Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:785

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
05/820603-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:4421, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW – grove schuld

De rechtbank Gelderland in Arnhem heeft een 68-jarige man uit Nijkerk veroordeeld wegens grove schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel op 8 april 2014 in Nijkerk. Het verkeersongeval was ontstaan doordat de man, volgens zijn eigen verklaring, diep in gedachten was verzonken tijdens het rijden en niet op het verkeer heeft gelet. Daarbij reed hij over de verkeerde weghelft en verzuimde hij voorrang te verlenen aan een auto die voorrang had. Dit alles vond plaats op een kruising waarvan de man uit Nijkerk wist dat hij juist erg goed moest opletten.

De rechtbank oordeelt dat de man aldus heeft gereden als een ongeleid projectiel en dat hij grote risico’s heeft genomen. Volgens de rechtbank heeft hij zich daardoor onverschillig getoond tegenover andere verkeersdeelnemers, met een zwaargewonde als gevolg. De man – die niet eerder met de politie in aanraking was gekomen – is veroordeeld tot een werkstraf van 90 uur en een rijontzegging van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/820603-14

Datum zitting : 16 januari 2015

Datum uitspraak : 30 januari 2015

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het parket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 april 2014 te Nijkerk in de gemeente Nijkerk, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto,

merk Volvo, kleur zwart), daarmede komende uit de richting Melkrijder en

gaande in de richting Beurtschipper, heeft gereden over de weg,

Touwslager en gekomen ter hoogte van de kruising/splitsing van deze weg en de weg,

Tabaksplanter, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

in strijd met het gestelde in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

geheel of gedeeltelijk over het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde

weggedeelte van die Touwslager heeft gereden en/of

in strijd met een voor de kruising/splitsing van deze weg (Touwslager) en de

weg, Tabaksplanter staand bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement

inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en/of

in strijd met de kort voor voormelde kruising/splitsing, op het wegdek van die

Touwslager aangebrachte haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld

reglement, inhoudende: "de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg"

voormelde kruising/splitsing op zodanige wijze is opgereden, dat hij,

verdachte met dat motorrijtuig (Volvo, kleur zwart) op de kruisende weg,

Touwslager/Tabaksplanter geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terecht gekomen en/of

geen voorrang heeft verleend aan een over dat voor het tegemoetkomende verkeer

bestemde weggedeelte van die weg, Touwslager /Tabaksplanter, rijdende, hem,

verdachte op korte afstand genaderd zijnde bestuurder van een ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw) en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat hem tegemoetkomende

andere motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw)

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte toen

aldaar in strijd met dat bord B6 en/of voormelde haaientanden, geen voorrang heeft verleend aan voormelde hem tegemoetkomende bestuurder van dat ander motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 08 april 2014 te Nijkerk in de gemeente Nijkerk,

als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto, merk Volvo, kleur zwart),

daarmede komende uit de richting Melkrijder en gaande in de richting

Beurtschipper, heeft gereden over de weg, Touwslager en gekomen ter hoogte van

de kruising/splitsing van deze weg en de weg, Tabaksplanter,

in strijd met het gestelde in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of geheel

of gedeeltelijk over het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte

van die Touwslager heeft gereden en/of in strijd met een voor de kruising/splitsing van deze weg (Touwslager) en de

weg, Tabaksplanter staand bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement

inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en/of in strijd met de kort voor voormelde kruising/splitsing, op het wegdek van die

Touwslager aangebrachte haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld

reglement, inhoudende: "de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg" voormelde kruising/splitsing op zodanige wijze is opgereden, dat hij,

verdachte met dat motorrijtuig (Volvo, kleur zwart) op de kruisende weg,

Touwslager/Tabaksplanter geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terecht gekomen en/of geen voorrang heeft verleend aan een over dat voor het tegemoetkomende verkeer

bestemde weggedeelte van die weg, Touwslager /Tabaksplanter, rijdende, hem,

verdachte op korte afstand genaderd zijnde bestuurder van een ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw) en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat hem tegemoetkomende

andere motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw), door welke gedraging(en) van hem, verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 januari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 april 2014 heeft verdachte als bestuurder van een zwarte personenauto, merk Volvo met kenteken [kenteken], in Nijkerk over de openbare weg de Touwslager, in de richting van de Beurtschipper gereden. Ter hoogte van de T-kruising van de Touwslager met de openbare weg de Tabaksplanter zijn haaientanden op het wegdek van de Touwslager aangebracht en staat door middel van bord B6 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangegeven dat bestuurders voorrang moeten verlenen aan bestuurders op de kruisende weg, de Tabaksplanter.2

Verdachte is rechtdoor de Tabaksplanter opgereden en is daarbij gebotst tegen een blauwe personenauto, merk Volvo, die uit de richting van de Beurtschipper (en daarmee uit tegengestelde) richting aan kwam rijden.3

Ten gevolge van deze aanrijding is door betrokkene [slachtoffer] letsel opgelopen, bestaande uit verschillende breuken aan zijn linkerhand.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid, doordat hij langere tijd was afgeleid waardoor hij op de verkeerde weghelft heeft gereden en geen voorrang heeft verleend.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangevoerd dat hij wel voldoende rechts heeft gehouden en daardoor niet op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer kan hebben gereden, zodat hem hooguit verweten kan worden dat hij geen voorrang heeft verleend.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop. Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte was goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Hij wist dat het een druk punt is met veel vrachtverkeer en hij wist dat hij bij het naderen van de kruising voorrang moest verlenen aan het verkeer op de Tabaksplanter. Verdachte heeft verklaard net uit een werkbespreking te zijn gekomen en dusdanig in gedachten te zijn verzonken, dat hij de blauwe Volvo, bestuurd door betrokkene [slachtoffer], in het geheel niet heeft zien rijden. Tevens heeft hij ook het andere verkeer, dat voor hem van rechts kwam, niet opgemerkt terwijl het wel een overzichtelijk kruispunt is. Verdachte is vervolgens met onverminderde snelheid de kruising opgereden en zag pas op het laatste moment de andere weggebruiker, waardoor een aanrijding niet meer voorkomen kon worden.5

Door verdachte is ter terechtzitting een aantal foto’s overgelegd. Op foto nummer 1 (door de voorzitter genummerd en in het dossier gevoegd), heeft verdachte met een pijl zijn rijrichting getekend. Deze pijl is getekend ter linkerzijde van de op het wegdek geplaatste haaientanden.6 Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wel degelijk op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden. Dit komt ook overeen met de botspositie van de auto’s.7

De stelling van verdachte, dat hij voldoende rechts heeft gehouden, wordt derhalve niet gevolgd.

Door verdachte wordt erkend dat hij ten onrechte geen voorrang heeft verleend

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet heeft aan het onderhavige verkeersongeval.

Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Afgaande op de verklaring van verdachte zelf, gaat de rechtbank er van uit dat verdachte gedurende langere tijd dusdanig diep in gedachten verzonken, dat hij het overige verkeer totaal niet heeft waargenomen. Dit gegeven alleen al betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte is doorgereden terwijl hij zich niet bewust was van zijn omgeving en van overige verkeersdeelnemers. Dit is op zichzelf al zeer gevaarlijk.

De rechtbank overweegt vervolgens dat verdachte de situatie ter plaatse goed kende en dat het ging om een overzichtelijke splitsing. Verdachte wist ook dat sprake was van een voorrangssituatie, waar hij voorrang diende te verlenen aan verkeer van links en van rechts. Verdachte wist dus dat hij in een situatie zou geraken waarin verhoogde alertheid van hem zou worden vereist en waarin de kans groot was dat hij een belangrijke verkeershandeling zou moeten verrichten, te weten snelheid verminderen en voorrang verlenen. Tot slot wist verdachte ook dat hij bij de T-splitsing een geringe bocht naar rechts zou moeten maken om voor de haaientanden tot stilstand te komen indien hij voorrang zou moeten verlenen.

Ondanks al het vorenstaande, waarvan de rechtbank benadrukt dat verdachte de situatie kende, heeft verdachte zichzelf niet tot de orde geroepen, althans zichzelf niet uit zijn sluimering gehaald, maar heeft zichzelf kennelijk toegestaan om door te rijden met onverminderde snelheid.

Daarbij heeft hij niet alleen verzuimd op het overige hem tegemoet komende verkeer te letten en verzuimd aan dat verkeer voorrang te verlenen. Maar ook heeft hij niet zijn eigen rijbaan gevolgd, maar is de haaientanden links gepasseerd en aldus op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen, om vervolgens via de weghelft voor tegemoetkomend verkeer de voorrangsweg op te rijden. Deze laatste manoeuvre acht de rechtbank zodanig in strijd met niet alleen de verkeersvoorschriften, maar ook de normale betamelijkheid in het verkeer, dat andere verkeersdeelnemers hiermee geen enkele rekening behoeven te houden. De rechtbank acht dit in hoge mate gevaarzettend en merkt het rijgedrag van verdachte - althans uitgaande van zijn eigen verklaring - dan ook aan als dat van een ongeleid projectiel.

Dat verdachte zijn aandacht in het geheel gedurende langere tijd niet bij het verkeer had, is te meer ernstig, nu hij wist dat hij een drukke kruising met veel (vracht)verkeer naderde.

Niet is gebleken van omstandigheden waardoor het zicht van verdachte werd beperkt of belemmerd. Verdachte heeft dus voldoende gelegenheid gehad het overige verkeer op te merken en daarop te anticiperen.

Voormelde gedragingen van verdachte brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte een hoge mate van onvoorzichtigheid kan worden verweten en dat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam.

Tot slot kwalificeert de rechtbank het door [slachtoffer] als gevolg van het ongeval opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel. Betrokkene [slachtoffer] heeft immers verschillende breuken aan zijn linkerhand opgelopen. Hieraan is hij geopereerd en er is een plaatje ingebracht. Het herstel werd ingeschat op ongeveer 12 weken, maar uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] komt naar voren dat hij zijn linkerhand nog steeds slechts beperkt kan gebruiken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 08 april 2014 te Nijkerk in de gemeente Nijkerk, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto,

merk Volvo, kleur zwart), gaande in de richting Beurtschipper, heeft gereden over de weg, Touwslager en gekomen ter hoogte van de kruising/splitsing van deze weg en de Tabaksplanter, zeer, onvoorzichtig en onoplettend in strijd met het gestelde in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en over het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte

van die Touwslager heeft gereden en

in strijd met een voor de kruising/splitsing van deze weg (Touwslager) en de

Tabaksplanter staand bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement

inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en

in strijd met de kort voor voormelde kruising/splitsing, op het wegdek van die

Touwslager aangebrachte haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld

reglement, inhoudende: "de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg"

voormelde kruising/splitsing op zodanige wijze is opgereden, dat hij,

verdachte met dat motorrijtuig (Volvo, kleur zwart) op de kruisende weg,

Touwslager/Tabaksplanter geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terecht gekomen en

geen voorrang heeft verleend aan een hem, op korte afstand genaderd zijnde bestuurder van een ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw) en

is gebotst tegen, dat hem tegemoetkomende andere motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte toen

aldaar in strijd met dat bord B6 en voormelde haaientanden, geen voorrang heeft verleend aan voormelde hem tegemoetkomende bestuurder van dat ander motorrijtuig (personenauto, merk Volvo, kleur blauw).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt of mede veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 90 uren werkstraf subsidiair 45 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis met de navolgende omstandigheden rekening gehouden. Verdachte heeft geen justitiële documentatie en heeft contact onderhouden met het slachtoffer. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte geen voorrang heeft verleend.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangevoerd de eis van de officier van justitie bovenmatig zwaar te vinden.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het blanco uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 27 november 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft, door zeer gevaarzettend rijgedrag, een verkeersongeval veroorzaakt. Als gevolg hiervan heeft een andere weggebruiker zwaar letsel opgelopen.

Verdachte heeft aan het verkeer deelgenomen zonder op te letten en aldus zonder zich te bekommeren om de gezondheid en de bezittingen van overige verkeersdeelnemers. Hij heeft zichzelf daarin niet gecorrigeerd, zelfs niet op het moment dat hij een kruising naderde waarvan hij wist dat hij goed diende op te letten op van zowel rechts als links naderend verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee een zeer verwijtbare onverschilligheid jegens overige verkeersdeelnemers aan den dag gelegd. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij hier weinig aan kon doen en aldus weinig blijk heeft gegeven van schuldbesef.

Bij het bepalen van de strafmaat gaat de rechtbank uit van een hogere mate van schuld dan de officier van justitie. Verdachte zal desondanks worden veroordeeld tot een werkstraf die gelijk is aan de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal vanwege de grove mate van schuld wel een langere ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Deze ontzegging zal de rechtbank voor een deel in voorwaardelijke vorm opleggen om aldus te waarborgen dat verdachte in de toekomst doordrongen blijft van de noodzaak tot het in het verkeer in acht nemen van de benodigde voorzichtigheid en oplettendheid.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 90 (negentig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 45 (vijfenveertig) dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat van deze ontzegging 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. B.F.M. Klappe (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. K.A.M. van Hoof, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant(en) van de politie Gelderland-Midden, district West Veluwe Vallei, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL074F-2014038593, gesloten op 1 mei 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aanrijding, pag. 4.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, pag. 45.

4 Geneeskundige verklaring, pag. 44 en proces-verbaal bevindingen, pag. 50.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

6 Schriftelijk bescheid door verdachte ttz over gelegd, foto 1, alsmede de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting..

7 Situatieschets, pag. 9 alsmede foto, pag. 12