Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7057

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
3889064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia vordert een verklaring voor recht dat zij aan de afnemer van een leaseovereenkomst niets meer verschuldigd is. De afnemer voert onder meer als verweer dat de leaseovereenkomst door zijn echtgenote buitengerechtelijk is vernietigd. Het daartegen door dexia opgeworpen verjaringsberoep wordt verworpen. Als gevolg van de buitengerechtelijke vernietiging is de door Dexia gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2085

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

FV

Rolnr.: 3889064 / CV EXPL 15-918

Datum: 28 april 2016 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel (USG Legal Professionals),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

Partijen zullen hierna “Dexia” en “”[gedaagde]” worden genoemd.

Procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-

de dagvaarding van 11 februari 2015 met producties,

-

de conclusie van antwoord met producties,

-

de conclusie van repliek tevens houdende voorwaardelijke akte vermindering eis met producties,

-

de conclusie van dupliek met producties,

-

de akte uitlating producties van Dexia met producties,

-

de antwoordakte tevens akte houdende verzoek om individueel pleidooi.

Op 17 augustus 2015 heeft een (eerste) pleidooizitting plaatsgevonden in onder meer 21 andere “Goudse Dexia-zaken”, waarbij de gemachtigden van de partijen in die andere zaken (tevens gemachtigden van partijen in deze zaak) een nadere toelichting hebben gegeven. Tijdens de zitting hebben voornoemde gemachtigden aangegeven dat deze toelichting moet worden geacht ook in deze procedure te zijn gegeven, voor zover het onderwerpen betreft die hierin aan de orde zijn gesteld. Een tweede pleidooizitting, uitsluitend in de onderhavige zaak, heeft plaatsgevonden op 4 april 2016. Ook op deze zitting hebben de gemachtigden van partijen de gegeven toelichting aan de hand van overgelegde pleitnota’s voorgedragen. Van het verhandelde op deze zittingen heeft de griffier processen-verbaal opgemaakt.

Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

a

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b

[gedaagde] heeft de navolgende leaseovereenkomst met Dexia gesloten (hierna: de leaseovereenkomst):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

23002795

9-10-2001

Allround Effect vooruitbetaling 15 jr

180 mnd

€ 57.177,00

c

d

[gedaagde] is sedert 20 juni 1974 gehuwd met [gedaagde] (hierna: de echtgenote van [gedaagde]). Bij brief van 22 februari 2006 heeft de echtgenote van [gedaagde] aan Dexia bericht dat zij geen toestemming heeft verleend aan [gedaagde] voor de met Dexia afgesloten leaseovereenkomst en dat zij die overeenkomst vernietigt op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

23002795

11-12-2006

+ € 7.991,51

e

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomst bij vooruitbetaling € 15.247,20 aan Dexia betaald. Het resultaat van de eindafrekening van € 7.991,51 heeft Dexia aan [gedaagde] uitbetaald.

f

Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [gedaagde] is aan Dexia meegedeeld dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

g

Bij aan [gedaagde] en in kopie aan zijn gemachtigde verzonden brief van 9 oktober 2014 heeft Dexia meegedeeld dat zij een einde wilde maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde]. Dexia heeft verzocht mee te delen of zij aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd is.

h

Op de voormelde brief van 9 oktober 2014 van Dexia is geen antwoord gevolgd van [gedaagde].

Vordering

De vordering van Dexia, na voorwaardelijke wijziging van eis bij conclusie van repliek, luidt als volgt:

“(...) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer 23002795 niets meer verschuldigd is, althans te verklaren voor recht dat zij slechts gehouden is te voldoen hetgeen zij onder het Hofmodel verschuldigd is, hetgeen neer zou komen op een vergoeding van EUR 4.837,37 te vermeerderen met de wettelijke rente met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Hetgeen Dexia ter toelichting van deze vordering heeft gesteld komt op het volgende neer.
Dexia ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten leaseovereenkomst.
Voor het geval wordt geoordeeld dat de Hof-formule uitkomt op een betalingsverplichting van Dexia die groter is dan zij reeds heeft voldaan omdat het criterium “onaanvaardbaar zware financiële last” op [gedaagde] van toepassing is, heeft Dexia berekend dat zij nog

€ 4.837,37 aan [gedaagde] verschuldigd is.

Verweer

Het verweer, waarmee [gedaagde] de vordering heeft bestreden, zal - voor zover daaraan wordt toegekomen - hierna aan de orde komen.

Beoordeling
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers - waaronder [gedaagde] - aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde], moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde], kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

De onderhavige procedure heeft betrekking op een effectenleaseovereenkomst. De rechtsverhouding tussen partijen maakt deel uit van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel is en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en de gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam d.d. 25 januari 2005. [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in zijn geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde] thans meer dan zeven jaar geleden afgelegd.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:

BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of, en zo ja welke, er nog sprake is van aanspraken van [gedaagde] jegens Dexia. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

Naar aanleiding hiervan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraak van [gedaagde] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de leaseovereenkomst), dat méér dan 16 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer zes jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] een vordering op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] worden geacht reeds vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid te hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vordering op Dexia te onderzoeken.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof Amsterdam

- dan wel in de daarna uitgesproken arresten - is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof Amsterdam, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en) van hof Amsterdam. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde]. Een dergelijke mogelijkheid is immers altijd aanwezig, ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft. Voor zover [gedaagde] van mening is dat hij nog een vorderingsrecht jegens Dexia heeft dan is hij voldoende in de gelegenheid geweest om een daartoe strekkend verweer in conventie te voeren en/of een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van zijn aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM - wat daar verder ook van zij - kan dan ook geen sprake zijn.

Er bestaat geen aanleiding voor een aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomst worden behandeld en beslist.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt. Dit is evenmin in strijd met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op de vordering van Dexia zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

De vernietiging van de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 juncto 1:89 BW

Dit onderwerp van geschil spitst zich toe op de buitengerechtelijke vernietiging van de leaseovereenkomst (door [gedaagde] aangegaan op 9 oktober 2001) door de echtgenote van [gedaagde] bij brief van 22 februari 2006 (zie feiten sub c).

Dexia betwistte aanvankelijke - bij gebrek aan door [gedaagde] overgelegde bewijsstukken - dat [gedaagde] gehuwd was en nog steeds is met [gedaagde] . Na overlegging door [gedaagde] bij conclusie van dupliek van het bewijsstuk van de burgerlijke stand inzake zijn huwelijk met [gedaagde] heeft Dexia dit verweer niet langer gehandhaafd.

Tijdens het pleidooi op 4 april 2016 heeft Dexia onder meer aangevoerd dat de vernietigingsbrief van 22 februari 2006 van de echtgenote van [gedaagde] eerst op 6 april 2006 door haar is ontvangen.

Het standpunt van Dexia, zoals op de pleidooizitting van 4 april 2016 nader toegelicht, komt op het volgende neer. Dexia stelt zich primair op het standpunt dat de echtgenote van [gedaagde] heeft ingestemd met de door [gedaagde] op 9 oktober 2001 afgesloten leaseovereenkomst zodat het beroep op de vernietigbaarheid van de leaseovereenkomst wegens het ontbreken van deze instemming niet kan slagen. Dexia wijst er daarbij op dat de lasten onder de leaseovereenkomst zijn gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening en dat uit de daartoe opgemaakte hypotheekakte van 29 november 2001 blijkt dat de echtgenote van [gedaagde] hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd. De echtgenote van [gedaagde] heeft dus uitdrukkelijk ingestemd met een rechtshandeling die dienstbaar was voor de leaseovereenkomst en daaruit kan haar instemming met de leaseovereenkomst worden afgeleid.

Subsidiair stelt Dexia zich op het standpunt dat het beroep op artikel 1:89 BW moet afstuiten op het feit dat de mogelijkheid van de echtgenote van [gedaagde] om daarop een beroep te doen reeds was verjaard toen de echtgenote van [gedaagde] zich er voor het eerst op beriep. Uit de reeds hiervoor door Dexia gestelde en besproken instemming met de hypotheekverlening blijkt volgens Dexia dat de echtgenote van [gedaagde] van aanvang af wist van het sluiten van de leaseovereenkomst, terwijl zij pas vier en een half jaar later een beroep op de vernietigbaarheid heeft gedaan.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat zijn echtgenote pas kort voor het versturen van de vernietigingsbrief, omstreeks het begin van 2006, daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Hij heeft zijn echtgenote toen verteld over de inhoud van de overeenkomst naar aanleiding van zijn aanmelding bij Leaseproces. Aanvankelijk wist zijn echtgenote alleen dat hij ging sparen bij Dexia. Zij wist wel dat de spaarregeling iets met aandelen te maken had, maar verder niet. Zo wist zij niet dat er maandelijkse termijnen werden betaald om af te betalen noch wist zij dat de zaak bij aanvang aan [gedaagde] was geleverd, aldus [gedaagde]. Van instemming van zijn echtgenote met de leaseovereenkomst is volgens [gedaagde] geen sprake. De wet vereist bovendien dat toestemming door de echtgeno(o)te schriftelijk wordt verleend (artikel 1:88 lid 3 BW) en dat is hier niet gebeurd.

[gedaagde] stelt zich voorts - onder verwijzing naar een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) - op het standpunt dat de verjaringstermijn uit artikel 3:52 lid 1 sub d BW is gestuit als gevolg van de procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond op 13 maart 2003 bij de rechtbank Amsterdam tegen Dexia aanspanden. Analoog aan artikel 7:905 lid 5 BW is een nieuwe verjaringstermijn aangevangen na de eindbeslissing van het Hof Amsterdam van 25 januari 2007 over het verzoek tot algemeen verbindendverklaring van de collectieve schikking die in de procedure van Stichting Eegalease is getroffen. De vernietiging van de leaseovereenkomst door zijn echtgenote bij brief van 22 februari 2006 heeft derhalve tijdig plaatsgevonden, aldus [gedaagde].

De kantonrechter begrijpt dat het voormelde geschil van partijen zich toespitst op de navolgende twee vragen:

a. a) Heeft de echtgenote van [gedaagde] aan [gedaagde] toestemming verleend voor het sluiten van de leaseovereenkomst?

b) Kan [gedaagde] zich met succes beroepen op de stuitende werking van de verjaring door de collectieve procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond op 13 maart 2003 bij de rechtbank Amsterdam tegen Dexia aanspanden?

Ten aanzien van deze twee punten wordt het volgende overwogen.

Ad a) De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de echtgenote van [gedaagde] aan [gedaagde] toestemming heeft verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomst. De door Dexia genoemde hypotheekakte is eerst opgesteld en mede door de echtgenote van [gedaagde] ondertekend nadat [gedaagde] de leaseovereenkomst reeds was aangegaan. Ingevolge artikel 1:88 lid 3 BW juncto artikel 7A:1576i BW dient de toestemming voor het aangaan van de onderhavige als huurkoop te kwalificeren effectenlease-overeenkomst van de echtgenote schriftelijk te worden verleend. Anders dan Dexia is de kantonrechter van oordeel dat enkel op grond van de omstandigheid, dat de echtgenote van [gedaagde] de hypotheekakte mede heeft ondertekend, niet kan worden geconcludeerd dat de echtgenote van [gedaagde] heeft ingestemd met de door [gedaagde] afgesloten leaseovereenkomst. Aangezien geen andere omstandigheden voor dit primaire standpunt van Dexia zijn aangevoerd, dient hieraan voorbij te worden gegaan.

Ad b) De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 een prejudiciële beslissing gegeven op een tweetal door het Hof Amsterdam bij arrest van 20 januari 2015 gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2015:3018) in een zaak tussen Dexia en een afnemer van een effectenleaseovereenkomst. De Hoge Raad heeft daarbij beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

Volgens Dexia gaat het in deze procedure niet om een op de vordering van de Stichting Eegalease aansluitende vernietigingsverklaring. De toelichting van Dexia op dit standpunt komt op het volgende neer. De door de Stichting Eegalease ingestelde vordering had betrekking op 98 bij dagvaarding bij naam genoemde effectenleaseproducten, waaronder de overeenkomsten “All Round Effect”, “All Round Effect Storting”, “All Round Effect Sparen” en “All Round Effect Sparen Storting’. De door [gedaagde] afgesloten “All Round Effect Voortuitbetaling” komt in de opsomming van de 98 effectenleaseproducten niet voor. Volgens Dexia heeft de Stichting Eegalease niet bedoeld om met haar vordering alle producten te treffen met een titel waarin de woorden “All Round Effect” voorkwamen. Nu de leaseovereenkomst “All Round Effect Vooruitbetaling” niet voorkwam in de dagvaarding van Stichting Eegalease, is er van een aansluitende vernietigingsverklaring geen sprake, aldus Dexia.

De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat dit standpunt van Dexia niet opgaat.

Ingevolge artikel 3:305a BW geldt als vereiste voor het instellen van een collectieve actie dat het moet gaan om bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Hieruit volgt dat dit inhoudelijk criterium ook dient te worden aangelegd bij de beoordeling van de stuitende werking op voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een op een collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW. De door [gedaagde] afgesloten “All Round Effect Voortuitbetaling” sluit voor wat betreft de “bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen” onmiskenbaar aan op de 98 effectenleaseproducten uit de Eegalease-procedure. Er is aldus sprake van ‘aansluiting’ zoals door de Hoge Raad genoemd in rechtsoverweging 3.4.1 van de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015. Voor het formele standpunt van Dexia in deze is geen plaats.

Dexia heeft voorts aangevoerd dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding van maart 2003 de collectieve actie werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor ook [gedaagde] geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen.

Voor het geval de verjaring wel is gestuit door het uitbrengen van bedoelde dagvaarding, heeft Dexia – mede op de pleidooizitting – gesteld dat uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 niet kan worden afgeleid dat indien een collectieve actie wordt gevolgd door een collectieve schikking en een verzoek tot verbindendverklaring van die collectieve schikking, dat laatste verzoek de verjaring van de vernietigingsmogelijkheid wederom stuit. De collectieve actie van Stichting Eegalease is geëindigd in een collectieve schikking, zijnde de Hoofdovereenkomst van 23 juni 2005. Het verzoek tot verbindendverklaring is geen nieuwe eis in de zin van artikel 3:316 BW. Ook de uiteindelijke verbindendverklaring door het Hof Amsterdam heeft geen stuitende werking. Dat een gerechtigde pas na de verbindendverklaring hoeft te besluiten of hij gebruikt maakt van de opt-out mogelijkheid, betekent niet dat het verzoek tot verbindendverklaring ook de verjaring stuit. Bovendien heeft de Hoge Raad op 9 oktober 2015 geoordeeld dat de collectieve actie op een andere wijze is geëindigd dan door toewijzing. Hiermee is onverenigbaar dat de collectieve actie zou zijn geëindigd met de beschikking tot verbindendverklaring van het Hof Amsterdam van 25 januari 2007, aldus Dexia.

In hetgeen Dexia op de pleidooizitting van 4 april 2016 ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft aangevoerd ziet de kantonrechter geen aanleiding om in deze anders te oordelen dan reeds is verwoord in het aan (de gemachtigden van) partijen bekende vonnis van 16 maart 2016, nummer 3890518 / CV EXPL 15-1058. Het betreft de navolgende overwegingen uit dat vonnis, die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, r.o. 3.14) heeft het Hof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer (…), die tijdig een zogenoemde opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing wordt hier overgenomen. In het - door Dexia bij akte uitlating producties aangehaalde - arrest d.d. 25 november 2014 (r.o. 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) heeft hof Den Bosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten. Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemde beslissing van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen.

(…)

De verjaring is alleen gestuit indien binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd (ECLI:NL:HR:2015:3018, r.o. 3.5.2 en 3.5.3). Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in - kort samengevat - een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, wet van 23 juni 2005, Stb 2005/340) rechtsgevolgen heeft gekregen (dan wel heeft kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van de Hoge Raad in bovengenoemd beslissing kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat - nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld - de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft te) beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Een en ander brengt mee dat de belanghebbende - ter voorkoming van verjaring - pas een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring hoefde af te geven nadat de schikking als uitkomst van de collectieve actie is komen vast te staan.

Dat doet de vraag rijzen op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en dus op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Relevante data zijn 23 juni 2005 (tot stand komen WCAM-overeenkomst in hoofdlijnen onder leiding van wijlen dr. W.F. Duisenberg), 18 november 2005 (indienen verzoek tot verbindend verklaren WCAM-overeenkomst bij het Hof Amsterdam), 8 mei 2006 (wijziging WCAM-overeenkomst) en 25 januari 2007 (verbindendverklaring door het Hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033).

Opgemerkt wordt dat door het indienen van het bovenbedoelde verzoek tot verbindendverklaring (hierna: het verzoek) de verjaring van de onderhavige vordering tot vernietiging en ongedaanmaking niet werd gestuit op de voet van artikel 7:907 lid 5 BW, omdat die stuiting slechts ziet op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Wel kan het indienen van dit verzoek niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW, en was dit verzoek gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie.

Voor zover in de periode dat het verzoek in behandeling was reeds individuele procedures aanhangig waren of aanhangig werden gemaakt, werden deze (na een daartoe strekkende akte van Dexia) geschorst krachtens artikel 1015 lid 1 Rv. Deze wetsbepaling vloeit voort uit het uitgangspunt dat, indien eenmaal een overeenkomst als bedoeld in de WCAM is gesloten, de afwikkeling zoveel mogelijk op basis daarvan dient plaats te vinden, behoudens de gevallen waarin na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst een opt-out verklaring wordt ingediend. Het instellen dan wel behandelen van een individuele vordering in de periode dat het verzoek in behandeling was strookte derhalve niet met de bedoeling van de wetgever.

Voorts is van belang dat de rechter, alvorens op het verzoek te beslissen, met instemming van partijen die de overeenkomst hebben gesloten de overeenkomst kan aanvullen of wijzigen, dan wel die partijen in de gelegenheid kan stellen dat te doen (artikel 7:907 lid 4 BW). Dat betekent dat pas door de beschikking van het Hof Amsterdam van
25 januari 2007 definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming onvoldoende is gewaarborgd.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 (het moment van dagvaarding door (onder meer) Stichting Eegalease) was verjaard, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst, waarop zij betrekking heeft, is vernietigd.

Het hiervoor overwogen resulteert in de onderhavige procedure tot de navolgende slotsom.

De echtgenote van [gedaagde] heeft in haar brief van 22 februari 2006 de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring uitgebracht en Dexia stelt die brief op 6 april 2006 te hebben ontvangen. Van verjaring vóór 13 maart 2003 kan geen sprake zijn, nu de leaseovereenkomst op of omstreeks 9 oktober 2001 is gesloten. De stuiting van de verjaring per 13 maart 2003 heeft er vervolgens toe geleid dat de buitengerechtelijke verklaring nog tot 25 juli 2007 kon worden uitgebracht. De leaseovereenkomst is derhalve rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd voordat de bevoegdheid daartoe was verjaard. Dit betekent dat hetgeen [gedaagde] uit hoofde van die overeenkomst aan Dexia heeft voldaan, onverschuldigd is betaald en door Dexia dient te worden terugbetaald, verminderd met hetgeen [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen. De (voorwaardelijk gewijzigde) vordering van Dexia dient mitsdien te worden afgewezen nu vooralsnog kan worden aangenomen dat Dexia niet aan al haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Dexia af;

- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 200,00 voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.P.L.M. Vennix en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.