Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA3403

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
11/006229-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Levenslange gevangenisstraf. De rechtbank Dordrecht heeft een 23-jarige man een levenslange gevangenisstraf opgelegd voor onder andere moord, gepleegd te Dordrecht in 2004. De rechtbank ziet geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een levenslange gevangenisstraf nu de rechtbank de kans op herhaling van het plegen van dit soort feiten door verdachte bijzonder groot acht. Zolang verdachte het vanzelfsprekend vindt dat hij het recht heeft om hem vermeend aangedaan leed te vergelden zonder enig respect voor de wenselijke waarden en normen in deze maatschappij, is het onverantwoord hem deze maatschappij weer in te laten gaan. Daarbij is meegewogen dat de eerdere veroordeling van verdachte wegens moord, hem er niet toe heeft gebracht zijn functioneren te herzien. Gelet op het feit dat er geen aanleiding is verdachte in meer of mindere mate ontoerekeningsvatbaar te achten komt dit geheel en al voor zijn rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/006229-04

Zittingsdatum : 3 april 2007

Uitspraak : 17 april 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1983,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan verdachte is dat

1.

hij op of omstreeks 27 april 2004 te Dordrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen op (de auto waarin) die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (zaten) heeft gericht en/of gericht gehouden en/of eenmaal met dat vuurwapen op (de auto waarin) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zaten) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 28 april 2004 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

3.

hij op of omstreeks 28 april 2004 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan en/of in de richting gehouden van voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 5] en/of (daarbij) gezegd "jullie hebben niets gezien of gehoord" en/of "opgedonderd jullie ook allemaal", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 28 april 2004 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan en/of gericht op

en/of gehouden tegen de borst en/of het hoofd, althans in de richting gehouden

van, voornoemde [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of (daarbij) gezegd "je moet niks zeggen" en/of "je hebt niks gezien" en/of (daarbij) "je weet wat er kan gebeuren" en/of "ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende

aard en/of strekking.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- een levenslange gevangenisstraf gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd. Weliswaar is verdachte ter plekke geweest en ontstond er een vechtpartij tussen hem en het latere slachtoffer, maar het wettig bewijs ontbreekt dat verdachte toen met een vuurwapen heeft geschoten op de auto waarin onder andere het latere slachtoffer zat.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 28 april 2004 te Dordrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met

een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die

[slachtoffer 1] is overleden;

3.

op 28 april 2004 te Dordrecht [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan voornoemde [slachtoffer 3]

en daarbij gezegd "opgedonderd jullie ook allemaal", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking;

en

opzettelijk dreigend een vuurwapen in de richting gehouden van

voornoemde [slachtoffer 5] en daarbij gezegd "jullie hebben niets

gezien", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4.

op omstreeks 28 april 2004 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met

een ander [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader

opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan en gericht op en gehouden

tegen de borst en het hoofd van voornoemde [slachtoffer 6] en daarbij

gezegd "je moet niks zeggen" en daarbij "je weet wat er kan gebeuren",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en

opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan en gericht op

het hoofd van voornoemde [slachtoffer 7] en daarbij gezegd "je moet niks

zeggen" en "je hebt niks gezien" en "ik schiet je dood", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 2 is door of namens verdachte is aangevoerd dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe zijn vier verweren gevoerd.

Het eerste verweer betreft de stelling van de verdediging dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de schietpartij. Als bewijs voor deze stelling wordt uit getuigenverklaringen geciteerd waarin wordt verklaard dat de groep van de schutter uit drie personen bestond, te weten [slachtoffer 7], [slachtoffer 6] en [betrokkene 1].

Het tweede verweer betreft de persoonsbeschrijvingen van de dader die door getuigen worden gegeven. In het dossier bevinden zich meerdere verklaringen van vier getuigen, waaronder die van het slachtoffer, waarin de schutter wordt omschreven. De verdediging voert aan dat de persoonsbeschrijvingen van de dader zeer uiteenlopend zijn en geen duidelijke beschrijving van de schutter opleveren.

Het derde verweer ligt in het verlengde van het laatstgenoemde. De verdediging stelt dat er geen correct uitgevoerde fotoherkenning van de dader door de getuigen heeft plaatsgevonden, terwijl dit tot identificatie van de schutter had kunnen leiden. Daarbij wordt opgemerkt dat de politie over meerdere foto's van verdachte beschikt. Doordat er geen fotoherkenning heeft plaatsgevonden is de verdediging in haar belangen geschaad.

Het vierde verweer heeft betrekking op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van [slachtoffer 7], [slachtoffer 6] en [betrokkene 1]. De verdediging stelt dat deze getuigen als medeverdachten van de fatale schietpartij niet consistent hebben verklaard en dat de verklaringen leugenachtig zijn.

De rechtbank verwerpt deze verweren op grond van het volgende.

Uit de getuigenverklaringen in het dossier en met name de verklaring van het slachtoffer blijkt dat de groep van de schutter uit drie of vier mannen bestond. Het slachtoffer heeft verklaard dat de man met het Joegoslavische uiterlijk op hem heeft geschoten. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier verklaringen bevinden van een zestal getuigen die verklaren erbij te hebben gestaan toen verdachte op het slachtoffer schoot, dan wel een signalement geven van de persoon die op het slachtoffer schoot dat passend is bij dat van verdachte. Deze verklaringen zijn niet alleen ten overstaan van de verhorende verbalisanten afgelegd, maar zijn ook bevestigd bij de latere verhoren bij de rechter-commissaris. Gelet op deze verklaringen en bevindingen is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de verdediging geen steun vindt in het dossier.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de persoonsbeschrijvingen van de dader zeer uiteenlopend zijn en geen duidelijke beschrijving van de schutter geven, overweegt de rechtbank dat er inderdaad verschillen in de persoonsbeschrijving en het signalement van de schutter voorkomen, maar dat die verschillen niet van dien aard zijn dat er gerede twijfel dient te rijzen omtrent de overeenkomst van deze omschrijvingen van de schutter en de persoon van verdachte. Dit geldt temeer nu de betreffende getuigen zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent zijn in hun beschrijving van de persoon die als schutter dient te worden aangemerkt.

Voor wat betreft het ontbreken van een correct uitgevoerde fotoherkenning overweegt de rechtbank dat gebleken is dat de politie ten tijde van het schietincident niet over een recente foto van verdachte beschikte. Weliswaar had de politie de beschikking over enkele oudere foto's van verdachte, maar die waren zodanig gedateerd dat deze om die reden niet geschikt werden geacht om bij een fotoherkenning te worden gebruikt.

De rechtbank overweegt dat, zeker gelet op het feit dat bekend is dat jongeren in een soms korte tijdsspanne qua uiterlijk aanzienlijk kunnen veranderen en dat dit ook voor verdachte geldt, het gebruik van gedateerde foto's als niet bij aan de betrouwbaarheid van een uit te voeren fotoherkenning bijdragen. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien dat de verdediging in haar belangen is geschaad nu een door haar bedoelde fotoherkenning niet heeft plaatsgevonden.

Voor wat betreft de stelling van de verdediging dat de door haar bedoelde getuigen-verklaringen van [slachtoffer 7], [slachtoffer 6] en [betrokkene 1] onvoldoende consistent zijn, merkt de rechtbank op dat zij geen reden heeft om deze verklaringen als onbetrouwbaar aan te merken, mede nu de inhoud van de verklaringen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Ook deze verklaringen zijn derhalve niet voor de bewezenverklaring uitgesloten.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2:

MOORD,

feit 3:

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD,

feit 4:

MEDEPLEGEN VAN BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van verdachte

Op verzoek van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank heeft R.A. van der Pol, forensisch psychiater van de Forensisch Psychiatrische Dienst Rotterdam/Dordrecht, verdachte ontvangen voor een oriënterend psychiatrisch onderzoek. Op 9 oktober 2006 heeft de deskundige daarover aan de rechter-commissaris een briefrapport uitgebracht.

In dit briefrapport merkt de deskundige Van der Pol - kort samengevat - op dat verdachte aan de ene kant aangeeft wel te willen meewerken, maar aan de andere kant toch niet wil meewerken. Verdachte ontkent de betrokkenheid aan het delict en acht zichzelf onschuldig. Hij geeft aan bang te zijn naar een psychiatrisch centrum te moeten en met andere in de war zijnde mensen geconfronteerd te worden. Eigenlijk wil hij ook niet spreken met een psycholoog.

Er zijn, aldus de deskundige, geen aanwijzingen voor geheugenstoornissen. Evenmin zijn er aanwijzingen voor een ernstige psychiatrische stoornis. Vooralsnog wordt geadviseerd geen verder psychologisch onderzoek te laten verrichten. Zou betrokkene alsnog aan een onderzoek willen meewerken, dan zou een psychologisch onderzoek het meest aangewezen zijn. Vermoedelijk zullen er dan, gezien zijn ontkenning, geen uitspraken kunnen worden gedaan over de toerekeningsvatbaarheid en de verdere begeleidingsmogelijkheden.

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van de deskundige en maakt deze tot de hare. Dit houdt in dat gelet op het feit dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische stoornis en er evenmin aanwijzingen zijn voor geheugenstoornissen, verdachte volledig verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en er geen aanleiding is hem in meer of mindere mate ontoerekeningsvatbaar te achten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte was met enkele anderen op een verjaardagsfeest. Op een gegeven moment ontstond tussen hem en een andere aanwezige een heftige woordenwisseling. Verdachte is weggegaan en ontmoette enkele uren daarna het latere slachtoffer. Uit verklaringen van getuigen blijkt dat verdachte nogal opgefokt was en dat hij de confrontatie zocht met het slachtoffer. Er ontstond een heftige woordenwisseling tussen verdachte en het slachtoffer die ontaarde in een vechtpartij waarbij verdachte de telefoon van het slachtoffer zou hebben afpakt. Verdachte waarschuwde de anderen uit de groep dat er iets ging gebeuren en dat ze uit de weg moesten gaan. Verdachte heeft aangegeven het slachtoffer goed te hebben geslagen en toen het slachtoffer voor hem vluchtte, hem te hebben gezegd dat hij hem ooit weer zou tegen komen.

Dat gebeurde korte tijd later. Verdachte was in gezelschap van enkele jongeren en kwam toen een groepje jongeren tegen dat met het slachtoffer opliep. Het groepje waarvan verdachte deel uitmaakte kwam op het groepje met het slachtoffer aflopen. Verdachte maakte zich los van het groepje en pakte een pistool uit zijn broekzak. Het slachtoffer zag verdachte op zich afkomen, zei 'shit', en begon meteen te rennen. Verdachte schoot met het pistool op korte afstand op/in de richting van het slachtoffer. Getuigenverklaringen geven aan dat er toen meer dan één keer is geschoten. Na deze eerste schoten rende verdachte het slachtoffer achterna de hoek van de straat om en vuurde opnieuw een aantal schoten op het wegrennende slachtoffer af. Daarna kwam hij terug en bedreigde hij enkele mensen die daar nog stonden door te zwaaien met zijn pistool, het pistool op hen te richten en het pistool bij één van hen op diens hoofd te zetten. Voorts dreigde hij dat zij moesten oprotten en dat zij niets hadden gezien, anders werden zij doodgemaakt.

Het slachtoffer was inmiddels elders op straat in elkaar gezakt en is naar het ziekenhuis vervoerd. Voordat het slachtoffer werd geopereerd vertelde hij aan de aanwezige verbalisant dat er drie of vier personen op hem afkwamen, dat één van hen een Joegoslavisch uiterlijk had en de anderen een donkere huidskleur en dat de man met het Joegoslavisch uiterlijk één tot twee keer op hem geschoten had. Precies wist hij dat niet meer. Eerder had het slachtoffer een ambulancebroeder tijdens het vervoer naar het ziekenhuis verteld dat het groepje waarin de schutter zat eerder op de avond met hem onenigheid had gehad.

Verdachte ontkent in alle toonaarden het slachtoffer te hebben neergeschoten. De laatste woorden van het slachtoffer, alsmede getuigenverklaringen van zowel bekenden van verdachte als bekenden van het slachtoffer, weerspreken de ontkenning van verdachte evenwel op overtuigende wijze. Weliswaar stemmen de getuigenverklaringen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, niet op alle punten met elkaar overeen, maar de verschillen betreffen slechts ondergeschikte details, terwijl uit alle verklaringen zonder twijfel verdachte naar voren komt als de man die heeft geschoten.

Verdachte heeft het slachtoffer - na eerdere onenigheden en een vechtpartij met hem - in koele bloede vermoord. Die moord vond niet plaats naar aanleiding van een plotselinge ingeving. Verdachte had het slachtoffer eerder gewaarschuwd. Toen hij het slachtoffer daarna weer zag weerhield niets hem ervan bij herhaling op het voor hem vluchtende slachtoffer te schieten. Zelfs nadat de eerste schoten waren gelost is verdachte niet van gedachte veranderd en is hij het slachtoffer achterna gerend, de hoek om, om hem neer te schieten. Als motief voor het neerschieten komt uit getuigenverklaringen naar voren dat verdachte zou hebben gezegd dat hij had geschoten omdat hij eerder bij de vechtpartij een paar klappen van het slachtoffer had gehad.

Onder deze omstandigheden en met een dergelijk motief iemand zonder pardon neer te schieten, heeft deze moord het karakter van een kille afrekening, een liquidatie, gekregen. De onbewogenheid en onverschilligheid waarmee verdachte ongeëmotioneerd spreekt over de feiten die hem te laste worden gelegd, en die hij ten stelligste ontkent, doet uiterst kil aan. Verdachte, zo blijkt ook uit de rapportages van de reclassering die over hem zijn uitgebracht, is een koel en berekenend man, met een gebrekkig inlevingsvermogen, die geen enkele scrupules kent ten opzichte van hen, die hem, in zijn beleving, ook maar een voet dwars zetten. Dat blijkt ook uit de wijze waarop hij na de schietpartij anderen heeft bedreigd. Verdachte duldt kennelijk geen enkele tegenspraak en als hij dat nodig acht zaait hij angst en verderf om zich heen.

Verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect op te brengen voor het leven van zijn medemensen. Hij accepteert de waarden en normen die ten grondslag liggen aan het op een normale wijze functioneren in een maatschappij niet, heeft zo zijn eigen waarden en normen. In feite komt het er op neer, zo gaf verdachte ter terechtzitting te kennen, dat als iemand je iets doet, je het recht hebt om met hem af te rekenen.

Uit de houding van verdachte ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken dat verdachte ook maar een begin van inzicht heeft in het laakbare van zijn wijze van leven, waarin vergelding zo vanzelfsprekend is.

Gelet op die instelling van verdachte acht de rechtbank de kans dat verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan een levens- en/of gewelddelict bijzonder groot, zeker wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen het feit dat verdachte eerder op 15-jarige leeftijd in 1998 een moord heeft gepleegd in Zweden en daarvoor werd veroordeeld tot een verblijf in een gesloten jeugdzorginrichting voor de duur van drie jaren. Dit betekent dat verdachte binnen drie jaren na zijn vrijlating opnieuw een dode op zijn geweten heeft. Daaraan voegt de rechtbank toe dat verdachte in Nederland in 2003 is veroordeeld voor vermogens- en gewelddelicten en dat hij in Italië heeft vastgezeten voor het plegen van een Opiumwetdelict.

Voor wat betreft het opleggen van een straf heeft de rechtbank zich nadrukkelijk beraden of aan verdachte een langdurige gevangenisstraf van tijdelijke aard, dan wel een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd als door de officier van justitie geëist.

De rechtbank overweegt in dat verband dat een verdachte, ook bij een zeer ernstig misdrijf als het onderhavige, uit humanitaire overwegingen in beginsel uitzicht behoort te hebben op een terugkeer in de maatschappij. Factoren die bij de beoordeling hiervan een rol spelen zijn onder meer de kans op herhaling, de houding en instelling van verdachte, zijn leeftijd en zijn strafblad.

Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank de kans op herhaling van het plegen van dit soort feiten door verdachte bijzonder groot. Zolang verdachte het vanzelfsprekend vindt dat hij het recht heeft om hem vermeend aangedaan leed te vergelden zonder enig respect voor de wenselijke waarden en normen in deze maatschappij, is het onverantwoord hem deze maatschappij weer in te laten gaan. De kans dat hij opnieuw met personen in conflict komt, dan wel conflicten oproept, is bij terugkeer in de maatschappij onverminderd groot. Dit klemt temeer nu is gebleken dat de eerdere veroordeling van verdachte wegens moord, hem er niet toe heeft gebracht zijn functioneren te herzien. Gelet op het feit dat er geen aanleiding is verdachte in meer of mindere mate ontoerekeningsvatbaar te achten komt dit geheel en al voor zijn rekening.

Weliswaar is verdachte nog jong, welke jonge leeftijd een contra-indicatie zou kunnen zijn voor het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, maar desondanks heeft verdachte zich ontpopt als een kille, berekenende moordenaar. De rechtbank kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat het na een lange straf weer doen terugkeren van verdachte in de maatschappij tot een onaanvaardbaar risico leidt voor degenen die alsdan verdachte, naar zijn opvatting, een voet dwars zetten.

Derhalve zal de rechtbank aan verdachte een levenslange gevangenisstraf opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 47, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte wegens die feiten tot:

* een LEVENSLANGE GEVANGENISSTRAF.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. W.P.M. Jurgens en mr. E.H. van der Steeg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2007.