Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3849

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
05/700413-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:5716, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaar ministerie opnieuw niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van een inmiddels 27-jarige inwoner van Beuningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/700413-11

Datum zitting : 01 oktober 2013

Datum uitspraak : 15 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [1986] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 26 februari 2010 te Beuningen, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten - zakelijk weergegeven -: - het met zijn, verdachtes, tong binnendringen in de mond van voornoemde [slachtoffer] en/of - het met zijn, verdachtes, tong in de mond van voornoemde [slachtoffer] ronddraaiende bewegingen maken en/of - het met zijn, verdachtes, vinger(s) binnendringen in de vagina van voornoemde [slachtoffer] en/of - het met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van voornoemde [slachtoffer] op en neer gaande bewegingen maken en/of - het met zijn, verdachtes, penis binnendringen in de vagina van voornoemde [slachtoffer] en/of - het met zijn, verdachtes, penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer] op en neergaande bewegingen maken;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 26 februari 2010 te Beuningen, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het opzettelijk ontuchtig - zakelijk weergegeven -: - een of meermalen kussen/zoenen op de mond van voornoemde [slachtoffer] en/of - een of meermalen strelen van de billen en/of de vagina en/of de clitoris van voornoemde [slachtoffer];

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 01 oktober 2013 ter terechtzitting onderzocht. Namens verdachte is verschenen mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer]. Ter terechtzitting zijn namens de benadeelde partij verschenen dhr. [vader] (vader) en mevrouw [moeder] (moeder), bijgestaan door mr. D.W. Jansen advocaat te Twello.

De officier van justitie, mr. P.A. de Boer, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2A. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank stelt op de basis van het strafdossier allereerst de processuele gang van zaken vast.

Op 26 maart 2010 deed dhr. [vader], de vader van [slachtoffer] (het slachtoffer), aangifte tegen verdachte ter zake van seksueel misbruik van zijn destijds 14 jaar oude dochter. Hierop hoorde de politie het slachtoffer op 1 september 2010 als benadeelde. In dit gesprek deelde zij mede dat zij zelf geen aangifte wilde doen.

De politie heeft vervolgens in overleg met de officier van justitie besloten om de zaak tegen verdachte te seponeren. Op 15 oktober 2010 werd dit aan verdachte medegedeeld in een zogenaamd eindgesprek. Hiervan werden ook het slachtoffer en haar familie op de hoogte gesteld.

De vader van het slachtoffer was het hiermee niet eens en diende op 9 november 2010 een klacht in. De officier van justitie heroverwoog haar beslissing om niet te vervolgen en besloot om alsnog tot vervolging over te gaan. Hierop is verdachte op 1 februari 2011 door de politie aangehouden en verhoord.

De zaak is op 16 november 2011 ter zitting behandeld. De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in zijn vervolging, met als overweging:

‘De rechtbank merkt de mededeling die op 15 oktober 2010 aan verdachte gedaan is aan als een sepot-beslissing, gedaan door een officier van justitie, nu er vooraf overleg met de officier van justitie heeft plaatsgevonden. Dit impliceert dat de officier van justitie in beginsel gebonden is aan deze beslissing. Veranderde omstandigheden kunnen met zich meebrengen dat op die beslissing wordt teruggekomen. In onderhavige zaak is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk is in zijn vervolging.’

De officier van justitie stelde op 29 november 2011 hoger beroep in tegen dit vonnis. Dit hoger beroep werd vervolgens op 1 maart 2012 ingetrokken. Blijkens een later verstuurd ambtsbericht (d.d. 14 november 2012) was de reden hiervan:

‘Na overleg tussen de officier van justitie en de Advocaat Generaal (AG) is echter besloten het hoger beroep in te trekken. De overweging van de AG is dat alleen bij een beklagprocedure of nieuwe bezwaren alsnog overgegaan kan worden tot vervolgen. De klacht van [vader] kan niet als een nieuw bezwaar worden beschouwd.

(..)

Daarnaast overweegt de AG dat het opgewekt vertrouwen in deze zaak een rol speelt. Er is een periode van 3,5 maand verstreken tussen de mededeling van het OM-sepot en de datum van aanhouding verdachte. Verdachte mocht er na die periode op vertrouwen dat de zaak was afgedaan’

In dezelfde ambtsbrief staat vermeld dat naar aanleiding van de klacht van de heer [vader] door het openbaar ministerie gewezen had moeten worden op de mogelijkheid van een procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Op 4 juli 2012 deelde de officier van justitie schriftelijk mede aan de vader van het slachtoffer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was verklaard in de strafzaak.

Hierop diende dhr. [vader] op 28 september 2012 een klaagschrift ex artikel 12 Sv in. Hij kon zich niet verenigen met de beslissing om niet tot strafvervolging over te gaan.

Dit klaagschrift is op 15 februari 2013 in raadkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandeld. Blijkens de beschikking van 13 maart 2013 oordeelde het hof dat klaagschrift gegrond en werd bevolen dat de officier van justitie strafvervolging tegen verdachte in zou stellen. Het hof overwoog, onder andere ten aanzien van het hierboven genoemde vonnis van 16 november 2011 van deze rechtbank, hiertoe:

‘Een dergelijk vonnis staat aan een nieuwe vervolging na bevel daartoe van het hof niet in de weg, nu dat vonnis geen uitspraak over het feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht betreft (…). De aanvankelijke sepotmededeling staat aan een zodanig bevel evenmin in de weg (…)

Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van het beklag is het hof het met de advocaat generaal en de officier van justitie van oordeel dat, hoewel sinds het plegen van het feit een aanzienlijke tijd is verlopen, de aard en de ernst van het feit het alsnog vervolgen van beklaagde rechtvaardigen. Daarbij is mede rekening gehouden met een aan het hof gerichte brief van [slachtoffer], gedateerd 11 januari 2013, waarin zij aangeeft dat zij hoopt dat beklaagde een keer gepakt wordt voor zijn daden.’

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft twee opvallende momenten aangehaald, te weten het moment van de sepot-mededeling en het moment van het intrekken van het hoger beroep. De rechtbank had reeds vastgesteld dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. Opnieuw vervolgen had derhalve weinig kans van slagen, mede gelet op het feit dat er geen nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 Sv bekend waren. Door aangever op het spoor te zetten van een artikel 12 Sv procedure, heeft het openbaar ministerie een mogelijkheid bedacht om toch een nieuwe vervolging te realiseren in weerwil van het reeds gewezen vonnis en het intrekken van het daartegen ingestelde hoger beroep. Los van het vorenstaande heeft het hof zich niet uitgelaten over de vraag of dit nu moet resulteren in ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging is van mening dat de artikel 12 Sv procedure in de onderhavige zaak niet meebrengt dat de schending van het vertrouwensbeginsel gerepareerd wordt. Er zijn voorts geen nieuwe ontwikkelingen die maken dat het openbaar ministerie in dit stadium wel ontvankelijk zou zijn. Het vertrouwen bij verdachte dat hij niet vervolgd zou worden, is gelet op de gehele gang van zaken in combinatie met het verdere tijdsverloop, enkel gegroeid.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vraag of naar aanleiding van de sepotmededeling het openbaar ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld reeds is beantwoord in de eerste procedure. Dat was het geval, immers het vertrouwen was gewekt bij verdachte dat hij niet zou worden vervolgd. Het openbaar ministerie was het niet eens met deze beslissing en kon twee wegen in slaan, namelijk hoger beroep instellen of het laten volgen van een artikel 12 Sv procedure. Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal en de officier van justitie dat er geen nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 Sv waren, werd de artikel 12 Sv procedure ingezet door de vader van het slachtoffer. Dit resulteerde in een uitspraak van het hof dat er opnieuw vervolgd moest worden. Deze lijn is ingezet door het hof en moet gevolgd worden. Dit houdt in dat het openbaar ministerie thans wel ontvankelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de kern van het verweer gaat om de werking van het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een bevel zoals omschreven in artikel 12 Sv de verplichting schept voor het openbaar ministerie om een strafvervolging in te stellen. Wanneer op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, kan degene die wordt vervolgd niet meer aan het openbaar ministerie tegenwerpen dat het handelt in strijd met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijke procesorde, bijvoorbeeld gelet op een eerdere toezegging om niet te vervolgen (HR 2 juni 1987, LJN: AB8018). Het vertrouwensbeginsel wordt aldus doorbroken door een bevel tot vervolging.

De rechtbank buigt zich over de vraag of in deze situatie sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat gesteld kan worden dat het bij verdachte gewekte vertrouwen door de beschikking van het hof in de artikel 12 procedure doorbroken is, of dat ook thans nog – of weer - met succes een beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan.

De rechtbank stelt vast dat de niet-ontvankelijkheid die destijds is uitgesproken, niet zag op de inhoud van de zaak. Het ging enkel om het besluit om toch te vervolgen na een sepot-mededeling. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven ambtsbericht van 14 november 2012, realiseerde het openbaar ministerie zich dat, gezien de sepot-mededeling, het daarop gevolgde vonnis van de rechtbank en het ingetrokken hoger beroep, een hernieuwde vervolging alleen mogelijk zou zijn na een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof. Vier maanden na het intrekken van het hoger beroep, werd dit aan aangever medegedeeld, zeven maanden na het intrekken van het hoger beroep (en 2½ maand na de mededeling daarvan) werd door aangever het beklag ex artikel 12 Sv ingediend. Dit geschiedde onmiskenbaar op instigatie van het openbaar ministerie.

Op diverse momenten zijn er door of vanwege het openbaar ministerie handelingen verricht die bij verdachte een steeds sterker wordend gerechtvaardigd vertrouwen opwekten dat hij niet zou worden vervolgd, te weten:

- de sepot-mededeling op 15 oktober 2010;

- de verstreken termijn tussen het horen van verdachte op 1 februari 2011 en het uitbrengen van de dagvaarding in de eerste strafvervolging op 4 juli 2011;

- het eerste vonnis van de rechtbank van 16 november 2011 (deze beslissing kan aan het openbaar ministerie worden toegeschreven nu de rechtbank in de gegeven omstandigheden en binnen de context van de bestaande rechtspraak wel tot deze beslissing moest komen);

- het intrekken van het daartegen gerichte hoger beroep op 1 maart 2012, waardoor dit vonnis onherroepelijk werd.

Ten onrechte heeft de officier van justitie na de eerste informele klacht van aangever zonder veel omhaal de koers geheel verlegd en besloten tot vervolging ondanks het eerdere sepot, hoewel de officier van justitie destijds had kunnen en moeten weten dat een dergelijke handelswijze in beginsel zal eindigen met een niet-ontvankelijk verklaring. Toen dat inderdaad zo bleek te zijn, heeft het openbaar ministerie gepoogd het inmiddels gevestigde vertrouwen ongedaan te maken door het advies te geven aan de vader van het slachtoffer om een beklagprocedure in te stellen. Deze klacht werd meer dan zes maanden na intrekking van het hoger beroep door het gerechtshof ontvangen. Deze periode van meer dan een half jaar heeft naar het oordeel van de rechtbank het vertrouwen van verdachte dat hij niet vervolgd zou worden nog verder versterkt.

De rechtbank onderkent dat het gaat om een zeer ernstige zaak die voor het slachtoffer en haar gezin ingrijpende gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft. Dat vormt echter onvoldoende tegenwicht om aan de door het openbaar ministerie gevolgde handelwijze geen consequenties te verbinden.

Hoewel normaliter een artikel 12 Sv procedure het vertrouwensbeginsel doorbreekt, is in het onderhavige geval het vertrouwen bij verdachte door de handelwijze van het openbaar ministerie redelijkerwijs zo sterk gegroeid dat het beklag het vertrouwensbeginsel uiteindelijk niet doorbroken heeft. Er is op dusdanig veel manieren en op uiteenlopende tijdstippen telkens opnieuw vertrouwen gewekt dat de vervolging geen doorgang zou vinden, dat het openbaar ministerie thans het vervolgingsrecht heeft verspeeld.

3 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van
€ 5.216,69,- vermeerderd met de wettelijke rente.

Beoordeling door de rechtbank

Nu er geen sprake is van de oplegging van enige straf of maatregel of toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. G.J.M. van Wijk (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. J.M. Hamaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. Miedema, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2013.