Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
AWB 15/4084
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet is komen vast te staan dat de Nederlandse autoriteiten een officieel verzoek hebben ontvangen van de Minister van Repatriation and Refugees in Afghanistan om de uitzettingen naar Afghanistan stop te zetten. Onduidelijk is aan wie de brief 6 maart 2015 is gericht en daarnaast is hij niet rechtstreeks afkomstig van de minister van Afghanistan. Verder wordt in de brief genoemd dat de Minister heeft besloten de voorwaarden van de MoU’s in heroverweging te nemen, terwijl niet is gebleken dat hiertoe ook reeds concrete stappen zijn gezet. Er is geen formeel bericht vanuit de autoriteiten van Afghanistan gekomen over de wijziging in het beleid van de Afghaanse autoriteiten.

Eisers standpunt dat er geen zicht op uitzetting naar Afghanistan bestaat , volgt de rechtbank niet. Het feit dat bij een uitzetting van twee personen hen de toegang tot Afghanistan is geweigerd is niet van dusdanige strekking dat kan worden gezegd dat het zicht op uitzetting in algemene zin is komen te ontbreken, nu op 13 maart 2015 en op 17 maart 2015 vreemdelingen succesvol zijn uitgezet naar Afghanistan. Hierbij is niet van belang of dit uitzettingen zijn geweest vanuit Nederland of vanuit een ander Europees land, nu thans de vraag voorligt of Afghanistan in algemene zin vreemdelingen aanvaardt en niet specifiek vreemdelingen afkomstig uit Nederland. Hierbij is niet van belang op welke grondslag de EU-staat aan deze vreemdelingen is verstrekt en of er sprake is geweest van gedwongen vertrek of vrijwillig vertrek van ongedocumenteerde vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/4084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1980], van gestelde Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 februari 2015 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd. Eiser heeft op 11 maart 2015 aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Verweerder heeft op 18 maart 2015 op verzoek van de rechtbank nadere inlichtingen verstrekt.

Eiser heeft hier op 19 maart 2015 op gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven de zaak op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht zonder nadere zitting af te doen.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2015 (AWB 15/2974) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Eiser heeft aangevoerd dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, gelet op verklaringen van de Afghaanse autoriteiten geen vreemdelingen te willen aannemen en gelet op het feit dat twee vreemdelingen die zijn uitgezet bij de grens van Afghanistan zijn geweigerd. Eiser heeft een artikel bijgevoegd met de voetnoot ‘update 2015 nr. 8; jaargang 21; 25 februari 2015’, hierna genoemd ‘de update’. Hierin wordt een artikel op Kabulblogs.com beschreven waarin staat dat de nieuwe Afghaanse minister van Vluchtelingen en Terugkeer, in een brief aan verschillende Europese landen opgeroepen heeft gedwongen uitzettingen naar Afghanistan te staken. Het ministerie wenst geen uitzettingen te laten plaatsvinden totdat er nieuwe afspraken zijn gemaakt met de deporterende landen met wie in het verleden een Memorandum of Understanding (MoU) is gesloten. Verder staat er in ‘de update’ dat Staatssecretaris Teeven in zijn brief van 25 februari 2015 heeft verklaard dat Nederland tot op dat moment geen brief met een dergelijke strekking heeft ontvangen en voor zover bekend Noorwegen evenmin. Wel meldt de Staatssecretaris dat op 24 februari 2015 bij een uitzetting van twee personen naar Kabul (zonder een artikel 1F-Vluchtelingenverdrag-achtergrond) problemen zijn gerezen over de toegang tot Afghanistan en dat thans wordt gesproken met de Afghaanse autoriteiten om de achtergrond hiervan na te gaan.

Verder heeft eiser een schrijven van 6 maart 2015 van de ambassadeur van Afghanistan te Londen overgelegd waarin het volgende wordt omschreven:

‘the current stance by the Ministry of Migration and Repatriation Affairs on the issue is as follows: The Ministry of Migration and Repatriation Affairs of Afghanistan has decided to reconsider the terms of the existing Memorandum of Understandings through diplomatic channels and requisted partner countries to suspend the deportation of Afghan Migrants until decided otherwise, where the Ministry can provide the necessary services to returning Afghans. Until that time, the Ministry cannot accept responsibility regarding any Afghan Deportee.’

Daarnaast verwijst eiser naar een artikel in het Eindhovens dagblad van 7 maart 2015 waarin staat dat een woordvoerster van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft bevestigd dat Nederland een brief van de Afghaanse ambassade heeft ontvangen waarin wordt gevraagd te stoppen met uitzetten. Ook Noorwegen heeft zo’n brief gehad, aldus het artikel. De woordvoerster wordt geciteerd: ‘Nederland is altijd bereid tot overleg en wacht de voorstellen van Afghanistan af. Voorlopig veranderen we het uitzetbeleid naar dat land niet’. Verder staat in het artikel dat de Nederlandse autoriteiten in overleg zijn met de Afghaanse autoriteiten over de recente uitzettingen van twee personen naar Kabul die zijn mislukt.

Voorts heeft eiser een vertaald artikel ingebracht van 11 maart 2015 afkomstig van de website van de Afghaanse ambassade. Hierin staat dat de ambassadeur van Afghanistan op 25 februari 2015 een officiële vergadering heeft gehouden met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) met het onderwerp ‘stoppen met gedwongen uitzetting van Afghanen naar Afghanistan’. Ook staat er dat de Afghaanse ambassadeur heeft verklaard dat terugkeer naar Afghanistan optioneel en niet verplicht moet plaatsvinden.

Subsidiair stelt eiser dat dient te worden volstaan met toepassing van een lichter middel.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het artikel in het Eindhovens dagblad van 7 maart 2015 een onjuiste weergave van zaken is geschetst. De brief waarvan de ontvangst is bevestigd door de woordvoerster van het ministerie van Veiligheid en Justitie, betreft de brief van de Afghaanse ambassade zoals deze op internet circuleert, en niet de gestelde brief van de minister van Repatriation and Refugees in Afghanistan, zoals deze op de internetpagina Kabulblog.com is verschenen. Verweerder licht toe dat er geregeld contact is tussen de Nederlandse en Afghaanse autoriteiten rondom geplande uitzettingen. Daarnaast is er op 25 februari 2015 een kennismakingsgesprek gevoerd tussen de DT&V en de Afghaanse ambassadeur. Tijdens dat gesprek zijn ook de gestelde opmerkingen van de Afghaanse minister van Repatriation and Refugees besproken. Het Nederlandse standpunt, zoals ook verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van 25 februari 2015 van de staatssecretaris, blijft ook thans gehandhaafd. Te meer, omdat vanuit de autoriteiten van Afghanistan nog steeds geen formeel bericht is ontvangen over de wens het MoU aan te passen. DT&V onderhoudt contacten met de Afghaanse ambassade in Den Haag. In het gesprek is nogmaals benadrukt dat indien Afghanistan dit wenst Nederland altijd bereid is de afspraken rond terugkeer te bespreken wanneer daar een concreet voorstel toe ligt, en dat in de tussentijd gedwongen terugkeer wel mogelijk dient te blijven. Het Nederlandse standpunt is ook door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Afghaanse overheid overgebracht. Van Afghaanse zijde is hierop tot op heden geen reactie ontvangen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat over de reden van toegangsweigering van de twee personen van Nederland naar Kabul op 24 februari 2015 inmiddels tussen de Nederlandse en Afghaanse autoriteiten contact is geweest. Hierover zal nog een vervolgoverleg gaan plaatsvinden. De staatssecretaris ziet thans geen aanleiding om aan te nemen dat Afghaanse vreemdelingen worden geweigerd door de Afghaanse autoriteiten. Er vinden nog steeds presentaties plaats bij de autoriteiten van Afghanistan, waarbij de Afghaanse nationaliteit wordt bevestigd en een EU-staat wordt afgegeven.

Verweerder verklaart verder dat sinds het kennismakingsgesprek van 25 februari 2015 meerdere personen zijn uitgezet uit meerdere Europese landen, waaronder uit Nederland, en aan de grens zijn geaccepteerd. Vrijdag 13 maart 2015 (aankomst 14 maart 2015) heeft nog een uitzetting op EU-staat plaatsgevonden en de meest recente uitzetting op EU-staat naar Afghanistan dateert van 17 maart 2015 (aankomst 18 maart 2015). Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat er inzake Afghanistan nog immer zicht op uitzetting bestaat.

5. Uit de verstrekte voortgangsgegevens en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder op 18 februari 2015 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser en dat de laissez-passeraanvraag van eiser op 25 februari 2015 naar de Afghaanse autoriteiten is verzonden. De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat de Nederlandse autoriteiten een officieel verzoek hebben ontvangen van de Minister van Repatriation and Refugees in Afghanistan om de uitzettingen naar Afghanistan stop te zetten. De brief van 6 maart 2015 van de ambassadeur uit Londen is daartoe onvoldoende, evenals de artikelen in dagbladen en op internet daarover. Onduidelijk is aan wie deze brief is gericht en daarnaast is hij niet rechtstreeks afkomstig van de minister van Afghanistan. Verder wordt in de brief genoemd dat de Minister heeft besloten de voorwaarden van de MoU’s in heroverweging te nemen, terwijl niet is gebleken dat hiertoe ook reeds concrete stappen zijn gezet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat er geen formeel bericht vanuit de autoriteiten van Afghanistan is gekomen over de wijziging in het beleid van de Afghaanse autoriteiten en dat terecht op dit formele bericht wordt gewacht.

Eisers standpunt dat er geen zicht op uitzetting naar Afghanistan bestaat omdat bij een uitzetting van twee personen hen de toegang tot Afghanistan is geweigerd, volgt de rechtbank niet. Niet is gebleken dat de achtergrond van voornoemde weigering van dusdanige strekking is dat kan worden gezegd dat het zicht op uitzetting in algemene zin is komen te ontbreken. De rechtbank ziet in wat eiser thans heeft aangevoerd hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Voorts overweegt de rechtbank dat op 13 maart 2015 en op 17 maart 2015 vreemdelingen succesvol zijn uitgezet naar Afghanistan. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen nu niet is gebleken dat deze vreemdelingen zijn teruggestuurd. De rechtbank acht niet van belang of dit uitzettingen zijn geweest vanuit Nederland of vanuit een ander Europees land, nu thans de vraag voorligt of Afghanistan in algemene zin vreemdelingen aanvaardt en niet specifiek vreemdelingen afkomstig uit Nederland. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om nadere informatie te vragen op welke grondslag de EU-staat aan deze vreemdelingen is verstrekt en of er sprake is geweest van gedwongen vertrek of vrijwillig vertrek van ongedocumenteerde vreemdelingen. De rechtbank overweegt dat verweerders informatie betrekking heeft op recente uitzettingen.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat.

7. Voor wat betreft eisers standpunt met betrekking tot de Kabul-check overweegt de rechtbank dat deze grond niet kan worden meegenomen in de procedure. Ter zitting is nadrukkelijk afgesproken dat de schorsing van het onderzoek slechts zag op het verkrijgen van nadere informatie met betrekking tot de ontvangst van de brief bij de Nederlandse autoriteiten en eisers reactie op deze informatie. Deze beroepsgrond had daarom eerder in de procedure moeten worden gebracht en zal thans buiten beschouwing worden gelaten.

8. Eiser voert in het kader van de toepassing van een lichter middel aan dat hij in een herhaalde asielprocedure zit en dat er een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. Eiser had een GBA inschrijving en een uitkering. Eiser voert aan dat hij familie heeft die hem kan opvangen en dat er daarom geen gevaar voor onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser stelt zich op het standpunt dat kan worden volstaan met het opleggen van een meldplicht.

9. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:232), rechtsoverweging 2.2, waarin is overwogen dat de vraag of andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan een bewaring doeltreffend kunnen worden toegepast, niet terughoudend moet worden getoetst.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de oplegging van de maatregel van bewaring onder meer ten grondslag heeft gelegd dat eiser (a) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; (b) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; (c) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; (d) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid en (e) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

11. Eisers beroepsgrond dat hij beschikte over een uitkering is reeds in het eerste beroep behandeld. De rechtbank ziet thans geen aanleiding anders te oordelen. De overige gronden heeft eiser niet bestreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor de conclusie dat er een reëel risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in wat eiser zelf heeft verklaard. In het vertrekgesprek van 18 februari 2015 heeft eiser namelijk verklaard niet mee te zullen werken aan terugkeer naar Afghanistan en heeft eiser geweigerd het laissez-passeraanvraagformulier in te vullen. Mede gelet op de omstandigheid dat niet is gebleken dat eiser ook maar iets heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht toepassing van een lichter middel van toezicht achterwege heeft gelaten. Dat er een herhaalde asielaanvraag en een verzoek om een voorlopige voorziening liggen, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat dit niet het risico op onttrekken raakt.

12. Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.