Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:11709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
C/09/505898 / HA ZA 16-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opstalverzekering: polisvoorwaarden van toepassing? Risicowijziging door aanwezigheid grote hoeveelheid softdrugs in woonhuis. Verzekeraar heeft verzekeringsovereenkomst terecht beeindigd, vordering tot verwijdering gegevens uit registers afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/505898 / HA ZA 16-220

Vonnis van 28 september 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Aegon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 februari 2016;

  • -

    de akte inbreng producties van [eiser] met producties 1 tot en met 27;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2016, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 augustus 2016;

  • -

    de brief van mr. Schirmeister van 23 augustus 2016 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Het vonnis zal worden gewezen met inachtneming van de opmerkingen van mr. Schirmeister en voor zover nodig zal daarop nader worden ingegaan.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 22 december 1994 eigenaar van een woonhuis met onder meer een schuur, gelegen aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

2.2.

[eiser] heeft de woning met ingang van 28 december 1994 (onder meer tegen brand) verzekerd bij Aegon. Deze opstalverzekering maakt onderdeel uit van een zogenaamd “Woon- & Vrije Tijdpakket”. Het verzekerd bedrag bedraagt € 525.300,-. De polis biedt geen garantie tegen onderverzekering.

2.3.

Ten tijde van de verzekeringsaanvraag werd [eiser] bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon [A] . Op enig moment heeft de heer [B] van Holland Noord Verzekeringen de taken van [A] als tussenpersoon van [eiser] overgenomen. Tussen 2002 en 2013 trad de heer [C] van [… 1] op als assurantietussenpersoon van [eiser] en sinds 19 november 2013 is dat de heer [D] van [… 2] .

2.4.

Op verzekeringen die horen tot het Aegon Woon- & Vrije Tijdpakket zijn in beginsel van toepassing de polisvoorwaarden met nummer 3002. Deze voorwaarden bepalen – voor zover van belang – het volgende.

8. Wijzigingen

(…)

8.2.2

U bent verplicht ons zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden, in kennis te stellen van elke belangrijke verandering van het risico, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

- verandering in gebruik of bestemming van het woonhuis;

(…)

- iedere uitbreiding of verandering van de verzekerde hoedanigheid.

8.2.3

Na melding van een risicowijziging als hiervoor bedoeld hebben wij het recht de premie en voorwaarden te herzien, dan wel de verzekering of de betreffende verzekerde rubriek, met inachtneming van een opzegtermijn van 30 dagen, te beëindigen.

8.2.4

Indien melding van een risicowijziging als hiervoor bedoeld niet of niet tijdig geschiedt, vervalt het recht op schadevergoeding 2 maanden na de datum van risicowijziging. Het vorenstaande geldt niet als de verzekering na kennisgeving van de risicowijziging ongewijzigd zou zijn voortgezet. Indien wij de verzekering slechts tegen een hogere premie of op gewijzigde voorwaarden zouden hebben voortgezet, vindt vergoeding van een eventuele schade plaats in verhouding van de betaalde tot de te betalen premie respectievelijk met inachtneming van die gewijzigde voorwaarden.”

2.5.

Op het in het geding gebrachte polisblad (2014), behorend bij de verzekering van [eiser] , staat de navolgende passage:

“De polisvoorwaarden van het AEGON Woon- & VrijeTijdpakket nr. 3002 vindt u op onze website www.aegon.nl. De voorwaarden zijn tevens geregistreerd bij de KvK onder nummer 27085000, gevestigd te Den Haag. Wilt u de polisvoorwaarden thuis gestuurd krijgen? Neem dan contact op met uw tussenpersoon of AEGON.”

2.6.

Op 30 augustus 2013 heeft de politie onderzoek gedaan in de woning en bijbehorende schuur van [eiser] . [eiser] , die eigenaar is van een drietal coffeeshops, is daarbij aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Blijkens de verschillende processen-verbaal van bevindingen (producties 8 tot en met 10 bij dagvaarding) en de daarbij behorende ruimlijst (productie 11 bij dagvaarding) is onder andere het volgende in beslag genomen:

- 39 vuilniszakken en grote plastic zakken met losse hennep;

- 35 kleine zakjes met losse hennep;

- 25 bakken en dozen met hennep en henneptoppen;

- 1 plakkaat hennep

- 2 tassen met plakken hasj;

- 1 los blok hasj;

- 5 bakken en dozen met hasj;

- 1 bak met skunk;

- 1 kartonnen doos met voorgedraaide joints;

- 70 hennepplanten (moederplant);

- 36 hennepplanten (stekken);

- 2 armaturen;

- 1 of 2 assimilatielampen (ruimlijst is slecht leesbaar, opm. rb);

- 1 of 2 elektriciteitssnoeren (ruimlijst is slecht leesbaar, opm. rb);

- 1 schakelbord;

- 2 transformatoren;

- 2 koolstoffilters;

- 3 luchtafzuigers;

- 1 slakkenhuis;

- 2 ventilatoren;

- 1 airco;

- 4 kachels;

- 1 waterton;

- 8 flessen / cans groeimiddel;

- 6 stuks knipbenodigdheden;

- 6 groeitenten;

- 7 weegschalen;

- 3 mixers;

- 1 polynator;

- 1 jointmaakmachine;

- 1 vacumeermachine;

- 2 PH-meters;

- 202 hasjpersen;

- 2 sealmachines;

- 1 zeef.

2.7.

In de nacht van 6 november 2013 is de woning van [eiser] door brand volledig verwoest.

2.8.

[eiser] heeft de brandschade tijdig gemeld aan Aegon en heeft aanspraak gemaakt op dekking onder de polis.

2.9.

De door Aegon ingeschakelde schade-expert heeft de schade blijkens een rapportage van 19 december 2013, inclusief opruimingskosten, vastgesteld op € 717.070,-

2.10.

In opdracht van Aegon is tevens een technische en tactische expertise naar aanleiding van het ontstaan van de brand uitgevoerd door [X] B.V. (hierna: [X] ). De rapportage van [X] vermeldt onder meer het volgende:

“Zoals reeds was gebleken, was de destructie als gevolg van de brand zodanig groot dat het niet mogelijk was het brandverloop te reconstrueren.

Gedurende de schouw van de in het pand aanwezige brandresten werd achter in de schuur van de boerderij op en deels onder de brandresten twee klein model koolstoffilters, het restant van een slakkenhuisventilator evenals een restant van een assimilatielamp en voorschakelapparaat aangetroffen (…). Aansluitend zijn de brandresten in de schuur systematisch geruimd en nader onderzocht. Daarbij werd nog een restant/behuizing van een assimilatielamp aangetroffen evenals een slakkenhuisventilator (…). Dit betroffen alle losse restanten waarvan niets erop wijst dan wel geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat deze apparatuur ten tijde van het ontstaan van de brand in bedrijf waren. Behoudens voormelde restanten van apparatuur werden geen bijzonderheden aangetroffen welke een mogelijke relatie zouden kunnen hebben met het ontstaan van onderhavige brand. (…)

De gedurende de ontruiming in de schuur aangetroffen koolstoffilters, slakkenhuisventilator, restant assimilatielamp en de buiten de boerderij aangetroffen plantenpotten, potgrond en watertank, betreffen alle materialen welke gebruikt worden bij de kweek van onder andere hennep. Gedurende de expertise is vooralsnog echter niet gebleken dat voorafgaande aan de brand in de boerderij daadwerkelijk hennep werd gekweekt. (…)”

2.11.

Naar aanleiding van het door en in opdracht van Aegon uitgevoerde feitenonderzoek, tactisch en technisch onderzoek hebben op 19 november 2013 en 7 augustus 2014 gesprekken plaatsgevonden tussen Aegon en [eiser] .

2.12.

Bij brief van 8 augustus 2014 heeft Aegon uitkering geweigerd en de verzekeringsovereenkomst met [eiser] per direct beëindigd. Daarbij heeft Aegon, voor zover van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“(…)
Wij wijzen uw schadeclaim af. Daarbij royeren wij uw verzekeringsovereenkomst met
directe ingang. De reden hiervoor lichten wij hieronder toe.
(…)
In het politierapport (..) is weergegeven welke grote hoeveelheid goederen (Rb: op 30 augustus 2013) door de politie werden meegenomen. Dit betroffen onder andere 1350
voorgedraaide joints, 65,62 kilogram gedroogde plantdelen, waarbij is gebleken dat dit
43,86 kilogram hennep betrof, 19,16 kilogram bruine substantie, waarbij is gebleken dat dit 17,06 kilogram hasjiesj betrof. (…) Ook staat in het politierapport dat u heeft verklaard uw voorraad voor uw coffeeshops aldaar te hebben opgeslagen.
(…)
Op 7 augustus 2014 hebben wij telefonisch contact met u gehad (…) U verklaarde dat u uw woning gebruikte als opslag voor uw coffeeshops.
(…)
Standpunt
Uit ons onderzoek is vastgesteld dat u opzettelijk een valse voorstelling van zaken heeft
gegeven. Hierdoor zijn wij in onze belangen geschaad.(…) Na ontvangst van het
politierapport blijkt dat u uw woning voor de illegale opslag heeft gebruikt.
(…)
Uit onze administratie is niet gebleken dat u Aegon van een risicowijziging op de hoogte
heeft gebracht.
(…)
Uit het onderzoek is onomstotelijk vastgesteld dat u uw woning voor illegale doeleinden
heeft gebruikt. Met de kennis van heden hadden wij het bij ons verzekerde risico niet
voortgezet en dan waren wij niet geconfronteerd geweest met deze schade. Er is sprake van een verzwarende risico, met een verhoogde kans op brand, inbraak, repressailles, ripdeals etcetera.
(…)
Ons besluit alsmede de genomen maatregelen hebben wij genomen na een zorgvuldige
proportionaliteitsafweging. In uw geval wegen de feiten in ruime mate op tegen de
genomen maatregelen. Met de opslag van hennep en het risicoverzwarende gebruik aan uw
woning is naar ons oordeel sprake van een grove verstoring van de openbare orde en is
sprake van illegale handelingen. Voor Aegon zijn behalve de verzekeringstechnische
aspecten alsmede de maatschappelijke belangen van belang.
(…)
Door uw handelwijze is het benodigde vertrouwen van onze kant weggevallen, waardoor
wij geen prijs meer stellen op voortzetting van de overeenkomst.
(…)
Opname van persoonsgegevens in waarschuwingssystemen
Uw persoonsgegevens zijn hierdoor opgenomen in het incidentenregister van Aegon (…)
(…)
Door de gebleken feiten en omstandigheden hebben wij uw persoonsgegevens opgenomen
in het extern verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS.
(…)
Wij hebben ook het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van
Verzekeraars hiervan op de hoogte gebracht.
(…).”

2.13.

[eiser] heeft op 17 september 2014 op de opzegging van Aegon gereageerd en heeft de daarvoor door Aegon aangevoerde gronden inhoudelijk betwist. Aegon heeft volhard in haar standpunt.

2.14.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen op 30 augustus 2013 is [eiser] op 3 februari 2016 door de politierechter in de Rechtbank Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld voor – kort gezegd – het opzettelijk overtreden van artikel 3 sub C van de Opiumwet, het aanwezig hebben van softdrugs. Ten aanzien van de strafmaat heeft de politierechter overwogen dat het strafbare feit door [eiser] is gepleegd in het kader van de exploitatie van zijn drie coffeeshops, dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet de handelsvoorraad van zijn drie coffeeshops overschrijdt en dat het aanhouden van een dergelijke hoeveelheid – hoewel een illegale activiteit en dus strafbaar – het gevolg is van het gedogen van de verkoop van softdrugs. Daarom is aan [eiser] geen straf of maatregel opgelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat –

  • -

    veroordeling van Aegon tot betaling van een bedrag van € 601.200,-, te vermeerderen met de over dit bedrag verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 januari 2013;

  • -

    veroordeling van Aegon tot het ongedaan maken van de meldingen bij de Stichting CIS en het Centrum voor bestrijding verzekeringscriminaliteit, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat Aegon daarmee in gebreke blijft;

  • -

    veroordeling van Aegon tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten van (in totaal) € 16.783,53, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    te verklaren voor recht dat Aegon gehouden is tot herstel van dekking onder de woonhuisverzekering;

  • -

    veroordeling van Aegon in de proceskosten, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en het nasalaris daaronder begrepen.

3.2.

Aegon voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert, onder meer, veroordeling van Aegon tot uitkering onder de door hem afgesloten woonhuisverzekering. Kern van het geschil is de vraag of Aegon dekking kan weigeren op grond van het bepaalde in de artikelen 8.2.2 en 8.2.4 van de polisvoorwaarden 3002 en of zij terecht tot beëindiging van de overeenkomst is overgegaan.

De polisvoorwaarden

4.2.

[eiser] stelt allereerst dat de door Aegon in deze zaak gehanteerde polisvoorwaarden tussen partijen niet van toepassing zijn en dat Aegon die voorwaarden daarom niet met succes aan [eiser] kan tegenwerpen. [eiser] voert in dit verband aan dat die voorwaarden bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst niet aan hem ter hand zijn gesteld en dat hij die ook daarna nooit heeft ontvangen. Hij beroept zich op de vernietigbaarheid van de gehanteerde polisvoorwaarden op grond van artikel 6:233 sub b BW. Dat beroep op vernietigbaarheid gaat echter naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door Aegon aangevoerde feiten en omstandigheden, niet op. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

In artikel 6:233 sub b BW is bepaald dat bedingen uit de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn als de gebruiker van die algemene voorwaarden aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In artikel 6:234 BW is vervolgens neergelegd onder welke omstandigheden de gebruiker moet worden geacht die redelijke mogelijkheid te hebben geboden. Eén van die mogelijkheden is dat de gebruiker die voorwaarden bij of voor het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld. Op de gebruiker rust de stelplicht en bewijslast ter zake.
Op grond van hetgeen Aegon, als gebruiker van de algemene voorwaarden, in dit verband naar voren heeft gebracht, houdt de rechtbank het ervoor dat [eiser] destijds de mogelijkheid heeft gehad van de polisvoorwaarden kennis te nemen. Allereerst is daarbij relevant dat [eiser] heeft erkend dat hij er mee bekend is dat op verzekeringsovereenkomsten als de onderhavige standaard algemene voorwaarden van toepassing zijn, terwijl voorts onweersproken is gebleven dat ook zijn tussenpersonen daarmee allen uit hoofde van hun functie bekend moeten zijn geweest. Onder die omstandigheden is de blote stelling dat [eiser] de polisvoorwaarden nimmer heeft ontvangen onvoldoende. Immers, zo al juist zou zijn dat [eiser] zelf de polisvoorwaarden bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet rechtstreeks van Aegon heeft ontvangen, geldt dat [eiser] toen werd bijgestaan door een onafhankelijk assurantietussenpersoon, [A] . Nu ervan uitgegaan dient te worden dat ook [A] , als professioneel assurantietussenpersoon, wist dat Aegon standaard algemene voorwaarden hanteert bij verzekeringen als de onderhavige, moet het er voor worden gehouden dat in ieder geval [A] bekend is geweest met de algemene voorwaarden, al dan niet na het opvragen ervan. Indien die voorwaarden vervolgens al niet door hem aan [eiser] zijn doorgezonden, geldt dat de kennisneming van de algemene voorwaarden door de tussenpersoon, in de rechtsverhouding tussen [eiser] en Aegon, aan [eiser] wordt toegerekend. Reeds daarom moeten de voorwaarden worden geacht onderdeel uit te maken van de overeenkomst.

4.4.

De rechtbank tekent daarbij nog aan dat Aegon ter zitting onbetwist heeft gesteld dat haar beleid inhoudt dat zij bij iedere prolongatie van de polis een nieuw polisblad (met daarop een verwijzing naar de toepasselijke polisvoorwaarden) aan de verzekerde of zijn tussenpersoon zendt, en dat zij ook bij iedere wijziging van algemene voorwaarden een exemplaar van die voorwaarden opstuurt. Dat [eiser] , althans zijn assurantietussenpersonen, in al die jaren niet bekend zouden zijn geweest met de toepasselijkheid van algemene voorwaarden is onder die omstandigheden dan ook, zonder nadere toelichting van de betrokken tussenpersonen, die ontbreekt, niet geloofwaardig.

4.5.

De rechtbank zal er in het navolgende dan ook van uitgaan dat de polisvoorwaarden van het Aegon Woon- & VrijeTijdpakket nr. 3002 van toepassing zijn op de onderhavige verzekeringsovereenkomst.

4.6.

Of de bepalingen in de polisvoorwaarden waarop Aegon een beroep doet al dan niet kunnen worden aangemerkt als kernbeding, kan bij die stand van zaken onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor het beroep van [eiser] op het bepaalde in artikel 293 Wetboek van Koophandel.

Meldingsplicht ex artikel 8.2.2?

4.7.

Vervolgens ligt de vraag voor of Aegon terecht een beroep heeft gedaan op schending door [eiser] van de in artikel 8.2.2 van de polisvoorwaarden opgenomen meldingsplicht. Die meldingsplicht houdt, met verwijzing naar 2.4 in dit vonnis, in dat de verzekeringnemer verplicht is Aegon in kennis te stellen van elke belangrijke verandering van het risico, waaronder in ieder geval wordt verstaan een verandering in gebruik of bestemming van het woonhuis en iedere uitbreiding of verandering van de verzekerde hoedanigheid.

4.8.

Aegon heeft de uitkering afgewezen omdat [eiser] , in ieder geval in augustus 2013, ten onrechte niet heeft gemeld dat hij de toen inbeslaggenomen handelsvoorraad voor zijn coffeeshops in zijn woonhuis opsloeg, hetgeen volgens Aegon als verandering in bovenbedoelde zin moet worden geduid. [eiser] heeft betwist dat hij ter zake daarvan een meldingsplicht had, omdat er volgens hem geen sprake is van een verandering in gebruik van het woonhuis.

4.9.

[eiser] heeft daarbij allereerst aangevoerd dat Aegon er vanaf het begin van de verzekeringsovereenkomst van op de hoogte was dat hij coffeeshophouder was en dat het dus voor Aegon kenbaar was, althans had kunnen zijn dat hij – zoals al zijn collega’s – zijn handelsvoorraad thuis opsloeg, zodat Aegon zich thans in redelijkheid niet op een wijziging kan beroepen.

4.10.

De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Dat Aegon er daadwerkelijk mee bekend was dat [eiser] al bij het aangaan van de verzekering zijn handelswaar thuis opsloeg is door Aegon gemotiveerd betwist en door [eiser] in het geheel niet onderbouwd. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat ter zake enige mededeling aan Aegon is gedaan, zodat de rechtbank op dit punt aan bewijslevering niet toekomt.

4.11.

De rechtbank honoreert evenmin de stelling van [eiser] dat Aegon rekening had kunnen en moeten houden met de aanwezigheid van verdovende middelen in zijn woning, nu [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst ook al coffeeshophouder was. Ook wanneer wordt aangenomen dat Aegon ermee bekend was dat [eiser] coffeeshophouder was - hetgeen door Aegon wordt betwist - volgt daaruit niet dat Aegon daaraan de conclusie had moeten verbinden dat [eiser] zijn handelsvoorraad thuis opsloeg. Een feit van algemene bekendheid is dat niet. In dit verband is nog van belang dat [eiser] zelf ter comparitie heeft verklaard dat hij zijn handelsvoorraad ook een periode in (één van) zijn coffeeshop(s), althans daar in de buurt, heeft opgeslagen in verband met transportrisico’s.

4.12.

[eiser] stelt in de tweede plaats dat het feit dat hij – zoals volgens hem vele ondernemers – een deel van zijn handelswaar thuis opsloeg, niet afdoet aan het gebruik van de woning als woonhuis en dat er om die reden geen meldingsplicht bestond. Met Aegon is de rechtbank van oordeel dat met de opslag van handelsvoorraad wel degelijk sprake is van een verandering van het gebruik en van een uitbreiding of verandering van de verzekerde hoedanigheid in de zin van de betreffende polisbepaling. Een woonhuis waar tevens een handelsvoorraad drugs wordt opgeslagen, wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank deels bedrijfspand, terwijl in dit geval slechts “particuliere bewoning” is verzekerd. Daar komt bij dat niet weersproken is dat een bedrijfspand en zeker een pand waarin verdovende middelen worden opgeslagen, een geheel ander risico met zich brengt dan een woonhuis zonder die opslag. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de risico-analyse van Aegon zoals zij die heeft neergelegd in de brief van 8 augustus 2014, onder 2.12 van dit vonnis.

4.13.

De conclusie luidt dan ook dat [eiser] op grond van artikel 8.2.2 van de polisvoorwaarden de verandering van het gebruik aan Aegon had moeten melden.

4.14.

Aegon heeft vervolgens de stelling betrokken dat, indien de risico-wijziging wel (naar de rechtbank begrijpt in ieder geval in augustus 2013) gemeld was, zij de polis zou hebben beëindigd, met als gevolg dat het woonhuis van [eiser] ten tijde van de brand op 6 november 2013 niet langer bij Aegon verzekerd zou zijn geweest. Om die reden weigert Aegon uitkering van de brandschade.

4.15.

[eiser] meent dat onder de gegeven omstandigheden beëindiging van de polis niet aan de orde kan zijn en beroept zich voorts op het ontbreken van causaal verband tussen de schending van de polisvoorwaarden en de brandschade.

Gevolgen van de schending van artikel 8.2.2 van de polisvoorwaarden

4.16.

Op Aegon rust in beginsel de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat zij bij tijdige melding door [eiser] van het gewijzigd gebruik van de woning de verzekeringsovereenkomst zou hebben beëindigd. Aegon heeft in dit verband gesteld dat zij zich verre wenst te houden van criminele activiteiten en geen drugspand wenst te verzekeren. [eiser] heeft de stellingen van Aegon gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn werkzaamheden als coffeeshophouder voor Aegon in het verleden geen beletsel waren om een verzekeringsovereenkomst met hem aan te gaan, zodat niet aannemelijk is dat Aegon de overeenkomst in verband met de bedrijfsmatige opslag zou hebben beëindigd. Als Aegon haar beleid in de loop van de jaren zou hebben gewijzigd, dan geldt dat [eiser] van deze beleidswijziging niet op de hoogte was en dat deze hem dus niet kan worden tegengeworpen, aldus nog steeds [eiser] .

4.17.

Voor de beantwoording van de vraag of Aegon de verzekering bij tijdige melding van de opslag van de handelsvoorraad drugs zou hebben voortgezet, eventueel onder andere voorwaarden, komt het aan op hetgeen een redelijk handelend verzekeraar zou hebben gedaan. Onder de gegeven omstandigheden neemt de rechtbank als vaststaand aan dat Aegon als redelijk handelend verzekeraar bij tijdige melding door [eiser] van het feit dat hij zijn handelsvoorraad drugs in de woning opsloeg, de overeenkomst niet zou hebben voortgezet. Daartoe is van belang dat, zoals Aegon ook uitvoerig heeft betoogd, voor een verzekeraar naast het objectieve gebruiksrisico ook het morele risico afgewogen dient te worden bij het antwoord op de vraag of een (gewijzigd) risico verzekerd moet worden of blijven. Bovendien acht de rechtbank het te billijken dat een redelijk handelend verzekeraar ook om andere redenen niet met drugs gerelateerde activiteiten geassocieerd wenst te worden. Dat er enkele verzekeraars zijn die mogelijk wel tot verzekering van bijvoorbeeld coffeeshops overgaan – volgens Aegon overigens onder strikte voorwaarden en tegen (zeer) hoge premies – doet daaraan niet af.

4.18.

Nu ervan uit moet worden gegaan dat Aegon de verzekering al voorafgaand aan de brand zou hebben beëindigd en ook mocht beëindigen indien [eiser] zijn meldingsplicht zou zijn nagekomen, kan [eiser] geen aanspraak maken op uitkering onder de verzekering. De rechtbank tekent aan dat bij deze stand van zaken niet wordt toegekomen aan de vraag naar causaal verband tussen de risicowijziging en de schade. De vordering van [eiser] tot herstel van de verzekeringsdekking zal worden afgewezen.

Opname in databanken

4.19.

Tot slot dient nog de vraag te worden beantwoord of Aegon [eiser] terecht, in verband met het schenden van de mededelingsplicht, heeft opgenomen in haar eigen incidenten- en verwijzingsregister en melding heeft gedaan bij Stichting CIS en het Centrum voor bestrijding verzekeringscriminaliteit.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat het Aegon vrijstond, gelet op het aan [eiser] gemaakte verwijt, om [eiser] op te nemen in haar interne registers. De vraag is of ook de opname in de externe registers onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is.

4.21.

De rechtbank stelt voorop dat opname in het extern verwijzingsregister van Stichting CIS voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het externe verwijzingsregister vaststellen dat sprake is van opname in het incidentenregister van een andere deelnemer. Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent de opname vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de gronden voor opname in bedoeld register. Dit uitgangspunt is terug te vinden in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen.

4.22.

Daartegenover staat, dat wie fraudeert, extern mag worden geregistreerd bij Stichting CIS, om verzekeringsfraude tegen te gaan. Wel is de verzekeraar gehouden te onderzoeken of door de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, zoals de geringe ernst van het bedrog of de betrekkelijk geringe gevolgen ervan, externe registratie bij de Stichting CIS onevenredig hard zou zijn (Raad van Toezicht Verzekeringen 20 februari 2006, nr. 2006/013 Re).

4.23.

Aegon beroept zich er op dat [eiser] heeft verzwegen dat hij, gedurende langere tijd, de handelsvoorraad van zijn coffeeshops in zijn woning heeft opgeslagen. [eiser] heeft door de niet-melding daarvan aan Aegon de mogelijkheid onthouden onderzoek te doen naar het objectieve gebruiksrisico en het morele risico en de daaraan verbonden risico’s met betrekking tot het verzekerd belang. Mede gelet op het strafrechtelijk verwijtbare karakter van de opslag door [eiser] , vormt de verzwijging daarvan een voldoende zwaarwegende reden voor vermelding van de persoonsgegevens van [eiser] in het extern verwijzingsregister, aldus Aegon. [eiser] betwist dat er voldoende redenen zijn voor opname in het register. De rechtbank acht onder de gegeven omstandigheden opname in het externe register gegrond en proportioneel. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval het belang van Aegon (en de financiële sector) bij registratie te prevaleren boven de nadelige gevolgen voor [eiser] als gevolg van die registratie. Het feit dat de strafrechter [eiser] geen straf of maatregel heeft opgelegd naar aanleiding van diens strafrechtelijke veroordeling, maakt dat niet anders. Weliswaar heeft de politierechter overwogen dat het gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop van softdrugs ertoe leidt dat die drugs ook ergens moeten worden opgeslagen, maar dat ontslaat de verkoper van die drugs niet van zijn verplichting om zijn verzekeraar op de hoogte te brengen van een dergelijke opslag, wanneer deze daarop niet bedacht hoeft te zijn. Tot onverzekerbaarheid leidt dit overigens niet: [eiser] heeft immers ter zitting te kennen gegeven dat hij ook voor zijn coffeeshops een opstalverzekering heeft kunnen afsluiten bij een andere verzekeraar.

4.24.

Het oordeel van de rechtbank dat Aegon in de omstandigheden van het geval de persoonsgegevens van [eiser] mocht opnemen in het extern verwijzingsregister van Stichting CIS, brengt mee dat de gegevens van [eiser] ook bij het Centrum voor bestrijding verzekeringscriminaliteit gemeld mochten worden. De vordering van [eiser] tot ongedaan making van de meldingen zal dan ook worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.25.

Nu de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, komen ook de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding door Aegon in aanmerking. De daartoe strekkende vordering zal worden afgewezen.

4.26.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen. De kosten aan de zijde van Aegon worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 9.030,00 (3,5 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 12.933,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op € 12.933,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. W.A.G.J. Ferenschild en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2016.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: