Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4136

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
2262334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Artt. 1:439 BW, 1:441 BW, 143 Rv, 144 Rv. Overeenkomst; beschermingsbewind; verstekvonnis, executie, verzet, aanvang verzettermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2014/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

uitspraak van

vonnis

in de zaak met nummer 2262334 \ CV EXPL 13-11502 \ 282fh van

[Rechthebbende]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in verzet

verwerende partij in conventie

eisende partij in reconventie

in dezen op de voet van art. 1:441 BW vertegenwoordigd door haar bewindvoerder, [De bewindvoerder] te Overbetuwe,

gemachtigde mr. A. van Oosten

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Leidse Onderwijsinstellingen B.V., tevens handelend onder de naam LOI

die gevestigd is en kantoor houdt te Leiderdorp

gedaagde partij in verzet

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde LAVG Roosendaal

en in de zaak met nummer 2316813 \ VV EXPL 13-20188 \ 282fh van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Leidse Onderwijsinstellingen B.V., h.o.d.n. LOI

gevestigd en kantoorhoudende te Leiderdorp

eisende partij in de hoofdzaak

verwerende partij in het incident

gemachtigde LAVG Roosendaal

tegen

[Rechthebbende]

woonplaats hebbende te [woonplaats]

gedaagde partij in de hoofdzaak

verwerende partij in het incident

gemachtigde mr. A. van Oosten

Partijen worden hierna [Rechthebbende], de bewindvoerder en LOI genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met nummer 2262334 \ CV EXPL 13-11502

- de verzetdagvaarding van 2 augustus 2013 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

en in de zaak met nummer 2316813 \ VV EXPL 13-20188

- de conclusie in het incident (opgenomen in de verzetdagvaarding in de andere zaak);

- de conclusie van antwoord in het incident met producties (zie de brief van de griffier van 3 september 2013);

- het faxbericht van mr. Van Oosten aan de kantonrechter van 4 september 2013 met producties;

- het faxbericht van mr. Van Oosten aan de kantonrechter van 26 september 2013 met producties;

in beide zaken voorts:

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 1 oktober 2013.

2 De feiten

2.1.

De Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders (LAVG) te Groningen schrijft op 10 januari 2011 aan [Rechthebbende] onder vermelding van een dossiernummer onder meer:

“In opgemelde zaak heeft u tot op heden verzuimd te betalen c.q. voor de aflossing van de afgesproken regeling na te komen. Van onze opdrachtgever hebben wij thans de opdracht ontvangen om beslag te leggen op uw inboedel zoals reeds bij exploit aangekondigd en deze, mocht er na beslaglegging nog niet worden betaald, te veilen.”

2.2.

Bij beschikking van de toenmalige rechtbank Arnhem van 25 februari 2011 is [vorige bewindvoerder] ontslagen van haar bewindvoerderschap over [Rechthebbende] (de datum van ingang van dit bewindvoerderschap is niet in het procesdossier te vinden) en is de [De bewindvoerder] te [vestigingsplaats], benoemd tot bewindvoerder.

2.3.

De bewindvoerder bericht op 3 juli 2011 per e-mail aan LAVG te Groningen, voor zover hier van belang:

“[persoon X] en [Rechthebbende] thans wonend aan het adres [woonplaats], staan bij ons onder bewind ([Rechthebbende]) en curatele ([persoon X]).

Wij willen u vriendelijk verzoeken om de correspondentie aan het onderstaande adres te richten.

Ons adres is: [De bewindvoerder], [postbus adres].

Tevens willen wij u verzoeken of er eventuele openstaande vorderingen bij u bekend zijn. Zo ja, dan willen wij u verzoeken om deze tijdelijk op te schorten tot nadere orde, daar wij bezig zijn om alle schulden te inventariseren.”

2.4.

Op een bankrekening van Van den Heuvel cs inzake derdengelden te Nijmegen is op 26 juni 2013 een bedrag van € 457,70 ten laste van het Openbaar Lichaam Regionale Sociale Dienst De Liemers te [woonplaats] (verder te noemen: De Liemers) bijgeschreven. Op het rekeningafschrift is vermeld bij de betaling vermeld:

“SAMENWERKING DE LIEMERS

Postbus 45

6920 AA DUIVEN

8358 17-01-1957 201305

[persoon X]

13143813 + 13135609”

2.5.

De Liemers deelt bij brief van 1 juli 2013 aan [Rechthebbende] mee, dat op haar uitkering krachtens de Wet werk en bijstand executoriaal beslag is gelegd in verband met haar schuld aan LOI.

2.6.

De bewindvoerder schrijft op 29 juli 2013 per e-mail aan LAVG Zuid te Roosendaal onder meer:

“De volgende persoon staat bij ons onder beschermingsbewind (artikel 1:431 e.v. BW):

[Rechthebbende], geboorte datum[geboortedatum],

thans wonend aan het adres [straat en nummer] [woonplaats].

1. Bij beschermingsbewind vertegenwoordigt de bewindvoerder de onder bewind gestelde in en buiten rechte. De onder bewind gestelde is handelingsonbevoegd. Het bewind geeft hem of haar ten minste rechtsbescherming tegen die partijen die op de hoogte zijn van het bewind of hiervan op de hoogte hadden kunnen zijn.

2. Op 11 juli 2013 heeft de [De bewindvoerder] via de sociale dienst De Liemers kennis genomen van het schrijven inzake een executoriaal beslag door LAVG Roosendaal op 26 juni 2013. Het betreft een niet nader omschreven vordering die bij de [De bewindvoerder] tot op dat moment onbekend was. Het was op 11 juli niet eens duidelijk op wie de vordering betrekking had.

3. Via telefonisch contact tussen de [De bewindvoerder] en LAVG Zuid BV op 19 juli jl. heeft de Stichting vernomen dat het een vordering betreft van LOI op [Rechthebbende]

4. LOI was echter op de hoogte van het bewind van [Rechthebbende] of had hiervan op de hoogte kunnen en moeten zijn, immers er blijkt een oudere vordering van LOI op [Rechthebbende] te hebben bestaan, die door gemachtigde LAVG Noord BV is geïncasseerd.

5. Tussen LAVG Noord BV en de Stichting heeft over deze oude vordering correspondentie plaatsgevonden. LAVG Noord BV was als gemachtigde van LOI hiermee op de hoogte van het bewind en derhalve had ook opdrachtgever LOI zelf van het bewind op de hoogte kunnen zijn.

6. Nu blijkt dus een nieuwe vordering te bestaan van LOI die door gemachtigde LAVG Zuid BV wordt geïncasseerd middels een beslag op de uitkering van [Rechthebbende]

7. Dit beslag is volgens de [De bewindvoerder] onrechtmatig.

(…)

10. Nu de [De bewindvoerder] stelt, niet op de hoogte te zijn geweest van de nieuwe vordering, noch van de dagvaarding en verstekvonnis inzake deze vordering, is alle grond aanwezig om LOI in een verzet procedure te dagvaarden en haar niet ontvankelijk te laten verklaren, c.q. de vordering af te laten wijzen.”

2.7.

Bij brief van 30 juli 2013 betreffende LOI/[Rechthebbende] bevestigt LAVG dat de correspondentie aan het kantoor van de bewindvoerder zal worden gericht.

3 De vordering en het verweer in de hoofdzaak in conventie

3.1.

LOI heeft [Rechthebbende] op 20 februari 2013 gedagvaard voor de kantonrechter alhier en gevorderd dat [Rechthebbende] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zou worden veroordeeld tot betaling van € 969,05 met de wettelijke rente over € 750,25 vanaf de dag van dagvaarding en kosten rechtens, waaronder begrepen een bedrag voor salaris en verschotten van de gemachtigde van LOI.

3.2.

De vordering was gegrond op de stelling dat [Rechthebbende] zich op de door LOI gestelde voorwaarden heeft aangemeld voor een opleiding, dat LOI haar verplichtingen uit de desbetreffende overeenkomst is nagekomen, althans nakoming daarvan heeft aangeboden en dat [Rechthebbende] van haar kant weigerachtig, althans nalatig is het cursusgeld ad € 750,25 te voldoen.

3.3.

[Rechthebbende] is in die procedure niet verschenen. Bij vonnis van 3 april 2013 onder zaak-/rolnummer 870821 CV EXPL 13-2386 is [Rechthebbende] bij verstek veroordeeld overeenkomstig de vordering met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten.

3.4.

Op verzoek van LOI is bij deurwaardersexploot van 29 juni 2013 aan De Liemers betekend de grosse van het hiervoor bedoelde vonnis en is onder De Liemers executoriaal derdenbeslag gelegd.

3.5.

In verzet vordert de bewindvoerder voor en namens [Rechthebbende] dat zij zal worden ontheven van de veroordeling bij het verstekvonnis en dat de vordering van LOI alsnog niet-ontvankelijk verklaard dan wel afgewezen zal worden, met veroordeling van de LOI in de kosten van het verstek en het verzet.

4 De vordering en het verweer in de hoofdzaak in reconventie

4.1.

De bewindvoerder vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

ten aanzien van de overeenkomst tussen [Rechthebbende] en LOI:

zal verklaren voor recht, dat de bewindvoerder zijn toestemming aan de overeenkomst onthoudt en dat deze derhalve niet geldig is;

ten aanzien van de restitutievordering van [Rechthebbende]:

LOI zal veroordelen om alles wat zij ten titel van het verstekvonnis ten laste van [Rechthebbende] heeft geïncasseerd en incasseert na ommekomst van de einduitspraak in dezen terstond aan [Rechthebbende] terug te betalen;

ten aanzien van het beslag:

het door LOI ten laste van [Rechthebbende] gelegde beslag zal opheffen;

en LOI zal veroordelen in de kosten van de reconventionele vorderingen.

4.2.

De bewindvoerder grondt haar vordering op de stelling dat LOI op de hoogte was, althans kon zijn van het beschermingsbewind over [Rechthebbende] en dat dus niet [Rechthebbende], maar de bewindvoerder had moeten worden gedagvaard.

5 De vordering en het verweer in het incident

5.1.

De bewindvoerder vordert dat de kantonrechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, aldus dat het beslag zal worden opgeheven.

5.2.

Deze vordering is gegrond op dezelfde motivering als voor de gelijkluidende vordering in de hoofdzaak in reconventie.

6. De beoordeling in beide zaken, zowel in conventie als in reconventie en in het incident

6.1.

De kantonrechter zal in dit vonnis einduitspraak doen. Er is geen aanleiding om in de zaak met nummer 2316813 \ VV EXPL 13-20188 afzonderlijk op de provisionele vordering en in de hoofdzaak te beslissen.

6.2.

LOI heeft aangevoerd dat [Rechthebbende] de verzettermijn ongebruikt heeft laten verstrijken, zodat zij in haar verzet niet ontvankelijk is. LOI betoogt primair met verwijzing naar het bepaalde in artikel 143 lid 3 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), dat de verzettermijn van vier weken (artikel 143 lid 2 Rv) is aangevangen op 26 juni 2013, de datum waarop in het kader van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis een betaling ten laste van [Rechthebbende] aan de gemachtigde van LOI heeft plaatsgevonden. Subsidiair betoogt LOI dat de verzettermijn is aangevangen op 3 juli, de datum waarop de bewindvoerder heeft gehoord van het beslag.

6.3.

Nu LOI niet stelt dat het verstekvonnis aan de bewindvoerder is betekend en ook niet dat de verzettermijn is aangevangen op een tijdstip van het plegen door de bewindvoerder van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging daarvan hem bekend is, is de vraag aan de orde of, gegeven het bepaalde in artikel 143 lid 3 Rv de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis de verzettermijn heeft doen aanvangen.

6.4.

In artikel 144 is bepaald hoe artikel 143 lid 3 Rv moet worden gelezen en toegepast. Volgens de aanhef en onder b van dat artikel wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd in geval ven derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling.

6.5.

Vast staat dat LOI ten laste van [Rechthebbende] executoriaal derdenbeslag heeft doen leggen onder De Liemers en dat een betaling op grond van dat beslag heeft plaatsgevonden (zie hiervoor onder 2.4). Het moet er dus in beginsel voor worden gehouden dat de verzettermijn krachtens de genoemde bepalingen is aangevangen op 26 juni 2013, de datum van die betaling.

6.6.

De bewindvoerder heeft daartegen aangevoerd dat zij niet wist van het verstekvonnis en van de aangevangen executie en dat ook uit de genoemde betaling ten laste van sociale uitkering van [Rechthebbende] niet blijkt dat het om de executie van een verstekvonnis tegen [Rechthebbende] gaat. De bewindvoerder beroept zich op HR 16 januari 2004, NJ 2005, 191, voor haar betoog dat onder omstandigheden onverkorte toepassing van de bepalingen over de aanvang van de verzettermijn achterwege moet blijven indien die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, en wel in het bijzonder in een situatie waarin een bij verstek veroordeelde eerst in het stadium van de tenuitvoerlegging bekend raakt met het veroordelend vonnis.

6.7.

Blijkens dat arrest is van belang dat de bij verstek veroordeelde voldoende gelegenheid heeft om, nadat hij met het veroordelende vonnis bekend geworden is, verzet te doen. In een geval van beschermingsbewind over een meerderjarige als dit, waarvoor de wetgever heeft bepaald dat de bewindvoerder in en buiten rechte optreedt voor de onder bewind gestelde, heeft te gelden dat de bewindvoerder voldoende gelegenheid moet hebben om, nadat hij met het veroordelende vonnis bekend geworden is, verzet te doen. Het bepaalde in 1:441 lid 1 BW verhindert de onder bewind gestelde zelf verzet te doen tegen een verstekvonnis; gegeven de redenen die de wetgever blijkens het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW op het oog heeft gehad voor het instellen van een beschermingsbewind kan overigens van de onder bewind gestelde niet worden verlangd dat deze de juiste of adequate gevolgen verbindt aan kennisneming van een verstekvonnis of een executiemaatregel. Noodzakelijkerwijs moet dan ook, om de verzettermijn te doen intreden, de wetenschap van het verstekvonnis dan wel de tenuitvoerlegging daarvan aanwezig zijn bij de bewindvoerder, en dit te meer waar, zoals hierna aan de orde komt, de wederpartij van de onder bewind gestelde het bewind kende of behoorde te kennen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het verzet geacht moet worden tijdig te zijn gedaan, indien de verzetdagvaarding wordt uitgebracht binnen de in artikel 143 lid 2 bepaalde termijn nadat de bewindvoerder bekend is geworden met het verstekvonnis respectievelijk de executie daarvan.

6.8.

In deze zaak staat vast dat de bewindvoerder uit de omschrijving bij de betaling van 26 juni 2013 niet aanstonds heeft kunnen afleiden dat het hier de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis tegen [Rechthebbende] betrof. Bij die betaling is immers alleen de naam van [persoon X] vermeld. Wel heeft de bewindvoerder bij brief van 29 juli 2013 aan de gemachtigde van LOI mededeling gedaan van het bewind en opheldering heeft gevraagd over de nieuwe vordering. In die brief wordt melding gemaakt van een telefoongesprek van de bewindvoerder met de gemachtigde van LOI op 19 juli 2013, welke datum blijkens het verband mogelijk kan gelden als datum waarop de bewindvoerder kennis kreeg van de vordering van LOI waarop de betaling van 26 juni 2013 betrekking had.

6.9.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat het verzet tijdig, want binnen vier weken na 19 juli 2013 is gedaan.

6.10.

De bewindvoerder heeft vervolgens betoogd dat op de voet van het bepaalde in artikel 1:441 lid 1 BW niet [Rechthebbende], maar de bewindvoerder in conventie had moeten worden gedagvaard.

6.11.

LOI heeft op dit punt aangevoerd dat zij eerst bij het hiervoor onder 2.4 aangehaalde e-mailbericht 29 juli 2013 kennis heeft kunnen nemen van het bewind.

6.12.

Dit verweer kan LOI niet baten. Vast staat immers dat de gemachtigde van LOI reeds op 3 juli 2011 per e-mail is ingelicht over het bewind. LOI heeft ter zitting nog aangevoerd dat een e-mailbericht aan LAVG te Groningen niet noodzakelijkerwijs ook bekend is bij LAVG te Roosendaal. Dit is evenwel klaarblijkelijk een kwestie van de interne organisatie van de gemachtigde, die naar het oordeel van de kantonrechter voor risico van LOI moet blijven omdat de wetenschap van deze vestigingen van LAVG, die beide voor LOI als gemachtigde optreden, aan LOI kan worden toegerekend. Omdat LOI de vordering niet tegen de bewindvoerder heeft ingesteld maar tegen [Rechthebbende], kan zij (LOI) daarin niet worden ontvangen.

6.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verstekvonnis moet worden vernietigd, LOI alsnog niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering in conventie, de reeds genomen executiemaatregelen nietig zijn en de vordering van de bewindvoerder in reconventie toewijsbaar is op de hierna te vermelden wijze.

6.14.

LOI zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding met inbegrip van die van de verzetdagvaarding. De aan de zijde van de bewindvoerder gevallen kosten worden in beide zaken tezamen als volgt begroot:

in conventie:

voor verschotten: nihil

voor salaris gemachtigde: twee punten à € 100,- volgens
het liquidatietarief € 200,-

in reconventie:

voor de betekening van de verzetdagvaarding: 92,82

voor salaris gemachtigde: één punt à € 100,- volgens
het liquidatietarief € 100,- +

totaal € 192,82

BESLISSING

De kantonrechter

in de zaak met nummer 2262334 \ CV EXPL 13-11502

in conventie

- vernietigt het verstekvonnis gewezen op 3 april 2013 onder zaak-/rolnummer 870821 CV EXPL 13-2386

en, opnieuw rechtdoende,

- verklaart LOI niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt LOI in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 200,-;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen niet geldig is doordat de bewindvoerder zijn toestemming daaraan heeft onthouden;

- veroordeelt LOI om alles wat zij ten titel van het verstekvonnis ten laste van [Rechthebbende] heeft geïncasseerd terstond aan [Rechthebbende] terug te betalen;

- heft het door LOI ten laste van [Rechthebbende] gelegde beslag op;

- veroordeelt LOI in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 192,82;

- verklaart de onder het tweede, derde en vierde opsommingstreepje vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met nummer 2316813 \ VV EXPL 13-20188

- verwijst partijen voor de beslissing naar het vonnis in de zaak met nummer 2262334 \ CV EXPL 13-11502.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op