Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:2158

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-08-2013
Datum publicatie
06-08-2013
Zaaknummer
06/950594-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht anders dan het OM misbruik van een patiënte door therapeut Gelre Ziekenhuizen niet bewezen en komt tot vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 342
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2013/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/950594-11

Uitspraak d.d. 6 augustus 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. Van der Goot, advocaat te Leeuwarden.


Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2013.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2009

tot en met 1 september 2010 te Apeldoorn en/of te Hall en/of te Wichmond en/of

te Loenermark en/of op andere plaatsen in Nederland,

terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke

zorg,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die

toen als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg was

toevertrouwd,

immers heeft verdachte in genoemde periode (meermalen) geslachtsgemeenschap

met die [slachtoffer] gehad en/of de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of de

borsten van die [slachtoffer] betast en/of zich door die [slachtoffer] laten aftrekken

en/of met die [slachtoffer] getongzoend;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding tot het onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek was een informatief gesprek door twee zedenrechercheurs op

7 februari 2011 met [slachtoffer]. In dat gesprek verklaarde zij over haar opname in september 2009 in de [ziekenhuis] en de gedurende die opname en daarna plaatsgevonden hebbende seksuele contacten met een aldaar werkzame verpleegkundige, [verdachte]. Aanleiding voor haar gesprek met de politie was een brief die haar ex-vriend [naam] naar het ziekenhuis had gestuurd en waarin hij zich beklaagde over het functioneren van [verdachte]. Tijdens het gesprek overhandigde zij aan de beide rechercheurs een aantal documenten (in totaal 32 pagina’s, bestaande uit een verslag over haar contacten met [verdachte], de brief van [naam], overgeschreven sms-jes
- volgens aangeefster van [verdachte] afkomstig - over de periode van 22 oktober 2009 tot en met 13 september 2010 en 13 december 2010 tot en met 10 januari 2011, een tweetal mailberichten van [verdachte] d.d. 27 december 2010 en 27 januari 2011, alsmede mailberichten tussen aangeefster (en haar vader) met het hoofd personeelszaken van het ziekenhuis en mail berichten tussen aangeefster en de psychiater [psychiater]) en bedacht zij zich dat zij nog wat sms-jes op haar oude telefoon had staan die tevens als bewijsmateriaal konden dienen.

Op 22 februari 2011 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan tegen verdachte wegens seksueel misbruik, welke aangifte in drie etappes is opgenomen, namelijk op 22 februari 2011, 2 maart 2011 en 23 maart 2011. Naar aanleiding hiervan is onderzoek gedaan naar de oude en nieuwe mobiele telefoons van aangeefster, zijn diverse personen gehoord en is verdachte uiteindelijk op 19 september 2011 aangehouden. Tijdens een viertal verhoren op 19 en 20 september 2011 heeft verdachte steeds ontkend seksueel contact met aangeefster te hebben gehad.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van zijn schriftelijke requisitoir. De officier heeft gevorderd dat verdachte terzake het door hem bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Ter zitting heeft de raadsman het standpunt van de verdediging toegelicht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft te beslissen op hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Dit betreft in de kern het verwijt dat hij meermalen seks met aangeefster heeft gehad terwijl zij aan zijn zorg als psychiatrisch verpleegkundige was toevertrouwd.

Het gaat in deze strafzaak dus (uiteindelijk) niet om de vraag of verdachte de grenzen van zijn beroepsethiek heeft geschonden door - buiten de professionele behandelingssetting van de kliniek en buiten de door hem gegeven training om - een persoonlijke band te onderhouden met aangeefster en haar familie en door zich buiten die setting op te werpen als redder in nood die haar op eigen gezag buiten de reguliere behandeling om verder zou kunnen helpen als vertrouwenspersoon. De rechtbank hecht er toch waarde aan om op te merken dat het beeld is ontstaan dat verdachte – zoals hij overigens zelf ook ten dele ter zitting heeft erkend – in ernstige mate de grenzen van het betamelijke heeft overschreden door als psychiatrisch verpleegkundige in weerwil van adviezen van collega’s en tegen geldende (al dan niet geschreven) normen in - op eigen houtje en buiten de behandelsetting om - intensief contact te onderhouden met aangeefster en haar familie.

Voor wat betreft de tenlastelegging geldt dat veel van de zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal1.

Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Gelet op bovenstaand beoordelingskader is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.

Sms berichten

Aangeefster heeft aan de politie door haar op papier gestelde tekstberichten overhandigd die volgens haar door verdachte zijn verstuurd. Naar haar zeggen heeft ze deze berichten overgeschreven van door verdachte gestuurde SMS berichten. De politie heeft onderzoek gedaan naar zowel gegevens van haar telefoons als naar de historische gegevens van de telefoon van verdachte. Een aantal van de door haar ‘overgeschreven’ berichten zijn ook aangetroffen in één van de telefoons van aangeefster, andere (latere) berichten zijn niet teruggevonden, volgens aangeefster omdat ze die berichten - zoals zij heeft verklaard - op aandringen van verdachte van haar telefoon heeft verwijderd.

Uit onderzoek van de politie naar de telefoongegevens van verdachte komt met betrekking tot een aantal berichten naar voren dat de data en tijdstippen waarop berichten zijn verstuurd van de telefoon van verdachte naar de telefoon van aangeefster, overeenkomen met de in de telefoon van aangeefster geregistreerde data en tijdstippen van dat contact.

Door de verdediging is onder meer en onder verwijzing naar een onderzoeksrapport van het bureau [bedrijf] van 4 juli 2013 betoogd dat verdachte niet (alle) berichten heeft verstuurd en dat het heel goed mogelijk is dat wel door verdachte verstuurde berichten door een ander zijn gemanipuleerd en/of dat de telefoon van verdachte gehackt is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de in de telefoon van aangeefster aangetroffen SMS berichten, daargelaten of al deze berichten daadwerkelijk door verdachte zijn verstuurd, onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen concluderen dat deze berichten de aangifte in voldoende mate ondersteunen.

Met betrekking tot overige aan verdachte toegeschreven maar niet in de telefoons van aangeefster teruggevonden berichten, merkt de rechtbank op dat onvoldoende is komen vast te staan dat de inhoud van die berichten daadwerkelijk van verdachte afkomstig is.

Getuigen

Voor zover de ouders van aangeefster verklaren over het aangegeven misbruik, wordt vastgesteld dat dit zogenoemde ‘de auditu’ verklaringen betreft met aangeefster als bron en dat hun verklaringen in die zin dus niet als zelfstandige bewijsmiddelen kunnen worden beschouwd. Wel hebben de ouders uit eigen waarneming verklaard dat verdachte hun dochter met zijn auto ophaalde voor en terugbracht van de VERS-training en dat zij op bezoek is geweest bij verdachte op zijn boerderij, hetgeen verdachte op zichzelf ook heeft bevestigd. De vaststelling dat verdachte aangeefster (soms) ophaalde voor en terugbracht van de VERS-training, dat ze naar zijn eigen zeggen soms ook ergens stopten om na te praten en dat zij hem heeft bezocht op zijn boerderij, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat haar verklaring omtrent het misbruik in voldoende mate is ingebed in een concrete context. Dit geldt temeer nu - na lezing van de verschillende verklaringen van aangeefster - vragen blijven bestaan over de frequentie en momenten van het gestelde misbruik, en uit de door verdachte zelf ingebrachte medische stukken naar voren komt dat hij destijds te kampen had met erectiestoornissen. In dit kader wordt opgemerkt dat politie en justitie hebben nagelaten om bijvoorbeeld de toenmalige vriend van aangeefster (die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het besluit tot het doen van aangifte), alsmede de vrouw van verdachte te bevragen op onder meer specifieke details en mogelijke onduidelijkheden uit de verklaringen van aangeefster. Uitgebreidere verificatie had – mede tegen de achtergrond van de beschikbare medische informatie over aangeefster – niet misstaan.

Gelet op al het bovenstaande bieden de door de officier van justitie aangedragen bewijsmiddelen - op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien - onvoldoende concrete context en dus steunbewijs voor de aangifte. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van hetgeen hem is ten laste gelegd.

Vordering benadeelde partij

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] te worden afgewezen, nu verdachte zal worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

wijst af de vordering tot schadevergoeding ingediend door de benadeelde partij

[slachtoffer].

Aldus gewezen door mrs. E.G. De Jong, voorzitter, Welbergen en Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

6 augustus 2013.

1 O.a. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en laatstelijk ook nog HR 6 maart 2012, in een drietal arresten