meer kranten en internet - wordt blootgesteld aan lichtvaardige beschuldigingen; aan de andere kant het belang van [gedaagde] dat hij zich in het openbaar kritisch en waarschuwend mag uitlaten over de handel in kunstwerken van wijlen zijn vader [X], om eventuele misstanden in dat verband aan de kaak te kunnen stellen.

4.4. Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden en wel in het bijzonder van de volgende:

a. de aard van de gedane uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de uitlatingen deze steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de uitlatingen, gezien in verhouding tot de onder a t/m c bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten uitlatingen via onder meer de kranten en internet, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de uitlatingen te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat de betrokken uitlatingen, ook zonder de verweten openbaarmaking of terbeschikkingstelling aan onder meer de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen;

g. het gezag dat derden zullen toekennen aan degene die de uitlatingen deed;

h. de maatschappelijke positie en publieke gedragingen van degene over wie de uitlatingen worden gedaan.

(zie gerechtshof Amsterdam, 7 april 2009, NJF 2009, 170 en Hoge Raad 1 oktober 2010, NJ 2010, 259).

4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat in geen van de uitlatingen van [gedaagde], zoals deze door hem in de diverse - hierboven geciteerde - media zijn gedaan, steun valt te vinden voor de stelling van Ald Fryslân dat [gedaagde] Ald Fryslân heeft beticht van het moedwillig verkopen van vervalste kunstwerken. Voor zover de vorderingen van Ald Fryslân mede op die grondslag zijn gebaseerd, kunnen zij niet worden toegewezen. Dan blijft ter beoordeling over de stelling van Ald Fryslân dat [gedaagde] haar, zonder deugdelijke onderbouwing, beschuldigt van het veilen van (een) vervalste kunstwerk(en) van wijlen zijn vader [X] en het doen van onvoldoende onderzoek naar de echtheid van ter veiling aangeboden kunstwerken.

4.6. Vast staat dat Ald Fryslân een viertal werken van [X] heeft geveild op 17 oktober 2011, drie pentekeningen en de aquarel [naam]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stond het [gedaagde] vrij om in het openbaar twijfels te uiten omtrent de authenticiteit van deze door Ald Fryslân geveilde werken, nu [gedaagde] dáárvoor voldoende onderbouwing geeft, namelijk dat zijn vader nooit twee keer hetzelfde kunstwerk maakte en dat hij niet gelooft dat zijn vader naar Amsterdam is gereisd om genoemd aquarel op te halen en vervolgens na te schilderen. Beschuldigingen ter zake van het veilen van vervalst werk en het verzaken van het doen van voldoende onderzoek naar de authenticiteit van aangeboden werken gaan echter aanzienlijk verder dan het twijfelen aan de authenticiteit van een kunstwerk. Een veilinghuis is afhankelijk van de inbreng en aankoop van zaken door derden. Indien een veilinghuis bij herhaling in het openbaar wordt beschuldigd van het veilen van vervalste werken en/of het verzaken van haar onderzoeksplicht naar de echtheid van aangeboden werken, dan is dat zonder meer schadelijk voor haar reputatie bij deze derden. Zodanige beschuldigingen dienen door degene die ze uit dan ook deugdelijk te worden onderbouwd.

4.7. In het interview met Omrop Fryslân stelt [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter nergens uitdrukkelijk dat de door Ald Fryslân geveilde werken vervalsingen betreffen. De diverse uitlatingen van [gedaagde] in dit interview, mede in hun onderling verband en samenhang bezien, strekken naar voorlopig oordeel niet verder dan dat hij twijfel uit over de authenticiteit van de geveilde werken, hetgeen [gedaagde] in dit interview ook behoorlijk beargumenteert. Tegelijkertijd beticht [gedaagde] Ald Fryslân echter óók van het verzaken van haar onderzoeksplicht naar de authenticiteit van aangeboden werken. Hiervoor geeft [gedaagde] in het interview echter geen behoorlijke feitelijke onderbouwing.

4.8. In het artikel in NRC Weekend, dat deels een weergave is van een interview van deze krant met [gedaagde], wordt in de kop gerept van een 'vervalsing'. Het woord vervalsing is daar echter tussen aanhalingstekens geplaatst, waarmee al wordt aangeduid dat het geen vervalsing behoeft te zijn. Bovendien moet ervan uit worden gegaan dat deze kop door de krant boven het artikel is gezet. Voor die kop kan [gedaagde] niet verantwoordelijk worden gehouden. Onderaan de eerste kolom/bovenaan de tweede kolom van het artikel wordt vermeld dat een van de werken die door Ald Fryslân is geveild [naam aquarel] is en dat [gedaagde] ervan overtuigd is dat dit werk ook een vervalsing is. Dit aan [gedaagde] toegeschreven citaat is door hem niet betwist, zodat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit gaat dat [gedaagde] deze bewoordingen daadwerkelijk tegenover de krant heeft gebruikt. In het artikel geeft [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen behoorlijke feitelijke onderbouwing waarom dit een vervalsing is. Hij stelt wel dat "het origineel bij mij aan de muur hangt", maar onderbouwt verder niet waarom dit het origineel zou zijn en het andere werk een vervalsing zou zijn.

4.9. In het artikel in De Telegraaf, eveneens deels een weergave van een interview met [gedaagde], wordt in de kop gerept over "Soap rond vals werk [X]". Er moet van uit worden gegaan dat deze kop door de krant boven het artikel is gezet. Voor die kop kan [gedaagde] niet verantwoordelijk worden gehouden. Op de eerste pagina van het artikel staan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen (rechtstreeks) aan [gedaagde] toe te schrijven uitlatingen over vervalsingen vermeld. Anders is dat echter op de tweede pagina van het artikel. Deze pagina begint met de kop 'Aangeboden werk zonder twijfel vals'. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaat die kop, gelet op de daaropvolgende twee alinea's, op de bij veilinghuis AAG in Amsterdam aangeboden werken. Echter, verderop op de tweede pagina wordt een rechtstreeks aan [gedaagde] toe te schrijven citaat vermeld. Daar wordt immers vermeld: Ook een Fries veilinghuis verkocht recent een vervalsing, zegt zoon [gedaagde]. In het artikel geeft [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen behoorlijke feitelijke onderbouwing waarom dit schilderij een vervalsing is. Hij stelt wel dat "het veilinghuis vier tekeningen verkocht, waarvan er eentje in mijn bezit is", maar onderbouwt verder niet waarom dit het origineel en het andere (geveilde) werk een vervalsing zou zijn.

4.10. In het artikel in de Leeuwarder Courant, eveneens deels een weergave van een interview met [gedaagde], wordt in de kop gerept over "Vervalsingen [X] in omloop". Ook hier gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat deze kop door de krant boven het artikel is gezet. Voor die kop kan [gedaagde] niet verantwoordelijk worden gehouden. Vervolgens wordt in de eerste kolom gesproken over het "zijn vermoeden dat er valse werken van zijn vader in omloop zijn". Het gaat hier om het uiten van een vermoeden, er wordt hier niet gezegd dat het vervalste werken zijn. [gedaagde] beargumenteert zijn vermoeden bovendien specifiek met betrekking tot de aquarel [naam], door aan te geven dat hij thuis een (vrijwel) identiek werk heeft hangen. In de tweede kolom van het artikel meldt [gedaagde] nog dat zijn vader nooit een kopie van zijn werk maakte. Ook verderop in het artikel beticht [gedaagde] Ald Fryslân niet van het veilen van vervalste werken. In de laatste kolom wordt uitdrukkelijk genoemd dat [gedaagde] niet met zekerheid durft te zeggen dat de verkochte aquarel een vervalsing is.

4.11. Het voorgaande samenvattend, concludeert de voorzieningenrechter het volgende. In het interview met Omrop Fryslan heeft [gedaagde] Ald Fryslân beschuldigd van het verzaken van haar onderzoeksplicht naar de authenticiteit van aangeboden werk, zonder dat hij daarvoor een deugdelijke feitelijke onderbouwing heeft gegeven. Voorts heeft [gedaagde] zowel tegenover NRC Weekend als De Telegraaf gemeld dat Ald Fryslân vervalst werk van [X] heeft geveild, voor welke beschuldiging(en) [gedaagde] evenzeer geen deugdelijke feitelijke onderbouwing heeft gegeven. Daarbij dient te worden bedacht dat [gedaagde] de zoon is van wijlen [X], waardoor derden aan zijn uitlatingen over het veilen van (een) vervalst werk van [X] door Ald Fryslân meer gezag zullen toekennen dan wanneer deze uitlatingen door een willekeurige derde zouden zijn gedaan. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] vóórdat hij de gewraakte uitlatingen over de door hem gestelde (vermoedelijke) misstanden deed, [gedaagde] daarover contact heeft opgenomen met Ald Fryslân, om haar kant van het verhaal te horen. Integendeel, [gedaagde] is meteen met zijn uitlatingen naar de media gegaan. Ook is niet gebleken dat [gedaagde] - ter onderbouwing van zijn uitlatingen - zelf enig nader onderzoek heeft gedaan naar de echtheid van het door Ald Fryslân geveilde werk van zijn vader. Ter zitting heeft [gedaagde] in dat verband gezegd "dat hij er ook geen verstand van heeft".

4.12. Gelet op het vorenstaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van Ald Fryslân dat zij niet door openbare uitlatingen via onder meer kranten en internet wordt blootgesteld aan lichtvaardige beschuldigingen de doorslag geeft boven het belang van [gedaagde] dat hij zich in het openbaar kritisch en waarschuwend mag uitlaten over de handel in kunstwerken van wijlen zijn vader. Uit het vorenstaande volgt tevens dat de aan het begin van overweging 4.11. genoemde uitlatingen van [gedaagde] onzorgvuldig zijn en daarmee onrechtmatig jegens Ald Fryslân. De goede naam van Ald Fryslân is hierdoor geschaad.

4.13. In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter rectificatie een geschikt en proportioneel middel om de schending van de goede naam van Ald Fryslân recht te zetten. De door Ald Fryslân gevorderde rectificatie in alle door haar genoemde media (dagbladen en websites) acht de voorzieningenrechter in dit geval te verstrekkend. Waar de uitlatingen zowel in regionale als landelijke media zijn gedaan, kan worden volstaan met rectificatie in één regionaal dagblad, de Leeuwarder Courant, en één landelijk dagblad, De Telegraaf, alsmede een advertentie op de website van Omrop Fryslân. Daarmee kunnen de uitlatingen geacht worden voldoende te zijn rechtgezet. Voor zover de gevorderde rectificatie ertoe strekt dat deze op eenzelfde (prominente) wijze/plaats in de media wordt gepubliceerd als de gewraakte uitlatingen zijn gedaan, gaat zulks naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver, nu dit zou neerkomen op het plaatsen van een advertentie van zeer grote afmetingen, hetgeen disproportioneel is. Daarbij dient ook te worden bedacht dat de betreffende artikelen/interviews ook in belangrijke mate betrekking hebben op AAG. Op dit punt zal de door Ald Fryslân gevorderde rectificatie dan ook evenmin worden gevolgd. De rectificatie dient een omvang te hebben als hierna in het dictum te melden. Voorts constateert de voorzieningenrechter dat de tweede alinea van de gevorderde rectificatie - zoals in de dagvaarding ook toegelicht is - in feite ook (deels) het maken van excuses aan Ald Fryslân behelst. Het in rechte afdwingen van (schriftelijke) excuses is niet mogelijk. Het al dan niet aanbieden van excuses aan een ander is een hoogstpersoonlijke (morele) keuze, waartoe niemand kan worden verplicht. Dat zou ook afdoen aan de waarde van de excuses.

Een en ander in aanmerking nemend, zal de vordering tot rectificatie worden toegewezen, zoals hierna in het dictum te melden.

4.14. Ald Fryslân vordert tevens dat het [gedaagde] wordt verboden om - kort samengevat - wederom grievende uitlatingen over Ald Fryslân, haar handelwijze en haar medewerkers te doen, zolang niet is vastgesteld dat Ald Fryslân valse werken/objecten ter veiling aanbiedt, althans heeft aangeboden. Deze vordering zal worden afgewezen. Daartoe is bepalend dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat er gegronde vrees bestaat dat [gedaagde] in de toekomst Ald Fryslân wederom zal beschuldigen van het verkopen/veilen van vervalste kunstwerken. Daarnaast is het gevorderde verbod naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende bepaalbaar en kan het ook om die reden niet worden toegewezen. Het begrip 'grievend' is een algemeen begrip, en is afhankelijk van de subjectieve beleving/invulling van betrokkenen. Wat de één als grievend ervaart, zal een ander niet zo ervaren. Het gevorderde verbod is dermate algemeen geformuleerd en ongespecificeerd, dat op voorhand niet kan worden vastgesteld welke uitlatingen al dan niet als grievend jegens Ald Fryslân moeten worden beschouwd.

4.15. Hoewel [gedaagde] heeft toegezegd dat hij vrijwillig aan een veroordelend vonnis zal voldoen, acht de voorzieningenrechter het niettemin, bij afweging van de wederzijdse belangen, geïndiceerd dat als prikkel tot nakoming aan het gebod tot rectificatie een (beperkte) dwangsom wordt verbonden, voor het geval [gedaagde] met nakoming in gebreke zou blijven.

4.16. [gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Ald Fryslân als volgt vastgesteld:

- dagvaardingskosten € 76,92

- vast recht € 575,00

- salaris van de advocaat € 816,00

-------------

Totaal € 1.467,92

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis in de dagbladen Leeuwarder Courant en De Telegraaf en op de website van Omrop Fryslân

- www.omropfryslan.nl - de volgende, duidelijk leesbare, tekst te doen plaatsen in zwarte letters op een witte achtergrond, gelijkmatig in een kader van circa 5 x 8 centimeter, en zonder toegevoegd commentaar:

RECTIFICATIE

In interviews met Omrop Fryslân, NRC Weekend en De Telegraaf heb ik Veilinghuis Ald Fryslân te IJlst beschuldigd van het doen van onvoldoende onderzoek naar de authenticiteit van bij haar aangeboden kunstwerken respectievelijk het veilen van een vervalst schilderij ("[naam]") van wijlen mijn vader [X]. De voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden heeft bij vonnis van 15 februari 2012 in kort geding geoordeeld dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn jegens Ald Fryslân, nu deze uitlatingen geen steun vinden in de beschikbare feiten.

[gedaagde].

5.2. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken veroordeling voldoet;

5.3. verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 20.000,-;

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Ald Fryslân vastgesteld op € 1.467,92;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012, in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.

fn 343?