Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO7520

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
108442 - KG ZA 10-353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Familierecht; deurwaardersrenvooi; kinderalimentatie onverschuldigd betaald; verrekening kinderalimentatie met toekomstige termijnen toegestaan rekening houdend met de beslagvrije voet; excutiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

Kort-gedingnummer: 108442 / KG ZA 10-353

vonnis van de voorzieningenrechter in het kort-geding d.d. 15 december 2010

inzake de door:

[A],

hierna te noemen de gerechtsdeurwaarder,

kantoorhoudende te [woonplaats],

op grond van artikel 438 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanhangig gemaakte zaak tussen:

[B],

hierna te noemen [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F. Hofstra, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[C],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen [de man],

in persoon verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van deurwaardersrenvooi van de gerechtsdeurwaarder van 9 november 2010;

- de mondelinge behandeling van de zaak op 9 december 2010;

- de ter zitting overgelegde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding gelden de navolgende feiten als vaststaand.

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie in 1998 is geëindigd. Uit de relatie van partijen zijn twee kinderen geboren, te weten [X] en [Y].

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 19 augustus 2009 is bepaald dat [C]:

- van 4 februari 2009 tot 15 juni 2009 een bedrag van € 192,00; en

- vanaf 15 juni 2009 een bedrag van € 171,50;

per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [X] en [Y].

2.3. Bij beschikking van 31 augustus 2010 heeft het gerechtshof Leeuwarden voormelde beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat [C]:

- van 4 februari 2009 tot 15 juni 2009 een bedrag van € 117,00; en

- van 15 juni 2009 tot 1 juni 2010 een bedrag van € 94,00; en

- vanaf 1 juni 2010 een bedrag van € 171,00;

per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding [X] en [Y].

2.4. Na tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder heeft [C] de op grond van de beschikking van de rechtbank tot 31 juli 2010 verschuldigde kinderalimentatie geheel voldaan. Derhalve heeft [C] meer betaald dan hij op grond van de beschikking van het gerechtshof verschuldigd is. Partijen zijn het er over eens dat het meerdere onverschuldigd is betaald.

3. Het geschil

3.1. De gerechtsdeurwaarder heeft bij proces-verbaal van deurwaardersrenvooi aangegeven dat het onredelijk lijkt om voormelde beschikking van het gerechtshof te executeren en kostenverhogende maatregelen te nemen, terwijl [C] een vordering op [B] heeft die hij wil verrekenen. De gerechtsdeurwaarder wil door middel van dit kort geding een antwoord krijgen op de vraag of verrekening van de door [C] te veel betaalde kinderalimentatie met de nog door hem aan [B] verschuldigde toekomstige kinderalimentatietermijnen, is toegestaan.

3.2. Partijen hebben hun standpunten ter zake de door de gerechtsdeurwaarder opgeworpen vraag toegelicht. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het standpunt van partijen en de beoordeling daarvan

4.1. [C] heeft aangevoerd dat hij in de periode van 4 februari 2009 tot 31 juli 2010 te veel kinderalimentatie aan [B] heeft betaald en dat uit de wet de bevoegdheid voortvloeit om het te veel betaalde met de toekomstige alimentatietermijnen te verrekenen. [B] is het oneens met het standpunt van [C]. Kort gezegd is zij van mening dat voor verrekening geen plaats is wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

4.2. In de kern gaat het in dit kort geding om de vraag of de executie van de beschikking van het gerechtshof ten uitvoer kan worden gelegd. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (vgl. Hoge Raad 8 oktober 1993, NJ 1994, 508). Geen van bedoelde omstandigheden doet zich hier voor.

4.3. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2006, NJ 2007, 173 moet worden afgeleid dat zich echter bij (hoge) uitzondering ook buiten de gevallen van een feitelijke of juridische misslag of nieuwe feiten en omstandigheden, misbruik van executiebevoegdheid kan voordoen. Een dergelijk geval deed zich in de aangehaalde uitspraak voor, aangezien daar vaststond dat de geëxecuteerde aan de verbintenis tot nakoming waartoe hij bij het te executeren vonnis was veroordeeld, al had voldaan, zij het - zoals achteraf was komen vast te staan - al voordat het arrest was gewezen en niet pas daarna. Het te executeren arrest is dan materieel uitgewerkt aangezien de verbintenis tot nakoming waarvoor wordt geëxecuteerd, al is teniet gegaan door voldoening van de vordering. In een zodanig geval levert executie van een arrest misbruik van recht op. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt onder het door betaling tenietgaan van de verbintenis tot nakoming waarvoor wordt geëxecuteerd in beginsel ook het tenietgaan van de verbintenis door verrekening met een tegenvordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient dan ook te worden beoordeeld of in de gegeven omstandigheden plaats is voor verrekening. In dat verband overweegt hij als volgt.

4.4. [C] heeft betaald ter voldoening aan de verplichting die hem aanvankelijk door de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking was opgelegd. [B] heeft terecht opgemerkt dat het gerechtshof in de beschikking van 31 augustus 2010 niet heeft bepaald dat zij het teveel ontvangen bedrag dient terug te betalen, al dan niet door middel van verrekening. [C] ontleent zijn aanspraak op verrekening aan de beschikking van het gerechtshof, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan en waardoor hetgeen hij op grond van de andersluidende beslissing in eerste aanleg heeft voldaan, onverschuldigd is betaald. Dat het gerechtshof niet expliciet heeft afgewogen in hoeverre in redelijkheid van [B] kan worden gevergd dat zij het teveel betaalde moet terugbetalen - al dan niet door middel van verrekening - maakt het voorgaande niet anders. Dit brengt mee dat voor een beoordeling van het door [B] ingenomen standpunt dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling, thans geen plaats meer is. Dat [B] in dat verband heeft opgemerkt dat zij leeft van een inkomen onder bijstandsniveau en dat zij de door [C] betaalde onderhoudsbijdrage heeft aangewend voor het levensonderhoud van de kinderen van partijen, doet daaraan niet af.

4.6. Vorenstaande leidt ertoe dat het onverschuldigd door [C] aan [B] betaalde bedrag in beginsel kan worden verrekend met toekomstige door [C] aan [B] te betalen onderhoudsbijdragen. Evenwel stelt de voorzieningrechter vast dat overeenkomstig artikel 6:135 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jo artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en onder verwijzing naar Hoge Raad 3 december 1999, NJ 2000, 86, een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover op de vordering van zijn wederpartij beslag niet geldig zou zijn.

Ingevolge artikel 475c, aanhef en sub f Rv is een beslagvrije voet verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen tot levensonderhoud. De omvang van voormelde beslagvrije voet wordt nader gespecificeerd in artikel 475d Rv. Verrekening op de voet van artikel 6:135 BW met een vordering tot levensonderhoud is dus slechts mogelijk, mits daarbij rekening wordt gehouden met voormelde beslagvrije voet.

4.7. Op grond van vorenstaande - en meer in het bijzonder rechtsoverwegingen 4.5. en 4.6. - is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering wegens onverschuldigde betaling van [C] op [B] voor verrekening met toekomstige onderhoudsbijdragen in aanmerking komt, met dien verstande dat op grond van artikel 475c aanhef en sub f jo 476d Rv rekening moet worden gehouden met de in die artikelen omschreven beslagvrije voet.

4.8. Omdat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

5.1. verstaat dat verrekening van de door [C] aan [B] te veel betaalde kinderalimentatie met de nog door hem aan [B] te betalen toekomstige kinderalimentatietermijnen is toegestaan, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475c aanhef en sub f jo 476d Rv;

5.2. compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2010.

(fn: 505)