Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3976

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
06/950537-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:3444, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding: verdachte schuldig, maar geen straf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 40
Wetboek van Strafvordering 293
Wetboek van Strafvordering 294
Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/148 met annotatie van prof. mr. T.M. Schalken
NJFS 2014/16

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950537-10

Uitspraak d.d. 22 oktober 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [1942] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. W. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 januari 2013, 3 september 2013, 24 september 2013 en 8 oktober 2013.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[betrokkene] (verder: [betrokkene]) in of omstreeks de periode

van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd

(door het innemen van een combinatie van pillen),

waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode

van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Ermelo en/of in Midlaren en/of

in Ede, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk die [betrokkene] behulpzaam is geweest en/of (telkens)

opzettelijk [betrokkene] een of meer middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar (telkens) opzettelijk:

- Contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde

(verder: NVVE) en een maal althans meerdere malen (een) afspra(a)k(en)

gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan [betrokkene] en/of

aan verdachte, welke consulent die [betrokkene] en/of verdachte heeft

geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze waarop

zelfdoding kan plaatsvinden

en/of

- Een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige

Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over

zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en/of geraadpleegd en/of gebruikt

ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van [betrokkene]

en/of

- [betrokkene] geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze

waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en/of

-Een dag gepland (tezamen met [betrokkene] en een of meer anderen) waarop de

zelfdoding (door inname van een hoeveelheid pillen) zou plaatsvinden

en/of

- Een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de (wijze van

uitvoeren van de) zelfdoding

en/of

- Voorafgaand aan en/of tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [betrokkene]

, die [betrokkene] een of meer instructies en/of aanwijzingen gegeven

omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde / te

gebruiken pillen

en/of

- Aan [betrokkene] (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde / te

gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4, althans 5, althans een

hoeveelheid zogenaamde anti braak pillen en/of ongeveer 75, althans ongeveer

80, althans een hoeveelheid Nivaquine/Chloroquine pillen en/of ongeveer 45,

althans een hoeveelheid Oxazepam pillen en/of ongeveer 35, althans een

hoeveelheid Temazepam pillen

en/of

- Ongeveer 45, althans een hoeveelheid Oxazepam pillen fijn gemaakt in bakje

en/of vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en/of vervolgens ongeveer 75,

althans ongeveer 80, althans een hoeveelheid Nivaquine/Chloroquine pillen in

dat bakje gedaan en/of dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan [betrokkene]

en/of

- Ongeveer 35, althans een hoeveelheid Temazepam pillen in een bakje gedaan en

aangereikt aan [betrokkene]

en/of

- Drinken aan [betrokkene] aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde / te

gebruiken pillen mee weg te spoelen;

Aanleiding onderzoek

Op 8 februari 2010 werd op televisie de documentaire met als titel “De laatste wens van [naam]. Een zelf geregisseerde dood.” uitgezonden. In deze documentaire bracht [verdachte] (hierna: verdachte) naar voren dat hij zijn moeder, [betrokkene], behulpzaam was geweest bij het realiseren van haar wens tot het beëindigen van haar leven. De raadsman van verdachte heeft de uitzending onder de aandacht gebracht van het Openbaar Ministerie. Naar aanleiding van deze uitzending werd een justitieel onderzoek ingesteld.

Het bewijs

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen moet worden verklaard.

De raadsman heeft niet weersproken dat op de meest relevante onderdelen van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verschillende verklaringen en bevindingen zijn hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven.1

In de documentaire gaf [betrokkene] (roepnaam: [naam])2 aan dat zij haar leven wilde beëindigen. Bij het realiseren hiervan ontving zij hulp van haar stiefzoon [verdachte] (hierna: verdachte).3

Verdachte verklaarde onder meer dat hij op verzoek van zijn moeder op enig moment een afspraak heeft gemaakt met de huisarts omdat zijn moeder de huisarts wilde vragen om haar te helpen een einde aan haar leven te maken. Volgens verdachte was de huisarts terughoudend, gaf zij aan dat zijn moeder daar op dat moment niet voor in aanmerking kwam en dat zij vaker wilde horen dat dit haar wens was.4

De huisarts heeft in een brief aan de politie onder meer bevestigd dat zij op 8 februari 2008 met [betrokkene] en verdachte een gesprek heeft gevoerd waarin [betrokkene] aangaf dat het leven voor haar geen zin meer had en het verzoek deed medicatie voor te schrijven om haar leven te beëindigen.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij namens zijn moeder contact heeft gezocht met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (hierna: NVVE). De heer [consulent], consulent van de NVVE, bezocht [betrokkene] vervolgens drie keer in de periode april en mei 2008.5 Tijdens één van die bezoeken gaf de heer [consulent] aan op welke wijze de doodswens van [betrokkene] gerealiseerd kon worden, namelijk door versterving, iets wat zij niet wilde.6 Verdachte schafte gedurende die periode het zogenoemde WOZZ-boekje aan.7 Het WOZZ-boekje betreft een publicatie uit 2008 onder de titel ‘Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging’ van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding.8 Verdachte heeft verklaard dit boekje geraadpleegd en gebruikt te hebben ten behoeve van zijn hulp bij de zelfdoding en dat hij zijn moeder heeft verteld dat haar zelfdoding kon worden gerealiseerd met behulp van (onder andere) malariapillen die hij nog voorhanden had.

De heer [consulent] heeft de contacten met verdachte en diens moeder bevestigd. Voor hem was zonder meer duidelijk dat [betrokkene] klaar was met het leven. Hij heeft met hen ook gesproken over de mogelijkheden tot zelfdoding en daarbij is het WOZZ-boekje ter sprake gekomen.9

Ongeveer drie of vier weken voordat [betrokkene] overleed heeft verdachte de datum waarop de zelfdoding plaats zou vinden met zijn moeder besproken. Ook hebben zij toen besproken op welke wijze de zelfdoding gerealiseerd zou worden, namelijk door inname van een hoeveelheid pillen. De pillen die naast de door verdachte verstrekte malariapillen nodig waren had zij deels zelf al in haar bezit en verdachte heeft deze ook ten dele aangevuld.

Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [betrokkene] gaf verdachte aanwijzingen omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde en te gebruiken pillen.10 Verdachte had daartoe een handleiding opgesteld.11 In een gesprek met zijn moeder gebruikt hij ook het woord protocol.12 Verdachte verklaarde aan zijn moeder 4 zogenaamde antibraakpillen verstrekt te hebben. Verdachte pakte vervolgens een bakje en stampte daarin 45 Oxazepam-pillen fijn welke in een bakje met yoghurt werden gedaan. Daarbij werden ook 75 tot 80 stuks gestampte malariapillen gedaan. [betrokkene] heeft toen de yoghurt en de pillen allemaal opgegeten.13 Daarna slikte [betrokkene] op aangeven van verdachte nog ongeveer 35 Temazepampillen. [betrokkene] werd door verdachte drinken (Martini) aangereikt om de geslikte pillen weg te spoelen.14

Uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut komt naar voren dat inname van 30 tot 60 tabletten 100mg chloroquine (merknaam Nivaquine®) tot de dood kan leiden.15 Een soortgelijke pil als die volgens verdachte gebruikt is, is bij hem in beslag16 genomen en ter beschikking van het NFI gesteld. Het tablet bleek na onderzoek door het NFI een hoeveelheid van ongeveer tussen de 89 en 99 mg chloroquine te bevatten.17 Daarnaast is door prof. dr. [toxicoloog], forensisch en klinisch toxicoloog – farmacoloog, vastgesteld dat de 75 tot 80 chloroquinepillen gezamenlijk ongeveer 7 gram chloroquine bevatten. Gezien de literatuur beschouwt hij 7 gram als een letale dosis. Daarbij stelt prof. dr. [toxicoloog] voorts dat als een vrouw van 99 jaar, hoe onwaarschijnlijk ook, deze zware overdosering heeft kunnen overleven, dat zij dan nog de hierdoor ontstane geleidingsstoornis in het hart en de afname van de effectieve hartfunctie, in combinatie met de ademhalingsdepressie ten gevolge van de zware overdosering oxazepam en temazepam niet had kunnen overleven.18

De rechtbank concludeert dat aldus als volgt het feit bewezen verklaard moet worden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:

[betrokkene] (verder: [betrokkene]) in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd door het innemen van een combinatie van pillen,

waarbij hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Nederland,

opzettelijk die [betrokkene] behulpzaam is geweest en opzettelijk [betrokkene] middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

- contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde

(verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan [betrokkene] en/of aan verdachte, welke consulent die [betrokkene] en/of verdachte heeft geïnformeerd over een methode van zelfdoding en de wijze waarop

zelfdoding kan plaatsvinden

en

- een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige

Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over

zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en/of geraadpleegd en/of gebruikt

ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van [betrokkene]

en

- [betrokkene] geïnformeerd over een methode van zelfdoding en de wijze

waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

-een dag gepland (tezamen met [betrokkene]) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

- een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van uitvoeren van de zelfdoding

en

- voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [betrokkene], die [betrokkene] een of meer instructies en/of aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen

en

- aan [betrokkene] de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen verstrekt, namelijk 4 zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen en 45 Oxazepam pillen en ongeveer 35 Temazepam pillen

en

- ongeveer 45 Oxazepam pillen fijn gemaakt in bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en vervolgens ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan [betrokkene]

en

- ongeveer 35 Temazepam pillen aangereikt aan [betrokkene]

en

- drinken aan [betrokkene] aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen mee weg te spoelen;

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbare gedraging of overmacht in de zin van noodtoestand?

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld en heeft dat in haar op schrift gestelde requisitoir nader toegelicht.

De raadsman heeft primair een beroep gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand met als conclusie dat de wederrechtelijkheid van het handelen wegvalt en dus geen sprake is van een strafbaar feit. De raadsman heeft zijn standpunt uitgewerkt in de door hem overgelegde pleitnota.

Met betrekking tot het beroep op noodtoestand heeft de raadsman de volgende omstandigheden naar voren gebracht.

De raadsman heeft gewezen op een arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 17 februari 201219 waarin is overwogen dat iemand die geen arts is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een geslaagd beroep op noodtoestand kan doen. De verdachte in die zaak betrof de voorzitter van de Stichting Vrijwillig Leven. Deze zaak is exemplarisch geweest voor verschillende vervolgde verdachten in de laatste twee decennia die geen persoonlijke band hadden met de hulpvrager. De raadsman is van mening dat de onderhavige zaak zelfstandig en niet tegen de achtergrond van die jurisprudentie beoordeeld dient te worden.

De raadsman is van mening dat verdachte, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdende plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Tegenover de plicht om artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht na te leven stond de ongeschreven morele plicht / maatschappelijke plicht / zorgplicht van verdachte om zijn 99-jarige moeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood.

Bij de belangenafweging van verdachte speelden, aldus de raadsman, de volgende punten een gewichtige rol:

  • -

    [betrokkene] was 99 jaar en wilde absoluut geen 100 jaar worden. Zij was hierin volstrekt helder en duidelijk. Dit wordt door meerdere familieleden en andere betrokkenen onderstreept.

  • -

    Haar besluit was vrijwillig, weloverwogen en persistent.

  • -

    De laatste jaren was verdachte de enige vertrouwenspersoon van [betrokkene]. Hij was derhalve ook de enige die handelend zou kunnen optreden.

  • -

    [betrokkene] had de regie en zeker niet verdachte. Dit vloeit mede voort uit haar persoon, persoonlijkheid en karakter.

  • -

    Verdachte zag haar lijden, haar wanhoop, haar pijn en haar machteloosheid.

  • -

    [betrokkene] was grotendeels afhankelijk en gebonden aan haar kamer en bed.

  • -

    [betrokkene] was absoluut niet in staat de benodigde medicijnen te verzamelen.

  • -

    Verdachte voelde een zorgplicht ten opzichte van zijn moeder die hem eerder zo goed had verzorgd.

  • -

    Er ontstond een conflict tussen hoofd en hart.

  • -

    Verdachte kon niet passief blijven, achterover leunen en nietsdoen en tegelijkertijd haar lijden aanschouwen.

  • -

    Dit zou grote schuldgevoelens hebben veroorzaakt, een leven lang.

  • -

    Niet handelen zou voor verdachte hebben geleid tot een gevoel van falen, tekortschieten, zijn moeder in de steek laten, juist toen ze hem zo nodig had.

Verdachte is tot een zorgvuldige afweging gekomen en heeft daarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen.

Van reële alternatieven voor (hulp bij) een vrijwillig levenseinde, is volgens de verdediging geen sprake geweest. [betrokkene] kon zelf niet de benodigde medicijnen regelen en koos nadrukkelijk niet voor versterven. Ook het nogmaals consulteren van de eigen huisarts of een tweede huisarts raadplegen, was gegeven de omstandigheden geen alternatief.

Het consulteren van een andere arts wilde [betrokkene] niet. Ook zou de christelijke signatuur van de regio aan een kansrijk consult bij een tweede arts in de weg hebben gestaan. Ten slotte stelt de verdediging dat in het voorjaar van 2008 in situaties als die van [betrokkene] dergelijke verzoeken aan artsen kansloos waren.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand als volgt.

Artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidt:


Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 293 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht – voor zover van belang - luidt:


Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Artikel 40 Wetboek van Strafrecht luidt:

Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

Binnen de rechtspraak heeft een ontwikkeling plaatsgevonden waarin de overmacht zich kan manifesteren in gevallen waarin de dader wordt geconfronteerd met een conflict van plichten (overmacht-noodtoestand).

Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet er sprake van een gedraging zijn, die voortvloeit uit een actuele -niet noodzakelijk acute - concrete nood. Noodtoestand is een rechtvaardiging voor het gepleegde delict omdat deze zich baseert op een keuze voor een op zichzelf strafbare handeling die uit kracht van een veroorlovende norm of waarde toegestaan is. Deze keuze vloeit voort uit een afweging van verschillende belangen of plichten. Een redelijke keuze in het conflict van plichten impliceert dat vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn nageleefd. De proportionaliteit stelt de eis dat bij een keuze tussen plichten de zwaarstwegende plicht voorrang verdient, waarbij minstens voldaan moet zijn aan de evenredigheid tussen het gekozen middel, zijnde het plegen van het strafbare feit, en het doel. De subsidiariteit vereist dat bij een keuze van alternatieven de minst schadelijke zal worden gekozen. Van degene die zich op noodtoestand beroept, mag worden gevergd dat hij zijn belangenafweging op een zorgvuldige manier verricht. Dat kan betekenen dat op hem een onderzoeksplicht kan rusten om de bijzonderheden van de vermeende noodsituatie in kaart te brengen.20

De Hoge Raad heeft in het Brongersma-arrest overwogen dat omstandigheden in een individueel geval [kunnen] meebrengen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding, evenals het toepassen van euthanasie, gerechtvaardigd kan worden geacht, te weten indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige verplichtingen, de zwaarstwegende is nagekomen. In het bijzonder een arts kan in noodtoestand komen te verkeren, wanneer hij wordt gesteld voor de noodzaak te kiezen tussen enerzijds de plicht tot behoud van het leven en anderzijds de plicht om als arts al het mogelijke te doen om ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een aan zijn zorgen toevertrouwde patiënt te verlichten.21

Verdachte is geen arts, zodat voor een geslaagd beroep op de medische exceptie, zoals die is neergelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, geen ruimte is. Dit laat echter onverlet dat een beroep op overmacht als algemene exceptie kan gelden. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In een geval als het onderhavige waarin de wetgever – overigens nog in 2002 - een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen – namelijk in de vorm van de mogelijkheid dat een arts onder strikte voorwaarden hulp biedt bij zelfdoding - is een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, maar een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard. De manoeuvreerruimte van de rechter is in zo’n geval uitermate klein. Iemand die geen arts is kan naar het oordeel van de rechtbank geen geslaagd beroep op noodtoestand doen behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden.

Een beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is door de wetgever na een uitvoerige parlementaire discussie alleen aan artsen toegekend. De wetgever heeft niet-strafbare hulp bij zelfdoding alleen mogelijk willen maken in gevallen die medisch begeleid worden en achteraf verplicht worden getoetst. Dat artsen niet verplicht zijn om medewerking te verlenen aan de doodswens van een patiënt is één van de uitgangspunten van de euthanasiewetgeving, en heeft bij de totstandkoming van de wettelijke strafuitsluitingsgrond van artikel 294 lid 2 niet geleid tot een ruimere formulering die in het geval van een weigering door een arts ook niet-artsen omvat.

Het enkele feit dat een arts vooralsnog weigert medewerking te verlenen of terughoudendheid aan de dag legt, levert daarom op zich geen situatie op die een beroep op noodtoestand voor een niet-arts mogelijk maakt, hoe aangrijpend ook de situatie is van degene die zelfdoding wenst en daar hulp bij nodig heeft.

In het geval van [betrokkene] komt zowel uit de eigen verklaringen van verdachte als de informatie van de huisarts naar voren dat [betrokkene] een aantal gesprekken heeft gehad met haar huisarts.

De huisarts [huisarts] heeft de politie desgevraagd schriftelijk geïnformeerd dat op 8 februari 2008 een gesprek heeft plaatsgevonden met [betrokkene] en haar zoon. [betrokkene] heeft in dit gesprek aangegeven dat het leven voor haar geen zin meer had. Ze had veel moeite met het afhankelijk zijn en wist de dag niet door te komen. Ze vroeg haar huisarts om haar medicatie voor te schrijven om haar leven te beëindigen. De huisarts heeft in het gesprek gezegd er moeite mee te hebben om in de toen voorliggende situatie mee te werken.22 Op 4 april 2008 gaf [betrokkene] aan, aldus de huisarts, dat zij van alle behandelingen die haar leven konden verlengen af te willen zien en enkel palliatieve zorg te willen. Daarop heeft de huisarts haar hart- en niermedicatie gestopt.

Op 31 mei 2008 gaf [betrokkene] uitdrukkelijk aan niet meer met het leven verder te willen. Ze was niet depressief maar heel duidelijk in haar wens om te sterven. Ze vond dat haar leven voltooid was en dat verder leven geen zin meer had.23

In de brief heeft de huisarts overigens ook beschreven dat mevrouw leed aan hartfalen, osteoporose (met rugklachten) en maculadegeneratie waardoor ze nagenoeg blind was en een slechte nierfunctie had waardoor ze erg vermoeid was.

Tegenover de politie heeft verdachte verklaard dat de huisarts van zijn moeder terughoudend was en vooralsnog niets voor zijn moeder kon doen, zij wilde het verzoek van haar vaker en duidelijker horen.24 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het inderdaad ”geen absolute nee” van de huisarts betrof.25 Hieromtrent merkt de rechtbank op dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat zijn moeder in het gesprek met de huisarts op 8 februari 2008 niet zelf het initiatief nam om haar verzoek tot levensbeëindiging aan de huisarts ter sprake te brengen en dat juist de huisarts bij zijn moeder heeft aangedrongen op duidelijkheid over de aanleiding voor het verzochte gesprek. Verdachte heeft in dat verband opgemerkt dat het belangrijk was om bij zijn moeder tussen de regels door haar wensen en verlangens te lezen/interpreteren.26

De door de rechtbank ter zitting gehoorde deskundige prof. [deskundige 1] (hoogleraar filosofie en ethiek) heeft dienaangaande ter zitting desgevraagd verklaard van mening te zijn dat de opstelling van de huisarts op 8 februari 2008, inhoudende dat zij het verzoek vaker wilde horen, als zorgvuldig en passend binnen het wettelijk kader kan worden aangemerkt, nu immers de wet vereist dat de arts vaststelt dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

De rechtbank stelt gelet op het vorengaande allereerst vast dat van een definitieve en onvoorwaardelijke weigering van de eigen huisarts op 8 februari 2008 niet is gebleken. Voorts merkt de rechtbank op dat naar aanleiding van het volgende gesprek met de huisarts, op 4 april 2008, door de huisarts de hart- en niermedicatie is stopgezet. Ook dit handelen getuigt niet van onwilligheid bij de huisarts om mee te denken in de door [betrokkene] ervaren problematiek. Daarnaast is er op 31 mei 2008 andermaal een gesprek geweest tussen [betrokkene] en de huisarts waarbij volgens de huisarts [betrokkene] duidelijk was in haar wens om te sterven. Aanwijzingen dat ter gelegenheid van dat gesprek met die huisarts wederom en meer uitgesproken door [betrokkene] verzocht is aan de huisarts om – in de vorm van euthanasie - medewerking daaraan te verlenen zijn er evenwel niet. Dat lijkt ook niet erg waarschijnlijk, nu immers toen reeds de datum van de voorgenomen levensbeëindiging al vast stond, zo leert de verklaring van verdachte.27 Verder merkt de rechtbank op dat uit de door verdachte ter zitting afgelegde verklaringen blijkt dat de omstandigheid dat [betrokkene] uit eigen beweging medicijnen had opgespaard met het oog op een door haarzelf te ondernemen poging haar leven te beëindigen niet ter kennis is gebracht van de huisarts, zodat deze omstandigheid voor de huisarts geen rol heeft kunnen spelen bij de te maken afwegingen omtrent (medewerking aan) de levensbeëindiging van [betrokkene].28

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte de opstelling van de huisarts ten onrechte als weigerachtig heeft aangemerkt, zodat reeds hierom van de gestelde noodsituatie geen sprake was.

Nog afgezien van de vaststelling dat van een definitieve weigering van de huisarts van [betrokkene] niet is gebleken, acht de rechtbank het opmerkelijk dat verdachte desgevraagd heeft verklaard dat hij en zijn moeder geen andere (huis)arts hebben geconsulteerd nadat [betrokkene] zich door de eigen huisarts in de steek gelaten voelde.29 Voor de rechtbank is het niet consulteren van een andere arts nog opmerkelijker omdat verdachte ter zitting heeft verklaard dat zijn moeder altijd een goede vertrouwensband heeft gehad met de vorige huisarts van voor de verhuizing naar Ermelo.30

Vraag die voorligt is of het bezoeken van een andere arts voor [betrokkene] kans van slagen had, in die zin dat zij een andere arts had kunnen vinden die haar verzoek (uiteindelijk) had gehonoreerd. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 september 2013 met betrekking tot het niet consulteren van (een) andere arts(en) verklaard:31

“We zijn niet naar een andere arts gegaan. De achtergrond daarvan is voor een deel dat ik me voldoende bewust was van het feit dat het voor een arts met het Brongersma-arrest in het achterhoofd eigenlijk niet mogelijk was. Dokter [huisarts] heeft zich daar niet op beroepen maar ik wist dat dat er lag. Het “nee” van de huisarts was in mijn moeders situatie inderdaad de inschatting dat de huisartsen in het algemeen niet zouden meewerken.”

Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 september 2013 met betrekking tot het consulteren van een tweede arts verklaard - zakelijk weergegeven - :

“En die kwestie van een tweede arts nadat het eerste bezoek van de arts is geweest, die gedachte is waarschijnlijk bij haar niet opgekomen, maar ook niet bij mij. Ik heb daar niet bij stil gestaan. Ik weet dat eerlijk gezegd ook niet zo meer precies. Ik heb de vorige keer gezegd dat ik het ook niet verwachtte. Het arrest Brongersma was zo duidelijk aanwezig. En mijn moeder dacht er waarschijnlijk ook niet aan, omdat ik wist dat zij van de omgeving Ermelo, van de artsen als zodanig uit religieus oogpunt, heel weinig verwachtte. In dat opzicht had ze het idee dat er niets te verwachten viel.”

Ter terechtzitting hebben deskundigen verklaard over de kans van slagen waar het gaat om het vinden van een arts die zou meegaan in een verzoek als dat van [betrokkene].

Met betrekking tot het consulteren van een andere arts heeft deskundige prof. [deskundige 1], hoogleraar filosofie en ethiek, op de volgende vragen van de officier van justitie als volgt geantwoord:32

De officier van justitie:

De huisarts heeft verklaard welk medisch lijden bij [betrokkene] daaraan ten grondslag lag. Een oog functioneerde niet meer goed. Zij leed aan hartfalen waar zij medicijnen voor kreeg. [betrokkene] was nagenoeg blind, zij was bang voor de aftakeling en de afhankelijkheid die dat met zich zou brengen. Is het voor u ondenkbaar dat er een arts was geweest die had gezegd: “Ik neem u mee in dat proces en wij monitoren dat en uiteindelijk kan dat resulteren in een te honoreren euthanasiewens?”

De heer [deskundige 1]:

Het gaat om een inschatting. Ik heb natuurlijk niet het dossier, ik hoor dat dus nu van u, maar ik denk dat zeker.

De officier van justitie:

Maar daarmee zegt u dat er dus wellicht op dat moment best artsen waren geweest, misschien zeer dun gezaaid, die er uiteindelijk wel in mee zouden zijn gegaan.

De heer [deskundige 1]:

Ik acht het niet uitgesloten dat er artsen zouden zijn geweest die toch meegegaan zou zijn. Zeker ook als je als laatste ziet wat daarover door de KNMG is gezegd: “Er moet een medische aanleiding zijn maar het mag ook vervolgens met ondraaglijk lijden worden aangevuld”, dan denk ik dat u van de KNMG al het antwoord hebt wat u zoekt. Dat is 2013. En dat is niet 2008.

De officier van justitie:

Maar ik heb het nu over 2008.

De heer [deskundige 1]:

Ja. In 2008 waren de artsen héél terughoudend….

De officier van justitie:

….maar u zegt nog steeds het is niet ondenkbaar.

De heer [deskundige 1]:

Nee. En er was bij artsen in Nederland in het begin een tendens om snel mee te gaan met een wens om hulp bij zelfdoding en dat is een beetje teruggevloeid onder invloed van die opkomende palliatieve zorg, het versterven, er zijn heel veel ontwikkelingen geweest waarbij artsen zeggen: “We moeten ook weer niet te snel.” Ik denk dat men in 2008 een beetje in de fase zat dat ze op de rem gingen. En ik denk dan, ik kan me dat voorstellen, je maakt niet de inschatting over de artsen in het algemeen. Je maakt de inschatting over deze arts, jouw arts. Dat daar de conclusie was: met die arts komen we er niet. Dat kan ik me voorstellen.

Met betrekking tot het consulteren van een andere arts heeft deskundige mevrouw [deskundige 2], specialist ouderengeneeskunde en SCEN-arts, als volgt verklaard:33

“Als ik het in een bredere context plaats heb ik ook diverse consultaties gehad als SCEN-arts waarbij ik een dochter hoorde die de moeder kon overtuigen om een huisarts te bevragen in plaats van het voornemen uit te voeren om via de gaskraan of het verzamelen van pillen tot zelfdoding te komen. Het probleem was eerst dat de huisarts die er toen was daar geen heil in zag. Toen was er een vakantiewaarnemer die mij belde om mij te consulteren of er toch aan de criteria voldaan werd. En dat maakte de opening dat dat proces wel door kon gaan. Als deze dochter [verdachte] was geweest, dan had dat mogelijk anders kunnen verlopen. Het heeft ook veel te maken met de dialoog met een familielid en je weet dat je familielid een einde wilt maken aan het leven. (…)”

Mevrouw [deskundige 2] is door de raadsman ter terechtzitting gevraagd34 of zij een bepaalde tendens ziet dat in de loop der jaren sinds 2008 er meer vragen zijn op het gebied van het voltooid leven. Mevrouw [deskundige 2] heeft geantwoord dat in de jaarverslagen van de euthanasiecommissie is te zien dat de groep overigen, dat wil zeggen mensen die klaar zijn met het leven, toeneemt. In 2008 was dat 3%. Naar aanleiding van de vraag van de raadsman hoe mevrouw [deskundige 2] kijkt naar het handelen van verdachte antwoordde zij dat zij uit eigen ervaring weet dat een tweede arts toch anders naar de omstandigheden kan kijken dan een eerste arts.35 Op enig moment heeft mevrouw [deskundige 2] ook verklaard36 dat je bij de goede dokter moet komen.

De deskundige mevrouw [deskundige 3], antropoloog en socioloog, auteur van het boek ‘Voltooid leven van ouderen in Nederland, een verkenning van wat ouderen vinden, ervaren, willen en doen met hun voltooide levens’ heeft opgemerkt dat ouderen het liefst een heel vertrouwde arts, de huisarts van vroeger, willen raadplegen. Zij heeft voorts opgemerkt dat er ergens in het traject deskundigheid aan te pas komt. Dat kan ook deskundigheid van een niet-medicus zijn als hij maar de deskundigheid heeft of weet dat de middelen gegarandeerd zullen werken. Vooralsnog heeft het overgrote gedeelte van de ouderen die zij gesproken heeft aangegeven dat zij niemand anders wisten te noemen dan de arts.37

Uit de afgelegde verklaringen van de deskundigen leidt de rechtbank af dat het bepaald niet ondenkbaar is dat [betrokkene] in 2008 een arts gevonden zou hebben die (uiteindelijk) mee zou zijn gegaan in haar verzoek. De rechtbank ziet dit beeld bevestigd in de ter zitting besproken informatie uit het jaarverslag 2010 van de Regionale toetsingscommissie euthanasie.

In casus 11 van dit jaarverslag 2010 staat de volgende casus beschreven:

“…Haar gezichtsvermogen was de laatste jaren als gevolg van maculadegeneratie verslechterd, zij had last van duizeligheid, hoorde slecht en was soms incontinent voor ontlasting. (…) De ondraaglijkheid van het lijden bestond voor patiënte uit het verlies van zinvol bezig te kunnen zijn, het verlies van contact met de buitenwereld en het vooruitzicht van door als de ergste straf ervaren afhankelijkheid. (…) Toen patiënte in 2007 in de praktijk van de arts kwam heeft zij in algemene zin over euthanasie gesproken. (…) Patiënte kon goed duidelijk maken dat haar handicaps haar belemmerden in de mogelijkheid nog iets te maken zoals zij graag zou willen. (…) Volgens het verslag [van de arts] wilde patiënte haar leven (laten) beëindigen omdat zij leed aan het leven. (…) Zij vond haar leven voltooid en verder zinloos. (…) De commissie heeft de vraag te beantwoorden of het lijden van patiënte werd veroorzaakt door een medisch classificeerbare aandoening. Daarbij merkt zij op het dat de geldende zorgvuldigheidseisen noodzakelijk is dat het uitzichtloos en ondraaglijk lijden in overwegende mate wordt veroorzaakt door een medisch geclassificeerde aandoening. Níet is vereist dat dit een ernstige (medische) aandoening moet zijn. Voor patiënte werd het lijden in overwegende mate veroorzaakt door haar (bijna) blindheid, die was ontstaan door de maculadegeneratie. (…) De commissie stelt vast dat maculadegeneratie als een medisch classificeerbare aandoening moet worden gedefinieerd. Voor deze aandoening is geen effectieve behandeling mogelijk, noch is er uitzicht op verbetering.”

Deze casus vertoont parallellen met de toestand en het verzoek van [betrokkene] en is die zin dan ook met haar situatie vergelijkbaar. Een euthanasie binnen de kaders van de wet was dus ook afgaande op dit voorbeeld niet ondenkbaar. Dit betreft weliswaar een casus uit 2010 en niet 2008 zoals in het geval van [betrokkene], maar in de casusomschrijving komt naar voren dat de euthanasiewens in de jaren voorafgaand aan de euthanasie al bij die betrokken arts is neergelegd.

De rechtbank komt gegeven de concrete omstandigheden van het geval en afgaande op de uitlatingen van de deskundigen, ondersteund door de vergelijkbare hiervoor besproken casus,

tot de conclusie dat het benaderen van (een) ander(e) arts(en) niet bij voorbaat volstrekt vruchteloos en kansloos zou zijn geweest.

Overigens valt in weerwil van suggesties van de verdediging nergens uit af te leiden dat de gestelde terughoudendheid bij de eigen huisarts was ingegeven door een geloofs- of levensovertuiging, die het hoe dan ook onmogelijk zou hebben gemaakt om van de eigen arts medewerking te verwachten. Maar juist als dat al wel het geval zou zijn geweest, was dat volgens de rechtbank temeer reden geweest om een andere arts (met eventueel een andere levensovertuiging) in te schakelen.

Gezien al het bovenstaande is niet aannemelijk geworden dat bij voorbaat geen reële alternatieven voorhanden waren voor het op waardige wijze realiseren van het zelfgekozen levenseinde van [betrokkene]. Verdachte heeft zich te weinig inspanningen getroost om te handelen binnen de kaders van de in de wet omschreven euthanasieprocedure waarbij de wettelijke zorgvuldigheidseisen in acht konden worden genomen. Aldus hebben zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voorgedaan die een beroep op noodtoestand voor verdachte doen slagen. Het daartoe strekkende beroep wordt daarom verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit wegneemt. Verdachte heeft dan ook een strafbaar feit begaan.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt

Strafbare dader of psychische overmacht?

Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht met als conclusie dat verdachte niet strafbaar is en dus moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat zich niet een situatie van psychische overmacht voordoet, zij heeft dit toegelicht in haar requisitoir.

Bij de politie heeft verdachte onder meer verklaard dat zijn moeder hem niet onder druk heeft gezet. Hij voelde haar nood en hij voelde dat hij haar niet in de steek wilde laten.38Namens verdachte is in dit kader door de verdediging nog naar voren gebracht dat hij voor zijn moeder wilde zorgen, dat hij haar zag lijden en geconfronteerd werd met haar afhankelijkheid, haar machteloosheid en haar onmacht om zelf een zachte dood te realiseren. Hij wist op het moment van zijn handelen van het verbod op hulp bij zelfdoding maar is het principieel niet met dat verbod eens; wat voor hem telde was dat hij iets voor zijn moeder wilde betekenen. Hij zou zich ongelofelijk schuldig hebben gevoeld als hij het niet gedaan had.39 Verdachte was ten tijde van het plegen al langere tijd lid van het NVVE en kende de ‘hele problematiek’.40

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en behoren te bieden.41

Niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een dergelijke onweerstaanbare drang. Uit de eigen verklaringen van verdachte komt veeleer het beeld naar voren dat verdachte een weloverwogen en bewuste keuze heeft gemaakt om de geldende regelgeving niet in acht te nemen en daarentegen zelf zijn moeder actief te helpen bij haar zelfdoding. Eveneens is het beeld ontstaan dat hij zich in sterke mate heeft laten leiden door de eigen opvattingen van zijn moeder en zichzelf over zelfbeschikking over leven en dood, welke opvattingen naar zijn mening breed gedragen zouden zijn en onvoldoende terug komen in de huidige wetgeving.

Dat zijn besluit mede was ingegeven door de sterke band met zijn moeder en de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande sterke gevoelens van liefde, compassie en lotsverbondenheid, maakt aldus niet dat sprake was van psychische overmacht.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De raadsman heeft aangevoerd dat in geval van bewezenverklaring verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd als bedoeld in artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Verloop van de procedure en redelijke termijn

Op 8 februari 2010 is de verdenking gerezen dat sprake was van een door verdachte gepleegd strafbaar feit. Op 23 februari 2010 is verdachte verhoord over de mogelijke betrokkenheid bij het onderhavige strafbare feit. Op grond van correspondentie van het Openbaar Ministerie is gebleken dat er in verband met de voortgang van de strafzaak (in elk geval) eind 2011 contact is geweest tussen het Openbaar Ministerie en de raadsman van verdachte. Eind december 2012 volgt kennelijk een persbericht dat verdachte vervolgd zou gaan worden. Op 15 januari 2013 is verdachte gedagvaard voor de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland. De behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank is van oordeel dat als aanvangsdatum voor de redelijke termijn heeft te gelden de dag van het eerste verhoor van verdachte, te weten 23 februari 2010. Vanaf toen kon hij immers in redelijkheid verwachten dat een strafvervolging zou worden ingesteld. Uit het procesdossier komen geen bijzondere omstandigheden naar voren die de onwenselijk lange duur tot het moment van dagvaarden rechtvaardigen. Dat het Openbaar Ministerie het gezien de aard van de zaak nodig heeft geacht intern de zaak eerst uitvoerig te bespreken totdat tot dagvaarden werd besloten, doet daar niet aan af. De vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn is een omstandigheid die in beginsel ten voordele van de verdachte gewogen moet worden. De rechtbank zal hiermee in het navolgende rekening houden.

Moet er straf worden opgelegd?

Bij de beantwoording van de vraag of oplegging van straf en/of maatregel moet volgen, neemt de rechtbank voorts de volgende omstandigheden in ogenschouw.

Zowel de problematiek van de hulp bij zelfdoding als ook de strafrechtelijke aansprakelijkheid en daarmee gepaard gaande mogelijke sancties waren verdachte bekend.

Verdachte herkent zijn eigen opvattingen en die van zijn moeder over zelfbeschikking over leven en dood zeer duidelijk niet in de huidige wetsbepaling over hulp bij zelfdoding. Die opvattingen hebben ook een rol gespeeld in zijn besluit om zijn moeder te helpen bij haar levensbeëindiging.

De rechtbank acht verwijtbaar dat verdachte weloverwogen heeft gekozen om de geldende regels naast zich neer te leggen en zijn eigen overtuiging heeft gevolgd, zonder daadwerkelijk de kans van slagen van een waardig en niet ondenkbaar alternatief nader te onderzoeken. Van noodtoestand of psychische overmacht is geen sprake geweest.

Daargelaten dat niet is gebleken van een onvoorwaardelijke en definitieve weigering tot hulp van de eigen huisarts, heeft verdachte verwijtbaar nagelaten de mogelijkheid van het consulteren van (een) andere arts(en) te onderzoeken.

Opgemerkt dient te worden dat er verschillend gedacht wordt over de toelaatbaarheid van hulp bij zelfdoding. Die verschillende gedachten en meningen hebben uiteindelijk na een uitgebreide maatschappelijke discussie hun weerslag gevonden in de - nog vrij recente - wettelijke regeling zoals deze er nu ligt, in het bijzonder de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, welke wet uitwerking geeft aan de artikelen 293 lid 2 en 294 lid 2, tweede volzin van het Wetboek van Strafrecht. In een democratische samenleving is het van belang dat wetten, die na een zorgvuldig totstandkomingsproces zijn vastgesteld, worden nageleefd, ook door hen die hun mening niet in alle opzichten in de wet terugvinden. De procedurele waarborgen die in de wettelijke regeling rond euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn opgenomen, zijn er niet voor niets. Zij beogen onder meer een maximale transparantie te bewerkstelligen bij een uiterst elementair onderdeel van het menselijk bestaan, waar het gaat om zaken van leven en dood.42

De rechtbank beseft terdege dat sprake is van een tijdperk van groeiende medische mogelijkheden en langere levensverwachtingen en dat tegelijkertijd veel mensen zich zorgen maken over hoe zich dat verhoudt met de mogelijkheid tot zelfbeschikking, behoud van eigen identiteit en kwaliteit van leven. De maatschappelijke discussie moet zeker worden gevoerd en het zal uiteindelijk aan de wetgever zijn om daar al dan niet wat mee te doen. Aan discussie is inherent dat over het onderwerp verschillend wordt gedacht. Illustratief is wellicht dat uit de behandeling ter zitting naar voren komt dat ook binnen de NVVE op onderdelen (zeer) verschillend wordt gedacht, bijvoorbeeld over hoe nieuwe regelgeving eruit zou moeten zien en of bijvoorbeeld wel of geen centrale rol moet zijn weggelegd voor een arts.

Opmerkelijk in dit verband is dat de door de verdediging naar voren gebrachte proeve van wetgeving, zoals opgesteld door het burgerinitiatief Uit Vrije Wil als alternatief voor de huidige wetgeving, wordt gesproken over niet strafbaarheid van hulp bij zelfdoding als - onder meer - dit is verleend door een daartoe opgeleide en in een register ingeschreven ‘stervenshulpbegeleider’. Zelfs al was deze Proeve geldend recht, dan zou verdachte zich, als vertrouwenspersoon van zijn moeder, daar dus niet (zonder meer) op hebben kunnen beroepen.

Wat daar verder ook van zij, dat het onderwerp van hulp bij zelfdoding leeft, zorgt voor discussie en dat daarbij door sommigen ook vraagtekens worden gezet bij de huidige strafbaarstelling, is op zich geen reden om verdachte, die heeft gehandeld in strijd met de geldende wettelijke bepalingen, geen straf op te leggen.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte als niet-arts heeft gehandeld en dat daarin mogelijk ook risico’s op complicaties verscholen lagen. Die mogelijkheid tot complicaties heeft verdachte - ondanks zijn gedegen voorbereiding - op de koop toegenomen. Als niet-arts heeft hij medicijnen verzameld, deels verwerkt en zijn moeder - kort gezegd - aangereikt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn moeder ruim honderdenzestig pillen heeft gegeven. Dat aan zijn handelen mogelijk ook risico’s waren verbonden, komt onder andere naar voren uit zijn eigen verklaring. Zo heeft hij verklaard dat tijdens het innemen van de medicatie er nog een angstig moment is geweest toen zijn moeder zich op het allerlaatste moment verslikte in een slok Martini. Ook heeft verdachte de woning van zijn moeder verlaten voordat de dood was ingetreden en dus zonder de wetenschap of de medicijnen echt het gewenste resultaat zouden hebben (het rustig overlijden tijdens de slaap) of dat zich complicaties zouden voordoen (het niet rustig overlijden of het overleven met schadelijke gevolgen).

Verdachte is geen arts en had geen ervaring op het gebied van het toedienen van een letale medicatie. Hij was niet opgeleid om met mogelijke onverwachte complicaties adequaat om te gaan. Dat verdachte bij zijn handelen ook het zogenoemde WOZZ-boekje heeft gehanteerd, doet daar niet aan af. Juist de wettelijke zorgvuldigheidseisen en de betrokkenheid van een arts bij een levensbeëindiging op verzoek waarborgen de minimale kans op complicaties en/of dat bij een onverwachte complicatie medisch adequaat kan worden gehandeld.

Ondanks de aan verdachte te maken verwijten (als niet-arts buiten de wet handelen), is de rechtbank van oordeel dat hem geen straf moet worden opgelegd.
Zij overweegt daartoe allereerst dat buiten kijf staat dat zijn handelen mede is ingegeven geweest uit naastenliefde en – gegeven de innige band met zijn moeder – zijn en haar wens om haar bij te staan, te helpen en zich over haar te ontfermen. Verdachte heeft veel waarde gehecht aan het vertrouwen dat zijn moeder in deze in hem stelde. Om de woorden van de verdachte te gebruiken: “Zij heeft mij de gelegenheid gegeven om degene te worden die ik ben. Ik heb altijd de verantwoordelijkheid gevoeld om er ook voor haar te zijn, ook in haar laatste fase.” Weliswaar komt hem geen beroep op overmacht toe, op zich is begrijpelijk dat de innige band tussen moeder en zoon een grote rol heeft gespeeld bij zijn handelen. Door de relatief lange duur die het Openbaar Ministerie nodig heeft gehad om tot een vervolgingsbeslissing te komen, heeft verdachte lange tijd in onzekerheid verkeerd over wat de toekomst hem brengen zou. Dit tezamen maakt dat de rechtbank thans geen meerwaarde ziet in een (voorwaardelijke) straf.

Naar het oordeel van de rechtbank is een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en maatregel daarom voldoende effectief om recht te doen aan het gepleegde feit.

12.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt

 verklaart verdachte strafbaar;

 verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf en maatregel.

Aldus gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. E.G. de Jong en mr. P.J.C. Cremers, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Koster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2013.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2010020191, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, gesloten en ondertekend op 16 juli 2011.

2 De rechtbank kiest ervoor haar hierna aan te duiden als ‘[betrokkene]’ of als de moeder van verdachte.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 068 – p. 073

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 103

5 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 024

6 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013, p. 37

7 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013 en proces-verbaal verhoor van verdachte p. 099 - 110

8 Proces-verbaal van bevindingen p. 077

9 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 024 en proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013, p. 37

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 106

11 Idem, p. 107

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 058

13 Idem, p. 106

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 106

15 Rapport NFI ‘Vragen naar aanleiding bij mogelijke hulp zelfdoding van [betrokkene]’, p. 123

16 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 002

17 Rapport NFI ‘Inhoudelijke vraag over rapport 2011.02.15.033 aanvraag 1’, p. 127

18 Brief van prof.dr. [toxicoloog] d.d. 9 augustus 2012

19 ECLI:NL:GHARN:BV6139

20 Vgl. HR 10 februari 1987, NJ 1987, 662 m.nt. ‘t Hart

21 ECLI:NL:HR:2002:AE8772

22 Brief van dokter [huisarts] van 24 maart 2010, p. 087

23 Idem, p. 088

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 103 en proces-verbaal ter terechtzitting van 3 september 2013, p. 3

25 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 september 2013

26 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013, p. 3

27 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013, p. 3 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 105

28 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 september 2013, p. 4

29 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 september 2013

30 Idem

31 Proces-verbaal terechtzitting van 3 september 2013, p. 4

32 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 september 2013, p. 16 en 17

33 Proces-verbaal van terechtzitting van 3 september 2013, p. 20

34 Proces-verbaal ter terechtzitting 3 september 2013, p. 19

35 Idem, p. 20

36 Idem, p. 23

37 Idem, p. 34

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 104

39 Idem, p. 108

40 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 105

41 HR 17 november 1987, NJ 1988, 809 m. nt. Mulder

42 Zie Gerechtshof Arnhem, 17 februari 2002, ECLI:NL:GHARN:BV6139