Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BE0060

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
76022 - KG ZA 08-138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schending handelsnaam en merkrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2009, 51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76022 / KG ZA 08-138

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Numansdorp,

eiser,

procureur mr. V.J. Groot,

advocaat mr. M.J. op 't Ende te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te St. Numansdorp,

gedaagde,

advocaat mr. H.L. Bakker te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde]

- de door partijen overgelegde producties.

1.2. Een brief van 22 juli 2008 van [gedaagde] aan de voorzieningenrechter is aan [gedaagde] geretourneerd zonder dat van de inhoud kennis is genomen, omdat [gedaagde] zonder tussenkomst van een procureur de brief had overgelegd.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen waren vanaf 2002 vennoten in de vennootschap onder firma (Vof) “[gedaagde] Bandenservice” te Numansdorp. Dit bedrijf was in 2000 door [gedaagde] als eenmanszaak opgericht.

2.2. [gedaagde] is uitgetreden uit de Vof per 1 november 2005. [gedaagde] heeft zijn aandeel in de Vof aan [eiser] overgedragen. [eiser] heeft daarbij aan [gedaagde] een vergoeding van € 240.000 betaald. Er is een akte van verdeling en levering opgemaakt die notarieel is verleden op 23 november 2005. In deze akte is een concurrentieverbod voor [gedaagde] opgenomen voor een periode van een jaar in een straal van 20 kilometer rond Numansdorp.

2.3. [eiser] heeft omstreeks november 2005, of later, de handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” gewijzigd in “[eiser] Bandenservice.”

2.4. [gedaagde] heeft per 4 januari 2008 een bedrijf genaamd “[gedaagde] Bandenservice” opgericht, dat gevestigd is in (eveneens) Numansdorp.

2.5. [eiser] heeft voor het beeldmerk “[eiser] Bandenservice” een Benelux merkregistratie verkregen met als depotdatum 7 januari 2008.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

I. [gedaagde] te bevelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis de in het lichaam van deze dagvaarding omschreven intellectuele eigendomsrechten van [eiser], meer in het bijzonder elk gebruik van de handelsnaam [gedaagde] BANDENSERVICE of van enige daarmee overeenstemmende naam in welke samenstelling dan ook en elk gebruik van het omschreven logo, te staken en gestaakt te houden;

II. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan de

advocaat van [eiser] af te geven een volledige schriftelijke opgave van alle (rechts) personen, instanties en organisaties welke [gedaagde] heeft benaderd en aan welke [gedaagde] gewraakte mededelingen over [eiser] en/of diens onderneming als beschreven in het lichaam van deze dagvaarding heeft gedaan, met volledige adresgegevens van deze derden en de daarop door [gedaagde] ontvangen reacties, waaronder doch niet uitsluitend begrepen opdrachten en orderbevestigingen;

III. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan alle

(rechts) personen, instanties en organisaties aan wie [gedaagde] de gewraakte mededelingen als in het lichaam van de dagvaarding beschreven heeft gedaan, een aangetekende rectificatiebrief te zenden met uitsluitend de navolgende inhoud:

“Geachte mevrouw, heer

Bij vonnis van (DATUM) in kort geding gewezen door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Dordrecht is het ons verboden gebruik te maken van de handelsnaam [gedaagde] BANDENSERVICE en het door ons gebruikte logo, omdat dat gebruik inbreuk vormt op de exclusieve rechten van de heer J.J.J. [eiser] en diens onderneming [eiser] BANDENSERVICE. Wij hebben u de afgelopen maanden mededelingen gedaan over de heer [eiser] en zijn onderneming, waarbij wij ten onrechte hebben gesteld dat hij in financiële nood zou verkeren, hij geen personeel meer heeft en binnen afzienbare tijd niet meer zou bestaan, en u beter klant bij ons kon worde. Deze mededelingen waren volstrekt onjuist en op niets gebaseerd. [eiser] verkeert niet in financiële nood, heeft personeel in dienst en is en blijft onverminderd actief op het gebied van banden en bandenservice.

Hoogachtend,

L.H. de Ruijter”

zulks onder gelijktijdige toezending aan de advocaat van [eiser] van (duidelijk leesbare) kopieën van de verzonden brieven met gedateerd bewijs van terpostbezorging;

IV. [gedaagde] te bevelen zich te onthouden van de in het lichaam van deze dagvaarding omschreven handelingen die in het normale handelsverkeer ontoelaatbaar worden geacht, waaronder doch niet uitsluitend begrepen het doen van verdere onrechtmatige, althans onjuiste mededelingen aan derden over [eiser] en/ of diens onderneming;

V. alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro) voor elke overtreding van de onder I t/m IV geformuleerde bevelen en een dwangsom van € 1.000 (zegge duizend euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de redelijke en evenredige proceskosten aan de zijde van [eiser] als bedoeld in art. 1019h Rv., procureursalaris en nakosten daaronder begrepen.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

3.2. [gedaagde] maakt inbreuk op de volgende (intellectuele eigendoms-) rechten van [eiser]:

handelsnaam

3.2.1. De handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” behoort toe aan [eiser]. Toen [gedaagde] uittrad als vennoot is afgesproken dat de baten en rechten van het bedrijf achterbleven in het bedrijf, bij [eiser]. Weliswaar heeft [eiser] na het uittreden van [gedaagde] de bedrijfsnaam veranderd van “[gedaagde] Bandenservice”in “[eiser] Bandenservice,” maar verwarringsgevaar is nog immer te duchten, mede omdat [gedaagde] in commerciële mededelingen aan het publiek meldt dat zijn bedrijf “[gedaagde] Bandenservice” al sinds 2000 bestaat, een gerenommeerde naam heeft en thans is verhuisd naar de huidige locatie.

merkrecht

3.2.2. [gedaagde] voert een logo/ beeldmerk “[gedaagde] Bandenservice” (handelsnaam met daaronder een kenmerkende streep). Daarmee schendt [gedaagde] het merk dat [eiser] heeft gedeponeerd.

onrechtmatig handelen

3.2.3. [gedaagde] handelt onrechtmatig: in commerciële mededelingen aan het publiek meldt [gedaagde] dat zijn net opgerichte bedrijf al sinds 2000 bestaat, een gerenommeerde naam heeft en thans is verhuisd naar de huidige locatie. [gedaagde] doet het daarmee voorkomen alsof zijn bedrijf hetzelfde bedrijf is als dat van [eiser].

Bovendien verspreidt [gedaagde] aan klanten van [eiser] het -onjuiste- gerucht dat het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeert zodat deze klanten zich beter tot het bedrijf van [gedaagde] zouden kunnen wenden.

Er is sprake van oneerlijke mededinging. [gedaagde] parasiteert op de goodwill van [eiser] en misbruikt zijn kennis als voormalig vennoot. [gedaagde] stuurt klanten van [eiser] prijslijsten met prijzen net boven de inkoopprijs van [eiser]. Als op zoekmachines op internet de naam van het bedrijf van [eiser] wordt ingevoerd dan komt men, door toedoen van [gedaagde], uit bij het bedrijf van [gedaagde]

auteursrecht

3.2.4. [gedaagde] schendt het auteursrecht van [eiser]

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de handelsnaam

4.1. Ingevolge art. 5 Handelsnaamwet (Hnw) is het verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.

4.2. [gedaagde] handelt met het bezigen van de handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” in strijd met voormeld art. 5 Hnw. Hieraan doet niet af dat [eiser] zelf niet meer de handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” voert, maar de handelsnaam “[eiser] Bandenservice.” Deze naamswijziging van Kruithof dateert van kort voor, of net na, het uittreden van [gedaagde] als vennoot, eind 2005. Dit tijdsbestek is in de gegeven omstandigheden kort genoeg om aannemelijk te achten dat het verwarringsgevaar bij het publiek nog immer groot is. Partijen drijven een onderneming in dezelfde regio, hetzelfde handelsdebiet met exact dezelfde producten, hetgeen de kans op verwarring groot maakt. [gedaagde] vergroot dit verwarringsgevaar nog verder door het in reclamemededelingen aan het publiek te doen voorkomen alsof het hier om één en het zelfde bedrijf zou gaan, met mededelingen als zou zijn huidige bedrijf al sinds 2000 bestaan en verhuisd zou zijn. Dit rechtvaardigt toewijzing van de vordering tot staking van het voeren van de handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” door [gedaagde]. Het is overigens aannemelijk dat [gedaagde] nog steeds de handelsnaam “[gedaagde]”voert. Ter zitting voerde de Ruijter aan dat hij al bezig is met aanpassing van zijn handelsnaam, maar [gedaagde] moest, geconfronteerd met foto’s die [eiser] recentelijk had genomen, erkennen dat hij in ieder geval nog gedeeltelijk -op bedrijfsauto’s- de betwiste handelsnaam bezigt.

het merkrecht

4.3. Er is reeds geoordeeld dat de handelsnaam “[gedaagde] Bandenservice” niet mag worden gevoerd door [gedaagde]. Hieruit volgt dat die handelsnaam ook niet mag worden gevoerd voor zover deze is opgenomen in het logo/merk van [gedaagde].

4.4. Het logo bestaat echter niet alleen uit een naam, maar ook uit een kenmerkende streep, onder de naam in het logo. Op voorhand is aannemelijk dat [eiser] merkenrechtelijke bescherming toekomt voor deze streep, gelet op diens depot van het merk en het gebruik van dat merk. Hieraan doet niet af dat het depot dateert van net na de oprichting door [gedaagde] van diens bedrijf. Immers, het logo, met streep, werd al gevoerd door [eiser] toen [gedaagde] zelf de streep in het logo ging gebruiken. Indien de deposant in verhouding tot de voorgebruiker als de eerste gebruiker van het merk (de voor-voorgebruiker) kan worden aangemerkt, maakt deze geen misbruik door het merk alsnog te deponeren (BenGH 25 juni 2004, IER 2004, p. 342; Winner Taco/El Taco).

onrechtmatigheid

4.5. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig handelt. Het gaat niet aan om als vennoot uit te treden, daarbij zich een aanzienlijk bedrag te laten betalen onder meer vanwege de achtergelaten goodwill, daarna een eigen bedrijf op te richten, met als handelsnaam de oude handelsnaam van het andere bedrijf en het dan in reclamemededelingen aan het publiek te doen voorkomen alsof dit nieuwe bedrijf het oude bedrijf is, maar dan verhuisd. Het verweer van [gedaagde] dat hij niet verantwoordelijk is voor teksten die opgesteld zijn door redacties van commerciële huis- en huisbladen komt niet geloofwaardig voor. [gedaagde] heeft aan de totstandkoming van het bewuste artikel meegewerkt, hij wordt geciteerd en er is daarbij een foto van [gedaagde] bijgeplaatst.

het auteursrecht

4.6. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] het auteursrecht van [eiser] schendt, omdat dit niet is onderbouwd.

de gevorderde rectificatie

4.7. Het stond [gedaagde] vrij een nieuw bedrijf op te richten na afloop van de termijn van een jaar in het overeengekomen non-concurrentiebeding. Derhalve mag [gedaagde] Kruithof concurrentie aandoen. Daaraan kunnen evenwel grenzen worden gesteld, die worden bepaald door hetgeen in de gegeven omstandigheden als onzorgvuldig jegens [eiser], en derhalve onrechtmatig, kan worden aangemerkt. Volgens [eiser] zou [gedaagde] verkondigd hebben dat het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeert. [eiser] legt een schriftelijke verklaring over van één klant (productie 8), die de stelling van [gedaagde] onderbouwt. Derhalve is aannemelijk dat [gedaagde] de gewraakte mededelingen doet, daargelaten in welke mate dat is. Naar voorlopig oordeel handelt [gedaagde] hiermee onrechtmatig. Partijen zijn niet zomaar concurrenten maar voormalige vennoten. Aan een uitgetreden vennoot kunnen strengere eisen worden gesteld dan aan een willekeurige ex-werknemer. De vordering wordt mitsdien toegewezen. Gezonde concurrentie bevordert economische ontwikkeling maar geeft geen vrijbrief voor het verkondigen van ongefundeerde mededelingen als hier in geding.

de vordering om de “onrechtmatige handelingen” als bedoeld in de dagvaarding te staken

4.8. De voorzieningenrechter heeft Kruithof ter zitting voorgehouden dat dit deel van de vordering al te ruim geformuleerd is. Niet duidelijk is namelijk wat er mee wordt bedoeld. Kruithof gaf aan dat het hem met name om te doen is dat [gedaagde] zijn mededelingen moet staken als zou het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeren en dat het nieuwe bedrijf van [gedaagde] hetzelfde is als het huidige bedrijf van [eiser]. Met inachtneming daarvan zal de vordering worden toegewezen.

4.9. [eiser] vordert van [gedaagde] tevens overlegging van afschriften van “opdrachten en orderbevestigingen” van de derden aan wie [gedaagde] de gewraakte mededelingen heeft gedaan. Dit wordt afgewezen. Niet valt in te zien dat [eiser] daarmee enig ander belang heeft dan het verkrijgen van inzage in de orderportefeuille van [gedaagde]. Daarvoor is geen rechtsgrond. Dit deel van de vordering is overigens ook nergens onderbouwd.

4.10. De dwangsom wordt gemaximeerd op na te melden wijze.

4.11. De termijnen waarbinnen [gedaagde] volgens [eiser] aan dit vonnis moet voldoen worden verruimd, nu de door [eiser] gevorderde termijnen te kort worden geacht. [gedaagde] moet een redelijke mogelijkheid hebben om aan het vonnis te kunnen voldoen.

4.12. Nu zonder tijdsverlies een grosse wordt afgegeven bestaat geen aanleiding om de uitspraak uitvoerbaar op de minuut te verklaren. Kruithof heeft niet onderbouwd waarom de beslissing uitvoerbaar moet worden verklaard “op alle dagen en uren” (buiten kantooruren), zodat ook dat deel van zijn vordering wordt afgewezen.

4.13. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten van [eiser]. Dit doet de voorzieningenrechter aan de hand van de lijst “Indicatietarieven in IE-zaken.” Deze lijst is goedgekeurd door het LOVC, geldt voor vonnissen vanaf 1 augustus 2008 en komt de voorzieningenrechter als rechtens juist voor. De voorzieningenrechter maakt, conform de lijst, een onderscheid in de proceskosten. De proceskosten ter zake van schending van het gemene recht (onrechtmatige daad) worden begroot op € 816 (het standaard tarief). De proceskosten ter zake van het intellectuele eigendomsrecht worden, ex 1019h Rv, begroot op € 5.200, nu de intellectuele eigendomsrechtelijke aspecten van deze zaak van relatief eenvoudige aard zijn. Het bedrag dat vermeld staat op de ter zitting overgelegde declaratie van de advocaat van [eiser] komt te hoog voor. Het te vergoeden griffierecht bedraagt € 254. Er bestaat geen grond om op voorhand eventuele nakosten toe te wijzen. Daarvoor bestaat een aparte procedure.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis elk gebruik van de handelsnaam [gedaagde] BANDENSERVICE of van enige daarmee overeenstemmende naam in welke samenstelling dan ook en elk gebruik van het omschreven logo, te staken en gestaakt te houden;

5.2. beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen uur na betekening van het vonnis aan de

advocaat van [eiser] af te geven een volledige schriftelijke opgave van alle (rechts-) personen, instanties en organisaties aan welke [gedaagde] heeft medegedeeld dat het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeert en dat het nieuwe bedrijf van [gedaagde] hetzelfde is als het huidige bedrijf van [eiser], met volledige adresgegevens van deze derden en de daarop door [gedaagde] ontvangen reacties;

5.3. beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan alle

(rechts-) personen, instanties en organisaties aan wie [gedaagde] heeft medegedeeld dat het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeert, een aangetekende rectificatiebrief te zenden met uitsluitend de navolgende inhoud:

“Geachte mevrouw, heer

Bij vonnis van 14 augustus 2008 in kort geding gewezen door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Dordrecht is het ons verboden gebruik te maken van de handelsnaam [gedaagde] BANDENSERVICE en het door ons gebruikte logo, omdat dat gebruik inbreuk vormt op de exclusieve rechten van de heer J.J.J. [eiser] en diens onderneming [eiser] BANDENSERVICE. Wij hebben u de afgelopen maanden mededelingen gedaan over de heer [eiser] en zijn onderneming, waarbij wij ten onrechte hebben gesteld dat hij in financiële nood zou verkeren, hij geen personeel meer heeft en binnen afzienbare tijd niet meer zou bestaan, en u beter klant bij ons kon worden. Deze mededelingen waren volstrekt onjuist en op niets gebaseerd. [eiser] verkeert niet in financiële nood, heeft personeel in dienst en is en blijft onverminderd actief op het gebied van banden en bandenservice.

Hoogachtend,

L.H. de Ruijter”

zulks onder gelijktijdige toezending aan de advocaat van [eiser] van (duidelijk leesbare) kopieën van de verzonden brieven en met gedateerd bewijs van terpostbezorging;

5.4. beveelt [gedaagde] zich te onthouden van mededelingen dat het bedrijf van [eiser] in financieel zwaar weer verkeert en dat het nieuwe bedrijf van [gedaagde] hetzelfde is als het huidige bedrijf van [eiser];

5.5. bepaalt dat [gedaagde] een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro) verbeurt voor elke overtreding van de onder r.o. 5.1 tot en met r.o. 5.4 geformuleerde bevelen en een dwangsom van € 1.000 (zegge duizend euro) voor elke dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000;

5.6. veroordeelt [gedaagde] in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 6.270;

5.7. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2008.?