Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4929

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
09/857170-15 en 15/049631-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 23-jarige man, die zich voordeed als politieagent en allerlei mensen opbelde met de boodschap dat een van hun familieleden om het leven was gekomen, veroordeeld wegens dwang. De man is ook veroordeeld wegens een bedreiging. De rechtbank heeft hem een taakstraf voor de duur van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0175 met annotatie van S.D. Lindenbergh

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857170-15 en 15/049631-13 (tul)

Datum uitspraak: 10 mei 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 april 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 maart 2015 te Den Haag en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 1] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die

functie die [slachtoffer 1] moest medededelen dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en/of dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop (in het Arabisch) de tekst "Uw dochters zijn de volgende",

door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Delft en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] , door een feitelijkeheid wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat die [slachtoffer 2] sprak met een medewerker van technische recherche en/of dat hij haar

verschrikkelijk nieuws moest vertellen en/of haar gevraagd of zij even kon gaan zitten en/of dat het om haar moeder ging, door die [slachtoffer 2] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

3.

hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Delft en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 3] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van

die functie die [slachtoffer 3] moest mededelen dat haar moeder was overleden en/of dat er een moordonderzoek was gestart en/of dat er een stomp voorwerp met bloed daarop naast het hoofd van haar moeder was gevonden en/of dat die [slachtoffer 3] die middag om 17:00 uur haar moeder kon identificeren, door die [slachtoffer 3] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

4.

hij op of omstreeks 02 maart 2015 te Haarlem en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 4] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 4] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische

mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in die hoedanigheid die [slachtoffer 4] moest mededelen dat zijn moeder was overleden aan een hartstilstand en/of dat zijn moeder op straat was gevonden, door die [slachtoffer 4] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

5.

hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Den Helder en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 5] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 5] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische

mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 5] moest mededelen dat er een overval heeft plaatsgevonden in de woning van haar ouders en/of haar moeder daarbij een acute hartstilstand heeft gehad en direct is overleden en/of haar vader door het hoofd is geschoten en kort daarna is overleden, door die [slachtoffer 5] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

6.

hij op of omstreeks 02 maart 2015 te Lelystad en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 6] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 6] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 6] moest mededelen dat haar moeder was overleden aan een hartaanval en/of dat het waarschijnlijk geen natuurlijke dood was omdat haar

moeder hoofdwonden had en/of dat het zusje van die [slachtoffer 6] niet gebeld kon worden omdat die door haar hoofd was geschoten, door die [slachtoffer 6] onverhoeds te bellen

en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

7.

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Haarlem en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 7] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 7] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van

die functie die [slachtoffer 7] moest mededelen dat haar moeder is gevonden in haar huis en/of dat haar moeder was overleden aan een hartstilstand en/of dat hij zojuist het bericht kreeg dat haar moeder toch nog een hartslag had en/of direct daarachteraan vertelde dat haar moeder toch niet meer leefde en/of dat het mogelijk om een moord zou gaan, door die [slachtoffer 7] onverhoeds te bellen

en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

8.

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Amersfoort en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 8] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 8] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische

mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 8] moest mededelen dat haar moeder dood was aangetroffen en/of met meerdere kogels was vermoord door Jihadisten en/of dat er ook een jongentje was aantroffen bij het lijk van haar moeder en/of dat de daders een briefje met Islamitische teksten op het hoofd van haar moeder

hadden geplakt, door die [slachtoffer 8] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

9.

hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 9] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 9] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 9] moest mededelen dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand en/of dat het lichaam was overgebracht naar het UMC Amsterdam en/of dat zijn daar om 17:00 uur het lichaam moest identificeren anders zou het lichaam overgedragen worden aan de staat, door die [slachtoffer 9] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

10.

hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 10] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 10] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 10] moest mededelen dat haar moeder was overleden,

door die [slachtoffer 10] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

11.

hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 11] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 11] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te

weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 11] moest mededelen dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand en/of dat men nog geprobeerd heeft haar man te reanimeren en/of dat er sprake was van een auto-ongeluk en dat haar zoon ernstig trauma had opgelopen,

door die [slachtoffer 11] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

12.

hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 12] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 12] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te

weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 12] moest mededelen dat twee van haar kinderen waren overleden en/of iets over een overval met kogels, door die [slachtoffer 12] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

13.

hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 13] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 13] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de

hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 13] moest mededelen dat haar moeder was overleden aan een acute hartstilstand, door die [slachtoffer 13] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

14.

hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Vianen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 14] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 14] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 14] moest mededelen dat haar moeder was overleden en/of dat haar moeder tijdens een beroving was neergestoken door die [slachtoffer 14] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

15.

hij op of omstreeks 03 maart 2015 te Almere en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 15] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 15] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 15] moest mededelen dat zijn dochter was aangeredenbij een kruispunt in Almere en/of dat de dader is doorgereden en/of dat zijn dochter is overleden,

door die [slachtoffer 15] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

- hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

- de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenswekkende en/of aandachtverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

16.

hij op of omstreeks 22 augustus 2015 te Alkmaar [slachtoffer 16] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte, terwijl hij met zijn gezicht heel dicht voor haar stond, die [slachtoffer 16] opzettelijk dreigend (meermalen) de woorden toegevoegd :"Ik

kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In de periode van 8 februari 2015 tot en met 16 maart 2015 zijn in ieder geval 71 personen gebeld door een man die zich (telkens) uitgaf als medewerker van de politie. Deze man deelde vervolgens de gebelde personen mee dat een familielid van hen slachtoffer was geworden van een misdrijf of een ongeval en dat het familielid als gevolg daarvan was overleden. Van deze 71 personen hebben er 32 aangifte gedaan. Verdachte wordt voor 15 zaken vervolgd (feiten 1 tot en met 15).

Verdachte heeft erkend dergelijke telefoontjes te hebben gepleegd, maar heeft tevens verklaard zich de details van de specifieke gesprekken niet te kunnen herinneren.

De rechtbank dient daarom in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of het verdachte is geweest die de aangevers/aangeefsters heeft gebeld met een dergelijke mededeling. Indien de rechtbank dat bewezen acht zal zij zich moeten uitspreken over de vraag of verdachte zich door aldus te handelen heeft schuldig gemaakt aan dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verdachte – die zulks ontkent – zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 16] (feit 16).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat, gelet op de aangiftes, de historische gegevens van het telefoonnummer van verdachte en de eigen verklaring van verdachte, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de aangevers/aangeefsters heeft gebeld waarbij hij zich heeft voorgedaan als medewerker van de politie met de mededelingen zoals die zijn ten laste gelegd.

Volgens de officier van justitie kunnen deze gedragingen gekwalificeerd worden als dwang. De feitelijkheid bestond in misleiding: de mededelingen van verdachte dat hij van de politie was en een vervelend bericht voor de aangevers/aangeefsters had, maakten dat zij aan de lijn bleven en, daartoe aldus gedwongen, hebben moeten aanhoren (dulden) dat een familielid zou zijn overleden. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 16 ten laste gelegde bedreiging.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat het bellen door verdachte weliswaar ongepast en zeer vervelend was, maar dat onverhoeds bellen op zich geen dwang oplevert en dat niet duidelijk is welke vrijheid door het bellen is beperkt.

Met betrekking tot het onder 16 ten laste gelegde feit heeft de raadsman betoogd dat er onvoldoende overtuigend bewijs is.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feiten 1 tot en met 15

Algemeen

De rechtbank baseert haar beslissing omtrent de tenlastelegging op de inhoud van diverse bewijsmiddelen, die in het onderstaande verkort en zakelijk worden weergegeven. Hierna zal de rechtbank beoordelen hoe een en ander juridisch moet worden geduid.

Aangiftes

[slachtoffer 1] (feit 1)

Op 6 maart 2015 heeft [slachtoffer 1] aangifte2 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2 maart 2015 werkzaam was bij [bedrijf 1] te Den Haag. Omstreeks 16.50 uur hoorde zij de telefoon overgaan en nadat zij deze had opgenomen hoorde zij een man vragen of zij mevrouw [slachtoffer 1] was. Toen zij zei dat dat klopte, zei de man dat hij van de politie was en vroeg of zij rustig kon gaan zitten. Hierop vertelde de man dat de moeder van [slachtoffer 1] bij een woningoverval met meerdere messteken om het leven was gebracht. Op het moment dat de man dit tegen haar zei, voelde het alsof haar leven instortte. Vervolgens vertelde de man dat er in de woning van de moeder een briefje was aangetroffen, waarop in het Arabisch stond geschreven: “uw dochters zijn de volgende.” Het gesprek heeft ongeveer 15 minuten geduurd.

[slachtoffer 2] (feit 2)

Op 4 maart heeft [slachtoffer 2] aangifte3 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 19 februari 2015 aan het werk was bij [bedrijf 2] te Delft en dat zij daar om 15.06 uur de telefoon heeft opgenomen. De beller was een man die op een rustige en serieuze wijze tegen haar zei dat hij van de technische recherche was, dat hij wat verschrikkelijks moest vertellen en aan haar vroeg of ze kon gaan zitten. De angst sloeg [slachtoffer 2] om het hart en zij stond te trillen op haar benen. Zij dacht dat haar man of broer iets was overkomen. Vervolgens hoorde [slachtoffer 2] de man zeggen dat het over haar moeder ging waarop zij reageerde dat die al vijf jaar eerder was overleden. Uiteindelijk werd de verbinding verbroken. Het incident hield [slachtoffer 2] enorm bezig en zij wilde in het begin ook niet meer de telefoon opnemen op haar werk. Ook vindt zij het onbegrijpelijk dat iemand haar zonder aanleiding heeft opgezadeld met een grote vrees en verdriet in verband met het verlies van een familielid.

[slachtoffer 3] (feit 3)

Op 4 maart 2015 heeft [slachtoffer 3] aangifte4 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 17 februari 2015 rond 11.00 uur aanwezig was op haar werk [bedrijf 3] te Delft, toen zij door een mannelijke collega werd geroepen met de mededeling dat hij de politie aan de telefoon had. Op het moment dat [slachtoffer 3] de telefoon opnam hoorde zij dat de man zei dat hij van de technische recherche was, dat hij een vervelend bericht had en dat zij moest gaan zitten. Vervolgens zei de man dat de moeder van [slachtoffer 3] was overleden. [slachtoffer 3] schrok en zij wilde de man van alles vragen. De man zei dat hij geen antwoord kon geven op de vraag waar en hoe het was gebeurd omdat het een moordonderzoek betrof. Er was naast het hoofd van de moeder van [slachtoffer 3] een stomp voorwerp met daarop bloed aangetroffen. [slachtoffer 3] kon de volgende dag om 17.00 uur haar moeder identificeren. Uiteindelijk verbrak de man de verbinding. Door [slachtoffer 3] en haar collega’s is vervolgens gebeld naar diverse familieleden van [slachtoffer 3] . Het kantoor was anderhalf uur lang in rep en roer en moest tot de lunch gesloten worden.

[slachtoffer 4] (feit 4)

Op 5 maart 2015 heeft [slachtoffer 17] aangifte5 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2 maart 2015 omstreeks 18.15 uur aan het werk was in [bedrijf 4] te Haarlem. Er werd gebeld op de werktelefoon. Zij nam op en hoorde een mannenstem die zei dat hij van de recherche Haarlem was, dat zij even moest gaan zitten en dat haar moeder een hartinfarct had gehad. [slachtoffer 17] brak in huilen uit en was erg van slag. Een collega van haar heeft vervolgens het nummer van haar broer Sander aan de beller gegeven.

Op 3 maart 2015 heeft [slachtoffer 4] aangifte6 gedaan en daarbij verklaard dat zijn vriendin op 2 maart 2015 omstreeks 18.23 uur telefonisch werd benaderd door een man die zei dat hij van de technische recherche was en dat hij akelig/afschuwelijk nieuws had over de moeder van aangever [slachtoffer 4] . Nadat aangever de telefoon van zijn vriendin had overgenomen, zei de man wederom dat hij van de technische recherche was, dat hij verschrikkelijk nieuws over de moeder van [slachtoffer 4] had, dat zij was overleden aan een hartstilstand en dat zij op straat was gevonden. Toen [slachtoffer 4] dit hoorde, schrok hij heel erg en stond hij te trillen op zijn benen. Uiteindelijk heeft hij de verbinding verbroken. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en was helemaal van slag.

[slachtoffer 5] (feit 5)

Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 5] aangifte7 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 16 februari 2015 als receptionist werkzaam was bij [bedrijf 5] te Den Helder. Tussen 16.45 uur en 17.00 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij dat een man zich voorstelde als Willemsen van de technische recherche. De man sprak rustig, zei dat hij belde met een vervelende mededeling en vroeg of [slachtoffer 5] even kon gaan zitten. De man vertelde dat er een overval had plaatsgevonden in de woning van de ouders van aangeefster. Hierbij had de moeder van aangeefster een acute hartstilstand gekregen, waardoor zij direct was overleden. De vader van aangeefster was door zijn hoofd geschoten en was kort daarna overleden. Aangeefster raakte erg overstuur en heeft uiteindelijk de verbinding verbroken. Het gesprek heeft ongeveer 10 à 15 minuten geduurd. Na deze gebeurtenis is aangeefster erg van slag geweest. Ook haar werkzaamheden als receptionist hebben eronder geleden, omdat zij bang was om de telefoon op te nemen.

[slachtoffer 6] (feit 6)

Op 2 maart 2015 heeft [slachtoffer 6] aangifte8 gedaan en daarbij verklaard dat zij die dag aan het werk was bij [bedrijf 6] te Lelystad. Omstreeks 09.00 uur nam [slachtoffer 6] de telefoon op en hoorde zij een man zeggen dat hij een rechercheur van de politie was, dat haar moeder was overleden ten gevolge van een hartaanval en dat er waarschijnlijk geen sprake was van een natuurlijke dood gelet op de hoofdwonden bij de moeder. Aangeefster kon haar zusje niet meer bellen aangezien deze door haar hoofd was geschoten. De man zei desgevraagd dat hij van de recherche Leeuwarden was. Op enig moment vertelde aangeefster dat ze de beller niet geloofde, waarop de man zei dat zij er was ingetrapt. Hierop werd aangeefster boos en is ze de confrontatie aangegaan, omdat ze heel erg was geschrokken.

[slachtoffer 7] (feit 7)

Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 7] aangifte9 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 14 februari 2015 in [bedrijf 7] te Haarlem aan het werk was. Om 16.10 uur nam zij de werktelefoon op en hoorde zij een mannelijke beller zeggen dat hij van de politie, recherche Kennemerland Haarlem, was en dat hij op zoek was naar aangeefster. Hierbij sprak de man met een kalme en professionele stem. De man zei vervolgens dat hij een vervelende mededeling had, dat de moeder van aangeefster in haar huis was gevonden en dat zij was overleden aan een hartstilstand. Ook zei de man dat aangeefster naar het AMC moest komen voor een schouwing. Even later zei de man dat hij bericht kreeg dat de moeder van aangeefster weer een lichte hartslag had, maar kort hierna zei hij dat dit toch niet het geval was. Vervolgens zei de man dat het mogelijk om een moord zou gaan, omdat er een huls in de woning was gevonden. Uiteindelijk heeft aangeefster opgehangen. Na het gesprek voelde zij zich een wees en bang en eenzaam. Er gingen veel spanningen en verdriet door haar heen. Zij is het hele weekend van slag geweest.

[slachtoffer 8] (feit 8)

Op 14 maart 2015 heeft [slachtoffer 8] aangifte10 gedaan en daarbij verklaard dat zij werkzaam is bij [bedrijf 8] te Amersfoort. Op 14 februari 2015 nam zij daar omstreeks 18.50 uur de telefoon op. De beller was een man die zich voorstelde als Mark Plasman van de technische recherche. De man vertelde [slachtoffer 8] dat haar moeder dood was aangetroffen. [slachtoffer 8] raakte in paniek, het was alsof de grond onder haar voeten wegzakte. De man vertelde dat haar moeder met meerdere kogels was vermoord door jihadisten. Op de vraag wat er met haar broertje was gebeurd antwoordde de man dat er ook een jongetje was aangetroffen bij het lijk van haar moeder. Ook vertelde de man dat de daders op het hoofd van haar moeder een briefje met islamitische teksten hadden geplakt. Omdat de moeder en het broertje van [slachtoffer 8] die week in Parijs waren, kwam het verhaal van de man heel realistisch over. Uiteindelijk is de verbinding verbroken. Het gesprek heeft ongeveer 15 tot 20 minuten geduurd. [slachtoffer 8] is onmiddellijk naar het politiebureau gegaan. Aldaar, nadat [slachtoffer 8] haar moeder had gesproken, was de ontlading groot en barstte zij in tranen uit.

[slachtoffer 9] (feit 9)

Op 17 februari 2015 heeft [slachtoffer 9] aangifte11 gedaan en daarbij verklaard dat zij een dag eerder omstreeks 12.45 uur de telefoon opnam bij haar werk op de [bedrijf 9] te Nijmegen. De [slachtoffer 9] hoorde dat een man zei dat hij van de recherche Nijmegen was, dat hij slecht nieuws had, dat zij even moest gaan zitten en dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand. Het lichaam van de moeder van aangeefster was overgebracht naar het UMC Amsterdam en aangeefster zou daar om 17.00 uur het lichaam moeten identificeren, anders zou het lichaam worden overgedragen aan de Staat. Na het gesprek was [slachtoffer 9] met twee collega’s de winkel uitgelopen. Zij was er ontzettend van geschrokken.

[slachtoffer 10] (feit 10)

Op 2 maart 2015 heeft [slachtoffer 10] aangifte12 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 17 februari 2015 aan het werk was bij [bedrijf 10] te Nijmegen. Tussen 11.00 uur en 11.15 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij een man zeggen dat hij van de rijksrecherche of technische recherche was. De man vroeg of aangeefster even kon gaan zitten, of iets van die strekking, en zei vervolgens dat de moeder van aangeefster was overleden. Aangeefster heeft de verbinding verbroken. Zij geloofde niet dat de boodschap echt was, maar uit woede en onmacht heeft zij wel een traan laten vallen. Zij voelde zich mentaal mishandeld.

[slachtoffer 11] (feit 11)

Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 11] aangifte13 gedaan en daarbij verklaard dat zij dezelfde dag omstreeks 07.55 uur de telefoon heeft opgenomen bij haar werk, [bedrijf 11] te Nijmegen. Vervolgens hoorde zij een man zeggen dat hij van de technische recherche was en dat hij slecht nieuws had. Aangeefster schrok heel erg en dacht gelijk dat haar man was overleden. Ze riep: “Er is toch niets mis met mijn man?”. Daarop zei de beller dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand, dat ze hebben geprobeerd hem te reanimeren maar dat dat niet mocht baten. Aangeefster kreeg het gevoel dat haar wereld in elkaar stortte en was enorm overstuur. Even later zei de man dat er een auto-ongeluk was gebeurd, dat ook haar kinderen daarbij betrokken waren en dat haar zoon een ernstig trauma had opgelopen. De man was gedurende het hele gesprek heel kalm.

[slachtoffer 12] (feit 12)

Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 12] aangifte14 gedaan en daarbij verklaard dat zij een dag eerder aan het werk was bij [bedrijf 12] te Nijmegen. Omstreeks 07.50 uur had zij de telefoon opgenomen en hoorde zij dat een man zei dat hij meneer Willems van de politie Nijmegen was, dat hij heel slecht nieuws had, dat aangeefster even moest gaan zitten, dat er iets met haar kinderen was gebeurd en dat twee kinderen waren overleden. Verder zei de man iets over een overval met kogels. De baas van aangeefster heeft het gesprek uiteindelijk weggedrukt. Aangeefster is moeder van drie kinderen en is verschrikkelijk geschrokken van dit telefoongesprek.

[slachtoffer 13] (feit 13)

Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 13] aangifte15 gedaan en daarbij verklaard dat zij twee dagen eerder werkzaam was bij [bedrijf 13] te Nijmegen. Daar heeft zij omstreeks 08.15 uur de telefoon opgenomen waarna zij een man hoorde zeggen dat hij Willemsen van de politie of recherche was, dat zij beter even kon gaan zitten en dat hij slecht nieuws over haar moeder had. Aangeefster raakte hierdoor enigszins in verwarring. De man zei dat het serieus was en dat de moeder van aangeefster was overleden aan een acute hartstilstand. Aangeefster heeft de verbinding verbroken. Zij was hevig aan het trillen, kon geen woord meer uitbrengen en begon te huilen. Ze wilde haar moeder gaan bellen, maar kreeg het niet voor elkaar omdat ze zo bibberde.

[slachtoffer 14] (feit 14)

Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 14] aangifte16 gedaan en daarbij verklaard dat zij dezelfde dag aan het werk was in de [bedrijf 14] te Vianen. Omstreeks 15.55 uur kreeg aangeefster te horen dat er telefoon voor haar was. De mannelijke beller zei dat hij van de technische recherche was en dat de moeder van aangeefster was overleden. Aangeefster voelde een enorm golf van stress en verdriet opkomen en begon te huilen en te schreeuwen. Vervolgens vertelde de man dat haar moeder bij een beroving was neergestoken, dat er losgeld naast haar op de grond lag en dat er gezien was dat twee Marokkaanse jongens waren weggelopen.

[slachtoffer 15] (feit 15)

Op 5 maart 2015 heeft [slachtoffer 15] aangifte17 gedaan en daarbij verklaard dat hij op 3 maart 2015 omstreeks 19.00 uur in Beverwijk werd gebeld op zijn huistelefoon. Het telefoonnummer is tevens het nummer van de Bed and Breakfast van aangever. Aangever hoorde dat een man zich voorstelde als Willemsen van de technische recherche Almere. De man had een ferme, niet weifelende stem en zei dat aangever even moest gaan zitten. Vervolgens zei de man dat de dochter van aangever was aangereden bij een kruispunt in Almere, dat de dader is doorgereden en zijn dochter is overleden. Aangever heeft de telefoon aan zijn vrouw gegeven. Hij hoorde achteraf van zijn vrouw dat hij in elkaar is gezakt tegen de bank.

Telefoongegevens

Verdachte heeft verklaard dat het [telefoonnummer] sinds januari 2014 bij hem in gebruik is.18 Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat er telkens met dit nummer is gebeld naar (het werk van) de aangeefsters/aangevers op de dagen en tijden zoals die in de aangiftes zijn vermeld.19

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard20 dat hij meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat hij van de politie was en dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Hij zei dat hij van de politie was omdat men hem dan zou geloven. Hij zocht via Google naar telefoonnummers en wist vooraf niet wie de telefoon zou opnemen. Een aantal keer heeft hij mensen horen huilen tijdens het telefoongesprek.

Tussenconclusie ten aanzien van feiten 1 tot en met 15

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die zich in de periode van 8 februari 2015 tot en met 16 maart 2015 over de telefoon telkens heeft voorgedaan als iemand van de politie of technische recherche en die vervolgens vanuit die valse hoedanigheid aan de aangevers/aangeefsters heeft medegedeeld dat een of meer van hun dierbaren waren overleden.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte zich door aldus te handelen schuldig heeft gemaakt aan dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen met betrekking tot dwang

Voor een bewezenverklaring van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. De onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag of verdachte door middel van een feitelijkheid de aangevers/aangeefsters wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden.

Feitelijkheid

De aangevers/aangeefsters zijn bijna allen – met uitzondering van [slachtoffer 15] (wiens huistelefoon tevens de telefoon van zijn Bed & Breakfast was) en aangever [slachtoffer 4] (die is gebeld naar aanleiding van een telefoontje naar het werk van zijn zus) – gebeld op een telefoonnummer van hun werk. Zij waren op het moment van bellen (onder meer) werkzaam in de detailhandel, in de horeca en bij uitzendbureaus. De door verdachte gepleegde telefoongesprekken waren steeds op tijdstippen waarop het gebruikelijk is dat er gebeld wordt naar dergelijke bedrijven. Zo werd er door verdachte vroeg in de morgen gebeld naar bakkerijen en belde verdachte tegen het einde van de middag naar cafés en restaurants. De rechtbank overweegt dat het voor werknemers – wanneer zij binnen de gebruikelijke werktijden de werktelefoon opnemen – niet gangbaar is dat er voor hen persoonlijk wordt gebeld. Als dit toch gebeurt, dan zal dit door hen worden opgevat als dat er iets bijzonders aan de hand is. Aldus is sprake van onverhoeds bellen.

Verdachte heeft bovendien telkens direct in het begin van de verschillende telefoongesprekken de valse hoedanigheid van politieagent of (technisch) rechercheur aangenomen. Gedurende de telefoongesprekken uitte hij zich blijkens meerdere aangiftes op een zeer rustige, beheerste en professionele wijze. Verdachte presenteerde zich dus op een manier die zou kunnen passen bij de wijze waarop een echte politieagent of rechercheur zich zou uitdrukken. Vervolgens ontvingen de aangevers/aangeefsters in het gros van de gevallen – terwijl zij op dat moment dus in de veronderstelling verkeerden dat zij spraken met een politieagent of rechercheur – de mededeling dat verdachte slecht nieuws had en/of kregen zij het advies om even te gaan zitten, welk advies ook kan worden opgevat als de opmaat naar slecht nieuws.

De rechtbank stelt voorop dat het doen van een mondelinge uitlating (in dit geval: een mededeling over de telefoon) niet zonder meer als feitelijkheid in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank echter sprake van meer dan een enkele mondelinge uitlating. Verdachte heeft immers, zoals hiervoor is overwogen, telkens in de valse hoedanigheid van politieagent of (technisch) rechercheur onverhoeds contact opgenomen met de aangevers/aangeefsters. Hiermee heeft hij misbruik gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon dat men (telefonische) mededelingen van hulpverleners, zoals de politie, aanhoort en serieus neemt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een combinatie van feitelijkheden, te weten onverhoeds handelen (bellen op het werk) en misleiding (zich presenteren als politieagent of rechercheur met slecht nieuws).

Wederrechtelijkheid

Het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ wordt doorgaans uitgelegd als ‘handelen zonder bevoegdheid’, waaronder ook handelen in strijd met de maatschappelijk betamelijkheid wordt begrepen. Een enkele onbevoegde en laakbare handeling levert niet zonder meer wederrechtelijkheid op. Het moet gaan om een gedraging waarvan de verdachte moet hebben beseft dat hij daarmee de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid verre overschreed (vgl. Hoge Raad 9 februari 1971, NJ 1972, 1). De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte hieraan voldoen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de aard en de inhoud van de mededelingen, te weten het melden van een (gruwelijke) dood van een of meer familieleden, alsmede dat verdachte telkens al tijdens de gesprekken is geconfronteerd met hevige emoties van de aangevers/aangeefsters.

Dwingen tot dulden

Het dulden heeft eruit bestaan dat de aangevers/aangeefsters hebben moeten aanhoren dat een of meerdere van hun dierbaren waren overleden. Volledig onverwacht werden ze geconfronteerd met dit heftige nieuws, waaraan zij zich redelijkerwijs niet konden onttrekken. Vaak bleef het niet bij deze enkele mededeling. Verdachte heeft soms gesprekken van meer dan tien minuten gevoerd, waarbij door hem steeds nieuwe – vaak gruwelijke– elementen werden toegevoegd aan de initiële boodschap. Als gevolg hiervan werden de aangevers/aangeefsters overweldigd door hevige emoties waardoor zij begonnen te huilen, trillen en schreeuwen, maar ook ineenzakten en verkrampten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door het voeren van deze (minutenlange) telefoongesprekken inbreuk gemaakt op de vrijheid van aangevers/aangeefsters om gevrijwaard te blijven van negatieve emoties en leed.

Causaliteit

Ten slotte is vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de feitelijkheid en het dulden. De rechtbank overweegt dat verdachte door de feitelijkheden – onverhoeds bellen, zich voordoen als politieagent, het voorbereiden op slecht nieuws – een situatie heeft geschapen waarin aangevers/aangeefsters zich niet konden onttrekken aan het gesprek en aldus gedwongen werden voor kortere of langere tijd te blijven luisteren. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve ook voldaan aan de causaliteitseis.

Conclusie ten aanzien van feiten 1 tot en met 15

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de feitelijke gedragingen zoals die zijn tenlastegelegd heeft begaan, en tevens tot het oordeel is gekomen dat deze gedragingen als dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden gekwalificeerd, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 16

Aangifte

Op 22 augustus 2015 heeft [slachtoffer 16] aangifte21 gedaan van bedreiging. Zij heeft verklaard dat zij dezelfde dag met haar vriend en driejarige zoontje over de [adres 2] te Alkmaar liep toen een man naar haar toe kwam lopen. De man zei: “God damn hot ass”, waarop de vriend van aangeefster hier iets van zei. De man kwam vervolgens erg dicht bij aangeefster staan, zijn neus tegen haar neus, wat erg bedreigend op haar overkwam. Vervolgens heeft de man haar meermalen voor kankerhoer uitgemaakt en seksueel getinte opmerkingen richting haar gemaakt. Op het moment dat aangeefster zei dat ze daar niet van was gediend begon de man haar te bedreigen met teksten als: “ik kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal af.” Hierbij nam de man een agressieve houding aan. Vervolgens is aangeefster weggelopen en is de man achter aangeefster aan blijven lopen, waarbij hij de bedreigingen herhaalde. De man kwam opnieuw met zijn neus tegen haar neus staan, waardoor aangeefster het gevoel had dat de man haar iets zou aandoen.

Verklaring [getuige]

De vriend van aangeefster, [getuige]22, heeft verklaard dat een man een opmerking maakte over de billen van aangeefster. Hierop zei [getuige] : “hey joh”. Hij zag dat de man richting aangeefster liep en met zijn neus tegenover haar neus is ging staan. [getuige] kan zich niet meer precies herinneren wat de man heeft gezegd. Hij was in shock, net als aangeefster, die stond te trillen op haar benen en wit was weggetrokken. Voorts hoorde hij aangeefster meermalen zeggen dat ze het niet leuk vond wat de man deed. waarop de man reageerde dat dit hem niet interesseerde. [getuige] hoorde dat de man aangeefster meerdere keren voor kankerhoer uitmaakte. Nadat [getuige] en aangeefster waren doorgelopen is de man achter hen aan blijven lopen. [getuige] heeft verklaard dat de man zeer bedreigend was en dat aangeefster helemaal in paniek was.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster op straat is tegengekomen, dat hij een opmerking over de billen van aangeefster heeft gemaakt, dat zij boos werd en dat hij op korte afstand tegenover haar is gaan staan.23 Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft bedreigd.

Conclusie van de rechtbank met betrekking tot feit 16

Ondanks de ontkenning van verdachte acht de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 16 ten laste gelegde bedreiging. De aangifte wordt in voldoende mate ondersteund door de verklaring van [getuige] , die zich weliswaar de precieze bewoordingen die door verdachte zijn geuit niet kan herinneren maar wel heeft verklaard over de dreigende houding van verdachte en de uitwerking daarvan op aangeefster en zichzelf, en door de verklaring van verdachte dat hij op korte afstand van aangeefster is gaan staan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij op 2 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop in het Arabisch de tekst "Uw dochters zijn de volgende",

door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie was en

- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;

2.

hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 2] door een feitelijkheid wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat er verschrikkelijk nieuws was en dat het om haar moeder ging,

door die [slachtoffer 2] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was en

- hij, verdachte, slecht nieuws had en

- of de door verdachte gebelde persoon kon gaan zitten;

3.

hij op 17 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat er een moordonderzoek was gestart en dat er een stomp voorwerp met bloed daarop naast het hoofd van haar moeder was gevonden en dat die [slachtoffer 3] de volgende middag om 17:00 uur haar moeder kon identificeren,

door die [slachtoffer 3] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was en

- hij, verdachte, een vervelende mededeling had en

- de door verdachte gebelde persoon moest gaan zitten;

4.

hij op 02 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 4] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 4] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat zijn moeder was overleden aan een hartstilstand en dat zijn moeder op straat was gevonden,

door die [slachtoffer 4] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was en

- hij, verdachte, slecht nieuws had,

althans door woorden van soortgelijke vertrouwenwekkende en aandachtverhogende aard en strekking te zeggen;

5.

hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 5] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 5] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat er een overval heeft plaatsgevonden in de woning van haar ouders en haar moeder daarbij een acute hartstilstand heeft gehad en direct is overleden en haar vader door het hoofd is geschoten en kort daarna is overleden,

door die [slachtoffer 5] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was en

- hij, verdachte, een vervelende mededeling had en

- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;

6.

hij op 02 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 6] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 6] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden aan een hartaanval en dat het waarschijnlijk geen natuurlijke dood was omdat haar moeder hoofdwonden had en dat het zusje van die [slachtoffer 6] niet gebeld kon worden omdat die door haar hoofd was geschoten,

door die [slachtoffer 6] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie/recherche was;

7.

hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 7] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 7] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder is gevonden in haar huis en dat haar moeder was overleden aan een hartstilstand en dat hij zojuist het bericht kreeg dat haar moeder toch nog een hartslag had en direct daarachteraan vertelde dat haar moeder toch niet meer leefde en dat het mogelijk om een moord zou gaan,

door die [slachtoffer 7] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie/recherche was en

- hij, verdachte, een vervelende mededeling had;

8.

hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 8] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 8] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder dood was aangetroffen en met meerdere kogels was vermoord door jihadisten en dat er ook een jongentje was aantroffen bij het lijk van haar moeder en dat de daders een briefje met islamitische teksten op het hoofd van haar moeder hadden geplakt,

door die [slachtoffer 8] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was;

9.

hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 9] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 9] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand en dat het lichaam was overgebracht naar het UMC Amsterdam en dat zij daar om 17:00 uur het lichaam moest identificeren, anders zou het lichaam overgedragen worden aan de Staat,

door die [slachtoffer 9] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de recherche was en

- hij, verdachte, een vervelende mededeling had en

- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke vertrouwenwekkende en aandachtverhogende aard en strekking te zeggen;

10.

hij op 17 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 10] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 10] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden,

door die [slachtoffer 10] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de recherche was en

- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;

11.

hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 11] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 11] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand en dat men nog geprobeerd heeft haar man te reanimeren en dat er sprake was van een auto-ongeluk en dat haar zoon ernstig trauma had opgelopen,

door die [slachtoffer 11] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de recherche was en

- hij, verdachte, slecht nieuws had;

12.

hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 12] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 12] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat twee van haar kinderen waren overleden en iets over een overval met kogels,

door die [slachtoffer 12] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie was en

- hij, verdachte, slecht nieuws had en

- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke vertrouwenwekkende en aandachtverhogende aard en strekking te zeggen;

13.

hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 13] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 13] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden aan een acute hartstilstand,

door die [slachtoffer 13] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie/recherche was en

- hij, verdachte, slecht nieuws had en

- de door verdachte gebelde persoon beter even kon gaan zitten;

14.

hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 14] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 14] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat haar moeder tijdens een beroving was neergestoken,

door die [slachtoffer 14] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was;

15.

hij op 03 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 15] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 15] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat zijn dochter was aangereden bij een kruispunt in Almere en dat de dader is doorgereden en dat zijn dochter is overleden,

door die [slachtoffer 15] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de recherche was en

- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;

16.

hij op 22 augustus 2015 te Alkmaar [slachtoffer 16] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte, terwijl hij met zijn gezicht heel dicht voor haar stond, die [slachtoffer 16] opzettelijk dreigend meermalen de woorden toegevoegd: "Ik kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal af".

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feiten 1 tot en met 15:

telkens: een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden

ten aanzien van feit 16:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een werkstraf niet uitvoerbaar is en heeft gewezen op het reeds ingezette behandeltraject.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dwang door een groot aantal personen telefonisch te confronteren met het (door hem verzonnen) bericht dat een of meer familieleden waren overleden. De slachtoffers werden niet alleen volstrekt overvallen door verdachte, tijdens de telefoongesprekken bleef verdachte bovendien gruwelijke elementen aan zijn verhalen toevoegen. Hiermee heeft hij de slachtoffers veel verdriet, angst en woede bezorgd. Zelfs nadat de slachtoffers hadden ontdekt dat hun dierbaren nog in leven waren, waren deze heftige emoties niet onmiddellijk verdwenen, zoals volgt uit de aangiftes en de toelichtingen bij de vorderingen van de benadeelde partijen. Daarbij heeft verdachte zich telkens voorgedaan als politieagent of rechercheur met als doel dat de slachtoffers de verschrikkelijke boodschap ook zouden geloven. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen dat mensen moeten kunnen hebben in de politie aangetast.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een bedreiging van een willekeurige voorbijganger op straat. Deze confrontatie waarbij verdachte zich uit het niets zeer agressief heeft gedragen, is voor het slachtoffer erg beangstigend geweest.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen het strafblad van verdachte van 30 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging, waarvoor hij nog in een proeftijd liep, en dat hij na het plegen van de onderhavige feiten is veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie, welke veroordeling nog niet onherroepelijk is.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapporten van 8 oktober 2015 en 14 december 2015, opgesteld door drs. J. Koeman, Orthopedagoog Generalist en drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog. De rapporteurs concluderen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, een gedragsstoornis, een identiteitsprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, en daarnaast van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Deze problematiek was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. De feiten 1 tot en met 15 zijn volgens de rapporteurs gepleegd vanuit hoog opgelopen frustratie en woede en vanuit de wens om serieus genomen en gerespecteerd te worden. Verdachte is impulsief en in beperkte mate in staat om zich in te leven in de ander, wat maakt dat hij nauwelijks remming heeft ervaren door het leed dat hij zijn slachtoffers toebracht. De rapporteurs adviseren om het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Over feit 16 kunnen de rapporteurs geen uitspraak doen, omdat verdachte dit feit heeft ontkend. De kans op herhaling wordt als hoog ingeschat.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 14 december 2015, opgesteld door dr. J. Vreugdenhil, psychiater. De rapporteur concludeert dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde aanwezig. Door de zwakbegaafdheid loopt verdachte meer frustraties op, terwijl hij daardoor, maar vooral ook door de persoonlijkheidsstoornis, ook een gebrekkige frustratietolerantie heeft. Verdachte heeft een grote behoefte om de agressie uit te leven. Hij kan zich op cognitief niveau inleven in wat anderen het ergste zal raken, maar wordt in zijn handelen niet geremd door een goed functionerend geweten, een goed ontwikkelde affectieve empathie en een adequate coping. De rapporteur adviseert om verdachte voor het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Over feit 16 heeft de psychiater zich niet uitgelaten. De kans op herhaling wordt als hoog ingeschat.

Alle rapporteurs achten een intensieve behandeling door het Forensische Assertive Community Treatment team (ForACT) van GGZ Noord-Holland geïndiceerd. Daarnaast kan verdachte voor zijn posttraumatische stressstoornis worden behandeld met EMDR therapie en is Psychomotore Therapie een goede therapie om de agressieregulatie en de impulscontrole te verbeteren. Het is wenselijk om het toezicht en de begeleiding van verdachte te splitsen, namelijk toezicht door de reclassering en begeleiding door ForACT.

De rechtbank heeft ten slotte kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 2 februari 2016, opgesteld en ondertekend door N. Schilder, reclasseringswerker, en H. van Dijk, leidinggevende, alsmede van de mondelinge toelichting van deskundige N.J.C. Schilder ter terechtzitting van 26 april 2016. De reclassering schat de kans op recidive en de kans dat verdachte zich onttrekt aan voorwaarden in als hoog. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling door ForACT, gericht op agressieregulatie, impulscontrole, frustratietolerantie en traumabehandeling. Deze behandeling is reeds aangevangen.

In het reclasseringsadvies heeft de reclassering aangegeven dat gelet op de complexe (persoonlijkheids)problematiek van verdachte de voortgang en uitvoerbaarheid van een werkstraf ernstig worden bemoeilijkt. Desgevraagd heeft N.J.C. Schilder ter terechtzitting hieraan toegevoegd dat een gevangenisstraf niet wenselijk is gelet op het reeds ingezette behandeltraject. Binnen dit kader wordt gezocht naar een dagbesteding op maat. Voor het kunnen uitvoeren van een werkstraf zullen vaardigheden moeten worden opgebouwd bij verdachte. Schilder heeft verklaard dat verdachte mogelijk op een later tijdstip in staat zal zijn om een werkstraf uit te voeren, maar dat zij dit niet kan garanderen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij bereid is om aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden zijn medewerking te verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat de Pro Justitia rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusie van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusie, die betrekking heeft op de feiten 1 tot en met 15, dan ook over en maakt deze tot de hare. Voorts acht de rechtbank, gelet op de inhoud van de rapportages, verdachte ook ten aanzien van feit 16 verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet op de ernst van de problematiek van verdachte en het als hoog ingeschatte recidiverisico acht de rechtbank in elk geval een stevige voorwaardelijke straf met een proeftijd van drie jaar en met de geadviseerde bijzondere voorwaarden aangewezen. Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de feiten is de rechtbank van oordeel dat ook een onvoorwaardelijke straf moet volgen. Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank gaat ervan uit dat de reclassering voor wat betreft de taakstraf te zijner tijd een passend project voor verdachte zal vinden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 93,87, bestaande uit materiële schade.

[slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] hebben zich allen als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 500,-, bestaande uit immateriële schade.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 200,-, bestaande uit immateriële schade.

[slachtoffer 14] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 515,17, bestaande uit € 8,51 aan reiskosten, € 6,66 aan parkeerkosten en € 500,- immateriële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van alle vorderingen en heeft gevorderd daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de benadeelde partijen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]

De vordering is door of namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 93,87, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 februari 2015, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 14]

De rechtbank begrijpt dat de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zijn gebaseerd op aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Voor de toewijsbaarheid van dergelijke vordering is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Een enkel psychisch onbehagen is niet voldoende, in beginsel zal sprake moeten zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Op dit punt zijn uitzonderingen mogelijk in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de bewezenverklaarde feiten een dusdanig ernstige inbreuk op de vrijheid van handelen van de slachtoffers dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. De rechtbank acht daarom vergoeding van smartengeld aan de orde en zal de vorderingen te dien aanzien naar billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 150,-.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 14] overweegt de rechtbank voorts dat de gevorderde reis- en parkeerkosten door of namens verdachte niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank zal daarom de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 14] toewijzen tot een bedrag van € 165,17, bestaande uit (de reeds toegewezen) € 150,- immateriële schade en € 15,17 aan reis- en parkeerkosten.

De rechtbank zal voorts met betrekking tot al deze vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de pleegdatum.

De rechtbank zal de vorderingen voor het overige afwijzen.

Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Aangezien verdachte voor de onder 3, 4, 5, 6, 7, 8, 12, 13, 14 en 15 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van:

  • -

    een bedrag groot € 93,87 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 8], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 12], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 13], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 15], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    een bedrag groot € 165,17 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 14], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van

de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 11 februari 2014 voorwaardelijk opgelegde werkstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 30 uren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft over de vordering tot tenuitvoerlegging geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 8 januari 2016 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 11 februari 2014, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 16 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 tot en met 15:

telkens: een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden

ten aanzien van feit 16:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Drechterwaard 102 te Alkmaar, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van het forensisch ACT van de GGZ Noord Holland Noord, of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling/behandelaar zullen worden gegeven ook indien dit betreft: individuele psychomotore therapie (PMT), traumabehandeling door middel van EMDR en huisbezoeken;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 11 februari 2014, gewezen onder parketnummer

15/049631-13, te weten een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren;

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] een bedrag van

€ 93,87, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de overige benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer 4] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 5] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 6] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 7] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 8] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 12] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 13] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 15] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 14] , een bedrag van € 165,17,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vorderingen voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 93,87, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 8] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 12] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 13] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 15] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 165,17,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 14] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit ten aanzien van feiten 1 t/m 15 de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2015.068410, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 2 t/m 336) en ten aanzien van feit 16 de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1100-2015204388, van de politie eenheid Noord-Holland, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 20).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , blz. 32 t/m 35.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , blz. 28 t/m 30.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 3] , blz. 17 t/m 19.

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 17] , blz. 71 t/m 72.

6 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 4] , blz. 78 t/m 80.

7 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 5] , blz. 102 t/m 104.

8 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 6] , blz. 109 t/m 110.

9 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 7] , blz. 153 t/m 155.

10 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 8] , blz. 172 t/m 174.

11 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 9] , blz. 175 t/m 176

12 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 10] , blz. 183 t/m 184.

13 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 11] , blz. 194 t/m 196.

14 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 12] , blz. 187 t/m 189.

15 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 13] , blz. 202 t/m 204.

16 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 14] , blz. 207 t/m 209.

17 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 15] , blz. 215 t/m 217.

18 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 maart 2015, verdachtendossier, blz. 27; verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 26 april 2016.

19 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 134 t/m 146.

20 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 26 april 2016.

21 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 16] , blz. 7 t/m 8.

22 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , blz. 9 t/m 10.

23 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 26 april 2016.