Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0063

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
zaak/rolnr.: 502067 / VV EXPL 11-29
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod op het dragen van hoofddoekjes. In beginsel staat het een school vrij om een dergelijk verbod in haar schoolreglement op te nemen. Een dergelijk besluit is aan het schoolbestuur en niet aan de rechter. De rechter toetst slechts. De toetsing van het besluit van het schoolbestuur dient te worden ontdaan van emotionele en politieke invloeden. Kijkt de kantonrechter aldus naar het besluit van het schoolbestuur, dan kan de slotsom geen andere zijn dan dat het schoolbestuur ook anders had kunnen beslissen, maar dat de beslissing zoals die is genomen en nu wordt gehandhaafd een beslissing is die het schoolbestuur kan nemen op basis van de (katholieke) grondslag van de school die met zich meebrengt dat uitingen van een ander geloof binnen de school niet worden aanvaard.

Met inperking van de vrijheid van meningsuiting of met discriminatie op basis van geloof heeft dat niets van doen; met dat standpunt miskent de leerlinge dat zij met haar eis om haar geloofsovertuiging te mogen uiten onvermijdelijk inbreuk maakt op de gevoelens van anderen, die menen het recht te hebben van dergelijke uitingen verschoond te blijven. Het vinden van evenwicht tussen dergelijke conflicterende belangen is in een geval als het onderhavige primair een taak van de school en niet van de rechter. Die grijpt slechts in als geen redelijk oordelende school een dergelijk besluit had kunnen nemen, en zo’n situatie doet zich hier niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Zaandam

zaak/rolnr.: 502067 / VV EXPL 11-29

datum uitspraak: 4 april 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[X], wettelijk vertegenwoordigd door haar vader [A],

te [woonplaats]

eiseres

hierna te noemen [X]

gemachtigde mr J. Klaas

tegen

Stichting Katholiek Onderwijs Volendam

te Volendam

gedaagde

hierna te noemen Don Bosco College (kortweg DBC)

gemachtigde mr W. Brussee

De procedure

[X] heeft DBC gedagvaard op 17 maart 2011. DBC heeft daarop stukken in het geding gebracht. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2011. De gemachtigden van beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

[X] is sinds het schooljaar 2009-2010 leerling van het Don Bosco College te Volendam, een school op katholieke grondslag die wordt bestuurd door gedaagde. Op het aanmeldformulier voor de school heeft [X] aangegeven dat ze moslim is.

Op 22 februari 2010 heeft [X], samen met drie andere leerlingen, aan DBC te kennen gegeven dat zij overweegt om vanwege haar geloof een hoofddoek te gaan dragen. Door DBC is daarop aan [X] meegedeeld dat de school zich intern zou beraden, en met een standpunt zou komen.

Sinds eind augustus 2010 volgt [X] de tweede klas VMBO.

Op 8 september 2010 is aan [X] schriftelijk bevestigd dat DBC zich op het standpunt stelt dat [X] de bepaling uit het schoolreglement, luidende “Het is ten strengste verboden: (…) om binnen de school gezichtsbedekkende kleding, petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes te dragen” dient na te leven.

Op 18 oktober 2010 heeft [X] zich gewend tot de Commissie Gelijke Behandeling met de vraag, of DBC met dat standpunt onderscheid maakt op grond van godsdienst. Bij beslissing van 7 januari 2011 sprak de Commissie als haar oordeel uit dat DBC inderdaad jegens [X] verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt. Daarbij overwoog de Commissie onder meer “dat DBC, in het algemeen en in het bijzonder jegens [X], niet kenbaar heeft gemaakt dat het hoofddoekverbod verband houdt met haar grondslag. Integendeel, DBC heeft naar het oordeel van de Commissie in haar communicatie over het hoofddoekverbod juist de suggestie gewekt dat het hoofddoekverbod niet in verband staat met de katholieke identiteit van de school voor voortgezet onderwijs. De Commissie stelt verder vast (dat) de school alleen hoofddoeken heeft verboden en er geen sprake is van een algemeen verbod op het dragen van kleding of attributen die uiting geven aan een andere religie dan de katholieke. Naar het oordeel van de Commissie wijst ook dat feit niet in de richting van een consistent beleid ter verwezenlijking van de grondslag.”

Bij brief van 1 maart 2011 heeft DBC, kennis genomen hebbend van het standpunt van de Commissie, aan [X] laten weten dat, en waarom, een uiting als het dragen van een hoofddoek sinds de aanvang van het schooljaar 2010-2011 niet wordt toegestaan.

De vordering

[X] vordert bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat) veroordeling van DBC om aan [X] toe te staan met hoofddoek op naar school te mogen. Daarnaast vraagt [X] om DBC te veroordelen tot het aanbieden van excuses, tot het betalen van een symbolische schadevergoeding van € 500,00 en de kosten van rechtsbijstand. [X] legt aan haar vordering ten grondslag dat DBC zich jegens haar onrechtmatig gedraagt door haar te verbieden op school een hoofddoek te dragen, hetgeen discriminerend is omdat haar recht op godsdienstvrijheid wordt geschonden. “Met het dragen van een hoofddoek geef ik invulling aan de vorming van mijn identiteit, ik val er niemand mee lastig. Ik mag niet het slachtoffer worden van het publieke en politieke debat over de Islam, moslims en hoofddoeken”, aldus [X].

Het verweer

DBC betwist de vordering en voert aan dat [X] welkom is op school zolang zij de katholieke grondslag respecteert. Dit laatste impliceert dat (ouders en) leerlingen zich onthouden van gedragingen waarbij afstand wordt genomen van de statutaire doelstelling van de onderwijsinstelling.

Honorering van het verzoek van [X], zo realiseerde DBC zich, zou effect hebben op de katholieke religie van de school, en afwijzing van het verzoek zou effect hebben op de islamitische religie van [X]; daarom heeft DBC niet direct op het verzoek van [X] beslist, maar eerst intern, in alle geledingen van de school, onderzoek gedaan. Dit onderzoek heeft tot het begin van het volgende schooljaar in beslag genomen, en de uitkomst ervan is [X] direct meegedeeld, getuige de brief van 8 september 2010. Die uitslag houdt in dat de diverse geledingen binnen de school unaniem van mening zijn dat de katholieke grondslag van de school niet verwezenlijkt kan worden indien binnen de school uitingen van een ander geloof getolereerd worden.

De beoordeling

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de vordering ter terechtzitting heeft de kantonrechter allereerst aan de orde gesteld de vraag, waarop [X] de bevoegdheid van de kantonrechter om op een vordering als de onderhavige te beslissen, baseert. Na enig debat hebben beide partijen vervolgens de kantonrechter verzocht uitspraak te doen als ware hij voorzieningenrechter Haarlem, zitting houdende te Zaandam.

De gevorderde voorlopige voorzieningen zijn slechts toewijsbaar als aan de hand van de feiten en omstandigheden in dit geding de verwachting gewettigd is dat in een tussen partijen nog te voeren bodemprocedure soortgelijke vorderingen zullen worden toegewezen.

De kantonrechter is vooralsnog van oordeel dat dit niet het geval is.

Aan de Commissie Gelijke Behandeling kan worden toegegeven dat DBC met het in september 2010 aangescherpte beleid op het gebied van het dragen van een hoofddoek geen uiting heeft gegeven aan een consistent beleid ter verwezenlijking van de grondslag van de school. Echter, zoals DBC naar ’s kantonrechters oordeel op goede gronden nu heeft aangevoerd en wat er zij van door de rector van DBC jegens de pers gedane uitlatingen, miskent de Commissie daarmee dat totdat [X] haar verzoek aan de school deed er in het geheel geen sprake was van beleid op dit punt. Door DBC immers is onweersproken aangevoerd dat zij voordat [X] het verzoek deed geen hoofddoekdraagsters in haar midden kende.

Het schoolreglement, zoals door [X] als bijlage 4 en 9 aan de dagvaarding gehecht, maakt melding van een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding, petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes. In beginsel staat het DBC vrij om een dergelijk verbod in haar reglement op te nemen, zo goed als het andere scholen vrij staat om te besluiten het anders te doen. Het nemen van dergelijke besluiten is aan het schoolbestuur, niet aan de rechter; die toetst slechts.

Zoals [X] met juistheid heeft opgemerkt dient de toetsing van het besluit van DBC te worden ontdaan van emotionele en politieke invloeden. Kijkt de kantonrechter aldus naar het besluit van DBC, dan kan de slotsom geen andere zijn dan dat DBC ook anders had kunnen beslissen, maar dat de beslissing zoals die is genomen en nu wordt gehandhaafd een beslissing is die DBC kan nemen op basis van haar (katholieke) grondslag die met zich meebrengt dat uitingen van een ander geloof binnen de school niet worden aanvaard.

Met inperking van de vrijheid van meningsuiting of met discriminatie op basis van geloof heeft dat niets van doen; met dat standpunt miskent [X] dat zij met haar eis om haar geloofsovertuiging te mogen uiten onvermijdelijk inbreuk maakt op de gevoelens van anderen, die menen het recht te hebben van dergelijke uitingen verschoond te blijven. Het vinden van evenwicht tussen dergelijke conflicterende belangen is in een geval als het onderhavige primair een taak van de school en niet van de rechter. Die grijpt slechts in als geen redelijk oordelende school een dergelijk besluit had kunnen nemen, en zo’n situatie doet zich hier niet voor.

Nu de eerste vordering van [X] niet wordt toegewezen, zijn- daargelaten dat het aanbieden van excuses in rechte niet afdwingbaar is - in het voetspoor daarvan de overige vorderingen evenmin toewijsbaar.

Alhoewel [X] in het ongelijk wordt gesteld, zal de kantonrechter teneinde de verhouding tussen partijen niet verder te belasten bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

- weigert de voorlopige voorziening;

- compenseert de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr B. Doorewaard Boekhout en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.