Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL7735

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
85379 / KG ZA 10-52
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen opheffing beslagen. gedaagde maakt tijdens deze procedure het betwiste originele contract kwijt ('uit de auto gestolen tijdens hond uitlaten"), zodat onderzoek niet meer mogelijk is. Vordering van gedaagde zo onaannemelijk dat naast opheffen beslag verbod wegens misbruik van recht op verdere conservatoire beslagen wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 85379 / KG ZA 10-52

vonnis in kort geding van 16 maart 2010

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTTOLINX B.V.,

wonende c.q. gevestigd te Zwijndrecht,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. T. Bezmalinovic,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRASSTO S.P.D. B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie

advocaat mr. J.C. van der Tak.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser 1] en Ottolinx en Brassto.

1. Het procesverloop

De voorzieningenrechter heeft ter terechtzittingen van 18 februari 2010 en 15 maart 2010 kennis genomen van de volgende stukken:

- de beslagstukken;

- de dagvaarding van 12 februari 2010;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 18 februari 2010;

- de brief van de griffier van 19 februari 2010 aan partijen (met procesafspraken);

- de brief van mr. Bezmalinovic van 23 februari 2010;

- de brief van de griffier van 25 februari 2010;

- de brief van mr. Van der Tak van 1 maart 2010;

- de akte wijziging eis van [eiser 1] en Ottolinx;

- de conclusie van eis in reconventie van Brassto;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 15 maart 2010;

- de pleitnotities van beide advocaten;

- de door beide partijen overgelegde producties.

2. De feiten

2.1 Op 29 juni 2007 is tussen Brassto en Ottolinx een schriftelijke managementovereenkomst gesloten op grond waarvan Ottolinx zich verbond het management van Brassto te voeren. [eiser 1] heeft deze overeenkomst ondertekend in zijn hoedanigheid van directeur van Ottolinx.

In de managementovereenkomst is geen concurrentie- of relatiebeding vermeld.

2.1 Ottolinx is voor zichzelf begonnen.

2.2 Brassto heeft op 29 januari 2010 conservatoire beslagen doen leggen ten laste van Ottolinx en [eiser 1] op grond van daartoe door de voorzieningenrechter in deze rechtbank op 22 en 26 januari 2010 verleende verloven. De vorderingen waarvoor beslagen zijn gelegd, zijn in de verloven begroot op € 1.100.000,-- resp. € 330.000,--.

2.3 Op 3 maart 2010 heeft Brassto de bodemzaak tegen [eiser 1] en Ottolinx aanhangig gemaakt.

3. De vordering

in conventie

[eiser 1] en Ottolinx vorderen, na wijziging van eis, -kortweg- opheffing van de gelegde beslagen en een verbod opnieuw beslag te leggen voor de gestelde vordering op straffe van een dwangsom.

Aan hun vorderingen leggen zij ten grondslag dat de vordering op grond waarvan beslag is gelegd niet aannemelijk zijn.

In reconventie

Brassto vordert -kortweg- een verbod jegens Ottolinx en [eiser 1] om relaties van Brassto te benaderen op straffe van een dwangsom.

Aan haar vordering legt zij ten grondslag dat Ottolinx zich in de schriftelijke (getekende) overeenkomst van 2 juli 2007 jegens Brassto heeft verplicht zich van concurrentie te onthouden aan welk verbod zij zich niet heeft gehouden, hetgeen tevens onrechtmatig is. [eiser 1] is hiervoor als bestuurder aansprakelijk.

Partijen betwisten elkaars vorderingen. Voor zover nodig wordt hierna op de verweren ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Brassto legt aan haar vordering tegen Ottolinx primair ten grondslag het concurrentie- en relatiebeding in de schriftelijke overeenkomst van 2 juli 2007 (verder ook te noemen: het stuk van 2 juli 2007), die [eiser 1] namens Ottolinx zou hebben ondertekend. [eiser 1] ontkent dit laatste stellig. Brassto draagt, gelet op de stellige betwisting door [eiser 1] de bewijslast van de echtheid van de handtekening onder het stuk van 2 juli 2007.

4.2 Ter zitting van 18 februari jl. heeft de raadsman van Brassto een stuk gedateerd 2 juli 2007 getoond. Slechts het originele stuk kan onderzocht worden op echtheid. De voorzieningenrechter heeft het getoonde stuk van 2 juli 2007 en de getoonde (niet betwiste) overeenkomst van 29 juni 2007 gewaarmerkt. Vervolgens is met partijen afgesproken dat de echtheid van de handtekening op kosten van [eiser 1] en Ottolinx zou worden onderzocht door een schriftkundige en dat Brassto het stuk van 2 juli 2007 naar de schriftkundige zou brengen. Zo ver is het echter niet gekomen, want na de zitting is, volgens Brassto, het stuk van 2 juli 2007 uit de auto van [betrokkene] (zijnde de directeur Brassto) gestolen, toen hij de hond ging uitlaten. Of dit vreemde verhaal juist is, kan in het midden blijven. Aangenomen moet worden dat de echtheid van de handtekening van [eiser 1] onder het stuk van 2 juli 2007 niet meer kan worden onderzocht; niet in dit kort geding maar ook niet in een latere procedure. Brassto heeft door eigen toedoen haar eigen bewijspositie ernstig verzwakt.

4.3 Brassto stelt dat het concurrentie- en relatiebeding ook bewezen kan worden met getuigen. In het kader van dit kort geding is geen ruimte voor dergelijke bewijslevering. De overgelegde verklaringen zijn zeer summier, gemotiveerd betwist en brengen -ook los van de betwisting- op zichzelf nauwelijks bewijs bij. Daarbij is van belang dat [eiser 1] niet meer in de gelegenheid zal zijn in het kader van tegenbewijs het stuk van 2 juli 2007 te laten onderzoeken. Aan het door Brassto te leveren bewijs moeten dan ook hoge eisen worden gesteld. Het bestaan van het relatie- en concurrentiebeding zijn voorshands zeer onaannemelijk.

4.4 Brassto voert nog aan dat Ottolinx onrechtmatig heeft gehandeld door Brassto onrechtmatige concurrentie aan te doen. In dit verband stelt zij dat Ottolinx stelselmatig relaties van Brassto is afgegaan om gebruikmakende van alle feiten en financiële gegevens te trachten opdrachten te verwerven met name door prijzen en condities aan te bieden die gunstiger zijn dan de condities waaronder Brassto met haar relaties contracteert.

Ter zitting heeft Brassto drie namen van relaties genoemd en een bedrag aan omzetverlies dat Brassto door de concurrentie zou lijden. Terecht voeren Ottolinx en [eiser 1] aan dat deze stellingen te vaag zijn en niet onderbouwd.

4.5 Gelet op vorenstaande is de vordering van Brassto op Ottolinx niet aannemelijk geworden. Deze vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. De aansprakelijkheid van [eiser 1], die nauwelijks is onderbouwd, kan verder onbesproken blijven, nu aan Ottolinx geen terecht verwijt wordt gemaakt. Voorts volgt hieruit dat het door Brassto ingeroepen recht ondeugdelijk blijkt te zijn. Gelet op de hoge mate van twijfel aan de gegrondheid van de vorderingen, is op dezelfde grond nogmaals conservatoir beslag leggen als misbruik van recht aan te merken. Dit leidt ertoe dat Brassto een verbod krijgt om voor deze vordering opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van Ottolinx en/of [eiser 1].

Het gevraagde verbod is evenwel te ruim gevorderd, want niet duidelijk is wat met “aan Brassto verwante vennootschappen en natuurlijke personen” en “aan [eiser 1] en Ottolinx verwante vennootschappen en natuurlijke personen” bedoeld wordt. Dit onderdeel van de conventionele vordering moet worden afgewezen.

De dwangsom zal worden toegewezen als na te melden.

4.6 Brassto wordt in conventie en in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser 1] en Ottolinx bedragen tot op heden:

In conventie:

dagvaarding € 87,93

griffierecht € 262,--

advocaat € 2.448,-- + (3 punten à € 816,--)

€ 2.797,93

in reconventie:

advocaat € 408,-- (0,5 punt à € 816,--)

5. De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

in conventie

heft op de door Brassto ten laste van [eiser 1] en Brassto gelegde conservatoire beslagen van 29 januari 2010;

verbiedt Brassto om opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van Ottolinx en [eiser 1] terzake dezelfde vordering (gebaseerd op de gestelde overeenkomst van 2 juli 2007);

bepaalt dat Brassto een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,-- voor iedere keer dat zij dit verbod overtreed en voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, zulks tot maximaal het bedrag waarvoor de vordering in het beslagverlof wordt begroot;

veroordeelt Brassto in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] en Ottolinx bepaald op € 2.797,93;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Brassto in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] en Ottolinx bepaald op € 408,--;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2010.