Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4567

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
3158059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia : Effectenlease. Waiver-zaak. Standpunten belegger ten aanzien van aankoop aandelen, onjuiste afrekenkoersen en beleggingstechnische gebreken verworpen. Nadere uitlating Dexia in verband met rol tussenpersoon; mogelijke bewijsopdracht belegger over concrete advisering tussenpersoon. Onaanvaardbaar zware financiële last: geen gemeenschappelijke huishouding bij inwonende jong meerderjarige. Ambtshalve uitlating over hoogte wettelijke rente in verband met HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). Gedeeltelijke vergoeding buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3158059 \ CV EXPL 14-10494 \ 668 \ 16608

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde [naam gemachtigde], USG Legal Amsterdam

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde Leaseproces

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 augustus 2014

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met producties.

- de brief van 15 juni 2015 van de gemachtigde van [gedaagde partij], met nagekomen producties 26 en 27, die met instemming van Dexia aan de producties bij conclusie van antwoord zijn toegevoegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een

fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2.

[gedaagde partij] heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Totale leasesom

I.

22503274

15-06-2001

Capital Effect Vooruitbetaling 15 jaar

180 mnd

€ 20.496,60

2.3.

Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I.

12-06-2006

- € 1.636,86

2.4.

[gedaagde partij] is niet ingegaan op het zogenaamde Dexia-Aanbod en

heeft door middel van een zogenaamde opt-out verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.

2.5.

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde partij] op grond van de

lease-overeenkomst in totaal een bedrag van € 5.466,00 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.636,86 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [gedaagde partij] een bedrag van € 991,16 aan dividenden ontvangen. Op of omstreeks 13 januari 2012 heeft Dexia nog een bedrag van in totaal € 1.403,00 inclusief wettelijke rente tot en met 31 december 2011 aan [gedaagde partij] uitgekeerd.

2.6.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia het volgende – voor zover van belang

– aan [gedaagde partij] meegedeeld:

Dexia Nederland B.V. (..) is voornemens haar financiële verplichtingen jegens u te voldoen. (…)
Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 1.403,00 aan u uit te betalen.

2.7.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft [gedaagde partij] aan Dexia meegedeeld zich haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

2.8.

Bij brief van 28 maart 2014 heeft Dexia aan [gedaagde partij] meegedeeld dat zij een einde wil maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde partij]. Dexia heeft [gedaagde partij] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde partij] heeft voldaan en – zo niet – mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn.

2.9.

[gedaagde partij] heeft niet op de onder 2.8. genoemde brief gereageerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde partij] gesloten lease-overeenkomst met nummer 22503274 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde partij] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Dexia stelt dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat

[gedaagde partij] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde partij] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde partij] niet inhoudelijk motiveert waarom zij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde partij] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten lease-overeenkomst.

3.3.

[gedaagde partij] heeft inhoudelijk verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover van belang, ingaan.

4 De beoordeling

Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

4.1.

[gedaagde partij] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de

onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik

maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de

volgende omstandigheden van belang.

4.2.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd

geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – waaronder [gedaagde partij] – aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling, inhoudende dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde partij] heeft voldaan, vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde partij] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

4.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde partij], moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde partij], kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, hetgeen onder meer het geval kan zijn indien de bevoegdheid van Dexia om de vordering op dit moment in te stellen wordt uitgeoefend met geen ander doel dan [gedaagde partij] te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, danwel indien Dexia, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Daarbij is van belang of [gedaagde partij] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor haar aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

4.4.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen vormt een onderdeel van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken is bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel, en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

4.5.

Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam d.d. 25 januari 2005. [gedaagde partij] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde partij] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in haar geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde partij] thans meer dan zeven jaar geleden afgelegd.

4.6.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van hof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

4.7.

De stellingen van [gedaagde partij] komen er op neer dat [gedaagde partij] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of [gedaagde partij] nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde partij] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden gegeven. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde partij] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

4.8.

Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraken van [gedaagde partij] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de lease-overeenkomst), dat méér dan dertien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer vijf jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde partij] vorderingen op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde partij] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde partij] ook vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van haar (eventuele) vorderingen op Dexia te onderzoeken.

4.9.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde partij] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van Hoge Raad en hof Amsterdam – dan wel in de daarna uitgesproken arresten – is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde partij] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in haar geval daartoe aanleiding bestaat.

4.10.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde partij] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde partij]. De door [gedaagde partij] genoemde geschilpunten waarop nog een oordeel van de Hoge Raad wordt verwacht zijn, voor zover de Hoge Raad daarover niet reeds heeft beslist in bovengenoemde arresten, niet van dien aard dat er aanleiding bestaat om alle zaken waarin zij voorkomen aan te houden. Gelet op de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken immers vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is, bestaat uit zowel de betaalde termijnen als de restschuld, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is vormt geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.

4.11.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt vast te laten stellen of [gedaagde partij] nog een vordering op Dexia heeft. Indien [gedaagde partij] van mening was dat zij nog een vorderingsrecht jegens Dexia heeft, heeft zij de mogelijkheid gehad tot het voeren van een daartoe strekkend verweer in conventie en/of het instellen van een daarop gerichte reconventionele vordering. [gedaagde partij] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in haar rechtspositie. Van schending van haar aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM kan dan ook geen sprake zijn.

4.12.

Er bestaat geen aanleiding voor een algemene aanhouding of “standstill”, zoals van de zijde van [gedaagde partij] wordt voorgesteld. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomst worden behandeld en beslist. Voor zover dit in een bepaalde zaak anders is in verband met bijzondere omstandigheden of bijzondere geschilpunten, zal in die zaak anders kunnen worden beslist.

4.13.

Mede gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat Dexia in het onderhavige geval voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering, dat de belangen van [gedaagde partij] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt en beslist en voorts dat dit evenmin in strijd is met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op die vordering zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Onaanvaardbaar zware financiële last

4.14.

Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake was van een onaanvaardbaar

zware financiële last, zoals [gedaagde partij] heeft gesteld en Dexia heeft betwist.

4.15.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. Daarbij mag de rechter uitgaan van een algemene formule mits die voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden rekening te houden. Het hof Amsterdam heeft in zijn arresten van
1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) een vuistregel geformuleerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op een belegger zouden leggen. Deze vuistregel is ook gehanteerd in de arresten van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012 en BP4003) en luidt:
X – W – A – B – C < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X - Y).
De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van de belegger. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de lease-overeenkomst. Factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. Zowel B en C moeten worden meegewogen, door deze op het besteedbare netto-maandinkomen in mindering te brengen, aangezien zulke verplichtingen de bestedingsruimte beperken. Factor Y staat voor de NIBUD basisnorm voor het desbetreffende jaar.
Rekening zal voorts moeten worden gehouden met aanwezig vermogen waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst tot effectenlease – geheel of gedeeltelijk – hadden kunnen worden voldaan (bijvoorbeeld door het vermogen te delen door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan en de uitkomst bij de bestedingsruimte mee te tellen). Bij het mee te wegen vermogen moeten buiten beschouwing worden gelaten de (over)waarde van de eventuele eigen woning en de waarde van andere eigendommen die volgens de Wet op de Vermogensbelasting 1964 respectievelijk de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 – afhankelijk van de datum waarop de betrokken overeenkomst is aangegaan – niet tot het vermogen van de wederpartij van Dexia werden gerekend. Buiten beschouwing moet voorts blijven (ander) vermogen van de wederpartij tot een bedrag van € 5.000,-, dan wel tot een bedrag van € 10.000,- als deze met een derde een gezamenlijke huishouding voerde.

4.16.

Partijen zijn het eens dat factor Y € 559,00 bedraagt, dat de factoren

V, W, B en C ieder € 0,00 bedragen en dat geen sprake is van andere bijzondere lasten waarmee in de hof-formule rekening dient te worden gehouden. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de factor X en A.

4.17.

Ten aanzien van de factor X is niet in geschil dat het besteedbaar netto-

maandinkomen van [gedaagde partij] zelf € 574,67 bedraagt. De discussie spitst zich toe tot de vraag of bij de hoogte van factor X rekening moet worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van de ouders van [gedaagde partij]. Volgens Dexia voerde [gedaagde partij], die ten tijde van het sluiten van de lease-overeenkomst nog bij haar ouders inwoonde, met haar ouders een gemeenschappelijke huishouding. Daarom diende, bij de beoordeling van de vraag of sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, mede rekening te worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van haar ouders. Nu [gedaagde partij] niet, althans onvoldoende heeft gesteld dat zij geen profijt heeft getrokken van die inkomens- en vermogenspositie van haar ouders, heeft zij onvoldoende gesteld dat sprake van een onaanvaardbare zware financiële last.

4.18.

De kantonrechter verwerpt dit verweer. [gedaagde partij], geboren op [dag en maand] 1983, was tijdens het sluiten van de lease-overeenkomst een studerende meerderjarige van 18 jaar en vier maanden. De enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] bij haar ouders inwoonde brengt dan niet met zich dat zij met hen een gezamenlijke huishouding voerde, nu in de regel dan sprake is van een aflopende samenlevingssituatie. [gedaagde partij] mocht daarom, bij de beoordeling van de vraag of de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last voor [gedaagde partij] zou opleveren, mede gelet op het feit dat de lease-overeenkomst voor een onafgebroken periode van 180 maanden (dus 15 jaar) werd aangegaan, uitgaan van haar eigen financiële situatie en behoefde geen rekening te houden met de inkomens- en vermogenspositie van haar ouders. Er dient dus te worden uitgegaan van een factor X van € 574,67.

4.19.

Bij die stand van zaken kunnen de stellingen van Dexia omtrent de hoogte van de factor A in het midden blijven. Zelfs indien rekening moet worden gehouden met een korting van 20% over de maandtermijnen van € 113,87, zoals Dexia heeft gesteld en [gedaagde partij] heeft betwist, dan bedraagt de factor A € 91,01. Ook daarvan uitgaande is sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last.

4.20.

Het besteedbaar inkomen is dan immers:
X – W – A – B – C – D = 574,67 – 0 – 91,01 – 0 – 0 – D = € 483,66
De bestedingsnorm is dan:

Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X - Y) = 559 + 0,1 x 559 + 0,15 x (574,67 – 559) = € 617,25.

4.21.

Nu sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last, is de vergoeding die Dexia aan [gedaagde partij] omstreeks 13 januari 2012 heeft uitgekeerd niet conform het door haar gehanteerde Hof-model geweest. Dexia is dus nog een vergoeding verschuldigd aan [gedaagde partij]. Dexia zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte een berekening over te leggen van hetgeen zij nog verschuldigd is aan [gedaagde partij], waarna [gedaagde partij] de gelegenheid krijgt hierop bij akte te reageren.

4.22.

De kantonrechter ziet aanleiding nog het volgende te overwegen. De Hoge Raad heeft op 1 mei 2015, nadat de onderhavige procedure aanhangig is geworden, een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarin heeft hij een op de voet van artikel 392 Rv gestelde prejudiciële vraag beantwoord over de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg, waarbij het ging om termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen), die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst(en) uit hoofde van die effectenleaseovereenkomst(en) heeft betaald. De Hoge Raad heeft de prejudiciële vraag aldus beantwoord dat de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomsten uit hoofde van die effectenleaseovereenkomsten heeft betaald, verschuldigd is telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de inleg daadwerkelijk is voldaan.

4.23.

Nu sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last staat vast dat Dexia niet alleen een deel van de ontstane restschuld dient te vergoeden maar tevens gehouden is om een deel van de betaalde inleg, waaronder termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) te vergoeden. Over de te vergoeden inleg is Dexia wettelijke rente verschuldigd, die berekend dient te worden op de wijze als door de Hoge Raad in voornoemd arrest beslist. Nu partijen hun standpunten nog niet op dit arrest hebben kunnen aanpassen en dit arrest van invloed is op de hoogte van het door Dexia aan [gedaagde partij] verschuldigde bedrag, zal de kantonrechter Dexia ambtshalve in de gelegenheid stellen bij akte een berekening over te leggen, zowel wat grondslagen daarvan betreft als wat uitwerking daarvan aangaat, ter bepaling van de hoogte van de nog door Dexia verschuldigde wettelijke rente. [gedaagde partij] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop bij akte te reageren.

De rol van de tussenpersonen

4.24.

[gedaagde partij] stelt dat Dexia op grond van artikel 6:76 BW dan wel

6:171 BW en/of artikel 6:172 BW aansprakelijk is voor het handelen van de tussenpersonen.

[gedaagde partij] doelt daarbij meer specifiek op de onjuiste advisering door deze

tussenpersonen bij de totstandkoming van de onderhavige lease-overeenkomst. Voorts heeft

Dexia door gebruik te maken van de betreffende tussenpersonen in strijd gehandeld met

artikel 41 van de Nadere Regeling, waardoor Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en

aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. De betrokkenheid van deze

tussenpersonen vermindert de mate van de eigen schuld. Daardoor bestaat aanspraak op een

ruimere schadevergoeding dan op grond van de Hof-formule zou worden toegekend, aldus –

nog steeds – [gedaagde partij].

4.25.

Het meest verstrekkende verweer van Dexia is dat de vorderingen, voor zover deze hun grondslag vinden in het handelen van de tussenpersonen zijn verjaard, omdat [gedaagde partij] zich in deze procedure voor het eerst beklaagt over het optreden van de tussenpersonen. Alle eerdere vorderingen zagen op een schending van de zorgplicht en berustten op een andere juridische grondslag.

4.26.

[gedaagde partij] heeft daartegen aangevoerd dat zij door middel van de als productie 35 overgelegde brief aan Dexia de verjaring van haar vordering tot terugbetaling van alle door haar betaalde bedragen tijdig heeft gestuit en dat zij in deze brief verschillende grondslagen heeft genoemd, zoals dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden, misleidende reclame en/of onrechtmatige daad en daarbij het voorbehoud heeft gemaakt om andere grondslagen aan te voeren.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde partij] door middel van deze brief haar gepretendeerde rechtsvordering tot schadevergoeding, ook voor zover deze zijn gegrond op (een schending van) voornoemde artikelen, tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Uit de inhoud van deze brief kon Dexia voldoende duidelijk afleiden waartegen zij zich had te verweren. Een bevestiging dat Dexia ook heeft begrepen dat zij aansprakelijk werd gehouden voor het handelen van de tussenpersonen kan, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, worden gevonden in de door [gedaagde partij] als productie 36 overgelegde bijlage met opschrift ‘Juridische positie Dexia’ die Dexia naar aanleiding van verwijten door onder andere Stichting Leaseverlies, de Stichting Eegalease en een aantal cliënten met effectenleaseovereenkomsten in januari 2005 heeft gestuurd. In deze brief schrijft Dexia:

Daarnaast wijzen wij u erop dat voor zover uw klacht betrekking mocht hebben op voorlichting door tussenpersonen wij in beginsel niet verantwoordelijk zijn voor het handelen van tussenpersonen (…)

4.27.

Ook hieruit volgt immers dat Dexia er in 2005 ook zelf al rekening mee hield dat aansprakelijkheidstellingen mede betrekking hadden op het handelen van de tussenpersonen.
Nu voor de aanvang van de verjaringstermijn niet is vereist dat degene die weet dat er schade is geleden ook bekend is met de exacte oorzaak van de schade en de juridische grondslag van zijn vordering, kan aan het rechtsgeldig stuiten van de verjaringstermijn niet de eis gesteld kan worden dat bij de stuitingshandeling steeds de exacte feitelijke en juridische grondslagen genoemd worden. Een dergelijke eis wordt in artikel 3:317 BW ook niet gesteld. Nu Dexia nog niet op voornoemde, bij conclusie van dupliek overgelegde, bescheiden heeft kunnen reageren, zal de kantonrechter Dexia in de gelegenheid stellen dit alsnog bij akte te doen.

4.28.

Dexia voert als verweer aan dat [gedaagde partij] geen reconventionele vordering heeft ingesteld. Dit betoog kan Dexia niet baten. Immers die enkele omstandigheid laat onverlet dat, indien in deze procedure geoordeeld moet worden dat Dexia niet aan al haar verplichtingen heeft voldaan, de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia wel aan haar verplichtingen heeft voldaan, niet kan worden afgegeven. Evenmin kan in dat geval, ondanks het ontbreken van een reconventionele vordering, voor recht worden verklaard dat Dexia niets meer verschuldigd is aan de belegger. Het staat de belegger dan immers in beginsel vrij om alsnog een vordering in rechte in te stellen.

4.29.

Uit praktische overwegingen zal de kantonrechter, vooruitlopend op de uitlating door Dexia, de ingestelde vordering met betrekking tot het handelen van de tussenpersonen inhoudelijk beoordelen.

4.30.

[gedaagde partij] voert aan dat de tussenpersonen een bepaalde rol hebben gespeeld voorafgaande aan en ten tijde van het sluiten van de bewuste lease-overeenkomst. De gestelde gedragingen van de tussenpersonen – advisering over het product – zijn echter niet verricht ter uitvoering van enige verplichting dan wel verbintenis uit een tussen [gedaagde partij] en Dexia overeengekomen lease-overeenkomst. Dat leidt tot de conclusie dat aansprakelijkheid van Dexia jegens [gedaagde partij] niet kan worden gebaseerd op artikel 6:76 BW. Dit artikel ziet immers op de aansprakelijkheid van (in dit geval) Dexia voor gedragingen van een door haar ingeschakelde derde (tussenpersoon) bij de uitvoering van verbintenissen uit een tussen partijen gesloten overeenkomst. Verwezen wordt naar de arresten van Hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135, r.o. 3.14, 3.15) en van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081, r.o. 3.5) alsmede van het hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736, rov. 4.12.1 en 4.12.2.) waarin de hier bedoelde aansprakelijkheid van Dexia voor het handelen van tussenpersonen op grond van artikel 6:76 BW reeds werd behandeld en verworpen.

4.31.

Het door [gedaagde partij] gedane beroep op artikel 6:172 BW faalt onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 3.15 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135), welke rechtsoverwegingen zijn herhaald in het arrest van het hof Amsterdam van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081), die de kantonrechter tot de zijne maakt en welke als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. [gedaagde partij] heeft dienaangaande onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de tussenpersonen bij de totstandkoming van de onderhavige lease-overeenkomst op grond van een volmacht dan wel op enig ander moment als vertegenwoordiger van Dexia zijn opgetreden.

4.32.

[gedaagde partij] heeft verder een beroep op artikel 6:171 BW gedaan en gesteld dat Dexia op die grond aansprakelijk zou zijn voor de gedragingen van de tussenpersonen. Ook dit verweer faalt onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 3.14 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135), de rechtsoverwegingen 3.8 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1136) en het herhalen van dit oordeel door het hof Amsterdam in haar arrest van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081 r.o. 3.5), alsmede het arrest van het hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736, rov. 4.11.1 e.v.). Naar die overwegingen wordt verwezen. De tussenpersonen zijn, zo stelt [gedaagde partij], opgetreden als financieel adviseurs. Daarmee ligt de vraag voor of de door [gedaagde partij] omschreven advieswerkzaamheden van de tussenpersonen tot de werkzaamheden ter uitvoering van het bedrijf van Dexia behoorden. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Uit hetgeen [gedaagde partij] naar voren heeft gebracht volgt niet dat zij voldoende gronden had om er van uit te gaan dat tussen de tussenpersonen en Dexia een zekere eenheid van onderneming bestond. In het licht van het voorgaande heeft [gedaagde partij] haar stelling dat de tussenpersonen namens Dexia zijn opgetreden als financieel adviseurs onvoldoende onderbouwd.

4.33.

[gedaagde partij] stelt verder dat de lease-overeenkomst is gesloten op basis van een concreet op haar persoonlijke situatie toegesneden advies van de tussenpersonen, die zich als deskundig adviseurs op financieel gebied presenteerden. De tussenpersonen bezochten haar thuis voor een adviesgesprek. Toen [gedaagde partij] de tussenpersonen vertelde dat zij wilde sparen om daarmee uit huis te kunnen gaan, adviseerden de tussenpersonen haar een Capital Effect aan te gaan. De tussenpersonen hielden [gedaagde partij] voor dat dit een spaarproduct was waaraan geen risico’s waren verbonden maar dat wel een kans bood op een beter rendement dan gewoon sparen. In het meest ongunstige geval zou er geen rendement uitgekeerd worden, maar [gedaagde partij] zou altijd het ingelegde geld terug krijgen. Nu dit advies niet strookte met haar doelstelling, het sparen om daarmee uit huis te kunnen gaan, is sprake geweest van een onjuist advies. Volgens [gedaagde partij] wist Dexia dat de werkzaamheden van de tussenpersonen zich niet beperkten tot het als cliëntenremisier aanbrengen van haar als potentiële cliënt bij Dexia, maar tevens adviesdiensten omvatten en het doorgeven van orders aan Dexia. Hiermee heeft Dexia volgens [gedaagde partij] in strijd met artikel 41 van de Nadere Regeling gehandeld en daarmee onrechtmatig jegens [gedaagde partij].

4.34.

Dexia betwist dat de tussenpersonen hebben geadviseerd op de door belegger gestelde wijze en als orderremisier optrad. Zij stelt dat de tussenpersonen uitsluitend als cliëntenremisier zijn opgetreden en derhalve ingevolge artikel 12, eerste lid sub c Vrijstellingsregeling Wte 1995 was vrijgesteld van de vergunningplicht uit hoofde van artikel 7 Wte 1995, ingevolge welk artikel het verboden was zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Verder betoogt zij dat naar het toenmalige recht het geven van (specifieke) beleggingsadviezen niet aan enige vergunningplicht was onderworpen. De tussenpersonen hebben ook daarom niet in strijd met artikel 7 Wte gehandeld en Dexia niet in strijd met 41 van de Nadere Regeling.

4.35.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] de stelling dat de tussenpersonen als orderremisier zijn opgetreden onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de tussenpersonen volgens de Handleiding Effectenlease van Dexia mede moesten ondertekenen en de door Dexia opgestelde en ondertekende overeenkomst ter ondertekening toestuurden aan [gedaagde partij] is daartoe onvoldoende. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die met zich brengen dat het eventuele optreden van de tussenpersonen als orderremisier tot een andere schadeverdeling zou moeten leiden dan die op grond van de Hof-formule.

4.36.

Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 41 van de Nadere Regeling op grond van het feit dat de tussenpersonen – met wetenschap van Dexia – hebben geadviseerd, overweegt de kantonrechter, onder verwijzing naar het arrest van het hof Den Bosch van
10 juli 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736), als volgt.
Ingevolge artikel 41 van de Nadere Regeling, aanhef en onder d dient een effecteninstelling zich met betrekking tot een natuurlijk persoon of rechtspersoon waarop artikel 21, eerste lid Wte 1995 van toepassing maar die niet was ingeschreven in het daarin bedoelde register, te onthouden van het accepteren van door deze instelling aangebrachte cliënten of cliëntenorders. Ingevolge de toelichting op deze bepaling was het effecteninstellingen, zoals Dexia, verboden om cliënten of cliëntenorders te accepteren van natuurlijke personen of rechtspersonen die activiteiten ontplooien zonder over de vereiste vergunning of vrijstelling te beschikken. Of sprake is van een schending van artikel 41 van de Nadere Regeling hangt dus af van de vraag of de cliëntenremisier in strijd heeft gehandeld met de ingevolge de Wte 1995 geldende vergunningplicht, danwel de voorwaarden die aan de vrijstelling werden gesteld. Dit hangt, er veronderstellerwijze vanuit gaande dat de tussenpersonen hebben geadviseerd in de door [gedaagde partij] gestelde zin, mede af van het antwoord op de vraag of het de van de vergunningsplicht vrijgestelde tussenpersonen was toegestaan beleggingsadviezen te verstrekken. Het hof Den Bosch is in de rechtsoverwegingen 4.14.1 tot en met 4.14.7 van voornoemde uitspraak tot het oordeel gekomen dat het de van een vergunning vrijgestelde effectenbemiddelaar en dus een cliëntenremisier, niet was toegestaan om beleggingsadviezen te geven met betrekking tot effecten. De kantonrechter sluit zich bij dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen aan.

4.37.

De stelling van Dexia dat het geven van beleggingsadviezen indertijd geen vergunningplichtige activiteit was, kan haar niet baten. Dexia gaat met deze stelling eraan voorbij dat, zoals uit de memorie van toelichting bij de Wet toezicht (21038, nr. 3 vergadering jaar 1988-1989, p. 18 en 19) volgt, hieraan de voorwaarde wordt gesteld dat beleggingsadviseurs


zelf op generlei wijze betrokken zijn bij de uitvoering van effectentransacties dan wel bij de aanbieding van bemiddeling door enige bemiddelaar (…). Indien bij voorbeeld de advisering geheel of mede de keuze van een effectenbemiddelaar betreft, is wel sprake van betrokkenheid van de adviseur bij de aanbieding van bemiddeling en zal de adviseur als bemiddelaar moeten worden beschouwd.

4.38.

Hieruit volgt dat de combinatie van het in contact brengen van een potentiële cliënt en het verrichten van adviesdiensten, die mede de keuze van een effecteninstelling inhouden, niet was toegestaan, maar kennelijk was voorbehouden aan instellingen die over een vergunning ingevolge de Wte 1995 beschikten.

4.39.

Uit het voorgaande vloeit voort dat, indien de stellingen van [gedaagde partij] omtrent de advisering juist zijn en Dexia wist dat de tussenpersonen tevens adviseerden, Dexia in strijd met artikel 41 van de Nadere Regeling heeft gehandeld. Van causaal verband tussen de schending van artikel 41 Nadere Regeling en de schade zal echter alleen sprake zijn indien de tussenpersonen een onjuist advies hebben verstrekt. In dat verband is van belang dat Dexia niet gemotiveerd heeft betwist dat, indien vast komt te staan dat de tussenpersonen in de gestelde zin hebben geadviseerd, dit advies onjuist was. Daarvan kan dus in het vervolg worden uitgegaan.

4.40.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersonen haar in voornoemde zin hebben geadviseerd en dat Dexia wetenschap had van het feit dat de tussenpersonen [gedaagde partij], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies hebben verstrekt, rusten op [gedaagde partij].

4.41.

Wat betreft deze wetenschap bij Dexia verwijst [gedaagde partij] naar de als productie 32 overgelegde teksten van de website van Dexia, luidende:

Labouchere beleggingsproducten
De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed, persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de verschillende producten.

Deze bieden wij u aan via gespecialiseerde onafhankelijke financieel adviseurs. De zorgvuldig geselecteerde financieel intermediairs kunnen u in deze fiscaal ingewikkelde tijden deskundig begeleiden bij de snelle en efficiënte opbouw van een aantrekkelijk kapitaal. De financieel intermediairs van Bank Labouchere Beleggingsproducten worden continue getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten.

4.42.

Hieruit kan voorshands worden afgeleid dat het Dexia bekend moet zijn geweest dat de tussenpersonen ook op de persoonlijke situatie toegesneden adviezen verstrekten en adviseerden over specifieke producten van Dexia. Nu Dexia nog niet op deze productie, die eerst bij conclusie van dupliek is overgelegd, heeft kunnen reageren, zal zij in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte te doen.

4.43.

Het bewijs van de stelling dat de tussenpersonen het in rechtsoverweging 4.33. gestelde, op haar persoonlijke situatie, toegesneden advies over dit specifieke product hebben gegeven, is nog niet geleverd. [gedaagde partij] zal zo nodig, na beoordeling van de door Dexia overgelegde akten, in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren.

4.44.

Indien [gedaagde partij] in die bewijslevering slaagt, ziet de kantonrechter aanleiding om uit te gaan van een andere verdeling van de eigen schuld dan op grond van de Hof-formule is aangenomen. Daartoe is enerzijds redengevend dat, indien [gedaagde partij] het gestelde, op haar persoonlijke situatie toegesneden advies en over dit specifieke product heeft gekregen, [gedaagde partij] eerder mocht afgaan op dat verstrekte advies en minder snel bedacht behoefde te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in niet vermelde risico’s dan diegene die zich zonder dat advies te hebben ingewonnen wendde tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. Anderzijds geldt dat ook in dat geval van [gedaagde partij] mocht worden verwacht dat zij zich redelijke inspanningen getroostte om de lease-overeenkomst te begrijpen, zodat, afhankelijk van de omstandigheid of nog andere bijzondere zorgplichten (de waarschuwingsplicht dan wel de onderzoeksplicht) zijn geschonden, een deel van het geleden nadeel, als gevolg van aan haarzelf toe te rekenen omstandigheden voor rekening van [gedaagde partij] dient te blijven.

4.45.

In casu staat vast dat sprake is van een schending van de waarschuwingsplicht. Verder is, zoals hiervoor is geoordeeld, volgens de criteria van de Hof-formule sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last. Tegen die achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat, op grond van het bepaalde in artikel 6:101 BW, 20% van de nadelige gevolgen (de restschuld en het saldo van de inleg) voor rekening van [gedaagde partij] dient te blijven en bedraagt de verplichting tot schadevergoeding van Dexia dus 80% van die nadelige gevolgen.

Aankoop en behoud aandelen

4.46.

De stellingen van [gedaagde partij] inhoudende dat Dexia niet op de in de lease-overeenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagde partij] aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In de beschikking d.d. 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande lease-overeenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in zijn arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). In dit arrest heeft het hof Amsterdam eveneens de stelling verworpen dat uit het feit dat in de jaarrekeningen aanzienlijke optieposities worden genoemd om de verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomsten af te dekken, volgt dat Dexia geen aandelen heeft gekocht. De kantonrechter sluit zich bij de daarin genoemde overwegingen aan. Daarbij komt dat de gegevens uit de jaarrekeningen waarnaar [gedaagde partij] verwijst in de onderzoeksperiode ook bekend waren en kennelijk geen aanleiding vormden voor nader onderzoek op dit punt voor de betrokken partijen. Concrete feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven voor een nieuw onderzoek zijn door [gedaagde partij] onvoldoende gemotiveerd gesteld. zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagde partij] worden gepasseerd. De recente jurisprudentie waarop [gedaagde partij] in dit verband heeft gewezen betrof een ander product en een andere aanbieder en heeft geen betrekking op Dexia of op de in geschil zijnde effectenlease-producten.

Beurskoersen

4.47.

[gedaagde partij] stelt verder dat Dexia bij de aankoop van de aandelen waar de lease-overeenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd, omdat zij mogelijk een opslag zou hebben gehanteerd. Zij stelt dat Dexia door de wijze waarop zij de aandelen aankocht een gemiddelde prijs kon behalen, maar mogelijk een opslag heeft berekend door aan de belegger de hoogste dagkoers in rekening te brengen.

De kantonrechter sluit zich aan bij het standpunt van Dexia en overweegt dat de bij aankoop gehanteerde beurskoersen in de overeenkomsten zelf zijn opgenomen en voorts dat de exacte informatie over de beurskoersen op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk is. Tegen die achtergrond heeft [gedaagde partij] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat Dexia in haar concrete geval een onjuiste koers in rekening heeft gebracht. Uit de door [gedaagde partij] gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat Dexia een hogere dagkoers dan de laagste danwel de door Dexia behaalde gemiddelde dagkoers in rekening heeft gebracht. [gedaagde partij] heeft daarmee onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in haar geval en met betrekking tot de in geding zijnde lease-overeenkomst onjuist dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige lease-overeenkomst.

Beleggingstechnische tekortkomingen

4.48.

[gedaagde partij] stelt dat de door Dexia aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor [gedaagde partij] ofwel heeft gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagde partij] meent dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven.

  1. De samenstelling van de portefeuille is onvoldoende gespreid; het zijn drie of vier fondsen, terwijl het tien tot twintig fondsen zouden moeten zijn.

  2. Feitelijk is het onmogelijk de leaseovereenkomsten tussentijds te beëindigen of de aandelen om te wisselen.

  3. Gezien de hoge rente op de lening bestaat een (zeer) geringe kleine mogelijkheid om rendement te maken.

  4. De leaseovereenkomsten bieden geen mogelijkheid om koersverliezen af te dekken.

  5. Er dient niet belegd te worden met geleend geld.

4.49.

De stellingen van [gedaagde partij], daaronder begrepen de verwijzing naar de conclusies van prof. dr. M. Damm in zijn rapport van 16 september 2013 waar in deze procedure naar wordt verwezen, zijn in het arrest van hof Amsterdam d.d. 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) en het arrest van het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:32) uitgebreid besproken en verworpen (vgl. r.o. 3.18 respectievelijk r.o. 10 en 11 van die arresten). Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling in verband met een onjuiste voorstelling van zaken betreffende de beleggingstechnische risico’s. De kantonrechter verwijst naar die overwegingen en neemt deze over. De stelling dat effectenleaseovereenkomsten zoals Dexia die aanbood veel meer risico in zich droegen dan het ‘gewoon’ beleggen in aandelen met geleend geld en dat bij de vaststelling van de mate van eigen schuld van de afnemers rekening zou moeten worden gehouden met een veel hoger risico bij effectenleaseproducten dan een normaal beleggersrisico, wordt verworpen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.50.

Dexia heeft op basis van het Hof-model buiten rechte een uitkering aan [gedaagde partij] gedaan. Leaseproces stelt dat Dexia naast dit uitgekeerde bedrag in ieder geval een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten had moeten betalen. Zij stelt dat zij talrijke activiteiten buiten rechte heeft verricht om Dexia buiten rechte tot betaling van het uitgekeerde bedrag te krijgen. Dexia betwist dat de verrichte werkzaamheden als buitengerechtelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Dexia betwist niet dat [gedaagde partij] in ieder geval een inschrijffee aan Leaseproces heeft betaald voor de verrichte werkzaamheden en – afhankelijk van de uiteindelijk door [gedaagde partij] te ontvangen schadevergoeding – mogelijk nog een nader bedrag zal moeten betalen, waarvan de omvang thans nog niet is vast te stellen. Dexia stelt immers dat Leaseproces volgens een no cure, no pay constructie werkt en dat cliënten van Leaseproces uitsluitend een vergoeding verschuldigd zijn als sprake is van een beter resultaat dan zij op grond van de Duisenbergregeling zouden ontvangen. In dat geval is de cliënt over dat betere behaalde resultaat een percentage aan kosten aan Leaseproces verschuldigd.

4.51.

De kantonrechter oordeelt als volgt. [gedaagde partij] geeft in de conclusie van antwoord een uitvoerige beschrijving van werkzaamheden die haar gemachtigde, Leaseproces, heeft verricht en die er uiteindelijk toe hebben geleid dat Dexia tot uitkering van het onder 2.5. genoemd bedrag is overgegaan. Een deel van die werkzaamheden zijn aan te merken als werkzaamheden ter instructie van de zaak waarvoor de artikelen 237 - 241 Rv, nu thans een procedure aanhangig is, een vergoeding plegen in te sluiten. Een deel ziet echter ook op werkzaamheden die niet zijn aan te merken als handelingen verricht ter instructie van de zaak (zoals het merendeel van de werkzaamheden genoemd in de conclusie van antwoord onder 77 en volgende). Voor die werkzaamheden dient Dexia [gedaagde partij] alsnog een vergoeding te betalen. Dat deze werkzaamheden deels een gestandaardiseerde vorm aannamen, zoals Dexia betoogt, doet daaraan niet af. Deze werkzaamheden zijn mede verricht met het oog op het individuele belang van [gedaagde partij] en zijn, waar nodig met het oog op dat belang, geïndividualiseerd.
De kantonrechter acht het, gelet op de hiervoor uiteengezette en door [gedaagde partij] niet betwiste bijzondere offertestructuur van Leaseproces, redelijk om, in afwijking van de staffel kanton, aansluiting te zoeken bij het werkelijke betaalde of nog te betalen bedrag aan Leaseproces. Dexia zal een deel van het door [gedaagde partij] aan Leaseproces betaalde of nog te betalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten moeten vergoeden. Dit deel stelt de kantonrechter vast op 70% van het door [gedaagde partij], op basis van de no cure, no pay structuur, aan Leaseproces verschuldigde bedrag. Nu, gelet op de nog openstaande geschilpunten, nog niet vaststaat of [gedaagde partij] een beter resultaat zal behalen dan zij op grond van de Duisenbergregeling zou ontvangen, staat het aan Leaseproces verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke kosten nog niet vast. [gedaagde partij] zal in een later stadium van deze procedure in de gelegenheid worden gesteld, zich hierover uit te laten.

Wel merkt de kantonrechter op dat niet kan worden uitgegaan van het door [gedaagde partij] in de conclusie van antwoord genoemde bedrag. Dit bedrag lijkt immers mede een vergoeding te bevatten voor de met de onderhavige door Dexia aanhangig gemaakte procedure gemoeide kosten. Deze komen niet op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW voor vergoeding in aanmerking, omdat deze moeten worden aangemerkt als proceskosten waarvoor de artikel 237-241 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Dit bedrag is dus niet toewijsbaar.

Conclusie

4.52.

De conclusie is dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last en dat ten aanzien van de rol van de tussenpersoon, de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente nog onduidelijkheid bestaat over de vraag of Dexia aan haar verplichtingen tegenover [gedaagde partij] heeft voldaan.

4.53.

Dexia zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte op de roldatum van 29 juli 2015 de berekeningen over te leggen als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.21. en 4.23, waarna [gedaagde partij] de gelegenheid krijgt hierop bij akte te reageren.

4.54.

Verder zal Dexia in de gelegenheid worden gesteld om zich op de roldatum van
29 juli 2015 bij akte uit te laten, zoals vermeld in rechtsoverwegingen 4.27. en 4.42. Nu het een uitlating betreft over producties die [gedaagde partij] bij conclusie van dupliek heeft overgelegd, krijgt uitsluitend Dexia de gelegenheid hierop te reageren. Voor een antwoord-akte aan de zijde van [gedaagde partij] op dit onderdeel is, anders dan bij de berekeningen genoemd in 4.53. geen plaats.

4.55.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt Dexia in de gelegenheid zich bij akte op de roldatum van 29 juli 2015 uit te

laten zoals vermeld in rechtsoverweging 4.53. en 4.54.,

5.2.

bepaalt dat [gedaagde partij] uitsluitend gelegenheid krijgt om bij akte te reageren op de

ingevolge rechtsoverweging 4.53. door Dexia overgelegde berekeningen betreffende de onaanvaardbaar zware financiële last en de wettelijke rente,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op